CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.6 Quickscan natuur

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Coppelenberg 3 Merselo.11.018 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2 alinea's met “opening”: 133 134

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING COPPELENBERG 3 TE MERSELO

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Coppelenberg 3 te Merselo Opdrachtgever

Gemeente Venray Postbus 400 5800 AM Venray

Rapportnummer Versienummer

18194.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

1 april 2022

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 – 5001600 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw R.H.A. Janssen, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw J.J.R.M. van den Berg, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen ......................................................................................................................... 14 Amfibieën ........................................................................................................................ 14 Vissen ............................................................................................................................. 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Planten ............................................................................................................................ 15

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18194.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van de gemeente Venray opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Coppelenberg 3 te Merselo. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 18194.001 versie D1

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 5.550 m²) ligt aan de Coppelenberg 3, in de kern van Merselo. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten in het midden van de onderzoekslocatie X = 192.611, Y = 393.582. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood kader bij gele pijl).

De onderzoekslocatie bestaat uit twee deelgebieden (figuur 2). Deelgebied 1 bestaat uit een basisschool en omliggend terrein. De basisschool is opgetrokken uit bakstenen en heeft een plat dak. Het omliggend terrein bestaat uit een deels verhard schoolplein, met gras, zandbak, enkele bomen, hagen en aangeplant groen. Deelgebied 2 bestaat uit een voormalig jeugdhuis dat momenteel in gebruik is als kringloopwinkel. Het voormalige jeugdhuis is opgetrokken uit bakstenen met een dakpannen dak en heeft een zolder die voorheen werd gebruikt als opslag voor de kringloopwinkel. Rondom het jeugdhuis is verharding aanwezig met enkele hagen. Zowel de basisschool als het jeugdhuis liggen in de kern van Merselo, de directe omgeving bestaat dan ook uit een kerk, kerkhof, woonhuizen en tuinen. De omgeving van het dorp Merselo bestaat uit agrarische percelen en boerderijen. Aan de noord- en westkant bevinden zich de ballonzuilbossen en Meerselsche Peel. Ten oosten bevindt zich het dorp Venray. Ten zuiden loopt de Loobeek. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 10 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 18194.001 versie D1

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving met deelgebied 1 (basisschool en omliggend terrein) en deelgebied 2 (jeugdhuis).

Figuur 3. Ingang basisschool (deelgebied 1), kijkrichting westen.

Figuur 4. Plein ten oosten van de basisschool.

Figuur 5. Ingang basisschool en schoolplein (deelgebied 1), kijkrichting noordwesten.

Figuur 6. Basisschool met schoolplein, hagen, aangeplant groen en enkele bomen (deelgebied 1), kijkrichting westen.

Figuur 7. Schoolplein Basisschool (deelgebied 1), kijkrichting westen.

Figuur 8. Schoolplein basisschoolschool (deelgebied 1), kijkrichting zuiden.

Rapport 18194.001 versie D1

Figuur 9. Jeugdhuis (deelgebied 2), kijkrichting westen.

2.2

Figuur 10. Jeugdhuis (deelgebied 2), kijkrichting zuidwesten.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de basisschool te slopen. Voor het jeugdhuis zijn de exacte plannen op het moment van schrijven van onderhavige quickscan nog niet bekend. De nieuwe invulling van het gebied is niet bekend.

Rapport 18194.001 versie D1

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 11 maart 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 18194.001 versie D1

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 18194.001 versie D1

4.3

Gebiedsbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 18194.001 versie D1

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteund. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden en bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgrond. Daarnaast komen op bestemmingsplanniveau ook andere bestemmingen en functies voor waaronder infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen.

Het beleid voor de bronsgroene landschapszones is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 18194.001 versie D1

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1 t/m 3)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, steenuil en torenvalk. Boomvalk, havik, ransuil en torenvalk Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van boomvalk, havik, ransuil en torenvalk. Deze soorten zijn allen voor hun nest afhankelijk van (hoge) boomopstand. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Op circa 65 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is een eksternest waargenomen (figuur 11 en 12). Roofvogels als boomvalk en ransuil bouwen zelf geen nest, maar maken gebruik van oude kraaien- of eksternesten. Dit in combinatie met de ligging van de nesten aan de rand van een dorp aan het agrarisch buitengebied, is het niet op voorhand uit te sluiten dat deze nesten in gebruik zijn door een van bovengenoemde soorten. Negatieve effecten ten aanzien van roofvogels en ransuil is bij de voorgenomen werkzaamheden in deelgebied 1 en 2 dan ook niet op voorhand uit te sluiten.

Figuur 11. Eksternest op circa 65 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie.

Rapport 18194.001 versie D1

Figuur 12. Eksternest.

Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn typisch gebouwbewonende koloniebroeders. De nesten van de gierzwaluw bevinden zich over het algemeen binnen de bebouwde kom. De huismus daarentegen wordt zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen. Deelgebied 1 (huismus) De klimop groeiend aan de noordgevel van de basisschool biedt geschikte nestgelegenheden aan de huismus (figuur 13). Negatieve effecten ten aanzien van de huismus zijn bij de sloop van de basisschool niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 13. De klimop aan de noordgevel van de basisschool dat als geschikte nestlocatie voor de huismus kan dienen

Deelgebied 2 (huismus en gierzwaluw) De dakgoot van het jeugdhuis kan toegang bieden voor de huismus onder het dak welke, door de aanwezigheid van een dakbeschot, een geschikte nestgelegenheid kan bieden voor de huismus (figuur 14 en 15). Daarnaast vormen de ruimte achter een kapot rooster, ruimte onder losliggende dakpannen en ruimte op enkele plekken onder de loodflappen geschikte nestlocaties voor de huismus (figuur 16 en 17). Gedurende het veldbezoek is een huismus waargenomen die via de dakgoot onder de dakpannen kroop. Daarnaast is een oude nestlocatie van de huismus waargenomen en zijn krijtsporen waargenomen onder het kapotte rooster (figuur 16 en 18). Het jeugdhuis is daarnaast geschikt voor zowel de gierzwaluw als de huismus vanwege de ruimte langs de dakrand die zowel de huismus als gierzwaluw toegang geven tot onder de dakpannen (figuur 19). Indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt, zijn negatieve effecten ten aanzien van de huismus en gierzwaluw niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 14. Dakgoot die toegang biedt voor de huismus onder het dak.

Figuur 15. Dakbeschot.

Figuur 16. Kapot rooster met krijtstropen.

Figuur 17. Ruimte onder dakpannen en onder loodflappen, potentiele nestlocatie voor de huismus.

Figuur 18. Kapotte dakpan met een potentieel oud nest van de huismus.

Figuur 19. Ruimte onder de dakrand, potentiele nestlocatie voor zowel de huismus als de gierzwaluw.

Rapport 18194.001 versie D1

Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt vlakbij stromend water, in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Aangezien broedgelegenheden in de vorm van een nis in een muur, bruggen, boomwortels nabij oevers of nestkasten niet aanwezig zijn op of nabij de onderzoekslocatie, ontbreken geschikte broedgelegenheden voor de grote gele kwikstaart. De aanwezigheid van een nestlocatie van de grote gele kwikstaart op de onderzoekslocatie kan dan ook worden uitgesloten en verstoring ten aanzien van de grote gele kwikstaart is niet aan de orde. Ooievaar Ooievaars broeden op hoge plaatsen zoals bomen, torens, schoorstenen en hoogspanningsmasten en nesten zijn hierdoor gemakkelijk te herkennen. Er zijn echter geen nesten van ooievaars op of nabij de onderzoekslocatie aangetroffen. Verstoren ten aanzien van de ooievaar is niet aan de orde. Bosuil, kerkuil en steenuil De bosuil, kerkuil en steenuil zijn veelal afhankelijk van bebouwing en/of door de mens geplaatste nestkasten als nestgelegenheid. De bosuil en steenuil broeden daarnaast in voldoende grote boomholten. Geschikte nestgelegenheden voor zowel de bosuil, kerkuil als steenuil ontbreken op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en deelgebied 2) door een van deze soorten. Omdat zowel deelgebied 1 als deelgebied 2 grotendeels verhard is, is de onderzoekslocatie ook niet geschikt als foerageergebied voor de bosuil, kerkuil of steenuil. Negatieve effecten ten aanzien van de bosuil, kerkuil en steenuil, als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook uitgesloten. Boerenzwaluw en huiszwaluw De huiszwaluw en boerenzwaluw zijn beide afhankelijk van bebouwing als nestlocatie. De gemetselde nesten van de boerenzwaluw bevinden zich over het algemeen in het agrarisch buitengebied waar gebroed wordt in open schuren en onder brede dakoverstekken, vaak in de nabijheid van vee. De huiszwaluw metselt een nest tegen de (witte) gevels van gebouwen. Vanwege het ontbreken van (sporen van) nestkommen van leem of klei van beide soorten tegen de gevels van de bebouwing, kunnen nestlocaties van de boerenzwaluw en huiszwaluw redelijkerwijs worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen ingreep, kan op voorhand worden uitgesloten. 5.1.2

Overige broedvogels (categorie 4)

De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel en kauw. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3) en broedvogels die jaarlijks naar hetzelfde nest komen, maar voldoende flexibel worden geacht om elders een nieuw nest te bouwen (categorie 4). Echter zijn deze soorten zodanig kwetsbaar dat de functionaliteit van hun leefomgeving niet in geding mag komen. Dit zijn voornamelijk holenbroeders, zoals de zwarte specht, makers van grote nesten zoals de buizerd en sperwer en grondbroeders zoals grutto of wulp. De soorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten zijn algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende leefgebied hebben. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Rapport 18194.001 versie D1

5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en planologie (Limpens et al., 2010) en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis en brandt’s vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie (deelgebied 1) De basisschool is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren, ruimte onder de daktrim, ruimte onder loodflappen en een klimop aan de oostelijke gevel van het pand (figuur 13 en 20 t/m 22). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en milde winterverblijfplaats. Bij sloop van de basisschool zijn negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op het omliggende terrein van de basisschool zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen.

Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten.

Figuur 20. Ruimte onder het daklood van de basisschool.

Figuur 21. Stootvoegen en ruimte onder de daktrim in de muur van de basisschool.

Figuur 22. Ruimte onder de daktrim van de bassischool.

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie (deelgebied 2) Het jeugdhuis is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van ruimte langs de dakrand en enkele losliggende dakpannen (figuur 17 en 19). Daarnaast vormt de zolder een geschikte winterverblijfplaats (figuur 23 t/m 25). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en milde winterverblijfplaats. Indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt, zijn negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De ruimte rondom het jeugdhuis is geheel verhard en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

Rapport 18194.001 versie D1

Figuur 23. Zolder met opening naar buiten toe.

Figuur 24. Opening in het dakbeschot, toegang tot de zolder.

Figuur 25. Zolder.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De gebouwen rondom de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en deelgebied 2) bevatten geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen in deze bebouwing ondervinden geen negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden, mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van additionele (bouw)verlichting richting deze potentiële verblijfplaatsen en directe omgeving (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft voornamelijk tuinen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, eekhoorn en steenmarter. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes, maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke

Rapport 18194.001 versie D1

ren vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rustof voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden echter ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diversen muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van desbetreffende soorten worden vernietigd (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen

Volgens de verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al., 2015) en de NDFF is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen, rijk begroeide bosranden en structuurrijke weg- en spoorbermen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de levendbarende hagedis, waardoor negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis hebben naar verwachting betrekking op het nabijgelegen natuurgebied de Meerselsche Peel. 5.5

Amfibieën

Volgens de verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al., 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, boomkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Streng beschermd soorten Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor streng beschermde amfibieënsoorten op de onderzoekslocatie uitgesloten. Daarnaast bestaat de onderzoekslocatie voornamelijk uit bebouwing en verharding en is het niet geschikt als landhabitat voor beschermde amfibieën. De waarnemingen van de streng beschermde alpenwatersalamander en boomkikker hebben naar verwachting betrekking op nabijgele-

Rapport 18194.001 versie D1

gen natuurgebieden het Loobeekdal en de Meerselsche Peel. Negatieve effecten ten aanzien van streng beschermde amfibieënsoorten zijn derhalve uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoek vormt matig geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten. Algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen incidenteel beschutting tussen de aanwezige begroeiing. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene amfibieënsoorten (zie hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast zijn er geen waterlichamen op de onderzoekslocatie aanwezig. Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens de NDFF de volgende streng beschermde vlindersoorten waargenomen: aardbeivlinder en spiegeldikkopje. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als aardbeivlinder (vooral tormentil (binnenland) en dauwbraam (duinen)) en spiegeldikkopje (hennegras, pijpenstrootje, soms ook boskortsteel of riet) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Planten

De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing en verharding, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.

Rapport 18194.001 versie D1

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Roofvogels en ransuil Het nest op circa 65 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie, zal door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocaties (deelgebied 1 en 2), indien het nest in gebruik is, verstoord worden en mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Een nader onderzoek zal uit moeten wijzen of het nest in gebruik is een jaarrond beschermde status heeft. Mocht een soort met een jaarrond beschermde status inderdaad gebruik maken van het nest naast de onderzoekslocatie, zullen mitigerende maatregelen en een mogelijke ontheffingsaanvraag aan de orde zijn. Gierzwaluw en huismus De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Deelgebied 1 (huismus) Indien er in de klimop aan de oostgevel van de basisschool nestplaatsen van de huismus aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient voorafgaand aan de sloop van de basisschool een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Deelgebied 2 (huismus en gierzwaluw) Indien er nestplaatsen van de huismus of gierzwaluw in het jeugdhuis aanwezig zijn en indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soorten. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de

Rapport 18194.001 versie D1

periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen plaatsvinden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen en de bebouwing te slopen/renoveren zonder daarbij broedvogels te verstoren. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Deelgebied 1 (basisschool) De te slopen basisschool is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Deelgebied 2 (jeugdhuis) Het jeugdhuis is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt, zou de aanwezigheid van een verblijfsfunctie kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021).

Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. Verlichting De bebouwing rondom de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en 2) bevatten geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Potentiële verblijfplaatsen ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze bebouwing, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase.

Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken door gebruik te maken van aangepaste armaturen, waaronder een aangepaste lampenkamp, amberkleurig licht en een naar beneden gerichte lichtpunt.

Rapport 18194.001 versie D1

6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 18194.001 versie D1

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 5,2 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 26).

Figuur 26. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (gele vlakken).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Afhankelijk van het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie kunnen externe effecten als een gevolg van een toename in stikstofdepositie mogelijk niet op voorhand worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om, als het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie definitief bekend is, te bepalen of vervolgonderzoek in het kader van gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof noodzakelijk is. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator), mocht dit noodzakelijk zijn.

Rapport 18194.001 versie D1

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 265 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het betreft natuur in de bronsgroene landschapszone en goudgroene natuurzone. In figuur 27 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de goud- en zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone weergegeven.

Figuur 27. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezelijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 18194.001 versie D1

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

Rapport 18194.001 versie D1

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft de gemeente Venray opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Coppelenberg 3 te Merselo. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de basisschool te slopen. Voor het jeugdhuis zijn de exacte plannen op het moment van schrijven van onderhavige quickscan nog niet bekend. De nieuwe invulling van het gebied is niet bekend. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Broedvogels

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

ja

nee

nee

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

Bijzonderheden / opmerkingen*

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of een broedvogelinspectie voorafgaand aan de werkzaamheden -

Vleermuizen

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

-

-

foerageergebied

aanvullend onderzoek naar roofvogels benodigd voor deelgebied 1 en 2 deelgebied 1 (basisschool): aanvullend onderzoek naar huismus benodigd deelgebied 2 (jeugdhuis): indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt, is aanvullend onderzoek naar huismus en gierzwaluw benodigd deelgebied 1 (basisschool): aanvullend onderzoek naar vleermuizen benodigd deelgebied 2 (jeugdhuis): indien het jeugdhuis gesloopt of gerenoveerd wordt is aanvullend onderzoek naar vleermuizen benodigd aandacht voor het voorkomen van additionele (bouw)verlichting richting de bebouwing rondom de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en 2). Indien niet mogelijk een verlichtingsplan opstellen met een ter zake deskundige

omgeving

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van egel en diversen muizensoorten

Amfibieën

incidenteel

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Rapport 18194.001 versie D1

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

5,2 km

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

nader te bepalen als toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en 2) precies bekend is

Natuurnetwerk Nederland

265 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

Gebiedsbescherming

Bijzonderheden / opmerkingen*

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden in deelgebied 1 en 2 middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocaties voor roofvogels. In deelgebied 1 (basisschool) dient daarnaast middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor huismus en vleermuizen. Indien het jeugdhuis in deelgebied 2 gesloopt of gerenoveerd wordt, dient middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Gelet op de bebouwing rondom de onderzoekslocatie (deelgebied 1 en 2), zijn bij de bouw- en eindfase, overtredingen van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen.

Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieve en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Geadviseerd wordt om, als het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie definitief bekend is, te bepalen of een vervolgonderzoek in het kader van gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof noodzakelijk is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 1 april 2022 Rapport 18194.001 versie D1

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 1 april 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Merselo, periode 2012-2022. NDFF.

Geraadpleegd op 1 april 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 1 april 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 1 april 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2022, 31 maart). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.

Provinciale bronnen Limburg www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)

Rapport 18194.001 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15856306/1