CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3 Verkennend en nader bodemonderzoek

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Coppelenberg 3 Merselo.28.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT: Diverse verkennende en nadere (bodem)onderzoeken Coppelenberg 3 te Merselo

PROJECTNUMMER: B24.9168 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.

De Tweede Geerden 21 5334 LH Velddriel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse verkennende en nadere (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo

PROJECTNUMMER: B24.9168 Versie 01

OPDRACHTGEVER: Buro Waalbrug

DATUM: 25 juni 2024

Auteur:

Autorisatie:

ing. M. Hennekes Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B24.9168/R9168-01/MH

Alle informatie in deze rapportage mag NIET worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2 SAMENVATTING Buro Waalbrug heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek, inclusief historisch onderzoek, een onderzoek naar asbest en een indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek van de puinlaag-/fundatie ter plaatse van de locatie aan de Coppelenberg 3 te Merselo. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen herontwikkeling, functieverandering op de locatie en tussentijdse resultaten van de verkennende onderzoeken. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform c.q. afgeleid van de richtlijnen van de NEN 5725:2023, NEN 5740:2023, de NEN 5897:2015/C2:2017 de NTA 5755:2022 en de CROW-publicatie 210. De diverse (bodem)onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest, uitloging van de puinlaag/-fundatie en infiltratie) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling en functieverandering. Het nader grondonderzoek naar zware metalen heeft als doel het vaststellen van de omvang van de (tijdens de verkennende fase aangetroffen) grondverontreiniging met koper, nikkel en zink. Conclusies historisch onderzoek en vervolgtraject Op basis van de beschikbare informatie zijn van de locatie en de direct omgeving geen bodemkwaliteitsgegevens bekend.

Bij de gemeente Venray, provincie Limburg en de RUD Limburg Noord zijn geen historische gegevens bekend. Op basis van de luchtfoto’s en het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn 3 voormalige sloten aanwezig. Voormalige boomgaarden, kassen, wegen of bebouwing zijn niet waargenomen op het kaartmateriaal. Derhalve dient voor de herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5740 (landbodem), waarbij de voormalige watergangen aandachtspunten betreffen. Vooralsnog is de locatie onverdacht op het voorkomen van asbest in bodem. Resultaten en conclusies diverse onderzoeken Conclusies verkennend bodemonderzoek Voor de algemene bodemkwaliteit werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Daarbij vormden de voormalige watergangen wel een aandachtspunt. Op basis van de resultaten zijn in de grond inpandig sterk verhoogde gehalten voor koper en zink aangetoond. In het grondwater en in de overige (afperkende) boringen zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige achtergrond- en streefwaarden, waarbij het gehalte voor nikkel in één inpandige boring de index van 0,5 overschrijdt. Bij indicatieve toetsing aan de RBK 2022 betreft de grond, op monster M03 na, maximaal klasse ‘industrie’.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

3 Conclusies onderzoek naar asbest puinlaag/-fundatie Voor wat betreft asbest in de puinlaag/-fundatie werd voor de locatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de verdachte hypothese te worden verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) geen asbest is aangetroffen in de puinlaag/-fundatie. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst nog asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek puinlaag/-fundatie Op basis van de resultaten van het uitloog- en samenstellingsonderzoek blijkt dat indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en/of emissiewaarden zijn aangetoond. De puinlaag/-fundatie is derhalve indicatief wel herbruikbaar als bouwstof. Infiltratie onderzoek De onverzadigde bodem is tussen de 0,5-1,0 m-mv goed doorlatend (1-10 m/dag) en tussen de 1,0 en de 1,5 m-mv eveneens goed doorlatend. Op basis van de resultaten lijkt de grond geschikt te zijn voor infiltratie middels een wadi.

Voor overige infiltratie mogelijkheden (o.a. infiltratie-krat, riolering of open verharding) lijkt de locatie op basis van zowel de k-waarden als de grondwaterstand eveneens geschikt. Voor infiltratie middels ‘open verharding’ lijkt de locatie minder of niet geschikt. Tijdens de veldwerkzaamheden is de freatische grondwaterstand in peilbuis PB08 aangetroffen op circa 2,7 m-mv en in tijdelijke peilbuis B03 aangetroffen op circa 2,5 m-mv, welke zich tussen de GHG (circa 1,0 m-mv) en GLG (circa 3,0 à 4,0 m-mv) uit de omgeving bevinden. Algehele conclusies en aanbevelingen Middels de voorliggende onderzoeken is ons inziens de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en uitloging) ter plaatse van de locatie aan de Coppelenberg 3 te Merselo in voldoende mate vastgelegd. Met het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat op de locatie sprake is van sterk verhoogde gehalten voor koper en zink een gehalte voor nikkel dat de index van 0,5 overschrijdt in de bodemlaag van 1,2 tot 1,6 m-mv. De onverzadigde bodem is tussen de 0,5-1,0 m-mv goed doorlatend (1-10 m/dag) en tussen de 1,0 en de 1,5 m-mv eveneens goed doorlatend. Op basis van de resultaten lijkt de grond geschikt te zijn voor infiltratie middels een wadi. Voor overige infiltratie mogelijkheden (o.a.

infiltratie-krat, riolering of open verharding) lijkt de locatie op basis van zowel de k-waarden als de grondwaterstand eveneens geschikt. Voor infiltratie middels ‘open verharding’ lijkt de locatie minder of niet geschikt. Zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) is geen asbest aangetroffen in de puinlaag/fundatie. In het grondwater is maximaal een licht verhoogd gehalte voor barium aangetoond. In de volledige puinlaag/-fundatie zijn indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en emissiewaarden aangetoond. De puinlaag/-fundatie is derhalve indicatief wel herbruikbaar als bouwstof.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

4 Verontreinigingssituatie koper, zink en nikkel inpandig in de ondergrond In tabel 1 is een overzicht gegeven van de globale verontreinigingssituatie. De globale contour van de verontreiniging met koper, zink en nikkel is weergegeven op de situatieschets in bijlage 2. Tabel 1: Verontreinigingssituatie grond Verontreinigde locatie

Stof

Inpandig onder betonvloer

Koper, zink > I Nikkel > index 0,5

Oppervlakte (m2) Traject (m-mv) Gemiddelde dikte Omvang (m3)

> Interventiewaarde (sterk verontreinigd) ± 35 ± 1,2 – 1,6 0,5 meter ± 20

Geadviseerd wordt de aanwezige verontreiniging met zware metalen tijdens de sloop van de bebouwing te saneren volgens de geldende richtlijnen. Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt geadviseerd een (deel)saneringsplan / plan van aanpak op te stellen en toe te voegen bij de melding DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). Na afloop van de werkzaamheden dient een evaluatieverslag ingediend te worden. Conform de CROW400 is er bij de sanerende maatregelen geen veiligheidsklasse van toepassing. Bij de afvoer van (verontreinigde) grond dient rekening te worden gehouden met de resultaten van voorliggende onderzoeken. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft enkel een adviserende rol. Het bevoegd gezag dient uiteindelijk een definitieve uitspraak te doen over de te nemen vervolgstappen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat rekening dient te worden gehouden met de resultaten van voorliggende en voorgaande onderzoeken en dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van het Bestluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd.

Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet en bijbehorende wetgeving in werking, waarbij een aantal bevoegd-/verantwoordelijkheden van het Rijk naar de gemeenten en waterschappen gaan. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat het beleid voor gemeenten automatisch in het ‘tijdelijk deel van het Omgevingsplan’ komen. Gemeenten hebben daarna 8 jaar de tijd om, indien gewenst, de wetgeving binnen de beleidsruimte te integreren naar gebiedsspecifiek beleid in hun eigen Omgevingsplan. Gezien de beleidsruimte en de overgangstermijn nadat de Omgevingswet in werking treedt, kan VMT niet aansprakelijk worden gesteld voor eventueel aanvullende benodigde gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit als gevolg van veranderingen in een Omgevingsplan.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 2 1.

INLEIDING ............................................................................................................................................ 6

2.

DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK....................................................................................... 6

3.

LOCATIEGEGEVENS .......................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS .......................................................................................................................... 6 3.2. HISTORISCHE GEGEVENS EN LOCATIEBEZOEK ...................................................................................... 6

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE....................................................................................... 8 4.1. BODEMOPBOUW .................................................................................................................................... 8 4.2. GEOHYDROLOGIE ................................................................................................................................. 8

5.

HYPOTHESE ......................................................................................................................................... 8

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 9 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................... 9 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ..................................................................................................................... 11

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ..................................................................... 13 7.1. GROND ................................................................................................................................................ 13 7.2. GRONDWATER ..................................................................................................................................... 14 7.3. ASBEST ................................................................................................................................................ 15 7.4. INFILTRATIE ........................................................................................................................................ 16

8.

RESULTATEN..................................................................................................................................... 17 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN .......................................................................................................... 17 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN ........................................................... 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ............................................................................................... 22

9.

CONCLUSIES DIVERSE (BODEM)ONDERZOEKEN .................................................................... 24 9.1. CONCLUSIES VERKENNEND BODEMONDERZOEK.................................................................................. 24 9.2. CONCLUSIES ONDERZOEK NAAR ASBEST PUINLAAG/-FUNDATIE .......................................................... 24 9.3. INDICATIEF UITLOOG- EN SAMENSTELLINGSONDERZOEK PUINLAAG/-FUNDATIE ................................ 24 9.4. INFILTRATIE ONDERZOEK ................................................................................................................... 24 9.5. ALGEHELE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 25

10. REFERENTIES.................................................................................................................................... 27

BIJLAGEN 1.

Situering in de regio

2.

Situatieschets met boringen, peilbuis, proefgaten en verontreinigingscontour

3.

Boorprofielen beschrijvingen

4.

Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en uitloog

5.

Toetsingstabellen achtergrond-, streef- en interventiewaarden grond en grondwater

6.

Toetsing RBK 2022

7.

Toetsing PFAS

8.

Relevante historische informatie en foto’s veldwerk

9.

K-waarde bepaling

10.

CROW 400 bepaling

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

6

1.

INLEIDING Buro Waalbrug heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek, inclusief historisch onderzoek, een onderzoek naar asbest en een indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek van de puinlaag-/fundatie ter plaatse van de locatie aan de Coppelenberg 3 te Merselo. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen herontwikkeling, functieverandering op de locatie en tussentijdse resultaten van de verkennende onderzoeken. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform c.q. afgeleid van de richtlijnen van de NEN 5725:2023 [1], NEN 5740:2023 [2], de NEN 5897:2015/C2:2017 [3] de NTA 5755:2022 [4] en de CROWpublicatie 210 [5]. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door mevrouw ing. M. Hennekes en de heer ing. H.M.W. van der Donk.

2.

DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK De diverse (bodem)onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest, uitloging van de puinlaag/-fundatie en infiltratie) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling en functieverandering. Het nader grondonderzoek naar zware metalen heeft als doel het vaststellen van de omvang van de (tijdens de verkennende fase aangetroffen) grondverontreiniging met koper, nikkel en zink.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1. Algemene gegevens De onderzoekslocatie is gelegen aan de Coppelenberg3 te Merselo en staat kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie AB, nummers 401, 262, 135 en 136. Op de locatie zijn een schoolgebouw en een jeugdhuis aanwezig. Rond de bebouwing zijn diverse (elementen)verhardingen en groenstroken aanwezig. De locatie heeft een totale oppervlakte van circa 5.618 m2. Het voornemen bestaat om het schoolgebouw te slopen en op de locatie diverse woningen te realiseren. Het jeugdhuis wordt niet gesloopt en verandert enkel van functie naar woningen. Voor de situering van de locatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Historische gegevens en locatiebezoek

Algemeen Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. Door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn reeds de relevante gegevens van de websites van de provincie RUD Limburg Noord, www.topotijdreis.nl, www.google.nl en www.kadaster.nl bestudeerd. Aanvullend is de historische informatie opgevraagd van provincie Limburg, d.d. 19-04-2024. Daarnaast is historische informatie opgevraagd bij de gemeente Venray, d.d. 19-04-2024, en heeft de gemeente Venray een historische vragenlijst ingevuld, waar eveneens geen verder informatie uit is voortgekomen.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

7 Bodemkwaliteitsgegevens Op basis van de bodemfunctieklassekaart geldt voor de locatie de bodemfunctieklasse wonen en betreft de ontgravingsklasse voor de boven- en ondergrond landbouw/natuur. Voormalig en huidig gebruik locatie en directe omgeving Op basis van de luchtfoto’s en het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn 3 voormalige sloten aanwezig. Voormalige boomgaarden, kassen, wegen of bebouwing zijn niet waargenomen op het kaartmateriaal. Toekomstig gebruik Het voornemen bestaat om het schoolgebouw te slopen en woningen te realiseren. Het jeugdhuis blijft behouden en verandert alleen van functie. PFAS Voor zover als bekend is voor PFAS ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen sprake van mogelijke puntbronnen. Momenteel wordt ervan uitgegaan dat geen grond wordt afgevoerd van de locatie en een PFAS onderzoek niet noodzakelijk is. Voor eventueel grondverzet kan mogelijk gebruik gemaakt worden van bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen. Asbest Voor zover bekend is de locatie niet verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem. Het is echter niet bekend of er bodemvreemde asbestverdachte (puin)bijmengingen aanwezig zijn op de locatie.

Bodembedreigende activiteiten (zoals boven- en/of ondergrondse brandstoftanks) Op basis van de huidige gegevens zijn er naar verwachting geen bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie aanwezig (geweest). Locatiebezoek Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is een locatiebezoek uitgevoerd. De aanwezigheid van diverse verhardingen is hierbij bevestigd. Op de locatie zijn verder geen bijzonderheden waargenomen die kunnen wijzen op het voorkomen van een mogelijke bodemverontreiniging. Het voormalige schoolgebouw is momenteel deels in gebruik als (antikraak)woning(en). Conclusies historisch onderzoek en vervolgtraject Op basis van de beschikbare informatie zijn van de locatie en de direct omgeving geen bodemkwaliteitsgegevens bekend. Bij de gemeente Venray, provincie Limburg en de RUD Limburg Noord zijn geen historische gegevens bekend. Op basis van de luchtfoto’s en het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn 3 voormalige sloten aanwezig. Voormalige boomgaarden, kassen, wegen of bebouwing zijn niet waargenomen op het kaartmateriaal. Derhalve dient voor de herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5740 (landbodem), waarbij de voormalige watergangen aandachtspunten betreffen. Vooralsnog is de locatie onverdacht op het voorkomen van asbest in bodem.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

8

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en https://www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1. Bodemopbouw Op de onderzoekslocatie is een circa 3 meter dikke matig doorlatende deklaag aanwezig van de Formatie van Boxtel welke bestaat uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. De onderliggende matig tot goede waterdoorlatende laag loopt tot minimaal 186 m-mv en bestaat hoofdzakelijk uit fijn tot grof zand met lokaal grind, schelpen of kleiig zand van de Formaties van Beegden, Kiezeloöliet en Breda. 4.2. Geohydrologie De stromingsrichting van het ondiepe grondwater is naar verwachting globaal noordwestelijk gericht, in de richting van de Oploosche Molenbeek. De stromingsrichting van het (ondiepe) grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). Uit het kaartmateriaal van grondwatertools en dinoloket blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand op circa 1,0 m-mv wordt gemeten en de gemiddeld laagst gemeten grondwaterstand op circa 3 à 4 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich voor zover bekend niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de bekende gegevens wordt voor de onderzoekslocatie uitgegaan van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Daarbij vormen de voormalige watergangen wel een aandachtspunt. Voor de locatie wordt vooralsnog eveneens uitgegaan van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen dient de gestelde hypothese mogelijk nog te worden aangepast. Voor het funderings- en infiltratie onderzoek zijn, gezien het indicatieve karakter van de onderzoeken, geen hypotheses gesteld.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

9

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken

Algemene kwaliteit Voor de onderzoeksopzet voor de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740 gehanteerd, waarbij is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een “onverdachte niet-lijnvormige locatie” (ONV-NL) voor een oppervlakte van maximaal 7.000 m2. Op verzoek van de opdrachtgever zullen enkele inpandige (beton)boringen worden geplaatst, in combinatie met de algemene kwaliteit. Ter plaatse van het jeugdhuis worden enkel uitpandig boringen geplaatst, omdat hier enkel een functieverandering van toepassing is en er verder geen grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. In verband met de aanwezige verhardingen worden daarnaast diverse boringen doorgeboord tot minimaal 1,0 m-mv. Ter plaatse van de voormalige watergangen worden drie raaiboringen geplaatst van drie boringen tot circa 2,0 m-mv. Hiervoor is één extra NEN-pakket opgenomen. Nader inpandig onderzoek Op basis van de tussentijdse analyseresultaten is een nader onderzoek uitgevoerd naar koper, nikkel en zink ter plaatse van (inpandige) boring B01. De werkzaamheden van het nader bodemonderzoek worden conform de NTA 5755:2022 uitgevoerd. Bij het uitvoeren van een nader onderzoek conform de NTA 5755:202 wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. In de tabel 5.1 is het conceptueel model uitgewerkt.

De onderzoeksopzet voor het nader onderzoek is voorafgaand voorgelegd aan en goedgekeurd door de gemeente Venray.

Tabel 5.1: Conceptueel model bodemverontreiniging koper, nikkel en zink Conceptueel model Oorzaak van de Vermoedelijke ophoging (bijmengingen met bodemvreemd materiaal). verontreiniging Omvang van de Tijdens voorgaand onderzoek zijn in de ondergrond van boring B01 met sporen baksteen, sporen kolen en sporen verontreiniging plastic (bodemlaag 1,2-1,6 m-mv) matig tot sterk verhoogde gehalten voor koper, nikkel en zink aangetoond. De verontreiniging is horizontaal niet in beeld. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de resultaten van de grond uit de overige boringen tijdens voorgaand onderzoek, is naar verwachting sprake van een beperkte (inpandige) beperkte spot met sterk verontreinigde grond. Risico’s / De aangetroffen matig tot sterk verhoogde gehalten voor koper, nikkel en zink in de bovengrond van boringen Zorgplicht Wbb/ B01 zijn niet te relateren aan voormalige activiteiten op de locatie. Ter plaatse van het overig terrein zijn Zorgplicht OW zintuiglijk alleen baksteen en/of kolen aangetroffen en in de mengmonsters van de boven- en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond voor metalen. Op basis hiervan ligt het ons inziens sowieso niet in de verwachting dat de verontreinigingen uitpandig in de ondergrond aanwezig zijn, het kan echter nog niet geheel worden uitgesloten.

Aangezien in de overige onderzochte grond met bodemvreemde bijmengingen geen sterk verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond, is naar verwachting sprake van toevalstreffers. Aangezien de locatie al geruime tijd voor 1987 in gebruik en verhard/bebouwd was, is ons inziens de verontreiniging historisch van aard. Derhalve is sprake van ‘toevalsvondst’ volgens de Omgevingswet. De verontreinigingen zijn aangetroffen onder de huidige bebouwing en in de toekomst wordt hier nieuwbouw en/of een nieuwe verharding aangebracht, waardoor ons inziens humane risico’s kunnen worden uitgesloten.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

10 Vervolg tabel 5.1: Conceptueel model bodemverontreiniging koper, nikkel en zink Conceptueel model Onderzoeksopzet Nader onderzoek naar koper, nikkel en zink t.p.v. boring B01 voorgaand onderzoek Op basis van de resultaten van voorgaande onderzoeken worden als eerste de bovenliggende en onderliggende bodemlagen van boring B01 separaat geanalyseerd op koper, nikkel en zink. Op basis van de resultaten van stap 1 wordt stap 2 uitgevoerd: rondom boring B01 van voorgaand onderzoek worden 13 boringen geplaatst tot circa 2,0 m-mv (4 in eerste ring eromheen en nog 9 in 2e ring er omheen). Hierbij worden allereerst de ondergrondlagen van de inpandige boringen rondom B01 afzonderlijk geanalyseerd op koper, nikkel en zink (AS3000, inclusief lutum en organische stof). Indien hierbij geen sterke verontreinigingen worden aangetroffen, zullen de ondergrondlagen van de uitpandige boringen niet meer geanalyseerd worden. Indien er wel sterke verontreinigingen worden aangetroffen, zullen tijdens stap 3 aanvullend de ondergrond lagen van de uitpandige boringen worden geanalyseerd op koper, zink en nikkel. Aanvullend onderzoek naar PFAS Aanvullend zal de (sterk) verontreinigde grondlaag bij boring B01 worden geanalyseerd op PFAS (30 verbindingen).

Het onderzoek naar PFAS wordt uitgevoerd conform het handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (meest recente versie d.d. december 2023). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd.

Onderzoek naar asbest puinlaag/-fundatie Onder de klinkerverharding is een puinlaag/-fundatie aangetroffen. Derhalve wordt voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het puin uitgegaan van de strategie conform de NEN 5897 voor (half)verhardingslagen voor een locatie met een oppervlakte van maximaal 100 m2. De veldwerkzaamheden voor de onderzoeken naar asbest worden gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels analyse(s) te worden geverifieerd. Indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek puinlaag/-fundatie Ten behoeve van het uitloog- en samenstellingsonderzoek is indicatief één samenstellings- en uitlooganalyse opgenomen van het puin onder de klinkerverharding. Het mengmonster wordt samengesteld vanuit 4 proefgaten en geanalyseerd op het uitloog- en samenstellingspakket, bestaande uit: - De metalen (antimoon (Sb), Arseen (As), barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), seleen (Se), tin (Sn), vanadium (V), zink (Zn)), bromide, chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (L/S=10); - Som-PCB; - Som-PAK; - Minerale olie (MO).

Infiltratie onderzoek De technische mogelijkheid tot het infiltreren van hemelwater in de bodem is onder andere afhankelijk van de grondwaterstand, de bodemopbouw en de doorlatendheid van de bodem in de onverzadigde en verzadigde zone. Ten behoeve van het infiltratieonderzoek worden, in combinatie met het verkennend bodemonderzoek, twee boringen tot circa 2,5 à 3,0 m-mv geplaatst (bepalen bodemopbouw en/of grondwaterstand), waarbij de infiltratieproeven (in duplo) worden uitgevoerd op een diepte tussen de 1,0 m-mv en de 2,0 m-mv. Aangezien het grondwater dieper dan 2,0 m-mv wordt verwacht, wordt enkel de verticale doorlatendheid van de onderzoekslocatie bepaald. Met het plaatsen van de boringen, proefgaten en peilbuis is rekening gehouden met de bekende gegevens. Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

11

6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data Verkennende onderzoeken 13 mei 2024 22 mei 2024 Nader onderzoek 14 juni 2024

Bedrijf

Gecertificeerde medewerker(s)

Protocol BRL SIKB

Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer M.A.H. van Baal De heer J.B. Koppelman

2001 (v. 6) 2002 (v. 6)

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer F. Blom

2001 (v. 6)

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een Edelmanboor, betonboor, puinboor, zuigerboor en een schop. De volledige bodemvreemde lagen op de onderzoekslocatie betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2001/2018 onderzocht. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 24 boringen (B01 t/m B18) geplaatst, waarbij de boringen PB08 is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De raaiboringen B03A-C, B05A-C en B11A-C zijn ter plaatse van de voormalige watergangen geplaatst. Boring B03B is tijdelijk afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het bepalen van de K-waarde en de grondwaterstand. Na het infiltratie onderzoek is deze peilbuis weer verwijderd. Op basis van de tussentijdse analyseresultaten is een nader onderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het nader bodemonderzoek zijn in totaal 13 boringen (B101 t/m B113) geplaatst tot circa 2,0 m-mv. De boringen B101 t/m B106 zijn, ter horizontale afperking inpandig geplaatst. De boringen B107 t/m B113 zijn, ter horizontale afperking, uitpandig geplaatst, eventueel om hiervan analyses in te zetten indien de resultaten van de inpandige boringen hiertoe aanleiding geven.

In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend en nader bodemonderzoek weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden verkennend en nader bodemonderzoek Boring tot circa 1,0 m-mv Verkennend bodemonderzoek B04, B07, B09, B12 t/m B15, B16*, B17 Nader bodemonderzoek Toelichting bij tabel: * Boring is gestaakt

Boringen en peilbuizen Boring tot circa 2,0 m-mv

Peilbuis (filterstelling)

B01, B02, B03A-C, B05A-C, B06, B10, B11A-C, B18

PB08 (3,00-4,00)

B101 t/m B113

-

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

12 Grondwater Het grondwater uit de geplaatste peilbuis PB08 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 22 mei 2024 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Onderzoek naar asbest puinlaag/-fundatie Ten behoeve van het onderzoek naar asbest is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Het maaiveld was volledig verhard (100 %) waardoor geen efficiënte maaiveldinspectie (> 25 % onbedekt) uitgevoerd kon worden. Op het maaiveld zijn rekening houdend hiermee geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest zijn totaal 4 proefgaten (AB01 t/m AB03 en B12) gegraven met een omvang 0,3 x 0,3 m tot 0,5 m-mv. Alle proefgaten zijn doorgeboord met een brede boor (diameter 12 cm), gecombineerd met het bodemonderzoek waarna het vrijkomende materiaal uit de proefgaten/boringen is geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten en bemonsterd voor analyse op asbest (fractie < 20 mm). Hierbij zijn in de boringen/proefgaten geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Van het puin is één mengmonster samengesteld voor analytisch onderzoek op asbest (< 20 mm).

Indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek puinlaag/-fundatie Op de onderzoekslocatie is een volledige puinlaag/-fundatie aangetroffen onder de verharding, waarvoor een indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek is uitgevoerd. Van het puin is één mengmonster samengesteld. Het mengmonster is aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK, minerale olie, PCB, metalen en anionen. Infiltratie onderzoekslocatie Op de locatie zijn ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek diverse boringen geplaatst en is de globale bodemopbouw beschreven. Ten behoeve van de doorlatendheidsproeven (K-waarde bepalingen) zijn de boringen B03 en B18 geselecteerd. Daarnaast zijn voor het bepalen van de gemiddelde grondwaterstand peilbuis PB08 en (tijdelijke) peilbuis B03 gepeild. Voor het bepalen van de verticale doorlatendheid (onverzadigde zone; boven de grondwaterstand) zijn op een diepte tussen 0,5 en 1,5 m-mv en/of tussen 1,0 en 1,5 m-mv infiltratieproeven uitgevoerd met behulp van een ‘open-end-test’. Alle infiltratieproeven zijn in duplo uitgevoerd. De situatieschets met de boringen, peilbuis en proefgaten is opgenomen als bijlage 2.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

13

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1. Grond De verontreinigingssituatie van de grond kan sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet [8] op 1 januari 2024 worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de kwaliteitseisen voor landbodem en grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk2022) [6] en aan de interventiewaarde zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) [7]. In onderstaande tabel is schematisch de indeling per kwaliteitseis weergegeven en het verschil in benaming tussen de voorgaande en huidige wetgeving. De benaming van de kwaliteitseis bevat direct de benaming van de functie waarvoor de landbodem geschikt is. Tabel 7.1: Kwaliteitsklassen en kwaliteitseisen voor landbodem en grond Kwaliteitseis Omgevingswet Landbouw/ natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd

Ondergrens van kwaliteitsklasse Landbouw/ natuur Wonen Industrie

Bovengrens van kwaliteitsklasse Landbouw/ natuur Wonen Industrie Interventiewaarde

Sterk verontreinigd

Interventiewaarde

-

Benaming voor inwerkingtreding Omgevingswet Achtergrondwaarde (AW) Klasse wonen (WO) Klasse industrie (IND) Niet toepasbaar- niet sterk verontreinigd (>IND en <IW) Niet toepasbaar en sterk verontreinigd (>IW)

De Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat is momenteel nog niet geschikt om analyseresultaten te toetsen aan de Omgevingswet. Zodoende wordt momenteel enerzijds gebruikt gemaakt van een bèta toetsservice van onze software leverancier, deze kan toetsen aan de interventiewaarde uit het Bal en aan de kwaliteitseisen uit de Rbk2022. Parallel daaraan wordt tevens een toetsing uitgevoerd via BoToVa aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [10], in combinatie met de achtergrondwaarden voor grond uit de voormalige Regeling bodemkwaliteit [11]. De kwaliteitseisen voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt in de BoToVa toetsing een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde - achtergrondwaarde).

Uit de toetsing van de GSSD aan de achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd;  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, kan de omvang van de verontreiniging(en) worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering;

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

14 

Bij onderzoeken ten behoeve van bepaalde activiteiten onder de Omgevingswet, bijvoorbeeld realisatie van een woning met tuin, kan het bevoegd gezag ook aanvullend onderzoek verlangen als de kwaliteitseis voor wonen wordt overschreden. Dit betreft maatwerk per locatie, parameter en bevoegd gezag en wordt zodoende niet verder op ingegaan.

Als het te ontgraven bodemvolume kleiner of gelijk is dan 25 m3 (ook wel kleinschalig graven genoemd), gelden geen regels uit het Bal. Wel kunnen gemeenten in het omgevingsplan regels stellen aan kleinschalig graven. Bij het ontgraven van een bodemvolume groter dat 25 m3 is sprake van een ‘milieubelastende activiteit’ conform het Bal. Hierbij wordt, op basis van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem, onderscheid gemaakte tussen 2 milieubelastende activiteiten: - Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit; - Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Bij grondverzet groter dan 25 m3 dient altijd voorafgaand een bodemonderzoek uitgevoerd te worden, bestaat er een melding of informatieplicht aan het bevoegd gezag en zijn inhoudelijke voorschriften tijdens de activiteit, zoals uitvoering volgens BRL 7000 en/of BRL 6000 bij graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Tevens is bij graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond altijd de CROW-publicatie 400 van toepassing. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit 2022 tot die tijd moet het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerd december 2023), worden gehanteerd.

In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020 met aanpassing d.d. 9 mei 2022) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2. Grondwater Bij het inwerking treden van de Omgevingswet in 2024 zijn de toetsingsnormen voor grondwater vervallen, maar zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [9]. Hierin wordt gesproken over ‘Rijksomgevingswaarden’, ‘standaardwaarden grondwater’ en ‘signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering’.

Aangezien de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat nog niet beschikt over een toetsingsprogramma om de grondwaterresultaten te toetsen aan de Omgevingswet, worden de voormalige streef- en interventiewaarden voor grondwater, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [10], voorlopig gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

15 De streefwaarden (omgevingswaarden) geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een van een duurzame bodemkwaliteit (grondwaterlichaam met goede chemische toestand). In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De interventiewaarden (‘signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering’ voor grondwater) geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. 7.3. Asbest De maximale hergebruikswaarde voor asbest in grond en/ of asbest in puin (niet vormgegeven bouwstof) zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk2022). De maximale hergebruikswaarde voor grond voor de kwaliteitseis wonen tot en met sterk verontreinigd en voor puin bedraagt in alle gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Verder is in de Rbk2022 opgenomen, dat als asbest opzettelijk is toegevoegd de maximaal gewogen concentratie 0 mg/kg d.s. mag zijn.

Daarnaast wordt voor de kwaliteitsklasse landbouw/ natuur de stof asbest niet betrokken, tenzij het gewogen gehalte groter is dan 100 mg/kg d.s. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van het Bal eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd, zoals was vastgelegd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Daarnaast moet basis van het Bal eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd als er een specifieke verdenking voor respirabele vezels is vanuit het vooronderzoek. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/ maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend.

Er is sprake van een geval van sterke verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/ maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de toplaag (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Het is in de praktijk mogelijk dat het asbestgehalte niet boven de interventiewaarde bodemkwaliteit komt, maar het gehalte aan respirabele vezels wel de risiconorm overschrijdt. In een dergelijke situatie kan graafwerk in principe plaatsvinden onder de milieubelastende activiteit Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit volgen het Bal. Gemeenten kunnen voor deze situatie in het omgevingsplan eventueel een regel opnemen die borgt dat bouwen op zo'n verontreiniging niet mogelijk is zonder sanerende maatregelen. Uiteraard blijven, vanwege de overschrijding van de SRC-arbo-waarde, veiligheidsmaatregelen conform CROW-publicatie 400 van toepassing. Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

16

7.4. Infiltratie Op basis van de doorlatendheid (k-waarde) kan de grond worden gekwalificeerd in mate van doorlatendheid. De kwalificaties op basis van de k-waarde zijn opgenomen in tabel 7.1. Tabel 7.2: Kwalificatie doorlatendheid (k-waarde) Doorlatendheid in m/dag < 0,01 0,01-0,1 0,1-0,5 0,5-1,0 1,0-10 >10

Kwalificatie Zeer slecht doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend Vrij goed doorlatend Goed doorlatend Zeer goed doorlatend

Bron: Cultuurtechnisch Vademecum

Aan de hand van de vastgestelde doorlatendheid van de grond kan een uitspraak worden gedaan over de infiltratiemogelijkheden. De ISSO-publicatie 70-1, “Omgaan met hemelwater binnen de perceelsgrens” (uitgave 2008), geeft criteria voor de mogelijkheden van infiltratie. In figuur 7.1 is het beslisschema weergegeven waarmee wordt getoetst. Figuur 7.1: Beslisschema infiltratiecriteria met mogelijkheden

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

17

8.

RESULTATEN 8.1. Zintuiglijke waarnemingen De bodem ter plaatse van de locatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot circa 0,5 m-mv uit zwak siltig, zeer fijn zand. Vanaf 0,5 m-mv tot aan de maximale boordiepte van 4,0 m-mv is afwisselend zwak siltig, lokaal matig tot sterk humeus zeer fijn zand aanwezig. Bij de boringen B01, B02, B06, B10 en B101 t/m B106 is onder de betonvloer een kruipruimte aanwezig tot maximaal 1,0 m-mv. In de grond zijn zintuiglijk diverse bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Bij diverse boringen is een volledige puinlaag waargenomen. De waargenomen zintuiglijke waarnemingen zijn weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring / Diepte boring / Traject Grondsoort proefgat Proefgat (m -mv) (m -mv) Verkennend bodemonderzoek AB01 0,50 0,05 - 0,50 + AB02 0,50 0,05 - 0,50 + AB03 0,50 0,05 - 0,50 + B01 2,00 1,20 - 1,60 Zand B03A 2,00 0,30 - 1,00 Zand B03B 2,50 0,30 - 1,00 Zand B03C 2,00 0,30 - 1,00 Zand B12 1,00 0,05 - 0,50 + B13 1,00 0,30 - 1,00 Zand B14 1,00 0,30 - 1,00 Zand B15 1,00 0,00 - 0,70 Zand B16 0,60 0,10 - 0,60 Zand B18 2,50 0,20 - 1,00 Zand Nader bodemonderzoek B110 2,00 0,00 - 0,50 Zand B113 2,00 0,50 - 1,00 Zand Toelichting bij de tabel: + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal)

Waargenomen bijzonderheden

Volledig puin Volledig puin Volledig puin Sporen baksteen, sporen kolen, sporen plastic Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Volledig puin Zwak baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend Sporen kolen, sporen baksteen Zwak baksteenhoudend Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen

Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het opgeboorde/opgegraven materiaal uit de overige boringen/proefgaten geen asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm aangetroffen of zijn er overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Op basis hiervan is, afgezien van het verkennend onderzoek naar asbest (NEN 5897), geen verkennend onderzoek naar asbest (NEN 5707) ter plaatse van de onderzoekslocatie noodzakelijk. De boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

Algemeen De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en uitloging). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De kwaliteitseisen voor grond, maximale hergebruikswaarde voor asbest in grond of puin, maximale samenstellingswaarden voor de uitloogparameters zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. De meest recente interventiewaarden voor de grond en signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering zijn opgenomen zoals bedoeld in bijlage IIa bij het Bal, behorend bij de Omgevingswet. Aangezien de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa) van Rijkswaterstaat nog niet beschikt over een toetsingsprogramma om de grond- en grondwaterresultaten te toetsen aan de Omgevingswet, worden de voormalige streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, voorlopig gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

18 Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Tevens zijn de resultaten indicatief getoetst aan de RBK2022, welke is opgenomen in bijlage 6. Op de analysecertificaten zijn de in tabel 8.2 opgenomen opmerkingen geplaatst. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat- (Meng)- Parameter Nummer monster Grond 14081125 MM01 Benzo(a)antraceen

Opmerking

Toelichting

Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot

Aangezien de som parameter voor PAK de indexwaarde van 0,5 niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

Grond Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de onderzoeksopzet tijdens de veldwerkzaamheden zijn de in tabel 8.3 weergegeven grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. Naar aanleiding van de tussentijdse analyseresultaten zijn 2 aanvullende grondmonsters geanalyseerd op koper, nikkel en zink. Daarnaast is een nader onderzoek uitgevoerd en zijn 6 monsters aanvullend ingezet op koper, nikkel en zink. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Omschrijving Monster Verkennend bodemonderzoek MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MM02

Bovengrond, zand Zintuiglijk: -

M03

Ondergrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen, sporen kolen, sporen plastic Ondergrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MM04

MM05

Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Aanvullend onderzoek B01-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B01-5 Ondergrond, zand Zintuiglijk: Nader bodemonderzoek B101-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B102-1 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B103-1 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B104-1 Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Boring (traject in m-mv)

Analysepakket

B03B (0,30 - 0,50) B13 (0,30 - 0,50) B14 (0,30 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B16 (0,10 - 0,60) B18 (0,20 - 0,50) B05B (0,00 - 0,50) B07 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B11B (0,00 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50) PB08 (0,00 - 0,50) B01 (1,20 - 1,60)

NEN

Cd, Cu, Hg, Pb, Zn, PAK, MO

IND

NEN

-

LN

NEN

SV

> AW < I

Resultaten >I

-

RBK 2022

B03B (0,50 - 1,00) B13 (0,50 - 1,00) B14 (0,50 - 1,00) B15 (0,50 - 0,70) B18 (0,50 - 1,00) B01 (1,60 - 2,00) B02 (1,00 - 1,50) B05B (0,50 - 1,00) B06 (1,50 - 2,00) B10 (1,00 - 1,50) B11B (1,00 - 1,50) B12 (0,50 - 1,00) PB08 (1,50 - 2,00)

NEN

Cd, Co, Pb, Cu, Zn Mo, Ni*, PAK, PCB -

NEN

-

-

LN

B01 (1,00 - 1,20)

Cu, Ni, Zn

-

-

LN

B01 (1,60 - 2,00)

Cu, Ni, Zn

Zn

-

LN

B101 (1,00 - 1,50)

Cu, Ni, Zn

-

-

LN

B102 (1,00 - 1,50)

Cu, Ni, Zn

-

-

LN

B103 (1,00 - 1,50)

Cu, Ni, Zn

-

-

LN

B104 (1,00 - 1,50)

Cu, Ni, Zn

-

-

LN

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

LN

19 Vervolg tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Omschrijving Boring AnalyseResultaten Monster (traject in m-mv) pakket > AW < I >I RBK 2022 Nader bodemonderzoek B105-1 Ondergrond, zand B105 (1,00 - 1,50) Cu, Ni, Zn LN Zintuiglijk: B106-1 Ondergrond, zand B106 (1,00 - 1,50) Cu, Ni, Zn LN Zintuiglijk: Toelichting bij tabel: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; * Gehalte overschrijdt de indexwaarde van 0,5 (norm voor nader onderzoek); RBK2022 Indicatieve toetsing aan de kwaliteitseisen Regeling bodemkwaliteit 2022 (LN= Landbouw/natuur; WO: Wonen; IND: Industrie; MV: Matig verontreinigd; SV: Sterk verontreinigd); Niets aangetroffen/waargenomen.

Aanvullend onderzoek naar PFAS Aanvullend is één mengmonster van de (sterke) met koper, nikkel en zink verontreinigde grond, samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd op PFAS. Het mengmonster met bijbehorende analyse en toetsingsresultaten is in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Overzicht grondmengmonster met bijbehorende analyses en resultaten MengMonster

Omschrijving

Boring (traject in m-mv)

Analysepakket

B01-4

Resultaten > landbouw/natuur > Wonen/industrie (> AW) -

Ondergrond, zand B01 (1,20 - 1,60) PFAS Zintuiglijk: sporen baksteen, sporen kolen, sporen plastic Toelichting bij tabel 7.3: PFAS: Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); Niets aangetroffen/waargenomen.

Grondwater Ten behoeve van het grondwateronderzoek is op basis van de onderzoeksopzet 1 grondwatermonster geanalyseerd. Daarnaast is de grondwaterstand van peilbuis PB08 en tijdelijke peilbuis B03 gepeild. Het grondwatermonster met de bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten is in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Peilbuis met bijbehorende analyse- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte (m -mv) 3,00 - 4,00 2,00 - 3,00

GWS (m -mv) 2,71 2,50

pH

EC (µS/cm) 168 -

Troebelheid (NTU) 14,67 -

Analysepakket NEN -

>S<I Ba -

Resultaten >I -

PB08 4,4 B03 (tijdelijke peilbuis) Toelichting bij tabel: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond/geanalyseerd.

De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en de geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. In het genomen grondwatermonster uit peilbuis PB08 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (< 10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Daarnaast is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤ 0,1 l/min) afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis minder dan 50 cm (niet belucht) is gedaald. Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater).

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

20 Onderzoek naar asbest puinlaag/-fundatie Tijdens het veldwerk zijn op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde puin uit de boringen/proefgaten geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is 1 mengmonster samengesteld van de puinlaag/fundatie en aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform NEN5898:2015 (asbest in grond/puin in de fractie < 20 mm). De samenstelling van het (meng)monster met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyses is in tabel 8.6 weergegeven. Tabel 8.6: Samenstelling mengmonster asbest puinlaag/-fundatie Monstercode

Samenstelling

Laagdikte

Zintuiglijk

MMASB01

AB01 t/m 0,00-0,70 Volledig puin AB03, B12 Toelichting bij tabel: 1 Asbestanalyse asbest in grond of puin (< 20 mm).

Soort

Analysepakket

Puin

Asbest in puin (> 25 kg) 1

De resultaten van het geanalyseerde monster en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.7. Tabel 8.7: Overzicht onderzochte mengmonster en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode

Soort materiaal

Hechtgebonden -

Type*

Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) <2

Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) <2

MMASB01 Toelichting bij tabel: * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; Niet aangetoond/waarneembaar.

Indicatief uitloog- en samenstellingsonderzoek puinlaag/-fundatie Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een volledige puinlaag/-fundatie aangetroffen. Op basis hiervan is het in tabel 8.8 weergegeven mengmonster samengesteld. Tabel 8.8: Samenstelling mengmonster puinlaag/-fundatie Mengmonster MMuitloog01

Samenstelling AB01 t/m AB03, B12

Materiaal (zintuiglijk) Volledig puin

Laagdikte Max. 70 cm

Om te bepalen of de volledige puinlaag/-fundatie indicatief voldoet aan de eisen voor een niet vormgegeven bouwstof is het in bovenstaande tabel weergegeven mengmonster aangeboden aan het laboratorium en onderzocht op PAK, minerale olie en PCB. Daarnaast is de puinlaag/-fundatie ingezet op een schudproef (L/S=10), waarna het eluaat is onderzocht op de uitloging van 15 metalen en 4 anionen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de tabellen 1 en 2 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit 2022 voor een niet-vormgegeven bouwstof. De analyseresultaten en de maximaal toegestane waarden zijn in tabel 8.9 weergegeven.

Diverse verkennende en nader (bodem)onderzoeken, Coppelenberg 3 te Merselo Rapportnr.: B24.9168 versie: 01 datum: 25 juni 2024

21 Tabel 8.9: Resultaten uitloog-/samenstellingsonderzoek puinlaag/-fundatie Parameter

Berekende cumulatieve emissiewaarden (mg/kg d.s.)

Gemeten waarden (mg/kg d.s.)

Maximale emissiewaarde (mg/kg d.s.)

MMuitloog01 PAK 1,2 Minerale olie PCB Bromide Chloride 16 Fluoride 5,7 Sulfaat 210 Antimoon Arseen 0,06 Barium Cadmium Chroom 0,02 Kobalt Koper 0,05 Kwik Lood Molybdeen Nikkel Seleen Tin Vanadium 0,40 Zink Toelichting bij de tabel: (1) Maximale samenstellingswaarden voor (meng)granulaten; Gehalte lager dan de detectielimiet.

Maximale samenstellingswaarde (mg/kg d.s.) 50(1) 1.000(1) 0,5

20 616 55 2.430 0,32 0,9 22 0,04 0,63 0,54 0,9 0,02 2,3 1 0,44 0,15 0,4 1,8 4,5

Infiltratie onderzoek Op basis van de infiltratieproeven tijdens de veldwerkzaamheden is de verticale doorlatendheid van de bodem bepaald. In tabel 8.10 zijn de op basis van de proeven bepaalde doorlatendheid voor de boringen B03 en B18 weergegeven. De volledige berekeningen zijn opgenomen in bijlage 9. Voor het bepalen van de verticale doorlatendheid (onverzadigde zone; boven de grondwaterstand) zijn op een diepte tussen de 0,8 en 1,3 m-mv infiltratieproeven uitgevoerd met behulp van een ‘open-end-test’. Alle infiltratieproeven zijn in duplo uitgevoerd. Tabel 8.10: Overzicht infiltratieproeven met de gemiddelde bepaalde doorlatendheid Boorpunt B03 B18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15856310/1