Beantwoording technische vragen T Zegers (D66) - Janslust 11
Tekst van het document
Vragen commissie Wonen 20 april 2021 mbt agendapunt bestemmingsplan ‘Janslust 11 Heide’ D66 Theo Zegers De vragen hieronder worden in cursief van antwoorden voorzien. *1
Is het zonder meer mogelijk om een gerechtelijke uitspraak met betrekking tot de
inrichting en het gebruik van deze locatie middels een wijziging van het bestemmingsplan te overrulen? Bij de bestemmingsplanprocedure die nu loopt gaat het om een nieuw verzoek, een nieuw plan en een nieuwe afweging en is duidelijk hoe de natuurbegraafplaats ter plekke functioneert. Gelet op een zorgvuldige belangenafweging en onderzoeksplicht ontslaat dit een bestuursorgaan natuurlijk niet van de plicht om de relevante aspecten van een eerdere gerechtelijke uitspraak over deze locatie in ogenschouw te nemen. Er is in dit geval geen sprake van het overrulen van een gerechtelijke uitspraak. *2
De omgevingsdialoog die gepresenteerd wordt door de initiatiefnemer is vooral gebaseerd
op historische indrukken/gegevens, op eigen indrukken cq beleving en de vertaling daarvan richting planopzet. Er is geen daadwerkelijke verslaglegging voorhanden (al of niet neutraal opgesteld) en dus ook niet bekend op welke wijze die omgeving is geïnformeerd en wat hun reacties/inbreng geweest is. Is het College dat daarmee voldoende invulling gegeven wordt aan een goede omgevingsdialoog en de resultaten daarvan overtuigend gepresenteerd zijn? Zo ja; is een dergelijke aanpak en uitwerking dan ok als voldoende te bestempelen bij andere initiatieven waarbij een omgevingsdialoog nodig zal zijn? Zo nee; op welke wijze wordt een goede dialoog en uitwerking daarvan dan wenselijk geacht? Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet vragen wij aan initiatiefnemers om een omgevingsdialoog met omwonenden te houden. Dit instrument is bedoeld om een beeld te krijgen wat er in de omgeving speelt. Initiatiefnemer maakt daarbij zijn plannen bekend en omwonenden worden in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen kenbaar te maken. Hiermee kan men mogelijk aan de voorkant al een aantal punten oplossen. De omgevingsdialoog is niet gericht op consensus en niet verplicht (en vormvrij). De verslaglegging van de dialoog in de bijlage van de toelichting is aangeleverd door initiatiefnemer.
Zestien adressen van omwonenden zijn op aanraden van de gemeente aangeschreven, de helft is op de uitnodiging ingegaan. Volgens het verslag zijn daarbij geen bezwaren of problemen naar voren gebracht. Ook zijn er geen klachten binnengekomen bij de gemeente. Het is niet gebruikelijk dat de gemeente bij de dialoog aanwezig is. Op basis van de beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat de omgevingsdialoog in voldoende mate is gevoerd. *3
Momenteel staan een tweetal eenvoudige bouwwerken en een overkapping op deze locatie.
Opzet is om deze bouwwerken te legaliseren binnen het bestemmingsplan. Is het College van mening dat de huidige bouwwerken een zodanig kwaliteit hebben dat zij zonder meer gelegaliseerd kunnen worden? Zo ja; voldoen deze bouwwerken aan het bouwbesluit die op hun functie van toepassing is? Zo nee; welke voorwaarden worden verbonden aan de eventuele legalisatie van bouwwerken op deze locatie?
In het kader van het bestemmingsplan heeft een ruimtelijke afweging plaatsgevonden met betrekking tot de gebouwen. Daarnaast is ook aangegeven dat er een omgevingsvergunning benodigd is voor de gebouwen. Hiervoor zal zodra het bestemmingsplan in werking is getreden een aanvraag worden ingediend, deze wordt getoetst aan onder andere het geldende bestemmingsplan, bouwverordening en bouwbesluit. Indien de vergunning niet verleend kan worden moet gekeken worden, is het aan aanvrager om eventueel de aanvraag aan te passen door uit te gaan van (gedeeltelijke) nieuwbouw. De overkapping is een tent en daarom geen gebouw. Alleen de verharding (klinkers) en de palen worden planologisch mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. Hier is geen (aanleg)vergunning voor nodig. *4 De reeds bestaande erfverharding/parkeerruimte wil men legaliseren. Opzet is om deze binnen het bouwblok op te nemen. Is het gebruikelijk en noodzakelijk om een dergelijke voorziening binnen een bouwblok te bestemmen? Zo nee; waarom is dit hier toe te passen, er rekening mee houdend dat aan een bestemd bouwblok op een later tijdstip rechten ontleend kunnen worden? Voor de duidelijkheid moeten hier twee zaken uit elkaar gehaald worden. De verharding onder de tentoverkapping ligt tezamen met de gebouwen binnen het bouwvlak.
De maximale oppervlakte aan gebouwen is bepaald op 90 m2 en daarmee beperkt en passend binnen de natuurbestemming. De parkeervoorziening die is gelegen buiten het bouwvlak is met een functieaanduiding aangeduid en ligt bij de entree aan de noordwestzijde. Hier mag dan ook niet gebouwd worden. Naast het gebruik parkeren is hier een halfverharding mogelijk. *5
Is het College van mening dat de bij instemming van het plan toegestane
‘nevenactiviteiten’ (waaronder verzorging overledenen/opbaring, concerten, tentoonstellingen) op deze locatie wenselijk zijn, met alle gevolgen daarvan voor intensiever gebruik, verkeersbewegingen en daarmee samenhangende activiteiten, ondanks dat deze activiteiten op andere locaties als deze zeer goed mogelijk zijn? Zo ja; -zijn de in de aanvraag opgenomen beoordelingen van verkeer, parkeren en bezoekersaantallen daarmee nog wel juist? -hoe verhoudt de ontwikkeling van deze activiteiten zich tot de positie van andere culturele instellingen in Venray? Zo nee; waarom is hiervoor geen afwijzende opmerking in het voorstel opgenomen en op welke wijze wordt het ontplooien van die activiteiten voorkomen cq tegen gegaan? De gebruiksfuncties bestaan uit het houden van afscheidsceremonies en het verzorgen van overledenen, het houden van presentaties, lezingen, exposities, workshops en andere culturele bijeenkomsten. Deze gebruiksmogelijkheden zijn onderdeel van de missie van natuurbegraafplaats Weverslo zoals initiatiefnemer aangeeft: “De verbinding van de mens met natuur en cultuur. Om die verbinding te realiseren wordt er op Weverslo meditatienatuur ontwikkeld en beheerd. De natuur schept een sfeer waarbij de culturele en spirituele invulling van de levensaspecten die voor iedere mens een belangrijke rol spelen bij het omgaan met het grote thema van leven en dood.
Deze invulling verbindt het natuurbegraven met de cultuur rondom het levenseinde en is daarmee dus de maatschappelijke betekenis en de toegevoegde waarde van Weverslo.” Via de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat het om activiteiten moet gaan die verband houden met de cultuur rondom het levenseinde en die de meditatienatuur ter plaatse respecteren. Er is dus geen sprake van concerten of tentoonstellingen. De effecten van de ontwikkeling op zowel verkeer als parkeren zijn in de toelichting van het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt. In paragraaf 4.6.2 is
enkel de situatie met betrekking tot parkeren toegelicht. Daarbij is beschreven dat de bezoekersdruk in de toekomst niet sterk zal afwijken van de huidige situatie en dat er daarom voldoende parkeermogelijkheden zijn: Er is op eigen terrein een parkeercapaciteit van ca. 32 parkeerplaatsen. Aangezien de gemiddeld 40,2 bezoekers per plechtigheid niet allemaal per auto naar de begraafplaats komen, is er bij de ingang van het landgoed tevens een fietsenstalling aanwezig met ruimte voor circa 20 fietsen. Daarnaast is er voor wat betreft dit gemiddeld aantal bezoekers per plechtigheid geen rekening gehouden met een autobezetting van meerdere personen per auto, waardoor geconcludeerd wordt dat het huidige aantal aanwezige parkeerplaatsen (ca. 32) in combinatie met de fietsenstalling ruimschoots voldoende is. Tenslotte is er op eigen terrein, in gevallen van een incidentele piekbelasting, in een aangrenzend weiland nog parkeergelegenheid voor meer dan 50 auto’s. In relatie tot het voorgaande is het van belang dat er op de natuurbegraafplaats te alle tijden slechts één begraving per tijdseenheid plaatsvindt. Overlap van ceremonies is dan ook niet aan de orde, waardoor ook ten aanzien van dit aspect kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.
Een verruiming van de gravendichtheid per hectare , zal niet of nauwelijks leiden tot een toename van het aantal bezoekers per dag en daarmee de benodigde parkeercapaciteit.” *6
Is het College zich er van bewust welke toename van economische waarde de locatie krijgt
ten gevolge van de instemming met de vaststelling van dit bestemmingsplan? Zo ja; op welke wijze wordt door de initiatiefnemer hiervoor een bijdrage aan de verbetering / versterking van de omgeving geleverd, zoals dat in andere gevallen ook gebruikelijk is? Zo nee; waarom is dat niet onderzocht cq uitgewerkt? Er is geen sprake van een zogenaamd Grex-bouwplan in de zin van afdeling 6.4 (Grondexploitatie) van de Wet ruimtelijke ordening. Het opstellen van een exploitatieplan of anterieure overeenkomst is daarom niet aan de orde. Daarom kunnen er ook geen bijdragen gevraagd worden in het kader van het fonds ruimtelijke ontwikkeling en fonds bovenwijkse voorzieningen. In het kader van het ingediende plan is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten waarin het verhaal van eventuele planschade is geregeld. Verder worden leges in rekening gebracht voor het in behandeling nemen van het verzoek tot bestemmingsplanherziening en de aanvraag om omgevingsvergunning. Voor het bieden van de beperkte bebouwingsmogelijkheden heeft in het kader van het projectbesluit uit 2012 al eerder voldoende compensatie plaatsgevonden in de vorm van mitigatie en natuurcompensatie. Meer (financiële) bijdragen kunnen in het kader van dit plan niet verlangd worden. *7
In de toelichting van de initiatiefnemer wordt de legalisering van de bouwwerken en de
parkeerruimte als ‘geen nieuwe activiteiten’ benoemd (4.1.1). Daarom zou er geen noodzaak tot enige vorm van MER-procedure zijn. Is het College het er mee eens dat gebouwen, nadat ze illegaal gerealiseerd zijn, niet tot dergelijke procedures aanleiding geven? Zo ja; is dit geen vrijbrief om eerst illegaal te bouwen en daarmee de normaliter noodzakelijke procedures te ontwijken? Zo nee; is voor de legalisering van de ‘nieuwe’ activiteiten geen andere procedure noodzakelijke als de nu voorliggende bestemmingsplanwijziging? In het kader van het Besluit m.e.r. dient nagegaan te worden of er sprake is van een genoemde categorie zoals een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Het gaat hier om een bouwmogelijkheid tot 90
m2, een verdubbeling van de grafdichtheid en functies die ondergeschikt zijn aan de natuurbestemming. Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan, aan deze definitie wordt niet voldaan. Uit jurisprudentie blijkt dat de omvang en het karakter van de wijziging hierbij een rol spelen. Gelet op de aard en omvang van de gebouwen en functies is hier geen sprake van (bouw)activiteiten zoals bijvoorbeeld een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in het kader van het Besluit m.e.r. en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.beoordeling plaats te vinden. Hierbij is het niet van belang of het om een legalisatie van bestaande bebouwing gaat of geheel nieuwe bebouwing. *8
In paragraaf 4.6.2 wordt voorgesorteerd op een mogelijke uitbreiding in de toekomst. Dit is
in tegenstelling met de elders gedane bewering dat uitbreiding tot 90 m2 bebouwing de eindsituatie zal zijn. De ruim genomen afmetingen van het bouwblok stellen ons in dit verband niet echt gerust. Is het College van mening dat, bij vaststelling van dit bestemmingsplan, er ruimte moe zijn om in de toekomst tot verdere uitbreiding te komen? Zo ja; tot welke grootte en met welke activiteiten is op deze locatie rekening te houden? Zo nee; hoe kan de wel gewenste begrenzing van deze activiteiten in het buitengebied vastgelegd worden? Op basis van de algemene regels in het bestemmingsplan is voor een eventuele toekomstige uitbreiding van bebouwing of functies met een omgevingsvergunning een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein benodigd. Tijdens een controle in het najaar van 2019 is geconstateerd dat initiatiefnemer reeds 72 m2 aan bebouwing heeft opgericht met een maximale hoogte van 3 meter. Vanuit de initiatiefnemer bestaat de wens om de gebouwen in beperkte mate te kunnen uitbreiden tot in totaal 90 m2, een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale nokhoogte van 6 meter. Van verdere uitbreidingen in het kader van dit bestemmingsplan is geen sprake. Voor eventuele verdere uitbreidingen in de toekomst zal dan opnieuw een ruimtelijke procedure doorlopen moeten worden, waarbij moet worden afgewogen of medewerking wordt verleend.