CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 - Eindrapport zienswijzen en ambtshalve wijzigingen TAM-Omgevingsplan Poort van Castenray

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray18.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

en natuurgebieden, zoals ook blijkt uit het Ruimtelijk Kwaliteitskader van de gemeente Venray. Ook ten westen en noorden van de kern is deels sprake van een beekdal, waarbinnen woningbouw niet wenselijk is. De stelling dat geen analyse heeft plaatsgevonden van alternatieve locaties, wordt dan ook niet gedeeld. In de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan is daarnaast uitgebreid ingegaan op de beleidsmatige volkshuisvestelijke kaders op basis waarvan de ontwikkeling wenselijk wordt geacht. De stelling dat een verwijzing naar de gemeentelijke woningbouwprogrammering zou ontbreken wordt dan ook evenmin gedeeld. Mede op basis van hetgeen is beschreven in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en sprake van een zorgvuldige belangenafweging. 4. Allereerst dient te worden opgemerkt dat activiteiten die in het kader van wonen worden uitgevoerd over het algemeen zijn uitgezonderd van toetsing aan geluid- en geurnormen. De woning van reclamant ligt op ruime afstand (circa 160 meter) van de beoogde woonpercelen binnen het plangebied. Daarmee kan worden gesteld dat geen sprake is van onevenredige hinder voor de woonfunctie van reclamant als gevolg van de beoogde woningbouw binnen het plangebied.

Ten aanzien van het woon- en leefklimaat dient te worden opgemerkt dat de intensieve veehouderij ter plaatse van het direct aan het perceel van reclamant grenzende perceel aan de Matthiasstraat 3 komt te vervallen. Dit leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omgeving, waaronder ook het perceel van reclamant. Gelet op de tussenliggende afstand zoals voorgaand genoemd, valt niet in te zien hoe de beoogde woningbouwontwikkeling een onevenredig negatieve impact zou kunnen hebben op het uitzicht de daglichttoetreding en de privacy van de woning van reclamant. Hierbij dient te worden opgemerkt dat op basis van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit neemt niet weg dat het belang van het behoud van uitzicht betrokken moet worden in de belangenafweging. Hiertoe kan worden gesteld dat sprake is van een ruime afstand van circa 160 meter van de woning van reclamanten tot de beoogde woningen binnen het plangebied, waarbij ook nog sprake is van een tussenliggend bedrijfsperceel. Van een onevenredige aantasting van uitzicht is vanaf het perceel van reclamant geen sprake. Verder is in de motivering behorende bij het TAMomgevingsplan de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling vanuit zowel beleidsmatig perspectief als vanuit diverse milieuaspecten nader onderbouwd.

Hierbij wordt het bestaande woongebruik van reclamant gerespecteerd. De stelling van reclamant dat sprake zou zijn van een gebrekkige motivering en rechtsonzekerheid, wordt dan ook niet gedeeld. 5. Het is niet duidelijk welk onderzoek uit 2023 door reclamant wordt bedoeld. Het bij het TAMomgevingsplan behorende verkeerskundig onderzoek is opgesteld in 2025 en biedt een voldoende concrete onderbouwing van de verkeerskundige gevolgen van de beoogde ontwikkeling. In dit onderzoek zijn belangen van huidige gebruikers meegewogen. De stelling dat het verkeerskundig onderzoek onvoldoende concrete onderbouwing biedt van de verkeerskundige gevolgen vanuit het perspectief van de huidige gebruikers, wordt niet

26

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

nader inhoudelijk onderbouwd. Op basis van het verkeerskundig onderzoek wordt de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar geacht. De stelling van reclamant wordt dan ook niet gedeeld. Dat sprake is van verwevenheid van landbouwverkeer en woonverkeer op onder meer de Horsterweg en de Matthiasstraat wordt onderkend. We bevinden ons natuurlijk in landelijk gebied. In relatie tot verkeersveiligheid blijkt uit het verkeerskundig onderzoek dat de ontwikkeling inpasbaar wordt geacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de komgrens wordt verschoven en dat de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, wordt teruggebracht naar 30 km/h. Ook zal de drempel worden verplaatst. Deze maatregelen zullen bijdragen aan de verkeersveiligheid. Verder zijn snelheidsremmende of conflictvermijdende maatregelen onderdeel van de verdere uitwerking en realisatie. Het TAMomgevingsplan is daarvoor niet het geëigende instrument. Hetzelfde geldt voor eventuele onverharde paden en smalle erfontsluitingen als toegangswegen tot de geplande woningen. Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met juridische vertaling van het verkeersadvies en juridische borging van verkeerskundige consequenties. De ontsluiting van het woongebied is vastgelegd door middel van de functie ‘Verkeer'.

De vormgeving en verdere inrichting van het woongebied en de ontsluiting hiervan, is onderdeel van de verdere uitwerking en hierover zijn afspraken vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. Daarmee is het één en ander voor zover nodig, in voldoende mate geborgd. Zoals voorgaand aangegeven, is het niet duidelijk welk onderzoek uit 2023 door reclamant wordt bedoeld. Het bij het TAM-omgevingsplan behorende verkeerskundig onderzoek is opgesteld in 2025 en is daarmee voldoende representatief. De stelling van reclamant dat geen sprake zou zijn van een zorgvuldige voorbereiding, het ontbreken van een actuele gebiedsspecifieke verkeerskundige analyse en het uitblijven van juridische borging wordt dan ook niet gedeeld. 6. Dat sprake zal zijn van een gewijzigde situatie, met een ander uitzicht een andere beleving van de ruimte en een gewijzigd karakter van de omgeving is een logisch gevolg van een woningbouwontwikkeling zoals deze binnen het plangebied is voorzien. Voor wat betreft het uitzicht wordt verwezen naar de beantwoording onder sub 4 van deze zienswijze. Een landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als bijlage B1 bij de motivering behorende bij het (ontwerp) TAM-omgevingsplan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het landschappelijk inpassingsplan in het kader van het vast te stellen TAM-omgevingsplan inmiddels verder is uitgewerkt.

Bijlage B1 bij de motivering van het TAM-omgevingsplan wordt ambtshalve vervangen door de meest actuele versie. De stelling dat het plan tekortschiet in het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor bestaande bewoners en dat sprake is van strijd met artikel 4.2 van de Omgevingswet en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt niet gedeeld. In de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan is in voldoende mate aangetoond dat zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit

27

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

blijkt ook uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd en onlosmakelijk onderdeel uitmaken van het TAM-omgevingsplan. 7. In het kader van de omgevingsdialoog is een eerste participatieavond gehouden op 3 juli 2024. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Vervolgens is er op 25 juni 2025 een inloopavond geweest. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Tijdens beide bijeenkomsten is bezoekers de mogelijkheid geboden om persoonlijk in gesprek te gaan met de initiatiefnemer en eventuele vraagpunten c.q. opmerkingen te bespreken. Het is juist dat onder de Omgevingswet participatie een prominentere rol heeft gekregen bij ontwikkelingsgerichte wijzigingen van het omgevingsplan. In dit kader is dan ook door de initiatiefnemer een participatietraject doorlopen in de vorm van een tweetal informatieavonden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor de vormgeving van participatie geen wettelijke kaders zijn vastgelegd. De stelling dat sprake zou zijn van een onvoldoende zorgvuldig voorbereidingsproces en dat essentiële belangen van omwonenden niet of onvoldoende zijn meegewogen, wordt niet gedeeld.

Er is sprake van een zorgvuldig doorlopen proces, waarbij gedurende het traject, mede gelet op de uitgevoerde onderzoeken zoals ook beschreven in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan, belangen van omwonenden zijn meegewogen. Op basis van hetgeen is beschreven in de motivering en bijbehorende onderzoeken, blijkt dat de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen.

28

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2.5

Zienswijze Reclamant 5

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 21 januari 2026, ontvangen op 21 januari 2026.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamant voert aan dat zijn woning is gelegen aan de Horsterweg, direct tegenover het voorziene nieuwbouwplan. Uit de tekeningen van het stedenbouwkundig ontwerp (onder meer pagina 12 van het beeldkwaliteitsplan) blijkt volgens hem dat geen rekening is gehouden met zijn bestaande inrit. Deze inrit ligt volgens reclamant exact tegenover één van de twee geplande inritten van de nieuwe woonwijk. Reclamant stelt dat hierdoor een verkeersonveilige situatie ontstaat. Hij geeft aan dat het zicht op de Horsterweg beperkt is door de aanwezigheid van eikenbomen langs de weg en wijst op de verkeersintensiteit van de Horsterweg (onder verwijzing naar het rapport “Onderzoek geluid door wegen” van Kragten). Volgens reclamant kan hij hierdoor niet veilig de Horsterweg oprijden vanuit zijn oprit, temeer omdat hij veelal achteruit de weg moet oprijden. Reclamant verzoekt de verkeerssituatie opnieuw te beoordelen en zodanig aan te passen dat een veilige in- en uitrit van zijn perceel wordt gewaarborgd. 2. Reclamant voert aan dat de voorziene inrit van de nieuwe woonwijk nagenoeg recht tegenover zijn woning is gelegen. Hierdoor verwacht hij hinder van inschijnende koplampen van voertuigen die de woonwijk in- en uitrijden.

Volgens reclamant zal deze hinder niet alleen optreden bij gebruik van de inrit tegenover zijn woning, maar ook door verkeer dat ter plaatse afslaat richting Castenray of gebruikmaakt van de andere inrit van de woonwijk. Reclamant heeft zijn bezwaren verduidelijkt in een tekening, waarin wordt aangegeven op welke wijze koplampen in zijn woning kunnen schijnen, waar ongewenst zicht op parkeerplaatsen ontstaat en waar direct zicht in zijn woning wordt verwacht. Reclamant verzoekt om de inrit(ten) van de woonwijk te verplaatsen naar een andere locatie teneinde lichthinder en aantasting van zijn privacy te voorkomen.

29

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

3. Reclamant stelt dat hoewel bij het bestemmingsplan een participatieverslag is opgenomen, hijzelf en andere direct aanwonenden niet actief en gericht zijn betrokken bij de planvorming. Volgens hem is tijdens de informatieavonden geen specifieke aandacht besteed aan hun situatie, terwijl zij direct tegenover het plangebied wonen. Daarnaast voert reclamant aan dat meerdere stedenbouwkundige varianten zijn gepresenteerd die afwijken van het voorliggende plan en dat een toegezegde terugkoppeling of toezending van een aangepaste versie is uitgebleven. Hij is naar eigen zeggen pas via MijnOverheid op de hoogte geraakt van het ontwerpplan. Reclamant concludeert dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig participatietraject en dat de belangen van direct omwonenden onvoldoende zijn meegewogen. 4. Reclamant voert aan dat rondom het woningbouwplan percelen met een agrarische bestemming liggen. In de ruimtelijke onderbouwing is volgens hem een zone van 50 meter rondom het plangebied beschreven, maar voor het perceel Horsterweg 41 zou geen beperking gelden, ondanks de agrarische bestemming. Reclamant geeft aan dat dit mogelijk samenhangt met een geldende milieuvergunning voor intensieve veehouderij.

Hij stelt echter dat niet kan worden uitgesloten dat deze vergunning in de toekomst vervalt en het perceel agrarisch wordt gebruikt, waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak stelt hij dat het niet uitgesloten gebruik van gewasbeschermingsmiddelen relevant is bij de beoordeling van woningbouw in de nabijheid van agrarische gronden. Volgens reclamant mag het woningbouwplan daarom niet worden vastgesteld, zolang toekomstig agrarisch gebruik met toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Hij merkt daarbij op dat in het omgevingsplan wordt aangegeven dat het bestemmingsplan voor Horsterweg 41 is aangepast, maar dat volgens hem niet duidelijk is of deze wijziging reeds formeel is vastgelegd. 5. Reclamant stelt dat de flora- en faunarapportage onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Hij voert aan dat op korte afstand van het plangebied volgens waarnemingen.nl meerdere waarnemingen van de beschermde steenuil zijn geregistreerd. In de rapportage wordt volgens reclamant geconcludeerd dat de onderzoekslocatie niet geschikt zou zijn als nestplaats voor de steenuil. Reclamant betwist deze conclusie en stelt dat rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van deze beschermde diersoort.

Volgens hem dienen passende maatregelen te worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen. 6. Reclamant voert aan dat de geluidbelasting op de gevels van de voorziene woningen volgens hem uitsluitend theoretisch is vastgesteld. Hij stelt dat de geluidbelasting van de nabijgelegen autosnelweg in de praktijk aanzienlijk is. Reclamant geeft aan dat hij, op basis van eigen metingen bij zijn woning op circa 500 meter afstand van de autosnelweg, heeft vastgesteld dat de geluidbelasting regelmatig boven de 50 dB uitkomt, met name bij bepaalde windrichtingen. Deze metingen zouden zijn verricht op momenten waarop geen verkeer over de Horsterweg reed.

30

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Volgens reclamant is het aannemelijk dat zonder aanvullende geluidwerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld een geluidwal, de geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouwwoningen hoger zal zijn dan de geldende wettelijke norm. Hij adviseert daarom om een meting “in situ” te laten uitvoeren om te beoordelen of de theoretisch berekende geluidbelasting overeenkomt met de feitelijke situatie. Op grond hiervan plaatst reclamant vraagtekens bij de juistheid en representativiteit van het akoestisch onderzoek. 7. Reclamant voert aan dat uit de verschillende stukken niet eenduidig blijkt welke maximumsnelheid uiteindelijk zal gelden op de Horsterweg binnen de bebouwde kom. In het Omgevingsplan wordt volgens hem vermeld dat een maximumsnelheid van 30 km/uur zal gelden. Reclamant verzoekt dat dit expliciet en bindend wordt vastgelegd en dat daarbij voldoende snelheidsremmende maatregelen worden getroffen. Tevens wordt gesteld dat in de huidige situatie regelmatig harder wordt gereden dan de geldende maximumsnelheid en dat bestaande verkeersremmende voorzieningen onvoldoende effect hebben. Zorgen worden geuit over de verkeersveiligheid ter plaatse van de woningen aan de Horsterweg. Daarnaast wijst reclamant erop dat in onderliggende rapporten mogelijk ruimte wordt gelaten voor een snelheid van 50 km/uur.

Hij verwijst hierbij naar het onderdeel geluid (hoofdstuk 4.5.1), waarin volgens hem wordt aangegeven dat een verlaging naar 30 km/uur ongewenst zou zijn. Ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit stelt reclamant dat de berekende toename van de geluidsbelasting (0,6 dB) volgens hem een gemiddelde betreft en dat de toename ter plaatse van de in- en uitritten hoger zal zijn. Hij betwijfelt of dit binnen de geldende normen blijft. Eenzelfde redenering hanteert reclamant ten aanzien van luchtverontreiniging, waarbij de lokale toename bij de in- en uitritten hoger zal zijn dan het berekende gemiddelde. Verder plaatst reclamant vraagtekens bij de gehanteerde verkeerscijfers. Hij geeft aan dat in de stukken verschillende aantallen voertuigen worden genoemd (onder meer 301 voertuigen per inrit en totalen van 621, 667 of 689), waardoor voor hem onduidelijkheid bestaat over de daadwerkelijke verkeersintensiteit en de berekeningswijze. Hoewel hij erkent dat de Horsterweg mogelijk voldoende capaciteit heeft, acht hij de toename van het verkeer (door hem ingeschat tussen circa 9% en 18%) niet zonder meer wenselijk. 8. Reclamant voert aan dat in het Omgevingsplan (pagina 29) wordt gesteld dat sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat door het beëindigen van een intensieve veehouderij. Volgens reclamant wordt hiermee een selectieve voorstelling van zaken gegeven.

Hij geeft aan dat hij zelf nooit hinder heeft ondervonden van de betreffende veehouderij en dat hij door de voorgenomen woningbouw juist nadelen ervaart. Daarnaast plaatst reclamant vraagtekens bij de passage waarin wordt gesproken over een “directe aansluiting op de bestaande kern Castenray”. Hij acht onduidelijk wat hiermee wordt bedoeld, aangezien volgens hem geen sprake is van een directe ruimtelijke aansluiting. De motivering op dit punt wordt door reclamant als onvoldoende duidelijk ervaren. 9. Reclamant geeft aan dat, indien het bestemmingsplan wordt vastgesteld, hij voornemens is een beroep te doen op nadeelcompensatie wegens de door hem verwachte waardevermindering van zijn woning als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

31

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

10. Reclamant maakt een aantal aanvullende opmerkingen en stelt diverse verduidelijkingsvragen bij onderdelen van het plan en de bijbehorende stukken. Gevraagd wordt om verduidelijking van bepaalde begrippen en formuleringen, zoals de term “netwerkennota” en onduidelijke zinsneden in hoofdstuk 3.2 van het Omgevingsplan (onder meer een onvolledige opsomming en de betekenis van “hout of modern”). Daarnaast uit reclamant zorgen over de gefaseerde uitvoering van het plan (drie fasen) en de duur van de werkzaamheden. Hij wijst erop dat in het Omgevingsplan wordt gesproken over een realisatietermijn van vijf jaar, waarbij wordt vermeld dat “ernaar wordt gestreefd” het plan binnen die termijn uit te voeren. Volgens reclamant laat deze formulering ruimte voor een langere uitvoeringsperiode, met mogelijke langdurige hinder door bouwverkeer, geluid- en stofoverlast. Verder plaatst reclamant kanttekeningen bij het beeldkwaliteitsplan. Hij vraagt welke bouwvariant is voorzien tegenover zijn woning (Horsterweg 30E) en verwijst naar passages over architectonische kenmerken en materiaalgebruik. Met name uit hij bezwaar tegen het toepassen van grijze of antraciet kunststof kozijnen en geeft hij een voorkeur aan voor een andere steenkleur dan in delen van het plan is voorzien.

Ook merkt hij op dat hoofdstuk 6 volgens hem vrijblijvend is geformuleerd door het gebruik van het woord “kunnen” bij maatregelen rondom woningen. Daarnaast wijst reclamant op een kolk ter plaatse van kavel P129 die volgens hem deels op privégrond ligt. Tot slot benadrukt reclamant dat hij door de voorgenomen ontwikkeling zijn vrije uitzicht en een deel van de rust zal verliezen. Het huidige uitzicht van circa 500 meter wordt volgens hem beperkt tot circa 58 meter, met zicht op onder meer groen, parkeerplaatsen en woningen. Standpunt gemeente 1. In het voorliggende geval is, zoals terecht door reclamant wordt opgemerkt, sprake van een situatie waarbij één van de ontsluitingen van het beoogde woongebied, deels tegenover de inrit van reclamant komt te liggen. Voor wat betreft het verplaatsen van de ontsluiting van het beoogde woongebied wordt allereerst verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1, sub 1. Verder dient te worden opgemerkt dat de komgrens wordt verschoven en dat de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, dus ook het wegdeel ter hoogte van de woning van reclamant, wordt teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h. Deze wijziging komt de verkeersveiligheid ten goede. Na verlegging van de grens van de bebouwde kom, wordt het wegprofiel vanaf deze nieuwe grens zodanig aangepast dat sprake is van een weg met fietssuggestiestroken.

De vrijliggende fietspaden komen binnen de bebouwde kom te vervallen. Dit draagt, tezamen met het terugbrengen van de maximumsnelheid van 50 km/h naar 30/h binnen de (gewijzigde) bebouwde kom, bij aan de overzichtelijkheid van de verkeerssituatie ter hoogte van de woning en inrit van reclamant. Gelet op de beoogde wijzigingen in de verkeerskundige situatie, wordt de toekomstige situatie vanuit verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar geacht.

32

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2. Voor wat betreft de situering van de inritten wordt verwezen naar de beantwoording van zienwijze 1, sub 1. Voor wat betreft mogelijke hinder als gevolg van verkeer op wegen binnen het plangebied, wordt opgemerkt dat in het kader van de nadere uitwerking en invulling van het plan, in overleg wordt bekeken op welke wijze met de inrichting en invulling van de groenzone binnen het plangebied, eventuele kans op inschijnend licht van koplampen, zoveel mogelijk kan worden beperkt. Verder is de initiatiefnemer, tezamen met de gemeente, bereid om in goed overleg met reclamant te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om eventuele hinder als gevolg van inschijnende koplampen zoveel mogelijk te beperken. 3. In het kader van de omgevingsdialoog is een eerste participatieavond gehouden op 3 juli 2024. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Vervolgens is er op 25 juni 2025 een inloopavond geweest. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Tijdens beide bijeenkomsten is bezoekers de mogelijkheid geboden om persoonlijk in gesprek te gaan met de initiatiefnemer en eventuele vraagpunten c.q. opmerkingen te bespreken.

Gedurende de planvorming en uitwerking van het ontwerp, is in nauwe afstemming tussen initiatiefnemer en specialisten vanuit verschillende disciplines van de gemeente, sprake geweest van een continu aanpassingsproces, waarbij stap voor stap optimalisaties hebben plaatsgevonden om uiteindelijk te komen tot het ontwerp dat als basis heeft gediend voor het TAM-omgevingsplan. Dat er beperkte afwijkingen zijn tussen het uiteindelijke ontwerp en de gepresenteerde ontwerpen, is dan ook verklaarbaar. De participatieplicht houdt in dat een initiatiefnemer aantoont dat de omgeving is geïnformeerd, dat reacties zijn opgehaald, dat inzichtelijk is gemaakt wat hiermee is gedaan en dat hiervan verslag is gedaan. Het door de initiatiefnemer gevoerde proces voldoet aan deze vereisten. Daarnaast heeft reclamant met het indienen van een zienswijze volledig gebruik kunnen maken van zijn inspraakmogelijkheden. 4. Voor het perceel aan de Horsterweg is op 17 september 2019 het bestemmingsplan Horsterweg 41 Castenray vastgesteld, waarin voor de ter plaatse aanwezige woning en het bijbehorende woonperceel een bestemming ‘Wonen’ is opgenomen. Ter plaatse is geen intensieve veehouderij (meer) aanwezig en evenmin is hiervoor nog een milieuvergunning van toepassing.

Verder dient te worden opgemerkt dat voor de gronden ten noorden van het woonperceel, waarvoor de bestemming ‘Agrarisch’ is opgenomen, in het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray’ voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone van 50 meter van de beoogde woonpercelen, de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone’ is opgenomen. Daarmee is ter plaatse het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies, uitgesloten.

33

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

5. In het verkennend natuuronderzoek is mede op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna aangegeven dat sprake is van incidentele waarnemingen van onder meer steenuil. Uit de ecologische beoordeling is naar voren gekomen dat het onderzoeksgebied niet geschikt is als nestplaats voor uilen wegens het ontbreken van een geschikt habitat. Ook zijn geen kunstmatige nestplaatsen als een steenuilenkast aangebracht. De akkers kunnen weliswaar deel uitmaken van het foerageergebied van roofvogels en uilen, maar in de directe omgeving zijn geen nestplaatsen bekend. Maatregelen voor steenuil worden op basis van de ecologische beoordeling niet noodzakelijk geacht. 6. Het geluid vanwege het wegverkeer is bepaald conform de hiervoor geldende standaard rekenmethode zoals beschreven in de meet- en rekenmethode geluid wegen uit bijlage IVe van de Omgevingsregeling. Hiervoor is gebruik gemaakt van het computerprogramma Geomilieu, versie 2025, module Omgevingswet. Voor wat betreft de rijksweg A73 zijn de verkeersgegevens afkomstig uit het geluidregister als onderdeel van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Hiermee voldoet het onderzoek aan de wettelijke vereisten. 7. Opgemerkt dient te worden dat snelheidsremmende maatregelen en een maximumsnelheid niet door middel van een TAM-omgevingsplan kunnen worden vastgelegd. Hiervoor gelden andere procedures, zoals een verkeersbesluit.

Dat in de huidige situatie regelmatig harder wordt gereden staat los van de procedure voor het TAM-omgevingsplan. Door het verschuiven van de komgrens, het verlagen van de toegestane snelheid van 50 km/h naar 30 km/h en het aanleggen van een drempel ter hoogte van de grens bebouwde kom, zal hinder als gevolg van te hard rijdende motorvoertuigen naar verwachting afnemen. In het akoestisch onderzoek dat bij het ontwerp TAM-omgevingsplan is gevoegd, is nog uitgegaan van een maximumsnelheid van 50 km/h binnen de bebouwde kom en van de bestaande komgrens. In het kader van de vaststelling wordt het akoestisch onderzoek aangepast aan de meest actuele stand van zaken, met inbegrip van de verlegging van de komgrens en een verlaging van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom van 50 km/h naar 30 km/h. Deze aanpassing leidt tot een lagere geluidbelasting als gevolg van gemeentewegen op woningen binnen het plangebied. Voor wat betreft de onduidelijkheid met betrekking tot aantallen als 621 en bijvoorbeeld 689 wordt opgemerkt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen een gemiddelde werkdag en een gemiddelde weekdag, zoals nader toegelicht in het verkeerskundig onderzoek. In het akoestisch onderzoek (en ook voor wat betreft bijvoorbeeld luchtkwaliteit en stikstofdepositie), dient uitgegaan te worden van een gemiddelde weekdag.

Voor wat betreft luchtkwaliteit wordt verder verwezen naar de beantwoording van zienswijze 3, sub 5. Voor wat betreft de 301 voertuigen geldt dat sprake is van een tikfout, dit geldt eveneens voor de genoemde 667. Hier dient respectievelijk 311 en 689 te staan. Deze aanpassingen wordt meegenomen in de algehele aanpassing van het akoestisch onderzoek in het kader van de vaststelling, zoals voorgaand beschreven en in een aanpassing van het verkeerskundig onderzoek.

34

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Tot slot dient te worden opgemerkt dat op basis van het verkeerskundig onderzoek de beoogde ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar wordt geacht. Deze onafhankelijke verkeerskundige toetsing staat los van het feit dat een toename van verkeersbewegingen door reclamant als niet zonder meer wenselijk kan worden beschouwd. 8. Dat reclamant zelf nooit hinder heeft ervaring als gevolg van de intensieve veehouderij aan de Matthiasstraat 3, neemt niet weg dat het beëindigen van deze intensieve veehouderij tot een vermindering van geurhinder in de omgeving leidt (zowel voor wat betreft de voorgrondbelasting als achtergrondbelasting). Hiermee kan worden gesteld dat in ieder geval voor wat betreft het aspect geurhinder, sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat. Met directe aansluiting op de bestaande kern Castenray wordt bedoeld dat het plangebied feitelijk grenst aan de bestaande kern Castenray. Zo sluit het plangebied ook direct aan op de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Castenray’ dat voor de kern Castenray van rechtswege van toepassing is als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Venray. De betreffende zinsnede is opgenomen in relatie tot de Omgevingsverordening Limburg.

Vanuit de provincie Limburg zijn hierover geen opmerkingen ontvangen, waaruit kan worden afgeleid dat de motivering door het bevoegd gezag in relatie tot de Omgevingsverordening Limburg als afdoende wordt beschouwd. 9. In relatie tot mogelijke waardevermindering staat het reclamant vrij om een claim tot nadeelcompensatie in te dienen. De procedure hiertoe betreft een separaat traject, en maakt geen onderdeel uit van de procedure tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat tussen gemeente en initiatiefnemers een anterieure overeenkomst is afgesloten, waarin ook afspraken zijn vastgelegd over nadeelcompensatie. 10. Met betrekking tot de term netwerkennota wordt opgemerkt dat deze term als verkorte versie wordt gebruikt voor de nota “Uitgangspunten Netwerken Infrastructuur en Verkeer, Fietsen en lopen in de spotlights!” Volledigheidshalve is hiertoe ter verduidelijking een voetnoot opgenomen. De opmerking met betrekking tot hoofdstuk 3.2 heeft betrekking op het beeldkwaliteitsplan. Bij de opsomming ontbrak een haakje sluiten. De opsomming is wel volledig. Voor het overige wordt verwezen naar de definitieve versie van het beeldkwaliteitsplan, waarin in nauw overleg tussen initiatiefnemer en gemeente ten opzichte van de versie bij het ontwerp TAM-omgevingsplan nog enkele wijzigingen zijn doorgevoerd.

De uitvoeringsperiode is onder meer afhankelijk van marktomstandigheden. Initiatiefnemer en gemeente streven ernaar om hinder als gevolg van bouwverkeer en geluid- en stofoverlast zoveel mogelijk te beperken. Er zullen routes worden bepaald voor het bouwverkeer en omwonenden worden geïnformeerd middels een bewonersbrief. Hierin staan telefoonnummers vermeld mocht er onverhoopt overlast ontstaan. Voor wat betreft de bezwaren van reclamant met betrekking tot elementen uit het beeldkwaliteitsplan, wordt opgemerkt dat het beeldkwaliteitsplan is opgesteld in nauwe afstemming met de gemeente. In het feit dat reclamant mogelijk andere persoonlijke voorkeuren heeft ten aanzien van bijvoorbeeld kleuren en materialen, wordt geen reden gezien om tot aanpassing van het beeldkwaliteitsplan over te gaan. Het is tot slot niet ongebruikelijk om in een

35

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

beeldkwaliteitsplan een bepaalde vrijheid te laten aan de architect en bepaalde mogelijkheden te bieden die in de uitwerking kunnen worden toegepast, maar waarvan het niet wenselijk wordt geacht om deze verplichtend op te leggen. Ten aanzien van een eventuele kolk wordt opgemerkt dat dit onderdeel vormt van de nadere (technische) uitwerking van het plan. Dit is geen onderdeel dat geregeld wordt in een TAMomgevingsplan. Voor wat betreft de opmerking van reclamant in relatie tot het vrije uitzicht wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 2, sub 1. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen.

36

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2.6

Zienswijze Reclamant 6

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 27 januari 2026, ontvangen op 27 januari 2026.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamanten voeren aan dat het plan voorziet in onvoldoende verkeerscapaciteit en bereikbaarheid. Volgens hen fungeert de Horsterweg als primaire ontsluitingsroute en is deze reeds een drukke verkeersader. Met de toevoeging van 89 woningen, hetgeen volgens reclamanten neerkomt op een groei van circa 25% van het dorp, zal het extra verkeer zich volledig concentreren op deze route. Zij wijzen erop dat de Horsterweg bovendien regelmatig wordt gebruikt als alternatieve route bij incidenten op de A73, waardoor de verkeersdruk verder kan toenemen. Reclamanten stellen dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Zij verzoeken om naast het geplande voet- en fietspad een aparte auto-ontsluiting richting de Matthiasstraat te realiseren. Zonder een tweede uitrit achten zij de verkeersdruk onacceptabel, met risico op verkeersoverlast in aangrenzende straten en mogelijke verkeerscongestie. 2. Reclamanten voeren aan dat de aanzienlijke toename van verkeersbewegingen leidt tot ernstige veiligheidsrisico’s, met name voor kinderen en langzaam verkeer zoals voetgangers en fietsers. Volgens hen brengt de concentratie van extra autoverkeer op één ontsluitingspunt een verhoogd risico op ongevallen met zich mee.

Zij wijzen erop dat de huidige situatie reeds als problematisch wordt ervaren voor kinderen die naar school in Oirlo gaan, aangezien zij de Horsterweg tweemaal moeten oversteken. Met de komst van nieuwe woningen en mogelijk meer gezinnen met kinderen zal het aantal verkeersbewegingen en oversteekbewegingen volgens reclamanten verder toenemen, waardoor de situatie verslechtert. Daarnaast vrezen reclamanten dat de Leikeswei als sluiproute zal worden gebruikt door voetgangers en fietsende kinderen die naar het trapveldje aan de Pastoor Verheggenstraat gaan, hetgeen volgens hen ook daar tot veiligheidsrisico’s kan leiden. 3. Reclamanten voeren aan dat de toevoeging van een groot aantal extra voertuigen zal leiden tot een toename van uitlaatgasemissies en stikstofuitstoot. Zij wijzen erop dat in de gemeente Venray recent meerdere intensieve veehouderijen nabij de A73 zijn goedgekeurd, waardoor de stikstofbelasting volgens hen reeds is toegenomen. In combinatie met het woningbouwplan zou dit de belasting verder verhogen.

37

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Reclamanten geven aan dat het plangebied in de nabijheid van Natura 2000-gebieden ligt en dat stikstofuitstoot in dat kader relevant is. Tevens wijzen zij op het nabijgelegen natuurgebied Castenrayse Vennen, dat volgens hen wordt blootgesteld aan extra belasting. Zij stellen de vraag in hoeverre dit natuurgebied op andere wijze is beschermd. Daarnaast voeren reclamanten aan dat het project volgens hen niet past binnen de landelijke doelstelling om de luchtkwaliteit te verbeteren. Ten slotte wijzen reclamanten op de ligging van de nieuwe wijk nabij de A73 en stellen zij dat de huidige geluidsgrenswaarden reeds hoog zijn en mogelijk verder zullen toenemen door de ontwikkeling. 4. Reclamanten voeren aan dat met de bouw van 89 woningen hinder kan ontstaan door het gebruik van warmtepompen. Zij stellen dat de concentratie van meerdere warmtepompen binnen één woongebied kan leiden tot aanzienlijke geluidsoverlast voor omwonenden en het dorp als geheel. Volgens reclamanten is uit ervaringen elders gebleken dat warmtepompen bij nabijgelegen woningen tot geluidhinder kunnen leiden. 5. Reclamanten voeren aan dat het vrije uitzicht van direct aangrenzende woningen wordt belemmerd door de geplande bebouwing. Voor bewoners aan onder meer de Horsterweg betekent dit volgens hen een aanzienlijke vermindering van privacy en verlies van uitzichtpunten en landschappelijk karakter.

Daarnaast stellen reclamanten dat het woongenot verslechtert doordat voorheen rustige tuinen aan de voorzijde worden geconfronteerd met extra verkeersbewegingen, onder meer als gevolg van een nieuwe in- en uitrit in de directe nabijheid van woningen. Voorts wijzen reclamanten op hinder door bouwverkeer tijdens de realisatie van het plan, dat zich naar verwachting over meerdere jaren zal uitstrekken. 6. Reclamanten voeren aan dat door de combinatie van verkeerslawaai, geluid, uitlaatgassen, beperking van uitzicht en verslechtering van het woongenot een reële kans bestaat op aanzienlijke waardevermindering van aangrenzende woningen. Daarnaast stellen reclamanten dat in de huidige situatie reeds scheurvorming in woningen is opgetreden als gevolg van zwaar verkeer over de Horsterweg. Zij vrezen dat verdere toename van verkeer dit kan verergeren. 7. Reclamanten voeren aan dat direct aangrenzende bewoners onvoldoende zijn betrokken bij het planningsproces. Volgens hen zijn hun eigendomsbelangen, alsmede hun bezwaren ten aanzien van privacy en leefklimaat, niet adequaat meegewogen in de planvorming. 8. Reclamanten voeren aan dat de toevoeging van 89 nieuwe woningen neerkomt op een groei van circa 25% van het dorp Castenray en dat dit onevenredig is voor een klein agrarisch dorp.

Zij plaatsen vraagtekens bij de motivering dat de woningen bedoeld zijn voor jongeren uit het dorp of voor terugkerende oud-inwoners. Volgens reclamanten blijkt uit recente woningverkopen in Castenray dat vrijgekomen woningen veelal zijn verkocht aan personen van buiten het dorp. Daarnaast wijzen reclamanten op het agrarische karakter van Castenray. De voorgenomen bouw op landbouwgrond, waaronder gronden die recent in gebruik zijn genomen voor teelt (paulownia-bomen ten behoeve van houtproductie) en waar mogelijk aanvullende activiteiten

38

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

worden overwogen (zoals een houtzagerij), tast volgens hen het landelijke karakter aan. Reclamanten stellen dat hierdoor het dorpsgevoel en de lokale identiteit onder druk komen te staan. 9. Reclamanten wijzen op plannen voor herbestemming van de kerk in Castenray, waarbij wordt gedacht aan realisatie van appartementen in het bestaande gebouw. Zij geven aan deze ontwikkeling te ondersteunen, omdat hiermee volgens hen het historische dorpshart behouden blijft en optimaal wordt benut. Volgens reclamanten vormt deze herbestemming reeds een substantiële uitbreiding van de woningvoorraad, zonder dat extra landbouwgrond hoeft te worden bebouwd of de verkeersdruk toeneemt. Zij stellen dat dit beter past bij het kleinschalige, agrarische karakter van Castenray en beschouwen dit als een duurzamer alternatief voor het grootschalige woningbouwproject met 89 woningen. 10. Reclamanten voeren aan dat met de toevoeging van ten minste 89 woningen, mogelijk met veel gezinnen en kinderen, onvoldoende basisvoorzieningen aanwezig zijn om een leefbare buurt te vormen. Zij wijzen erop dat Castenray geen basisschool heeft en dat volgens hen ook andere sociale voorzieningen en buurtfaciliteiten ontbreken. Volgens reclamanten is de verwijzing naar eventuele nieuwe voorzieningen in het plan onvoldoende concreet uitgewerkt.

Zij betwijfelen of de omvang van het project daadwerkelijk zal leiden tot versterking van voorzieningen of sociale cohesie. Daarbij wordt gesteld dat de bouw van 89 woningen niet voorkomt dat verenigingen uit verschillende dorpen moeten fuseren, hetgeen volgens hen de haalbaarheid van een gezonde en zelfvoorzienende gemeenschap ondermijnt. 11. Reclamanten voeren aan dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van Natura 2000gebieden en van het natuurgebied Castenrayse Vennen. Hoewel laatstgenoemd gebied geen formele Natura 2000-status heeft, achten zij dit ecologisch waardevol. Volgens reclamanten besteedt het plan onvoldoende aandacht aan de bescherming van deze natuurgebieden tegen mogelijke effecten van stikstofuitstoot, geluidshinder en andere vormen van milieuvervuiling als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 12. Reclamanten stellen de vraag of voor de realisering van de twee toegangswegen aan de Horsterweg bomen moeten worden gekapt. Volgens hen is in de stukken niet duidelijk vermeld of en in hoeverre bomenkap noodzakelijk is. Zij verzoeken om hierover duidelijkheid te verschaffen, mede gelet op de mogelijke landschappelijke gevolgen. 13. Reclamanten verzoeken, gelet op de door hen genoemde bezwaren, om aanvullende maatregelen en voorwaarden indien het plan wordt voortgezet. Zij vragen onder meer om: -

realisatie van een tweede auto-ontsluitingsroute richting de Matthiasstraat ter beperking van de verkeersdruk op de Horsterweg;

-

aanleg van een gescheiden fiets- en wandelpad richting de Matthiasstraat ten behoeve van veilige schoolroutes;

-

uitvoering van aanvullend geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek, met zo nodig mitigerende maatregelen;

-

duidelijke bouwprotocollen ter voorkoming van schade aan nabijgelegen woningen;

39

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

-

een concreet en uitgewerkt programma van voorzieningen;

-

een landschaps- en bomenplan;

-

beschermingsmaatregelen voor het natuurgebied Castenrayse Vennen tegen stikstofuitstoot;

-

expliciete en aantoonbare integratie van de belangen van direct omwonenden in de verdere planuitwerking.

Reclamanten verzoeken primair het bouwplan in zijn geheel niet vast te stellen, omdat het volgens hen niet voldoet aan redelijke maatstaven voor leefbaarheid, veiligheid en milieubeheer. Indien de gemeente besluit het project toch voort te zetten, stellen zij als voorwaarde dat de genoemde punten volledig en aantoonbaar worden opgelost vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden. 14. Reclamanten stellen de gemeente Venray aansprakelijk voor eventuele waardevermindering van hun woningen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zij geven aan dat, indien het bouwplan wordt vastgesteld en uitgevoerd en dit leidt tot aantoonbare waardevermindering, de gemeente gehouden is tot volledige schadevergoeding. Volgens reclamanten dient deze vergoeding onder meer te omvatten: de vastgestelde waardevermindering van het onroerend goed (op basis van een onafhankelijke taxatie), kosten voor herstel van eventuele structurele schade aan woningen, kosten voor geluidsisolatie of andere mitigerende maatregelen en een vergoeding voor immateriële schade wegens verslechtering van woongenot en leefkwaliteit. Reclamanten stellen dat deze aansprakelijkheid bij de gemeente ligt als planopsteller en bevoegd gezag en dat hierover vooraf duidelijkheid dient te worden verschaft. Standpunt gemeente 1. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, sub 1.

Dat wegen incidenteel als alternatieve route worden gebruikt bij incidenten op de A73 staat geheel los van de beoogde ontwikkeling. Op basis van de afwegingen die gedurende het planvormingstraject zijn gemaakt, wordt een ontsluiting richting de Matthiasstraat enerzijds onwenselijk geacht en anderzijds ook niet mogelijk geacht gelet op het feit dat sprake is van gronden van derden waarover niet zomaar een ontsluitingsroute kan worden aangelegd. 2. Ten aanzien van de gestelde verkeershinder en mogelijke verkeersveiligheidsrisico’s wordt opgemerkt dat uit het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek is gebleken dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar wordt geacht op het omliggende wegennet, ook vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de komgrens wordt verschoven en dat de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, wordt teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h. Ook zal de drempel worden verplaatst. Deze maatregelen zullen eventuele hinder naar verwachting beperken en de verlaging van de maximumsnelheid zal bijdragen aan de verkeersveiligheid. Voor wat betreft het gebruik van de Leikeswei door voetganger en fietsende kinderen geldt dat ter plaatse reeds sprake van een maximumsnelheid van 30 km/u. Gelet hierop wordt niet

40

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

verwacht dat sprake zal zijn van onevenredige veiligheidsrisico’s. Ter vergelijking wordt erop gewezen dat de Horsterweg binnen de bebouwde kom eveneens bij uitstek geschikt is voor gemengd verkeer en niet als onveilig wordt aangemerkt voor fietsers. 3. In het kader van de beoogde ontwikkeling en het TAM-omgevingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie. Hieruit is naar voren gekomen dat in de gebruiksfase geen sprake is van een significante toename van stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de aanlegfase blijkt dat een stikstofdepositie van ten hoogste 0,01 mol N/ha/jaar plaatsvindt in Natura 2000-gebieden “Maasduinen” en “Boschhuizerbergen”. Op basis van de daartoe uitgevoerde ecologische voortoets, kunnen significant negatieve effecten echter worden uitgesloten. Hierbij kan aanvullend worden opgemerkt dat het wegvallen van de intensieve veehouderij aan de Matthiasstraat 3 en het komen te vervallen van het agrarisch gebruik ter hoogte van het beoogde woongebied, welke onderdelen onlosmakelijk zijn verbonden aan de beoogde ontwikkeling, ertoe leiden dat in de gebruiksfase per saldo juist sprake is van een afname van stikstofdepositie.

Omdat uit de ecologische voortoets reeds is gebleken dat geen sprake is van significant negatieve effecten, is de mogelijkheid om intern te salderen met de bestaande te vervallen functies, buiten beschouwing gelaten. Ten aanzien van Castenrayse Vennen wordt opgemerkt dat dit gebied onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Limburg en op basis daarvan een beschermde status heeft. Uit het verkennend natuuronderzoek dat onderdeel uitmaakt van het TAM-omgevingsplan, komt naar voren dat dat verstoring van dit gebied redelijkerwijs uit te sluiten is en dat van fysieke aantasting in het geheel geen sprake is. Daarom kunnen negatieve gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg worden uitgesloten. Met betrekking tot de opmerking dat het project niet past binnen de landelijke doelstelling om de luchtkwaliteit te verbeteren, wordt opgemerkt dat in de paragraaf luchtkwaliteit zoals opgenomen in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan nader is onderbouwd dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast het verdwijnen van de intensieve veehouderij aan de Matthiaststraat 3, als onlosmakelijk onderdeel van de beoogde ontwikkeling, zorgt voor een verbetert woon- en leefklimaat. De stelling dat de geluidbelasting van de A73 als gevolg van de ontwikkeling zal toenemen wordt niet gevolgd.

De toename van het aantal verkeersbewegingen op de A73 als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling is zeer gering en zal, gelet op geldende reken- en beoordelingssystematiek, niet leiden tot een significante toename van de geluidbelasting ter plaatse van de beoogde woonpercelen. 4. Voor een installatie voor warmte- of koudeopwekking (zoals een warmtepomp of airco) die buiten staat bij een woning, geldt als de woning (met de installatie) direct grenst aan een andere woning, dat het geluidniveau van de installatie maximaal 40 dB mag zijn. Het berekenen van het geluidniveau moet plaatsvinden volgens de Omgevingsregeling (artikel 5.59) en bijlage XVII van de Omgevingsregeling.

41

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Gaat het om woningen op verschillende bouwwerkpercelen, dan geldt dat geluidniveau van 40 dB op de perceelsgrens (artikel 4.107, lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving). Indien een perceel van een woning waar een installatie zoals een warmtepomp buiten staat, niet direct grenst aan het perceel van een andere woning (bijvoorbeeld omdat er openbare ruimte tussen zit), dan geldt het geluidniveau op de perceelsgrens (van beide woningen) niet. Warmtepompen moeten kortom voldoen aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Gelet op relatief grote afstand tussen de beoogde woningen en de wettelijke kaders die van toepassing voor de toegestane geluidniveaus van warmtepompen, bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van geluidsoverlast als gevolg van warmtepompen ter hoogte van bestaande woningen, zoals de woningen van reclamanten. 5. Ten aanzien van vermindering van het uitzicht zoals door reclamant wordt gesteld, dient allereerst te worden opgemerkt dat op basis van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit neemt niet weg dat het belang van het behoud van uitzicht betrokken moet worden in de belangenafweging. Hiertoe kan worden gesteld dat sprake is van een ruime afstand van meer dan 50 meter van de woningen van reclamanten (en ook overige omwonenden) tot de beoogde woningen binnen het plangebied.

Er wordt aan de noordzijde van de Horsterweg voorzien in een ruime zone met een groenfunctie en groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarachter worden pas de woningen gerealiseerd. Deze groenzone zal mede het uitzicht van omwonenden bepalen. Daarnaast is uitsluitend sprake van de realisatie van grondgebonden woningen met reguliere hoogtes en is geen sprake van hoogbouw, waarmee de stedenbouwkundige impact, ook in relatie tot het uitzicht, beperkt blijft. Op basis hiervan is geen sprake van een onevenredige aantasting van het uitzicht van omwonenden aan de zuidkant van de Horsterweg. Voor wat betreft het woongenot, geldt dat in de motivering van het TAM-omgevingsplan in voldoende mate is aangetoond dat de ontwikkeling inpasbaar wordt geacht en niet leidt tot een onevenredige verslechtering van het woon- en leefklimaat. Zo is onder meer sprake van een ruime groenzone aan de noordzijde van de Horsterweg, zoals voorgaand beschreven, terwijl het niet ongebruikelijk zou zijn als het bebouwingslint direct langs de noordzijde van de Horsterweg zou zijn doorgetrokken in plaats van de nu voorziene groenzone. Ten aanzien van bouwverkeer dient allereerst te worden opgemerkt dat de routing van het bouwverkeer niet wordt geregeld in het TAM-omgevingsplan. Dit betreft een uitvoeringsaspect.

Enige hinder als gevolg van bouwverkeer gedurende de aanlegfase van het plan is niet uit te sluiten. Dit is bij iedere ontwikkeling het geval. De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van het bouwplan en daarmee ook de routing van het bouwverkeer. Deze moet nog worden uitgewerkt en zal gebeuren in overleg met de gemeente. 6. In relatie tot mogelijke waardevermindering staat het reclamanten vrij om een claim tot nadeelcompensatie in te dienen. De procedure hiertoe betreft een separaat traject, en maakt geen onderdeel uit van de procedure tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat tussen gemeente en initiatiefnemers een anterieure overeenkomst is afgesloten, waarin ook afspraken zijn vastgelegd over nadeelcompensatie.

42

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Voor wat betreft scheurvorming wordt niet nader onderbouwd waarom verondersteld worden dat dit het gevolg zou zijn van zwaar verkeer over de Horsterweg. De zorgen over de gevolgen van het bouwverkeer zijn bij zowel gemeente als initiatiefnemer bekend en hebben de aandacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er routes worden bepaald voor het bouwverkeer en dat omwonenden worden geïnformeerd middels een bewonersbrief. Hierin staan telefoonnummers vermeld mocht er onverhoopt overlast ontstaan. 7. In het kader van de omgevingsdialoog is een eerste participatieavond gehouden op 3 juli 2024. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Vervolgens is er op 25 juni 2025 een inloopavond geweest. Hiervoor zijn direct omwonenden geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Tijdens beide bijeenkomsten is bezoekers de mogelijkheid geboden om persoonlijk in gesprek te gaan met de initiatiefnemer en eventuele vraagpunten c.q. opmerkingen te bespreken. De stelling dat belangen van aangrenzende bewoners niet adequaat zijn meegewogen in de planvorming wordt niet gedeeld. Gedurende het planvormingsproces is in nauw overleg tussen gemeente en initiatiefnemer getracht om te komen tot een zo optimaal mogelijk stedenbouwkundig plan.

Hierbij is zowel gekeken naar het algemeen belang als de belangen van omwonenden. Ook uit de uitgevoerde onderzoeken in het kader van het TAM-omgevingsplan blijkt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van het leefklimaat. Onder meer gelet op de relatief grote afstand tussen de beoogde woningen en bestaande woningen, is van onevenredige aantasting van privacy of eigendomsbelangen evenmin sprake. 8. Ten aanzien van het aantal woningen en de behoefte, wordt verwezen naar de beantwoording bij zienswijze 2, sub 1. Voor zover sprake zou zijn van mogelijk aanvullende activiteiten die worden overwogen (zoals een houtzagerij), dient te worden opgemerkt dat als hiervan al sprake zou zijn, een dergelijke ontwikkeling zelfstandig beoordeeld dient te worden op basis van de op dat moment geldende wet- en regelgeving en juridisch-planologische kaders. Door de mix aan woningtypen, is het woongebied geschikt voor uiteenlopende doelgroepen. Een deel van de woningen zal naar verwachting ingevuld worden door bewoners afkomstig uit Venray en meer specifiek Castenray. Voor een deel zullen woningen ook bewoond worden door bewoners die niet afkomstig zijn uit Venray en meer specifiek Castenray. Dit is bij vrijwel iedere reguliere woningbouwontwikkeling het geval.

Bij de uitwerking van het ontwerp, de opzet van het woongebied met veel groenvoorzieningen, een relatief ruime opzet en de kaders zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan, is getracht zoveel mogelijk aan de sluiten bij het landelijke karakter van Castenray. Dit ter behoud van het dorpsgevoel en de lokale identiteit. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in het kader van de vaststelling van het TAM-omgevingsplan het definitieve beeldkwaliteitsplan wordt gevoegd, waarin enkele beperkte wijzigingen zijn doorgevoerd. 9. Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van zienswijze 2, sub 1, is sprake van een concrete en actuele behoefte aan woningen, waaraan met de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied invulling wordt gegeven. Met alleen de beoogde woningbouwontwikkeling binnen

43

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

het plangebied kan niet worden voorzien in de totale woningbehoefte. Daarom worden er op meerdere plekken binnen de gemeente Venray woningen ontwikkeld, waaronder dus ook binnen het plangebied. 10. Het is in landelijke gemeenten niet ongebruikelijk dat niet iedere kern alle basisvoorzieningen beschikbaar heeft, waaronder ook een basisschool. Onder meer in het nabijgelegen Oirlo, maar ook in Horst zijn basisscholen aanwezig waar kinderen vanuit Castenray terecht kunnen. Het is in veel landelijke gemeenten een bekend aandachtspunt dat basisvoorzieningen onder druk staan en dat clustering van voorzieningen plaatsvindt, omdat per afzonderlijke kern veelal niet meer voldoende draagvlak bestaat voor bepaalde voorzieningen. Met de beoogde woningbouwontwikkeling kan een bijdrage worden geleverd aan de het draagvlak en daarmee de instandhouding van nog aanwezige voorzieningen binnen de kern Castenray en de directe omgeving. 11. In het kader van de beoogde ontwikkeling en het TAM-omgevingsplan is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd. In het kader van dit onderzoek is niet alleen gekeken naar Natura 2000-gebieden, maar ook naar overige beschermde (natuur)gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (en de provinciale uitwerking hiervan Natuurnetwerk Limburg) en overige bijzondere provinciale natuurgebieden/landschappen.

Het natuurgebied Castenrayse Vennen maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Limburg en is daarmee meegenomen in de beoordeling. Uit het verkennend natuuronderzoek komt naar voren dat dat verstoring redelijkerwijs uit te sluiten is en dat van fysieke aantasting in het geheel geen sprake is. Daarom kunnen negatieve gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg worden uitgesloten. 12. Uitsluitend ter hoogte van de westelijk geprojecteerde toegangsweg dient naar verwachting één bestaande boom te worden gekapt. Voor het overige is het streven erop gericht om de bestaande bomen waar mogelijk te behouden. 13. Op basis van de afwegingen die gedurende het planvormingstraject zijn gemaakt, wordt een ontsluiting richting de Matthiasstraat enerzijds onwenselijk geacht en anderzijds ook niet mogelijk geacht gelet op het feit dat sprake is van gronden van derden waarover niet zomaar een ontsluitingsroute kan worden aangelegd. De aanleg van een gescheiden fiets- en wandelpad richting de Matthiasstraat wordt om dezelfde redenen op dit moment niet haalbaar geacht. Aanvullend geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en onderbouwingen zoals opgenomen in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan, wordt de beoogde ontwikkeling inpasbaar geacht, ook vanuit het oogpunt van geluid en luchtkwaliteit. Voor wat betreft voorkoming van schade worden verwezen naar de beantwoording onder sub 6. Een landschappelijk inpassingsplan met inbegrip van bomenplan (type aan te planten bomen binnen het plangebied) is opgenomen als bijlage bij de motivering behorende bij het (ontwerp) TAM-omgevingsplan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het landschappelijk inpas-

44

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

singsplan in het kader van het vast te stellen TAM-omgevingsplan inmiddels verder is uitgewerkt. De bijlage bij de motivering van het TAM-omgevingsplan wordt vervangen door de meest actuele versie. Beschermingsmaatregelen ten aanzien van het natuurgebied Castenrayse Vennen worden niet noodzakelijk geacht. Verwezen wordt verder naar de beantwoording onder sub 11. Voor zover mogelijk en wenselijk, wordt bij de verdere uitwerking rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Ten aanzien van bouwverkeer dient te worden opgemerkt dat de routing van het bouwverkeer niet wordt geregeld in het TAM-omgevingsplan. Dit betreft een uitvoeringsaspect. Er worden routes bepaald voor het bouwverkeer en omwonenden worden geïnformeerd middels een bewonersbrief. Hierin staan telefoonnummers vermeld mocht er onverhoopt overlast ontstaan. 14. Het staat reclamanten vrij om een claim tot nadeelcompensatie in te dienen. De procedure hiertoe betreft een separaat traject, en maakt geen onderdeel uit van de procedure tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat tussen gemeente en initiatiefnemers een anterieure overeenkomst is afgesloten, waarin ook afspraken zijn vastgelegd over nadeelcompensatie. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen.

45

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974229/1