CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B2.B - Memo Endotoxine-toetsing Horsterweg 39D Castenray 27-03-2026 - anoniem

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray23.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Memo Opdrachtgever Locatie Datum verslag Opsteller

HVG Real Estate Horsterweg 39D Castenray – Omgevingsplan 27-3-2026

1) Aanleiding Naar aanleiding van een zienswijze tegen het ontwerp omgevingsplan Poort van Castenray is onderhavige memo opgesteld. Dit om het woningbouwplan te toetsen aan het Endotoxine-toetsingskader ten opzichte van de ten noord-westen gelegen pluimveehouderij aan de Horsterweg 39D in Castenray. In deze memo is onderzocht of voldaan kan worden aan de gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 van de Gezondheidsraad1. 2) Bepalen richtafstand Gezondheidsraad pluimveehouderij Horsterweg 39D ten opzichte van woningbouwontwikkeling Poort van Castenray In onderstaande tabellen zijn de gegevens opgenomen van de Omgevingsvergunning milieu zoals verleend d.d. 03-08-2018 (HZ-OMV-2016-0063) voor de pluimveehouderij aan de Horsterweg 39D in Castenray en de vervolgens verleende milieuneutrale wijziging d.d. 8-12-2020 (HZ-OMV-2020-0420). Het betreft een zogenaamde Of-Of vergunning. Er is vergunning verleend voor het houden van opfokkippen of vleeskuikens in een viertal stallen. Deze situaties zijn in de onderstaande tabel schematisch weergegeven.

1

Handreiking-Veehouderij-en-Volksgezondheid.pdf

Jufferenwal 30 Postbus 240 8000 AE Zwolle

t 088 236 82 36 e info@rombou.nl i www.rombou.nl

Tabel 1 Situatie 1: 69.330 opfokkippen conform revisievergunning d.d. 03-08-2018 (HZ-OMV-2016-0063)

Tabel 2 Situatie 2: 59.100 vleeskuikens conform revisievergunning d.d. 03-08-2018 (HZ-OMV-2016-0063)

Tabel 3 Situatie 2: 59.100 vleeskuikens (Volwaard) conform milieuneutrale wijziging d.d. 08-12-2020 (HZ-OMV-2020-0420)

De totale fijnstofemissie van het bedrijf is gebruikt om de berekende afstand met betrekking tot endotoxinen te bepalen. In de feitelijke situatie worden er vleeskuikens gehuisvest, dus zoals vergund in situatie 2. De rekenresultaten zijn opgenomen in onderstaande afbeelding.

Figuur 1 Uitsnede emissie van endotoxine Horsterweg 39D Castenray (situatie 2 vleeskuikens)

2

3) Gewogen emissiepunt Voor het bepalen van het gewogen emissiepunt is gebruik gemaakt van de gegevens voor de geurberekeningen van het bedrijf. Deze gegevens zijn opgenomen als bijlage bij de vigerende vergunning verleend d.d. 03-08-2018 (HZ-OMV-2016-0063). Hierbij is per stal de procentuele bijdrage aan fijnstofemissie bepaald. De procentuele bijdrage per stal wordt vervolgens als factor gebruikt om het geometrisch gemiddelde te kunnen bepalen. Per stal wordt met behulp van de procentuele bijdrage (factor) eerst een fictief emissiepunt bepaald op de x- en y coördinaat. Door deze fictieve coördinaten bij elkaar op te tellen wordt het gewogen emissiepunt verkregen. De berekening van het gewogen emissiepunt is in onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 2 Berekening gewogen emissiepunt situatie 1 opfokkippen

Figuur 3 Berekening gewogen emissiepunt situatie 2 vleeskuikens

Het gewogen emissiepunt van de pluimveehouderij aan de Horsterweg 39D is rijkscoördinaat X 199429 Y 389516. 4) Afstanden feitelijke situatie pluimveehouderij Horsterweg 39D Castenray tot aan woningbouwontwikkeling Poort van Castenray In onderstaande tabel is de afstand in de feitelijke situatie (huisvesting van vleeskuikens) vanaf het gewogen emissiepunt tot het plangebied Poort van Castenray schematisch weergegeven. Tabel 4 Afstanden gewogen emissiepunt Horsterweg 39D Castenray tot aan planontwikkeling Poort van Castenray

In onderstaande figuren zijn deze contouren visueel weergegeven.

3

Figuur 4 Contour endotoxinen Horsterweg 39D Castenray vanaf gewogen emissiepunt situatie 1 opfokkippen - 157 meter

Figuur 5 Contour endotoxinen Horsterweg 39D Castenray vanaf gewogen emissiepunt situatie 2 vleeskuikens- 221 meter

4

Figuur 6 Afstand gewogen emissiepunt Horsterweg 39D Castenray t.o.v. planontwikkeling Poort van Castenray 5)

Conclusie

Naar aanleiding van de zienswijze is de Endotoxine-contour berekend en in beeld gebracht voor de locatie aan de Horsterweg 39D in Castenray. De richtafstand vanaf het gewogen emissiepunt op he bedrijf bedraagt voor de feitelijke situatie met huisvesting van vleeskuikens 221 meter. De planontwikkeling Poort van Castenray is gelegen op 225 meter van het gewogen emissiepunt. Hiermee wordt voldaan aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is derhalve in de feitelijke situatie van Horsterweg 39D binnen de planontwikkeling Poort van Castenray geen sprake van onevenredige blootstelling aan endotoxinen. Hiermee is ten aanzien van de volksgezondheid ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe nabijheid van het pluimveebedrijf aan de Horsterweg 39D zijn een aantal (bedrijfs)woningen gelegen. In onderstaande tabel zijn deze adressen weergegeven met de afstand van het gewogen emissiepunt tot aan de gevels van deze woningen. Een aantal van deze woningen zijn op een kortere afstand gelegen dan de beoogde planontwikkeling aan de Poort van Castenray. Deze zijn op basis van het Endotoxine-toetsingskader meer beperkend bij eventuele toekomstige ontwikkelingen van het pluimveebedrijf aan de Horsterweg 39D dan de beoogde woningbouwontwikkeling Poort van Castenray.

Tabel 5 Afstanden omliggende (bedrijfs)woningen tot gewogen emissiepunt Horsterweg 39D Castenray

5

Bijlage 1

Vigerende vergunning Horsterweg 39D Castenray verleend d.d. 03-08-2018 (HZ-OMV-2016-0063)

6

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

1 van 23

1.

BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING

1.1

Aanvraag

Gezien de aanvraag omgevingsvergunning van: Naam

:

Mts van Bommel en Zonen

wonende/gevestigd

:

De Brentjes 37, 5984 NV Koningslust

ontvangen op

:

18 maart 2016

registratiekenmerk

:

HZ-OMV-2016-0063

registratiekenmerk omgevingsloket

:

2251847

om vergunning voor het project

:

aanpassing bestaande pluimveestal

voor de activiteiten

:

- Milieu (revisie)

op het perceel

:

Horsterweg 39d 5811 AA te Castenray

kadastraal bekend gemeente Venray

:

Sectie: P

1.2

nrs. 927 en 928

Besluit

Burgemeester en wethouders besluiten, gelet op artikel 2.1 lid 1, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo) de omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit: -

Milieu (revisie).

De overwegingen, de voorschriften en bij dit besluit gevoegde en als zodanig gewaarmerkte documenten, maken deel uit van het besluit. 1.3

Zienswijzen

De aanvraag en het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Een ieder kon binnen zes weken na start van de ter inzage termijn zienswijzen tegen het ontwerpbesluit indienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 1.4 Beroepsclausule Belanghebbenden die zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend kunnen tegen het definitieve besluit, op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht beroep instellen. Dit doet u door binnen zes weken een gemotiveerd beroepschrift te sturen aan de rechtbank Limburg, Postbus 950, 6040 AZ Roermond. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. U kunt ook digitaal beroep instellen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet U wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. U dient ervoor te zorgen dat het beroepschrift is ondertekend en tenminste bevat: - de datum; - naam en adres van degene die beroep instelt; - een omschrijving van de beslissing waartegen het beroepschrift is gericht; - de redenen waarom u het niet eens bent met de beslissing. Ook dient u zo mogelijk een afschrift van de bestreden beslissing mee te sturen.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

2 van 23

Voorts is van belang dat het instellen van beroep de werking van het besluit niet schorst. Indien u beroep heeft ingesteld en een spoedeisend belang heeft dan kunt u bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, Postbus 950, 6040 AZ Roermond, een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Een verzoek om voorlopige voorziening kunt u ook digitaal indienen op dezelfde wijze als hierboven is aangegeven. Voor het in behandeling nemen van een verzoek om voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. Nadere informatie hierover kunt u verkrijgen via de griffie van de rechtbank Limburg. 1.5 Inwerkingtreding besluit Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift. Indien gedurende de beroepstermijn is verzocht om een voorlopige voorziening, treedt het besluit niet eerder in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Namens het college van Burgemeester en Wethouders van Venray,

teammanager Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving,

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

3 van 23

2.

OMGEVINGSVERGUNNING PROCEDUREEL

2.1. Bevoegd gezag Gelet op het aangevraagde, het bepaalde in artikel 2.4 van de Wabo, het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en bijlage I van het Bor zijn wij in dit geval bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag. 2.2. Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze aan de hand van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) getoetst op ontvankelijkheid. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. De aanvrager is per mail in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens in te dienen. We hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 1 juli 2016, 15 februari 2017, 1 juli 2017 en 21 november 2017, 2 februari 2018 en 25 april 2018. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag alsmede de latere aanvullingen daarop voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen. 2.3. Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wabo. 2.4. Toetsingskader - De aanvraag is voor wat betreft de activiteit het veranderen van een inrichting getoetst aan artikel 2.14 van de Wabo; 2.5.

Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht vanwege het onderdeel milieu voor de meeste inrichtingen opgeheven. Alleen inrichtingen waartoe een IPPC-installatie (Integrated Pollution Prevention and Control) behoort en inrichtingen die zijn aangewezen als vergunningplichtig in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig op grond van de Wabo. Deze inrichtingen worden aangemerkt als type C-inrichtingen. De vergunningaanvraag heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting wordt dan ook aangemerkt als een type C inrichting. De inrichting is daarmee vergunningplichtig met dien verstande dat een aantal voorschriften uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks, dus zonder dat deze in deze vergunning expliciet zijn opgenomen, mogelijk van toepassing zijn. Voor zover dit het geval is, is dit elders in deze beschikking aangegeven. Ingevolge artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient de wijziging van de inrichting te worden gemeld. Er is een melding ingediend op 20 november 2017. 2.6. Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) behandelt het milieueffectrapport (MER).

De Wm maakt onderscheid tussen activiteiten waarbij het opstellen van een MER verplicht is (MER-plicht) en activiteiten waarbij het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). Het gaat bij veehouderijen volgens het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dan om activiteiten in de vorm van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. ligt in de vorm van een drempelwaarde per diercategorie vast wanneer voor een initiatief de m.e.r.-plicht (onderdeel C van de bijlage) of de m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D van de bijlage) geldt. Bij de voorliggende aanvraag blijkt dan de volgende situatie:

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

4 van 23

Diercategorie hennen (E.1 en E.2) mesthoenders (E.3 t/m E.5) Pluimvee (E,F,G en J)

drempelwaarde onderdeel C >60.000 >85.000 -

drempelwaarde onderdeel D >40.000

gevraagde oprichting/ wijziging 59.100 dieren -*

* Het aantal stuks pluimvee neemt niet toe (vergund, 69.330 opfokkippen, in de nieuwe situatie zijn er 69.330 opfokkippen of 59.100 vleeskuikens) daarnaast wordt het pluimvee gehuisvest in 4 bestaande stallen. De aanvraag resulteert in een onderschrijding van de drempelwaarde van zowel onderdeel C als onderdeel D. Er geldt dus geen MER-plicht of directe MER-beoordelingsplicht. Het Besluit m.e.r. maakt voor een dergelijk scenario beide drempelwaarden indicatief en roept een indirecte m.e.r.-beoordelingsplicht in het leven. Dat betekent dat wij gehouden zijn te beoordelen of een MER nodig is als op grond van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese MER-richtlijn niet kan worden uitgesloten dat de aangevraagde activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De selectiecriteria betreffen: 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. Kenmerken en plaats van het project De kenmerken en de plaats van de voorgenomen activiteiten blijken voldoende duidelijk uit de aanvraag met bijlagen. In aanvulling daarop stellen we vast dat de veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom van de meest dichtbijgelegen kern van Castenray in het buitengebied van de gemeente Venray. De omgeving heeft voornamelijk een agrarisch karakter.

Wij concluderen dat de aangevraagde activiteiten passen bij de functie die het gebied vervult. Potentiële gevolgen Verderop in het besluit gaan wij in op de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. Voor zover wij vanuit de MER-richtlijn in aanvulling hierop de cumulatieve effecten en effecten voor specifieke gebieden dienen te beoordelen, stellen wij vast dat het bij de veehouderijsector dan in het bijzonder gaat om de gevolgen van de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof. Onderstaand gaan wij nader in op deze aspecten. ammoniak De aangevraagde situatie voor variant 1 het houden van 69.330 opfokkippen (de variant met de hoogste ammoniakemissie), heeft geen toename van de ammoniakdepositie tot gevolg voor Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (“Deurnsche Peel en Mariapeel” en “Boschhuizerbergen”). De nadelige gevolgen voor het milieu blijven per saldo dus gelijk. De ammoniakdepositie geeft ons dan ook geen reden een MER te laten opstellen. In de aangevraagde situatie blijft de maximale ammoniakdepositie gelijk. geur Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is de geurhinder die het gevolg is van alleen de aangevraagde activiteiten op omliggende geurgevoelige objecten. Dit onderdeel van het aspect geur behandelen wij verderop.

In het licht van de MER gaat het op deze plaats om de achtergrondbelasting.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

5 van 23

Dit betreft de geurhinder als gevolg van de aangevraagde activiteiten bovenop de al aanwezige geurhinder als gevolg van andere activiteiten in de omgeving. Bij de achtergrondbelasting gaat het dus om de cumulatieve geurhinder. De geurbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten voldoet ter plaatse van geurgevoelige objecten aan de normering die is vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011. De onderbouwing van de in de verordening opgenomen geurnormen is te vinden in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij Venray. In de hoogte van de geurnormen is rekening gehouden met de in deze gebiedsvisie berekende cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen samen. Nu de aangevraagde activiteiten passen in de normen van de gemeentelijke verordening, stellen wij vast dat voldoende rekening is gehouden met de achtergrondbelasting en is een MER vanwege het aspect geur dan ook niet nodig. fijn stof De totale emissie aan fijn stof blijft als gevolg van de aanvraag voor variant 1 het houden van 69.330 opfokkippen (de variant met de hoogste fijn stofemissie) gelijk en neemt af bij variant vleeskuikens. Wij concluderen dat de nieuwe situatie niet verslechtert ten opzichte van de vergunde situatie, zodat wij geen aanleiding zien vanwege fijn stof een MER te vragen.

overige kenmerken en gevolgen De aangevraagde activiteiten hebben ook gevolgen voor geluid, bodem, afvalstoffen en –water en energie. De initiatiefnemer treft volgens de aanvraag voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken tot het wettelijk toegestane niveau. Wij zien geen reden om vanwege een van deze aspecten een MER te laten opstellen. 2.7.

Richtlijn industriële emissies

Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU, PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Binnen de inrichting waar deze beschikking betrekking op heeft, bevinden zich één of meer IPPC-installaties. Het gaat hier om: Intensieve pluimveehouderij met meer dan 40.000 stuks pluimvee (categorie 6.6 a). In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het bepalen van wat de beste beschikbare technieken zijn voor een IPPC-installatie, moeten wij rekening houden met Europese referentiedocumenten (BREF-documenten).

Deze documenten geven een overzicht van de beschikbare milieutechnieken en wijzen de technieken aan die de beste milieuprestaties leveren en daarnaast economisch en technisch haalbaar zijn. Deze aanwijzingen worden BBT-conclusies genoemd. De procedure tot vaststelling en bekendmaking van BBT-conclusies vindt op Europees niveau plaats. Deze BBT-conclusies worden via internet bekend gemaakt, totdat deze zijn vervangen door actuele conclusies. Voor de nieuwe BBT-conclusies zorgt de Europese Commissie zelf voor publicatie op internet.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

6 van 23

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBTconclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening, is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT, die sinds het vaststellen van de BBTconclusies hebben plaatsgevonden. Op 15 februari 2017 zijn door de Commissie de meest actuele BBTconclusies voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij vastgesteld.

Bij het nemen van deze beschikking hebben wij rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE Primair relevante BBTTevens van belang zijnde conclusies / BREF BBT-conclusies / BREF’s 6.6 a Intensieve pluimveeBREF Intensieve pluimvee- en BREF op- en overslag houderij met >40.000 varkenshouderij (BREF IV) bulkgoederen (BREF ESB) plaatsen voor pluimvee BREF Energie-efficiëntie Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: • Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), 2012; • Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, sept. 2016. Voor een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken, verwijzen wij naar de afzonderlijke toetsing aan de relevante milieucompartimenten. 2.8. Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet uit 1998, de Flora en Faunawet en de Boswet. Op grond van artikel 2.7 tweede lid is het verboden om zonder een vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren die de kwaliteit van Natura-2000 gebieden verslechtert.

In hoofdstuk 3 staat het beschermingsregime voor planten en dieren die in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Gevolgen Natura-2000 gebieden De vergunning Wnb is voorafgaand aan de omgevingsvergunning op 16 maart 2016 bij Gedeputeerde Staten van Limburg aangevraagd. Er vindt daarom geen coördinatie plaats tussen beide vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2.27 Wabo en hoofdstuk 9 Wnb. Dit betekent dat beide aanvragen apart van elkaar door de bevoegde gezagen worden behandeld. Bescherming van soorten Als gevolg van de aangevraagde activiteiten kunnen door Wnb beschermde plant- of diersoorten in het geding raken. De Wnb verbiedt het verrichten van handelingen die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zonder ontheffing van de bevoegde provincie. Uit de aanvraag blijken de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op de dier- en plantsoorten in de omgeving. Dier- en plantensoorten die door de Wnb worden beschermd zijn niet in het geding. Een ontheffing of vergunning in gevolge de Wnb is daarom niet nodig.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

7 van 23

3. OVERWEGINGEN Overwegingen met betrekking tot de activiteit Milieu 3.1

Algemeen

Algemeen De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e en artikel 2.6, lid 1 van de Wabo. De Wabo legt in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag vast. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Wij beperken ons in het navolgende tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed zijn. Huidige vergunningsituatie Ten behoeve van onderhavige inrichting is op 27 september 2005 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend. Voor de propaantank van 3.000 liter is op 8 juni 2006 een melding ingevolge het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer geaccepteerd. Vervolgens is op 8 mei 2014 een omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting. Stal 4 voor het houden van 22.434 opfokhennen en opslag van strooisel is niet gerealiseerd. Het recht voor het houden van 22.434 opfokhennen is vervallen op grond van artikel 8.18 Wet milieubeheer (oud). In tabel 1a is het aantal dieren, de ammoniak-, geur- en fijn stof-emissie weergegeven waarvoor vergunning is verleend en wat rechtsgeldig is. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 1a: Huidige situatie Stal

Diercategorie / huisvestingssysteem

Ammoniakemissiea)

Aantal dieren

Geuremissieb)

Fijn stofemissiec)

emissiefactor Ammoniak (kg/jaar)

Totale ammoniak emissie (kg/jaar)

Emissie factor geur (OUE/s)

Totale geur emissie (OUE/s)

emissie factor fijn stof (gr/jr)

Totale fijn stof emissie (kg/jaar)

1

Opfokkippen (E2.11.4)1

21.750

0,17

3.697,5

0,18

3.915,0

30

652,5

2

Opfokkippen (E2.11.4)

1

20.010

0,17

3.401,7

0,18

3.601,8

30

600,3

Opfokkippen (E2.11.4)

1

20.010

0,17

3.401,7

0,18

3.601,8

30

600,3

22.434

-

-

-

-

-

-

7.560

0,17

1.285,2

0,18

1.360,8

30

226,8

3 4

Opfokkippen *(E2.11.4)

5

1

Opfokkippen (E2.11.4)

Totaal:

1

11.786,1

12.479,4

2.079,9

* Stal 4 is niet gerealiseerd, de rechten voor deze stal zijn vervallen. a) b) c) 1.

Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op de site van de Rijksoverheid d.d. maart 2018. Opfokkippen E1.7 grondhuisvesting (strooiselvloer, roostervloer) (BWL 2001.06)

Aangevraagde situatie

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

8 van 23

De aanvraag heeft betrekking op de mogelijkheid om opfokkippen of vleeskuikens te houden (een OFvergunning). In situatie 1 het houden van opfokkippen blijven de dieraantallen en stalsystemen zoals vergund 69.330 opfokkippen op grondhuisvesting. In situatie 2 worden 59.100 vleeskuikens gehouden met mixluchtventilatie. De vleeskuikens worden gehouden volgens een beter leven concept (Volwaard). Dat wil zeggen dat er gebruik wordt gemaakt van een langzaam groeiend ras, met een dierbezetting van ongeveer de helft van de dieren ten opzichte van een traditionele bezetting. Overige wijzigingen die worden doorgevoerd zijn: 1. De uitloopruimten bij de pluimveestallen worden breder uitgevoerd. 2. De propaantank wordt verplaatst van 3 meter afstand tot uitloop naar 8 meter afstand tot uitloop. 3. Indeling loods wijzigt. Er wordt een verkoopruimte aan de zijde van de stal gerealiseerd. De hygiënesluis aan de voorkant komt te vervallen. 4. Nabij opslag 1 wordt een nieuwe ruimte gerealiseerd met als functie hygiënesluis en kantine. Bij de verdere beoordeling van geur, ammoniak en fijn stof is uitgegaan van de meest emitterende situatie. In tabel 1b en 1c worden twee situaties m.b.t. het voorgenomen aantal dieren en huisvestingsysteem per stal, de ammoniakemissie, de geuremissie en de fijn stofemissie weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen.

Tabel 1b: Voorgenomen situatie 1: 69.330 opfokkippen Stal

Diercategorie / huisvestingssysteem

Ammoniakemissiea)

Aantal dieren

Geuremissieb)

Fijn stofemissiec)

emissiefactor Ammoniak (kg/jaar)

Totale ammoniak emissie (kg/jaar)

Emissie factor geur (OUE/s)

Totale geur emissie (OUE/s)

emissie factor fijn stof (gr/jr)

Totale fijn stof emissie (kg/jaar)

1

Opfokkippen (E1.7)1

21.750

0,17

3.697,5

0,18

3.915,0

30

652,5

2

1

Opfokkippen (E1.7)

20.010

0,17

3.401,7

0,18

3.601,8

30

600,3

3

1

Opfokkippen (E1.7)

20.010

0,17

3.401,7

0,18

3.601,8

30

600,3

4

Opfokkippen (E1.7)1

7.560

0,17

1.285,2

0,18

1.360,8

30

226,8

Totaal: a) b) c) 1.

11.786,1

12.479,4

2.079,9

Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op de site van de Rijksoverheid d.d. maart 2018. Opfokkippen E1.7 grondhuisvesting (strooiselvloer, roostervloer) (BWL 2001.06)

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

9 van 23

Tabel 1c: Voorgenomen situatie 2: 59.100 vleeskuikens (Volwaard) Stal

Diercategorie / huisvestingssysteem

Ammoniakemissiea)

Aantal dieren

Geuremissieb)

Fijn stofemissiec)

emissiefactor Ammoniak (kg/jaar)

Totale ammoniak emissie (kg/jaar)

Emissie factor geur (OUE/s)

Totale geur emissie (OUE/s)

emissie factor fijn stof (gr/jr)

Totale fijn stof emissie (kg/jaar)

1

Vleeskuikens (E5.6)1

18.400

0,031

570,4

0,33

6.072,0

22

404,8

2

1

Vleeskuikens (E5.6)

17.100

0,031

530,1

0,33

5.643,0

22

376,2

3

1

Vleeskuikens (E5.6)

17.100

0,031

530,1

0,33

5.643,0

22

376,2

4

1

6.500

0,031

201,5

0,33

2.145,0

22

143,0

Vleeskuikens (E5.6)

1.832,1

Totaal: a) b) c) 1.

3.2

19.503,0

1.300,2

Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018; Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op de site van de Rijksoverheid d.d. maart 2018. Vleeskuikens, E5.6 stal met mixluchtventilatie (BWL 2005.10.V5).

Activiteitenbesluit

Binnen de inrichting vindt een aantal activiteiten plaats waarvoor het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling direct werkende regels stelt. Het gaat hier om de onderstaande activiteiten, welke in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen: - Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie (§ 3.2.1 met de bijbehorende ministeriële regeling); - Opslaan van propaan (§ 3.4.1 met de bijbehorende ministeriële regeling); - Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (§ 3.4.5 met de bijbehorende ministeriële regeling); - Opslaan en overslaan van stuifgevoelige goederen (§ 3.4.3 met de bijbehorende ministeriële regeling); - Houden van landbouwhuisdieren (bij een type C bedrijf) in dierenverblijven (§ 3.5.8 met de bijbehorende ministeriële regeling). Wij merken op dat deze activiteiten moeten plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling. Vanwege de rechtstreekse werking van dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling kunnen in deze vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op de daarin geregelde activiteiten en aspecten, tenzij dit besluit of bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Wij zien geen aanleiding om maatwerkvoorschriften te stellen.

Dit betekent dat de betreffende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriele regeling geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. Op de activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is, zijn ook afdeling 2.1 “Zorgplicht”, afdeling 2.2 “Lozingen” en afdeling 2.3 “Lucht” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Op alle activiteiten die verricht worden binnen de inrichting is ook afdeling 2.4 “Bodem” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing, met uitzondering van artikel 2.11, eerste lid. In deze vergunning zijn met betrekking tot de zorgplicht, lozingen, lucht en bodem voor deze activiteiten

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

10 van 23

geen (aanvullende) voorschriften gesteld. Dit betekent dat de betreffende afdeling uit het Activiteitenbesluit geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. Ook is hoofdstuk 6 “Overgangs- en slotbepalingen” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. 3.3

Toetsing aan milieucriteria aangaande agrarische bedrijven

3.3.1

Geur

Geur dierenverblijven Bij de verdere beoordeling van geur is uitgegaan van de meest emitterende situatie (situatie 2 vleeskuikens). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het exclusieve toetsingskader voor geurbelasting, als gevolg van de dierenverblijven, op gevoelige objecten. Artikel 3, lid 1 van de Wgv bevat geurnormen voor gevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied (de gemeente Venray is gelegen in het concentratiegebied zuid). Voor de bebouwde kom geldt een norm van 3 OUE/m³ en voor het buitengebied geldt een norm van 14 OUE/m³. De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) schrijft voor dat de geurbelasting berekend moet worden met het model V-Stacks vergunning. In afwijking van deze systematiek bepaalt artikel 3, lid 2 van de Wgv dat voor een gevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij, of sinds 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij, een minimale afstand geldt. De afstand wordt gemeten vanaf het dichtst bij het gevoelig object gelegen emissiepunt en bedraagt 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen van toepassing zijn dan de normen uit artikel 3, lid 1 van de Wgv.

De gemeenteraad van Venray heeft op 25 maart 2008 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ (hierna de verordening) vastgesteld, zoals bedoeld in dit artikel. De verordening is op 4 april 2008 in werking getreden. Op 16 oktober 2009 en op 11 november 2011 zijn een tweetal wijzigingen in werking getreden . De verordening geldt voor het grondgebied van de gemeente Venray. Op grond van de verordening is voor een aantal gebieden nabij onderstaande inrichting een afwijkende norm opgenomen. Het betreft de volgende gebieden: Tabel 2a: Geurnormen relevante gebieden volgens verordening Naam gebied: Zoekgebieden woningbouw / individuele woningbouw Bijzondere gebieden (vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij Bedrijfsterreinen Plangebied Burgemeester Ponjeestraat in Wanssum Kern van Wanssum (met uitzondering van plangebied Burgemeester Ponjeestraat)

geurnorm (ouE/m3) 8 8 8 7 2,5

Bij de aanvraag is een berekening gevoegd van de geuremissie. Met behulp van het programma V-stacks vergunning, versie 2010, is een berekening gemaakt van de geurbelasting op de in de directe omgeving gelegen geurgevoelige objecten.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

11 van 23

De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in de volgende tabel: Tabel 2b: Geurnormen en afstandsnormen Wgv geurgevoelig object

Horsterweg 26 Horsterweg 26a Horsterweg 28 Horsterweg 30 Horsterweg 32 Wusterweg 1 Horsterweg 41

(voormalig) onderdeel andere veehouderij

geurnorm Wgv/geur verordening (ouE/m3)

Geur belasting aanvraag (ouE/m3)

Afstandsnorm tot woning bij andere veehouderij (m)

voldoet aan afstands norm

Nee Nee Nee Nee Nee Ja Ja

14,0 14,0 8,0 8,0 3,0 -

3,7 2,7 1,9 1,9 1,5 -

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 50 50

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Ja Ja

Wij stellen vast dat de Wgv verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg staat. In aanvulling op het hiervoor behandelde toetsingskader volgt uit artikel 5, lid 1 van de Wgv een norm voor de afstand van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot de buitenzijde van een gevoelig object. De minimale afstand is 25 meter als het gevoelig object buiten de bebouwde kom ligt en 50 meter als het gevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. De afstandsnormen uit artikel 5, lid 1 van de Wgv wijken af van de andere afstandsnormen uit de Wgv, omdat deze uitgaan van de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Artikel 5, lid 1 van de Wgv bevat dus een aanvullende afstandseis waaraan ook moet worden voldaan. Uit de aanvraag blijkt dat in de aangevraagde situatie voldaan wordt aan de hiervoor genoemde afstanden. Artikel 5, lid 1 van de Wgv staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. 3.3.2

Ammoniak

Algemeen De ammoniakemissie vanuit de veehouderij wordt beoordeeld op de volgende onderdelen:  Wet ammoniak en veehouderij (Wav), ligging ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden;  Besluit emissiearme huisvesting voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting);  beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarden;  technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden (IPPC-omgevingstoets); Bij de verdere beoordeling van ammoniak is uitgegaan van de meest emitterende situatie (situatie 2 vleeskuikens). Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De Wav stelt regels voor de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven. Onder de Wav worden uitsluitend de zeer kwetsbare gebieden beschermd. Gebieden zijn zeer kwetsbaar als zij voor verzuring gevoelig zijn en binnen de (door de provincie begrensde) ecologische hoofdstructuur (EHS) gelegen zijn. Van belang is tevens dat zij als zeer kwetsbaar door Provinciale staten zijn aangewezen. Provinciale staten van Limburg hebben op 18 april 2008 de zeer kwetsbare gebieden aangewezen. De Wav bepaalt dat binnen een zone van 250 meter rond zeer kwetsbare gebieden geen oprichtingen van veehouderijen zijn toegestaan en dat uitbreidingen van het aantal dieren van één of meer diercategorieën

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

12 van 23

uitsluitend toegestaan zijn, indien het (gecorrigeerd) maximaal emissieplafond voor ammoniak wordt gerespecteerd. Het meest dichtbij gelegen zeer kwetsbaar gebied –“de Castenrayse vennen”– in Castenray is, uitgaande van de aangevraagde situatie, gelegen op een afstand van ongeveer 695 meter van de dierenverblijven. Het bedrijf is niet gelegen in een 250 meter zone om een zeer kwetsbaar gebied. Voor dit bedrijf geldt dan ook geen beperking in de vorm van een gecorrigeerd maximaal ammoniakemissieplafond. De Wav staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg staat. Beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarde Zoals in § 2.7 aangegeven, hebben wij bij het nemen van deze beschikking onder andere rekening gehouden met de volgende documenten over BBT: - BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij - BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij; - de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij. De BREF gaat in op de volgende activiteiten: management van het bedrijf, bereiding van voer en voedingsstrategie, veeteelt, verzamelen en opslaan van mest, verwerking van mest binnen de inrichting, uitrijden van mest en afvalwaterzuivering. De meeste aandacht gaat uit naar ammoniak, de voornaamste luchtverontreinigende stof, omdat deze stof in grote hoeveelheden wordt uitgestoten.

De BREF geeft de technieken die in het algemeen op Europees niveau tot de beste beschikbare technieken worden gerekend Nederland heeft ervoor gekozen om vanwege de ernst van de ammoniakproblematiek voor huisvestingssystemen de voorschriften ten aanzien van de emissie van ammoniak vast te stellen in een algemene maatregel van bestuur en niet in de vergunningsvoorwaarden. Het Besluit emissiearme huisvesting landbouwhuisdieren stelt voor de huisvesting van verschillende diercategorieën maximale emissiewaarden voor de ammoniakemissie per dierplaats en geeft aan wanneer hieraan uiterlijk moet zijn voldaan. Toetsing van de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting levert de volgende tabel op: Tabel 3a: Aangevraagde huisvestingssysteem en maximale emissiewaarde situatie 1 opfokkippen Stal nummer

diercategorie

Emissiewaarde Rav(kg)*

maximale emissiewaarde(kg)

Stal: - nieuw - bouwvergunning verleend - bestaand

voldoet aan Besluit emissiearme huisvesting

1,2,3 en 4

Opfokkippen (E1.7)

0,170

-**

bestaand

ja

* **

De emissiewaarden van diverse typen stalsystemen zijn opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Voor opfokkippen is voor bestaande stallen in niet batterijhuisvesting geen maximale emissiewaarde opgenomen.

Het Besluit emissiearme huisvesting bevat, zoals de tabel laat zien, geen emissiewaarde voor de diercategorie Opfokkippen. In artikel 1, lid 3 van de Wav is echter bepaald dat voor dieren waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, de waarde die het aangevraagde systeem heeft als maximale emissiewaarde geldt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beslist dat als het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde bevat, vooralsnog elk huisvestingssysteem voldoet als BBT (zie bijvoorbeeld uitspraak van 12 januari 2011, zaak 201003937/1/M2). Op grond van artikel 1, lid 3 van de Wav en deze rechtspraak concluderen wij dat de aanvraag voor wat betreft het houden van opfokkippen voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

13 van 23

Tabel 3b: Aangevraagde huisvestingssysteem en maximale emissiewaarde situatie 2 vleeskuikens

*

Stal nummer

diercategorie

Emissiewaarde Rav(kg)*

maximale emissiewaarde(kg)

Stal: - nieuw - bouwvergunning verleend - bestaand

voldoet aan Besluit emissiearme huisvesting

1,2,3 en 4

Vleeskuikens (E5.6)

0,031

0,045

bestaand

ja

De emissiewaarden van diverse typen stalsystemen zijn opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

Het aangevraagde stalsysteem voldoet voor wat betreft het houden van vleeskuikens, individueel aan het Besluit emissiearme huisvesting. Hiermee wordt voldaan aan BBT. IPPC De Wav legt in artikel 3, lid 3 een aanvullende toets op bij IPPC-installaties. Deze toets betekent dat een vergunning moet worden geweigerd als niet kan worden voldaan aan voorschriften, welke nodig zijn vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of de plaatselijke milieuomstandigheden, maar niet met toepassing van de in aanmerking komende BBT kunnen worden gerealiseerd. Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) De Wav en de RIE schrijven niet voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met de technische kenmerken en geografische ligging van de veehouderij. Ook ontbreekt een omschrijving van wat onder plaatselijke milieuomstandigheden moet worden begrepen. Om deze leegte te vullen heeft het ministerie van VROM in 2007 de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) vastgesteld. Met behulp van de Beleidslijn kunnen wij bepalen of en in hoeverre strengere emissie-eisen nodig zijn vanwege de technische kenmerken, geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden. Deze emissie-eisen worden in de Beleidslijn aangemerkt als “strenger dan BBT (BBT+)” en “veel strenger dan BBT (BBT++)”.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgesproken dat de beleidslijn niet in strijd is met de IPPC-richtlijn (zie bijvoorbeeld uitspraak van 18 maart 2009, zaak 200800463/1). Omdat in situatie 1 niets wijzigt hoeft er op grond van artikel 3, lid 3 van de Wav geen strengere emissie eis worden vastgesteld. In situatie 2 Vleeskuikens komt de aangevraagde ammoniakemissie niet uit boven 5.000 kg. en kan volgens de Beleidslijn worden volstaan met toepassing van BBT. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoet een stalsysteem aan BBT als het voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting. Als de aanvraag aan de Beleidslijn wordt getoetst blijkt de volgende situatie: Tabel 3c: Ammoniakemissie aangevraagd en toegestane ammoniakemissie op basis van BBT. Stal Diercategorie Aangevraagde Toegestane ammoniakemissie ammoniakemissie op basis van BBT Aantal totaal BBT Totaal toegestaan dieren factor aanvraag op basis van BBT 1,2,3 en 4 Vleeskuikens (E 5.6) 59.100 0,031 1.832,1 0,045 2.659,5 Totaal:

1.832,1

2.659,5

Op basis van de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) is in bovenstaande tabel berekend dat het maximale emissieniveau op basis van BBT 2.695,5 kg NH3/jaar bedraagt. Nu onderhavige omgevingsvergunning voorziet in een emissie van maximaal 1.832,1 kg NH3/jaar kan geconcludeerd worden dat aan de Beleidslijn wordt voldaan. Eindconclusie Uit voorgaande blijkt dat de aanvraag gelet op ammoniak voldoet aan de wettelijke eisen.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

14 van 23

3.3.3

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Wabo en Wet milieubeheer Ingevolge de Wet milieubeheer gelden de bepalingen van artikel 5.2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen. Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5)), lood, koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon, nikkel, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat beschreven op welke plaatsen er getoetst dient te worden. Het toepasbaarheidsbeginsel en blootstelling speelt hierbij een grote rol. Volgens het toepasbaarheidsbeginsel hoeft op een aantal locaties de luchtkwaliteit niet vastgesteld te worden. Deze locaties betreffen terreinen van andere inrichtingen, wegen en plaatsen waar het publiek in de praktijk niet zal verblijven (zoals natuurgebieden met een hek erom, terreinen van het ministerie van Defensie, akkers en spoorwegen). Voor de blootstellingstijd geldt dat deze significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school, winkel, loods of sportterrein zijn.

Op plaatsen waar geen sprake is van significante blootstelling hoeft de luchtkwaliteit niet beoordeeld te worden. Uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 blijkt dat de emissie van agrarische bedrijven met standaard rekenmethode 3 (SRM3) berekend moeten worden. Het luchtkwaliteitsmodel ISL3a (welke voldoet aan SRM3) is specifiek bedoeld om de gevolgen van (agrarische en industriële) puntbronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen. Fijn stof komt vooral vrij vanwege de emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. De beoordeling richt zich dan ook met name op de concentratie fijn stof afkomstig van het houden van dieren. Emissiefactoren fijn stof Op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moet voor de berekening van concentraties van fijn stof gebruik worden gemaakt van de meest actuele emissiegegevens welke zijn gepubliceerd (voor het laatst in maart 2018) op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Besluit emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) In het Besluit emissiearme huisvesting is bepaald dat in een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015 geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM10) die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM10) die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen. Alleen voor pluimvee zijn in het Besluit emissiearme huisvesting maximale emissiewaarden opgenomen voor zwevende deeltjes (PM10). De aanvraag voorziet bij variant 1 en 2 in het gebruik van bestaande stallen waardoor het Besluit emissiearme huisvesting niet van toepassing is. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen met name de emissie van zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), ofwel fijn stofemissie van belang. Voor zwevende deeltjes gelden de volgende grenswaarden: - 40 microgram per m3 (µg/m3 ) als jaargemiddelde concentratie; - 50 microgram per m3 (µg/m3 ) als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

15 van 23

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) gelden de volgende grenswaarden: - 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Toetsing fijn stof afkomstig van dieren Bij de beoordeling van fijn stof is uitgegaan van de meest emitterende situatie (situatie 1 opfokdieren). Bij de aanvraag is een berekening gevoegd van de emissie van zwevende deeltjes van het totale dierenbestand nadat deze vergunning is verleend. Aan de hand van de emissiefactoren is met behulp van het rekenprogramma ISL3a versie 2017-1 een berekening gemaakt van de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de berekening, zie onderstaande tabel, blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes ter plaatse van relevante immissiepunten niet boven de 40 microgram per m3 komt en dat er minder dan 35 maal per jaar een overschrijding is van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie. Tabel 4a: Toetsing Luchtkwaliteit (fijn stof PM10) aangevraagde situatie (betreft hoogste belasting situatie met opfokkippen) Beoordelingspunt

Horsterweg 26 Horsterweg 26a Horsterweg 28 Horsterweg 30 Horsterweg 32 Horsterweg 41 Wusterweg 1

Jaargemiddelde concentratie (microgram/m3)

Dagen met overschrijding van de 24-uurgemiddelde concentratie

Aangevraagd

Norm

Aangevraagd

Norm

23,51 23,33 23,17 23,16 23,07 23,44 24,00

40 40 40 40 40 40 40

12,4 12,1 11,8 11,8 11,8 12,0 15,3

35 35 35 35 35 35 35

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er overal voldaan wordt aan de norm. De bepalingen van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen staan verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. Toetsing fijn stof (PM2,5) afkomstig van dieren Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 25 microgram per m³, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Er zijn al wel commerciële rekenprogramma's op de markt waarmee de verspreiding van PM2,5 berekend kan worden. Er zijn echter nog geen emissiefactoren voor PM2,5 vastgesteld, dus het is op dit moment niet mogelijk om de blootstelling te bepalen. De fractie PM2,5 bevat vooral de deeltjes die ontstaan door condensatie van verbrandingsproducten of door reactie van gasvormige luchtverontreiniging. Ook stof dat, bijvoorbeeld in de vorm van roet en rook, rechtstreeks vrijkomt bij verbrandingsprocessen zoals bij transport, industrie en consumenten, bestaat vooral uit kleinere deeltjes. Stof dat vrijkomt bij mechanische bewegingen, zoals wegdekslijtage en stalemissies, betreft vooral deeltjes die groter zijn dan PM2,5. Veehouderijen vormen voor zover bekend geen belangrijke bron van PM2,5 emissies.

In de monitoringsrapportage Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL) 2014 zijn berekeningen uitgevoerd voor de fijnere fractie van fijn stof, PM2,5. Daaruit blijkt dat er in 2015 geen overschrijding van de jaarnorm PM2,5 geconstateerd wordt. Dit bleek overigens ook al uit de monitoringsrapportage NSL 2013. Volgens informatie van Infomil is de PM10 bepalender dan PM2,5. Het PM2,5 maakt als lichtere fractie onderdeel uit van het PM10. De grenswaarden voor PM10 liggen daarbij erg dicht bij die van PM2,5. Een overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal in de praktijk eerst optreden voor het toegestane aantal overschrijdingsdagen voor PM10. Dit gebeurt doorgaans bij een jaargemiddelde PM10 concentratie van rond de 32-33 microgram per m³. Nu de berekende jaargemiddelde PM10 concentratie in de aangevraagde

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

16 van 23

situatie maximaal 24,00 microgram per m³ is, kan gesteld worden dat er geen overschrijding van de grenswaarde van PM2,5 plaats zal vinden. Toetsing fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen Ook verkeersbewegingen zorgen voor emissies van fijn stof en daarnaast ook voor de emissie van stikstofdioxide. De fijn stof emissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijk met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. Ook de emissie van stikstofoxide is zeer beperkt. Dit blijkt uit de berekening met de NIBM tool van Infomil. NIBM staat hierbij voor Niet In Betekenende Mate. Uit deze berekening is gebleken dat de emissie van fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen NIBM is en derhalve als niet significant aan te merken is. Conclusie: De luchtkwaliteit vormt geen reden om een MER te vereisen. 3.3.4 (Volks)gezondheid Als door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's bij de beoordeling van de vergunningaanvraag worden meegenomen. Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd (RIVM rapport, kenmerk 2015 – 0058, 5 juli 2016,hierna ‘ VGO-onderzoek').

Het doel van het VGO-onderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richtte zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en microorganismen van veehouderijen en gezondheidseffecten. De bevindingen van dit VGO-onderzoek hebben aanleiding gegeven voor vervolgonderzoek. Als vervolg hierop is op 16 juni 2017 het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies), Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen” gepubliceerd (RIVM-rapport 2017-0062, hierna VGO2onderzoek). In deze studies zijn een aantal mogelijke relaties tussen veehouderij en gezondheidseffecten geconstateerd: Duidelijk is geworden dat de afstand tot veehouderijen er toe doet. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt en/of het aantal (dichtheid) veehouderijen in een gebied groter wordt. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving.

Opvallend was verder dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties en dat er een verminderde longfunctie is bij een hoge concentratie van ammoniak in de lucht. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De onderzoeken bevestigen de conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen. Rondom pluimvee- en geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Bij pluimveehouderijen zijn er sterke aanwijzingen dat de emissie van fijn stof hierbij een belangrijke rol speelt. Uit het aanvullende VGO2-onderzoek komt niet duidelijk naar voren wat de primaire oorzaak van de luchtwegklachten rond geitenhouderijen is. Omdat de VGO-onderzoeken de veehouderijsector als geheel betreft, kunnen er momenteel geen conclusies over een individueel bedrijf uit afgeleid worden.

De onderzoeken houden immers geen rekening met de specifieke omstandigheden van/op dat bedrijf en de nabije omgeving van dat bedrijf. Ofschoon de onderzoeken wel een relatie tussen veehouderijen en gezondheid hebben aangetoond, ontbreken er vooralsnog de (wetenschappelijke) inzichten wat hiervan het oorzakelijk verband is. Niet duidelijk is wát precies de genoemde gezondheidseffecten veroorzaakt. Om meer inzicht te krijgen wat in de

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

17 van 23

lucht rondom intensieve veehouderijen gebeurt, vinden momenteel diverse aanvullende onderzoeken plaats. De bevindingen en conclusies daarvan laten nog wel enige tijd op zich wachten. De resultaten van deze vervolgonderzoeken zijn van essentieel belang voor de vorming van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de ontwikkeling van een wettelijk en beleidsmatig toetsingskader. Vooralsnog ontbreken deze voor wat betreft het aspect gezondheid, en geven momenteel dan ook geen aanleiding om de gevraagde omgevingsvergunning milieu op grond van het voorzorgsbeginsel te moeten weigeren. Bovenstaande laat echter onverlet, dat momenteel op bedrijfsniveau maatregelen moeten worden genomen, om de uitstoot en verspreiding van geur, fijn stof, ammoniak, endotoxinen en andere gezondheidsgerelateerde emissie zoveel als mogelijk is te reduceren. Daarvoor zijn in de voorliggende aanvraag voorzieningen en maatregelen opgenomen ter reductie van de ziektedruk voor zowel mens als dier. Het gaat hier om de volgende (aangevraagde) voorzieningen en maatregelen: Binnen de inrichting gelden strikte hygiënemaatregelen en er gelden voorschriften die de hygiëne bevorderen. Binnen de inrichting is een hygiënesluis aanwezig. Personeel en bezoekers zijn verplicht om de stallen via een hygiënesluis te betreden en te verlaten.

Personeel en bezoekers moeten gebruik maken van kleding en schoenen van het bedrijf. Kadavers worden gekoeld bewaard tot het moment van afvoeren. Gezien de stand van de technieken die gebruikt worden in de veehouderijsector zijn andere (aanvullende) maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk/reëel. Mede gelet op de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen die gezondheids-gerelateerde emissies beperken, het feit dat er specifieke gezondheidsvoorschriften voor het houden van dieren gelden, het feit dat vooralsnog algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en wettelijke en beleidsmatig toetsingskaders voor het aspect gezondheid ontbreken, zijn er naar ons oordeel geen zodanige risico's voor de gezondheid aanwezig dat de aangevraagde omgevingsvergunning milieu om die reden zou moeten worden geweigerd. Verder hebben de volgende omstandigheden bij onze overwegingen een rol gespeeld: Binnen de inrichting kunnen de bestaande stallen 1 t/m 4 voor twee bedrijfssituaties gebruikt worden, waarbij situatie 1 gelijk is aan de bestaande situatie. De aanvraag van situatie 2 leidt tot een verbetering ten opzichte van de bestaande en al eerder vergunde situatie. Zowel de ammoniak- als fijn stofemissie neemt in de aangevraagde situatie 2 aanzienlijk af. Bekend is dat endotoxines zich aan fijn stofdeeltjes kunnen hechten.

De fijn stofemissie van de aangevraagde situatie leidt tot een vermindering van de fijn stofemissie en dus ook van de mogelijke uitstoot van endotoxine. Bovendien wordt in de bestaande situatie met betrekking tot de uitstoot van fijn stof ook al ruimschoots voldaan aan de wettelijk geldende concentratiegrenswaarden. Vooralsnog ontbreekt inzicht in welke minimale afstanden tot gevoelige objecten daarvoor zouden moeten worden aangehouden. Toetsingskaders daarvoor ontbreken vooralsnog en geven momenteel ook geen duidelijke (eensluidende) aanknopingspunten. In de onderzoeken werd een verband gevonden in ziektedruk bij de aanwezigheid van meer dan 15 veehouderijen binnen een afstand van 1 kilometer afstand tot woningen. Binnen een afstand van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn maximaal 12 veehouderijen aanwezig. De aangevraagde situatie 2 leidt voor de omwonenden voor zowel ammoniak en luchtkwaliteit (fijn stof) tot een verbetering ten opzichte van de bestaande (eerder vergunde) situatie. Indien de gevraagde vergunning wordt geweigerd blijft de bestaande, en dus de meer milieubelastende en ongezondere, situatie bestaan.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

18 van 23

3.4

Toetsing aan overige aan WABO verbonden milieucriteria

3.4.1 Afvalstoffen Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat de navolgende afvalstoffen uit de inrichting vrijkomen: kadavers afvalstoffen van huishoudelijke aard In de vergunning zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de opslag, het gescheiden inzamelen en het afvoeren van voor recycling of hergebruik in aanmerking komende afvalstoffen. Gezien de aard en omvang van de afvalstoffen die uit de inrichting vrijkomen, wordt een preventie-onderzoek in het kader van de “verruimde reikwijdte” (naar reductie en hergebruik van afvalstoffen) niet zinvol geacht. 3.4.2 (Externe) veiligheid Het (externe) veiligheidsbeleid is bedoeld om risico’s door de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te verminderen en te beheersen. Doel is om onder meer brand en explosies te voorkomen en de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat binnen de inrichting geen PGS-opslag aanwezig is: 3.4.3 Geluid De geluidbelasting van de aangevraagde activiteiten op geluidgevoelige objecten in de omgeving is beoordeeld met behulp van de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” d.d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974235/1