CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B1.3.14 - Nota van zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen TAM-OP Poort van Castenray

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray31.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Opvallend was verder dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties en dat er een verminderde longfunctie is bij een hoge concentratie van ammoniak in de lucht. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De onderzoeken bevestigen de conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen. Rondom pluimvee- en geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Bij pluimveehouderijen zijn er sterke aanwijzingen dat de emissie van fijn stof hierbij een belangrijke rol speelt. Uit het aanvullende VGO2-onderzoek komt niet duidelijk naar voren wat de primaire oorzaak van de luchtwegklachten rond geitenhouderijen is. Omdat de VGO-onderzoeken de veehouderijsector als geheel betreft, kunnen er momenteel geen conclusies over een individueel bedrijf uit afgeleid worden.

De onderzoeken houden immers geen rekening met de specifieke omstandigheden van/op dat bedrijf en de nabije omgeving van dat bedrijf. Ofschoon de onderzoeken wel een relatie tussen veehouderijen en gezondheid hebben aangetoond, ontbreken er vooralsnog de (wetenschappelijke) inzichten wat hiervan het oorzakelijk verband is. Niet duidelijk is wát precies de genoemde gezondheidseffecten veroorzaakt. Om meer inzicht te krijgen wat in de

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

17 van 23

lucht rondom intensieve veehouderijen gebeurt, vinden momenteel diverse aanvullende onderzoeken plaats. De bevindingen en conclusies daarvan laten nog wel enige tijd op zich wachten. De resultaten van deze vervolgonderzoeken zijn van essentieel belang voor de vorming van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de ontwikkeling van een wettelijk en beleidsmatig toetsingskader. Vooralsnog ontbreken deze voor wat betreft het aspect gezondheid, en geven momenteel dan ook geen aanleiding om de gevraagde omgevingsvergunning milieu op grond van het voorzorgsbeginsel te moeten weigeren. Bovenstaande laat echter onverlet, dat momenteel op bedrijfsniveau maatregelen moeten worden genomen, om de uitstoot en verspreiding van geur, fijn stof, ammoniak, endotoxinen en andere gezondheidsgerelateerde emissie zoveel als mogelijk is te reduceren. Daarvoor zijn in de voorliggende aanvraag voorzieningen en maatregelen opgenomen ter reductie van de ziektedruk voor zowel mens als dier. Het gaat hier om de volgende (aangevraagde) voorzieningen en maatregelen: Binnen de inrichting gelden strikte hygiënemaatregelen en er gelden voorschriften die de hygiëne bevorderen. Binnen de inrichting is een hygiënesluis aanwezig. Personeel en bezoekers zijn verplicht om de stallen via een hygiënesluis te betreden en te verlaten.

Personeel en bezoekers moeten gebruik maken van kleding en schoenen van het bedrijf. Kadavers worden gekoeld bewaard tot het moment van afvoeren. Gezien de stand van de technieken die gebruikt worden in de veehouderijsector zijn andere (aanvullende) maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk/reëel. Mede gelet op de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen die gezondheids-gerelateerde emissies beperken, het feit dat er specifieke gezondheidsvoorschriften voor het houden van dieren gelden, het feit dat vooralsnog algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en wettelijke en beleidsmatig toetsingskaders voor het aspect gezondheid ontbreken, zijn er naar ons oordeel geen zodanige risico's voor de gezondheid aanwezig dat de aangevraagde omgevingsvergunning milieu om die reden zou moeten worden geweigerd. Verder hebben de volgende omstandigheden bij onze overwegingen een rol gespeeld: Binnen de inrichting kunnen de bestaande stallen 1 t/m 4 voor twee bedrijfssituaties gebruikt worden, waarbij situatie 1 gelijk is aan de bestaande situatie. De aanvraag van situatie 2 leidt tot een verbetering ten opzichte van de bestaande en al eerder vergunde situatie. Zowel de ammoniak- als fijn stofemissie neemt in de aangevraagde situatie 2 aanzienlijk af. Bekend is dat endotoxines zich aan fijn stofdeeltjes kunnen hechten.

De fijn stofemissie van de aangevraagde situatie leidt tot een vermindering van de fijn stofemissie en dus ook van de mogelijke uitstoot van endotoxine. Bovendien wordt in de bestaande situatie met betrekking tot de uitstoot van fijn stof ook al ruimschoots voldaan aan de wettelijk geldende concentratiegrenswaarden. Vooralsnog ontbreekt inzicht in welke minimale afstanden tot gevoelige objecten daarvoor zouden moeten worden aangehouden. Toetsingskaders daarvoor ontbreken vooralsnog en geven momenteel ook geen duidelijke (eensluidende) aanknopingspunten. In de onderzoeken werd een verband gevonden in ziektedruk bij de aanwezigheid van meer dan 15 veehouderijen binnen een afstand van 1 kilometer afstand tot woningen. Binnen een afstand van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn maximaal 12 veehouderijen aanwezig. De aangevraagde situatie 2 leidt voor de omwonenden voor zowel ammoniak en luchtkwaliteit (fijn stof) tot een verbetering ten opzichte van de bestaande (eerder vergunde) situatie. Indien de gevraagde vergunning wordt geweigerd blijft de bestaande, en dus de meer milieubelastende en ongezondere, situatie bestaan.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

18 van 23

3.4

Toetsing aan overige aan WABO verbonden milieucriteria

3.4.1 Afvalstoffen Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat de navolgende afvalstoffen uit de inrichting vrijkomen: kadavers afvalstoffen van huishoudelijke aard In de vergunning zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de opslag, het gescheiden inzamelen en het afvoeren van voor recycling of hergebruik in aanmerking komende afvalstoffen. Gezien de aard en omvang van de afvalstoffen die uit de inrichting vrijkomen, wordt een preventie-onderzoek in het kader van de “verruimde reikwijdte” (naar reductie en hergebruik van afvalstoffen) niet zinvol geacht. 3.4.2 (Externe) veiligheid Het (externe) veiligheidsbeleid is bedoeld om risico’s door de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te verminderen en te beheersen. Doel is om onder meer brand en explosies te voorkomen en de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat binnen de inrichting geen PGS-opslag aanwezig is: 3.4.3 Geluid De geluidbelasting van de aangevraagde activiteiten op geluidgevoelige objecten in de omgeving is beoordeeld met behulp van de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” d.d.

21 oktober 1998 van het Ministerie van VROM (de Handreiking). Hierbij zijn met name hoofdstuk 3 (paragraaf 3.2) en hoofdstuk 4 van de Handreiking van belang. Binnen de inrichting zijn de volgende akoestisch relevante bronnen aanwezig: Ventilatoren (ten behoeve van de ventilatie van de stallen); Gebruik van tractor (tijdens het laden/lossen van kuikens en mest) Vervoersbewegingen van vrachtauto’s en personenauto’s (van en naar de inrichting); Laad- en losactiviteiten, zoals verladen dieren, mest en lossen voer. Representatieve bedrijfssituatie Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie. Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de volledige capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. In de representatieve bedrijfssituatie worden het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting beoordeeld. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) Binnen de gemeente Venray is geen gemeentelijke nota industrielawaai vastgesteld. Daarom is voor de bepaling van de maximaal toegestane gemiddelde geluidbelasting aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking, waarbij gebruik wordt gemaakt van richtwaarden gerelateerd aan de woonomgeving.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

19 van 23

Tabel 5: Richtwaarden voor woonomgevingen Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in dB(A) Dag Avond Nacht Landelijke omgeving 40 35 30 Rustige woonwijk, weinig verkeer 45 40 35 Woonwijk in de stad 50 45 40 Overschrijding van deze richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Bij bestaande inrichtingen is overschrijding van de richtwaarden in ieder geval mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Onderhavige inrichting is gelegen in het buitengebied van Castenray, hetgeen betekent dat in beginsel een waarde van 40 dB(A)-etmaalwaarde geldt (landelijke omgeving). Indien de omgeving van de inrichting echter nader wordt bekeken, kan worden geconcludeerd dat er diverse (agrarische) bedrijvigheden plaatsvinden. De omgeving, waarin zowel het bedrijf als de geluidsgevoelige objecten liggen, kan worden getypeerd als een landelijke omgeving, die qua geluidniveau vergelijkbaar is met het type woonomgeving “Rustige woonwijk, weinig verkeer”. Met inachtneming van deze gebiedstypering, wordt het aanvaardbaar geacht om de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) te stellen op 45 dB(A)-etmaalwaarde.

Gezien de aard en omvang van de (akoestisch relevante) werkzaamheden en activiteiten en de afstand tot de omliggende woningen kan/mag in alle redelijkheid worden aangenomen dat aan deze richtwaarden kan worden voldaan. Deze richtwaarden zijn dan ook als voorschrift bij deze vergunning opgenomen. Maximale geluidniveau (LA,max) Voor het maximale geluidniveau (LA,max) moet volgens § 3.2 van de handreiking ter plaatse van geluidgevoelige objecten worden gestreefd naar het voorkomen van geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige gemiddelde geluidsniveau uitkomen. In gevallen waarbij niet aan deze waarden kan worden voldaan, kunnen normen worden gehanteerd die het maximum van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) niet overschrijden voor dag-, avond- en nachtperiode. Laatstgenoemde waarden zijn volgens vaste jurisprudentie reeds regelmatig als aanvaardbaar aangemerkt. Gezien de aard en omvang van de (akoestisch relevante) werkzaamheden en activiteiten en de grote afstand tot de omliggende woningen kan/mag in alle redelijkheid worden aangenomen dat aan deze normen kan worden voldaan. Deze waarden zijn dan ook als voorschrift bij deze vergunning opgenomen. Incidentele bedrijfssituatie (IBS) Aan en afvoerbewegingen vinden allen in de dagperiode (7.00 – 19.00 uur) plaats.

Uit de aanvraag volgt echter dat het maximaal 6 keer per jaar kan voorkomen dat er – tussen 19.00 en 07.00 uur (avond- en nachtperiode) – vrachtwagens de inrichting bezoeken ten behoeve van het verladen van vleeskuikens. Het een en ander zal tot gevolg hebben dat er tijdens het uitvoeren van deze werkzaamheden en activiteiten hogere geluidbelastingen zullen worden geproduceerd dan de normstelling van de representatieve bedrijfssituatie. Nu deze werkzaamheden en activiteiten “slechts” enkele keren per jaar gedurende de avond- en nachtperiode plaatsvinden en het voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is dat deze werkzaamheden en activiteiten in deze periodes wordt uitgevoerd, wordt het aanvaardbaar geacht dat een verhoging van de geluidnormen wordt toegestaan. Indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting De beoordeling van het aspect `indirecte hinder´ (het verkeer van en naar de inrichting dat nog niet is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) heeft plaatsgevonden op basis van de circulaire van VROM d.d. 29 februari 1996. In deze circulaire is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde opgenomen. Wij verwachten, gelet op het beperkt aantal verkeersbewegingen en de afstand van de omliggende woningen tot de weg, dat de indirecte hinder als gevolg van de inrichting de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschrijdt.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

20 van 23

Verkeersbewegingen van en naar de inrichting kunnen indirecte hinder met zich meebrengen. De afstand waarbinnen er sprake kan zijn van indirecte hinder blijft beperkt tot de afstand waarbinnen de herkomst van het verkeer aan het bedrijf kan worden toegerekend en/of waarbinnen de voertuigen van en naar het bedrijf voor het gehoor nog herkenbaar zijn ten opzichte van de andere voertuigen op de openbare weg. Gelet op de afstand tussen het bedrijf en de woningen die het meest dichtbij liggen is dit hier niet het geval en is indirecte hinder daarom niet aan de orde. Ontbreken akoestisch onderzoek Gezien de aard en omvang van de (akoestisch relevante) werkzaamheden en activiteiten en de grote afstand tot de omliggende woningen kan/mag in alle redelijkheid worden aangenomen dat aan de in deze vergunning opgenomen geluidnormen wordt voldaan. Daarom wordt het op dit moment niet noodzakelijk geacht dat een akoestisch onderzoek onderdeel dient uit te maken van de aanvraag.

3.4.4 Energie In de Wabo is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij een beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, beoordeelt of de drijver van de inrichting de beste beschikbare technieken in de inrichting heeft toegepast. Deze technieken zijn mede nodig om energiegebruik te voorkomen of te beperken en hiermee energie te besparen. Bij het voorschrijven van energiemaatregelen weegt het bevoegd gezag de economische en technische haalbaarheid hiervan mee. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Doelmatig gebruik van energie Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning in ieder geval voorschriften over een doelmatig gebruik van energie. Reikwijdte Het jaarlijkse energieverbruik van de inrichting bepaalt of het bedrijf onder de werkingssfeer van de energiebesparingsverplichting valt. Inrichtingen kunnen in drie verschillende categorieën worden ingedeeld: kleingebruikers, middelgebruikers en de grootgebruikers. Volgens de aanvraag is er sprake van een kleingebruiker (propaan) en middelgebruiker (elektriciteit). Voor kleingebruikers neemt het bevoegd gezag géén voorschriften over het besparen van energie op in de vergunning. Wel wordt in gesprekken met de drijver van de inrichting energiebesparing en het treffen van maatregelen gestimuleerd.

Zoals blijkt uit de aanvraag verbruikt de inrichting een relevante hoeveelheid energie met een jaarlijks energieverbruik groter dan 50.000 kWh en kleiner dan 200.000 kWh elektriciteit. Dit houdt in dat wordt getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig en verantwoord omgaan met energiegebruik te komen. Als dit niet het geval is, kan het bevoegd gezag een haalbaarheidsonderzoek naar specifieke (BBT-) maatregelen eisen. Op basis van de toetsing zijn wij van mening dat in de inrichting adequaat wordt omgegaan met energie. Daarom zijn geen voorschriften ten aanzien van een zuinig gebruik van energie in deze vergunning opgenomen.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

21 van 23

Mede op basis van algemeen beschikbare maatregellijsten / informatiebladen / databanken dient te worden vastgesteld welke rendabele energiebesparende maatregelen voor het bedrijf gelden.

3.4.5

Toetsing aan overige richtlijnen, regels en wetten

Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

22 van 23

4.

VOORSCHRIFTEN

Aan de vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden: 4.1 Voorschriften met betrekking tot de activiteit Milieu Zie bijlage.

Besluit van Burgemeester en Wethouders HZ-OMV-2016-0063 Onderwerp

Datum

3 augustus 2018

Besluit omgevingsvergunning

Pagina

23 van 23

5.

BIJGEVOEGDE DOCUMENTEN

De volgende documenten zijn als gewaarmerkt stuk bijgevoegd en behoren bij het besluit: Omschrijving

Kenmerk Milieu Gewijzigd formulier OLO 2251847 Gewijzigd formulier OLO: locatie gegevens 2251847 Gewijzigd formulier OLO: aanvrager bedrijf 2251847 Bijlage aanvraag omgevingsvergunning. Gegevens Versie 15-11-2017 niet-technische samenvatting en houden dieren. Situatietekening en plattegrond milieuaspecten Tekening no 0713MB wijz 3 Stalbeschrijving vleeskuikens BWL 2005.10.V5 Geurberekening V-Stacks variant opfokkippen 69.330 Opfokkippen Fijnstofberekening ISL3a variant vleeskuikens Vleeskuikens 2017v2 Fijnstofberekening ISL3a variant opfokkippen Opfok 2017v2 Bewijs van indienen aanvraag Wet Afschrift aanvraag natuurbescherming bij Provincie Limburg Nbw-vergunning aan Provincie Limburg Geurberekening V-Stacks variant vleeskuikens Gewijzigde geuremissiefactor 59.100 vleeskuikens Beschrijving Volksgezondheid en endotoxinen [geen kenmerk] Melding Activiteitenbesluit Axtv6f3ubzn Overzicht maatregelen AIM-sessie Axtv6f3ubzn Overzicht relevante artikelen AIM-sessie Axtv6f3ubzn

Datum

Ingediend

18-03-2016 18-03-2016 18-03-2016 02-02-2018

18-03-2016 18-03-2016 18-03-2016 02-02-2018

[geen datum]

02-02-2018

25-04-2018 18-03-2016 15-11-2017 15-11-2017 16-03-2016

25-04-2018 18-03-2016 20-11-2017 20-11-2017 18-03-2016

15-02-2017

15-02-2017

02-02-2018 20-11-2017 20-11-2017 20-11-2017

02-02-2018 20-11-2017 20-11-2017 20-11-2017

HZ-OMV-2016-0063

Voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.6 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) inzake de activiteit milieu van Mts. van Bommel en Zonen De Brentjes 34 5984 NV Koningslust

voor een pluimveehouderij

op het adres Horsterweg 39d 5811 AA Castenray Kadastraal bekend: Gemeente Venray, sectie Sectie: P nrs. 927 en 928

INHOUDSOPGAVE A. B.

BEGRIPPEN VOORSCHRIFTEN

VOORSCHRIFTEN

1 2 3 4 5

ALGEMEEN ................................................................................................................................. 6 HET HOUDEN VAN PLUIMVEE ........................................................................................... 7 AFVAL .......................................................................................................................................... 8 ENERGIE ..................................................................................................................................... 9 GELUID ....................................................................................................................................... 9

De aan de vergunning verbonden voorschriften laten onverlet het bepaalde in de overige (milieu)wetten danwel andere bepalingen dienaangaande; voor zover van toepassing wordt de vergunninghouder geacht hieraan te voldoen. Degene die de inrichting drijft is overigens gehouden te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om gevaar en schade dan wel hinder buiten de inrichting te voorkomen of te beperken; dit heeft eveneens betrekking op personeel van derden dat binnen de inrichting werkzaamheden verricht. Voor het uitrijden van waterige fracties van mest (bijvoorbeeld het schrobwater van de stal) over akkeren weidegrond is het “Besluit gebruik meststoffen” van toepassing (Bgm) van toepassing. Tenzij in het hierna volgende anders is bepaald, moet de inrichting zijn ingericht en worden bedreven overeenkomstig de bij de aanvraag verstrekte gegevens en tekeningen. Activiteitenbesluit Naast de voorschriften verbonden aan de vergunning, zijn de voorschriften uit Hoofdstuk 1, 2 en 3 van het Activiteitenbesluit, zover deze betrekking hebben op de activiteit, van toepassing.

3

BIJLAGE A: BEGRIPPEN AFVALSTOFFEN: alle stoffen en preparaten in de zin van de Europese afvalstoffenlijst waarvan de houder zich- met het oog op de verwijdering daarvan- ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AFVALWATER: alle water waarvan de houder zich met het oog op de verwijdering daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. BEVOEGD GEZAG: het College van Burgemeester en Wethouders. BRL: Een beoordelingsrichtlijn die door de Raad voor de Accreditatie erkende certificatie-instellingen wordt gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van certificaten. EMBALLAGE: verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten en big-bags met uitzondering van intermediate bulkcontainers (IBC's). GELUIDSNIVEAU IN dB(A): het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) ter zake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651. INRICHTING: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT): Het energetisch gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai” uitgave 1999. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax): Het maximaal gemeten A-gewogen geluidniveau, meterstand "fast" gecorrigeerd met de meteocorrectieterm Cm. MESTDICHT: Mestkelders, mestbassins of mestopslagputten dienen mestdicht uitgevoerd te zijn. Hieronder wordt verstaan dat van de totale netto inhoud van het opslagsysteem niet meer dan 0,7% per jaar als vloeistof in het milieu kan komen. Dit is vastgelegd in de Handleiding Bouwtechnische Richtlijnen Mestbassins (HBRM 1991) en de Richtlijn Mestbassins 1992 (RM 1992). NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm. NEN 1010: veiligheidsvoorschriften voor laagspanningsinstallaties. RIOLERING: Bedrijfsriolering, openbaar riool of een andere - niet gemeentelijke - voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (bedrijfsriolering van derden).

VLOEISTOFDICHTE VLOER: Vloer direct op de bodem, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen; VLOEISTOFKERENDE VLOER: Een vloer die in staat is vrijgekomen stoffen tijdelijk zo lang te keren dat die kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan plaatsvinden; 4

Voor zover een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NEN-ISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR of NPR, waarnaar in een voorschrift verwezen wordt, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen, werktuigen en installaties, wordt bedoeld de norm, BRL, CPR, NPR of het AI-blad die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen dan wel - voor zover het op voornoemde datum reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties betreft - de norm, BRL, CPR, NPR of het AI-blad die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.

5

BIJLAGE B: VOORSCHRIFTEN 1 1.1

ALGEMEEN Gedragsvoorschriften

1.1.1 De vergunninghouder is verplicht de in de inrichting werkzame personen te instrueren over de voor hen van toepassing zijnde vergunningvoorschriften. 1.1.2 De in de aanvraag vermelde voorzieningen en maatregelen ter bescherming van het milieu moeten doelmatig worden uitgevoerd. 1.1.3 Het onderhoud van de inrichting en installaties moet adequaat zijn en de inrichting moet ordelijk zijn en regelmatig worden schoongemaakt. 1.1.4 Met technische normen en richtlijnen waarnaar in deze voorschriften wordt verwezen, worden bedoeld de ten tijde van de vergunningverlening vigerende versies van deze normen of richtlijnen. 1.1.5 De elektrische installatie moet voldoen aan de norm NEN 1010 "Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties". 1.1.6 Nevel afkomstig van het reinigen of ontsmetten van de stallen, de spoelplaats en de erfverharding mag zich niet buiten de inrichting (kunnen) verspreiden. 1.1.7 Ramen en deuren van stallen moeten gesloten worden gehouden, voorzover ze geen functie hebben voor ventilatie en/of het onmiddellijk doorlaten van personen, dieren, vaste mest of goederen.

1.1.8 Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van verbrandingsgassen, ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning verder geen voorschriften zijn gesteld, moeten zodanig zijn gesitueerd dat van de hierdoor uittredende lucht en de daarin aanwezige stoffen geen hinder wordt ondervonden buiten de inrichting. 1.1.9 Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moeten doeltreffende maatregelen worden genomen ter bestrijding van vliegen, muizen, ratten of ander ongedierte. 1.1.10 De inrichting moet zorgvuldig en vakkundig worden bedreven. Indien de inrichting of onderdelen daarvan buiten bedrijf wordt gesteld moeten zodanige maatregelen worden getroffen, dat hierdoor geen stankoverlast ontstaat. Alle stallen en putten moeten, voor zover van toepassing, ten minste zijn ontdaan van mest dan wel schrobwater. 1.2

Nazorg

1.2.1 Minimaal een maand vóór het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten waarvoor vergunning is verleend, moet de inrichtinghouder van het tijdstip waarop de activiteiten zullen worden beëindigd, melding aan ons doen. 1.2.2 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten, waarvoor vergunning is verleend, dient de inrichting of het betreffende inrichtinggedeelte in een schone en ordelijke staat te zijn gebracht. 1.2.3 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten, waarvoor vergunning is verleend, moeten installaties en/of onderdelen, welke in een slechte staat van onderhoud verkeren en een bedreiging vormen voor het milieu, uit de inrichting zijn verwijderd. 6

1.2.4 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten, waarvoor vergunning is verleend, dienen de in de inrichting aanwezige (gevaarlijke) afvalstoffen uit de inrichting of het betreffende inrichtinggedeelte te zijn verwijderd. 2 2.1

HET HOUDEN VAN PLUIMVEE Algemeen

2.1.1 In de inrichting mogen maximaal de volgende dieren aanwezig zijn. 59.100 vleeskuikens E 5.6 met mixluchtventilatie (BWL 2005.10.V5) of -

69.330 opfokkippen E1.7 grondhuisvesting (strooiselvloer, roostervloer) (BWL 2001.06)

De dieren moeten zijn gehuisvest zoals aangegeven in de aanvraag. 2.1.2 Alle stallen moeten zijn voorzien van een vloeistofkerende en mestdichte vloer, die vloeistofkerend en mestdicht aansluit op de wanden en putten. 2.1.3 Dierlijk afval moet zo spoedig mogelijk, volgens de bij of krachtens het Besluit dierlijke bijproducten en de Regeling dierlijke bijproducten gestelde regels, uit de inrichting worden verwijderd. Het bewaren van dierlijk afval, in afwachting van afvoer naar een destructiebedrijf, moet zodanig geschieden dat geen geurhinder optreedt, het aantrekken van ongedierte wordt voorkomen en geen vermenging met ander afval of materiaal optreedt. Verder mag het dierlijk afval geen visuele hinder veroorzaken. 2.1.4 Binnen de inrichting moet een registratie aanwezig zijn van het aantal dieren dat in iedere stal van de inrichting aanwezig is. Deze registratie mag niet ouder zijn dan 12 maanden en moet op diens verzoek aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar worden getoond. 2.2

Overdekte uitloop

2.2.1 De stallen mogen zijn voorzien van openingen in de lengtegevel ten behoeve van de doorgang naar een overdekte uitloop. 2.2.2 De openingen naar de overdekte uitloop mogen niet als uitlaat dienen voor de ventilatielucht van de stallen. Daartoe moet een voortdurende onderdruk worden gehandhaafd in de stallen. 2.2.3 Het bevoegd gezag kan van de inrichtinghouder, wanneer daartoe aanleiding ontstaat (b.v. klachten), een berekening van de ventilatiecapaciteit van de stallen aan het bevoegd gezag overleggen of andere onderzoekgegevens (bijvoorbeeld van een rookproef) overleggen, waaruit blijkt dat in de stallen ook bij geopende uitloopopeningen sprake is van een voortdurende onderdruk zoals bedoeld in het vorige voorschrift.

7

3 3.1

AFVAL Opslag van afvalstoffen

3.1.1 Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden. 3.1.2 Vaste afvalstoffen moeten worden bewaard in een afvalvat of container. Indien deze afvalstoffen brandbare bestanddelen of overlast door verwaaiing of geur kunnen veroorzaken, moet het afvalvat of de container zijn afgesloten. 3.1.3 Een afvalvat of een afvalcontainer moet binnen het gebouw van de inrichting of op een niet voor derden toegankelijk terrein zijn geplaatst. 3.2

Afvoer van afvalstoffen

3.2.1 Afvalstoffen moeten regelmatig uit de inrichting worden verwijderd, zonder dat de omgeving wordt verontreinigd. 3.2.2 Gevaarlijke afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie, moeten regelmatig maar tenminste éénmaal per jaar uit de inrichting worden afgevoerd naar een daartoe ingerichte verwerkingsinrichting. 3.3

Afvalscheiding en -preventie

3.3.1 De afvalstromen van de inrichting moeten gescheiden worden in: gevaarlijk afval/(klein) gevaarlijk afval; bedrijfsafval van huishoudelijke aard; oud papier en karton kadavers; kunststoffolie; elektrische en elektronische apparatuur. Deze afvalstoffen moeten gescheiden worden opgeslagen en afgevoerd. 3.3.2 Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.

8

4 4.1

ENERGIE Algemeen

4.1.1 Warmtevoerende delen en leidingen van een verwarmingsinstallatie, die geen functie als ruimteverwarming hebben, moeten doelmatig zijn geïsoleerd. 4.1.2 Binnen de inrichting moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van energiezuinige verlichting. 4.1.3 De in de aanvraag genoemde energiebesparende maatregelen dienen doelmatig te zijn uitgevoerd. Thermische isolatie van gebouwdelen dient zodanig te zijn aangebracht dat zich geen condensvocht kan ophopen tussen de isolatie en de geïsoleerde gebouwdelen. 4.2

Registratie

4.2.1 Het energieverbruik moet elk halfjaar worden geregistreerd. Het verbruik aan elektriciteit en propaangas moet apart worden gemeten en/of vastgelegd in een logboek. 4.2.2 De gegevens van het halfjaarlijkse energieverbruik moet ten minste drie jaren worden bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag worden getoond. 5

GELUID

5.1

Geluidnormen

5.1.1 Controle op en berekeningen van de in de voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden moeten geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, 1999" (ministerie van VROM) op een waarneemhoogte van 1,5 m boven maaiveld in de dagperiode van 7.00 tot 19.00 uur en 5 m boven het maaiveld in de overige perioden van 19.00 tot 7.00 uur, zonder de eventuele reflectiebijdrage van een achterliggende gevel. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaatsvinden. 5.1.2 Het langtijdgemiddelde geluidsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, mag ter plaatse van de gevels van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen en - voor zover binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting geen woningen van derden of andere gevoelige bestemmingen aanwezig zijn - op enig punt op 50 meter van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan: 45 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 35 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

5.1.3 Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, mag ter plaatse van de gevels van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen en - voor zover binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting geen woningen van derden of andere gevoelige bestemmingen aanwezig zijn - op enig punt op 50 meter van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan: 70 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 65 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 60 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

9

5.1.4 In afwijking van het gestelde in het vorige voorschrift mogen de normstellingen voor de perioden tussen 19.00 uur en 7.00 uur maximaal 6 keer per kalenderjaar worden overschreden indien: De afwijkingen het gevolg zijn van vrachtwagenbewegingen voor het verladen van vleeskuikens. De data, de tijden en een omschrijving van de activiteiten in een logboek zijn vastgelegd en de geregistreerde gegevens moeten 3 jaar binnen de inrichting zijn bewaard. 5.2

Transport

5.2.1 Motoren van vrachtwagens en tractoren mogen alleen in werking zijn, wanneer dit voor het transport, koelen en het laden of lossen strikt noodzakelijk is. 5.2.2 Het warmdraaien van motoren van vrachtwagens op het terrein van de inrichting mag uitsluitend ten doel hebben het leveren van remlucht en mag niet eerder beginnen dan vijf minuten voor het vertrek van de auto. 5.2.3 De normen zoals gesteld in voorschrift 5.1.2 zijn niet van toepassing op wegverkeer van of naar de inrichting, dat zich op de openbare weg bevindt. 5.2.4 Het equivalent geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting, zoals bedoeld in het vorige voorschrift mag ter plaatsen van de gevel van de dichtstbijgelegen woningen niet meer bedragen dan: 50 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 45 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur. 5.3

Onderzoek

5.3.1 Het bevoegd gezag kan van de inrichtinghouder, wanneer daartoe aanleiding ontstaat (b.v. klachten), een akoestische rapportage verlangen waarin wordt aangegeven of de in werking gebrachte inrichting, aan de geluidsvoorschriften in dit hoofdstuk voldoet.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974236/1