CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B1.3.08 - Ecologische Quickscan

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hoebertweg ong., Venray8.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “deur”: 84

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Hoebertweg ong. Venray Rapportnummer: 2025-BE-1328 In opdracht van: AROM Laan door de Veste 1 5708 ZZ Helmond

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1328 Opdrachtgever AROM Contactpersoon De heer M. Haenraets Locatie Hoebertweg ong. Venray Auteur Veerle Basten Collegiale controle Freek Rovers Opleverdatum 2 mei 2025

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Criteria................................................................................................................................... 4 1.4 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 4

2.

PROJECTGEGEVENS ....................................................................................................... 5 2.1 Ligging van het plangebied .................................................................................................. 5 2.2 Omschrijving van het invloedsgebied ................................................................................. 5 2.3 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 6

3.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ............................................................................ 8 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................. 8 3.2 Veldonderzoek ...................................................................................................................... 8 3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek....................................................... 9

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 11 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 11 4.2 Houtopstanden ................................................................................................................... 12 4.3 Soortenbescherming .......................................................................................................... 13

5.

RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 23 5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden ..................................... 23 5.2 Resultaten en advies beschermde soorten ....................................................................... 23 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 25

6.

BRONNEN ................................................................................................................... 26

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

SAMENVATTING Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied Hoebertweg ong. te herontwikkelen. Er zullen acht seniorenwoningen worden gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. Binnen het plangebied is geen geschikte bebouwing aanwezig. Er staan alleen een glazen tuinkas en een houten tuinhuisje, die beide geen openingen hebben. In het plangebied staat één boom die gekapt zal worden.

Deze heeft wel een geschikte stamdiameter, maar geen holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen zouden kunnen verblijven. Ook zijn er geen nesten van vogels aangetroffen. Het plangebied biedt mogelijkheden voor algemene Vogelrichtlijnsoorten. Aangezien voldoende alternatieve broedgelegenheden in de directe omgeving aanwezig zijn en negatieve effecten voorkomen kunnen worden door buiten het broedseizoen te werken, worden er geen negatieve gevolgen voor de vogelsoorten verwacht. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog. De vegetatie bestaat voornamelijk uit gras, met soorten als zuring, brandnetel, paardenbloem, ooievaarsbek, braam, paarse dovenetel en stinkende gouwe. Er staat één boom, een perenboom, binnen het plangebied. Door het beheer als paardenweide en moestuin ontbreken geschikte groeiplekken voor beschermde planten. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Veerle Basten Brabant Eco Mei 2025

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

1. INLEIDING EN ONDERZOEK In dit hoofdstuk staan de aanleiding en doelstelling van deze ecologische quickscan beschreven. Ook staan de criteria en de geldigheid van dit onderzoek vermeld. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie bijlage 2.

1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever AROM is het voornemen het plangebied Hoebertweg ong. te Venray te herontwikkelen. Er zullen acht seniorenwoningen worden gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied van de voorgenomen ingreep mogelijk planten- en diersoorten aanwezig zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De centrale vraag luidt: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden? Als blijkt dat de ingreep leidt tot een mogelijke overtreding van de Omgevingswet, wordt bepaald naar welke soorten en functies eventueel aanvullend onderzoek nodig is en of nadere toetsing in het kader van beschermde gebieden noodzakelijk is.

1.3 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door ecologisch deskundigen. Een ecologisch deskundige heeft aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring en geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats en soorten. o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

1.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waarvoor dit niet geldt, moeten de gegevens recenter zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

2. PROJECTGEGEVENS

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste gegevens ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. Allereerst wordt ingegaan op de geografische ligging van het plangebied en de kenmerken van het invloedsgebied. Vervolgens worden de voorgenomen ontwikkelingen en het toekomstige gebruik beschreven.

2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Hoebertweg ong., ten zuiden van de kern van Venray, noordelijk van de N270. Venray is een stad en gemeente in de provincie Limburg. Ten westen van de stad liggen de natuurgebieden Odapark en Vlakwater. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Venray

Afbeelding 1: Ligging plangebied in de wijdere omgeving. Bron: Google Earth.

2.2 Omschrijving van het invloedsgebied Het plangebied bestaat uit paardenweide en moestuin, gedeeltelijk omringd door hagen en bomen. Het invloedsgebied bestaat vooral uit cultuurgronden afgewisseld met tuinpercelen behorende bij de woningen, bedrijfsbestemmingen, een sportcomplex en agrarische percelen vooral bestaande uit weilanden. Met ten zuiden de N270. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Afbeelding 2: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.

Afbeelding 3: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.

2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit het herontwikkelen van het plangebied Hoebertweg ong. te Venray. Het voornemen is om acht seniorenwoningen te realiseren. De perceelsoppervlakte beslaat ca. 2415 m².

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Afbeelding 4: Impressie beoogde situatie. Bron: AROM.

Afbeelding 5: Impressie beoogde situatie. Bron: AROM.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

3. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied en of er met de voorgenomen ingreep negatieve effecten te verwachten zijn op de kwaliteit van beschermde natuurgebieden in de omgeving. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, is de eerste stap van ecologisch onderzoek en geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten, dieren en natuurgebieden. De ecologische waarden worden in kaart gebracht middels bureau- en veldonderzoek. De volgende vragen worden beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig binnen het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? Een ecologische quickscan is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek.

Er zijn in dit verkennend onderzoek geen nadere inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een nadere inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode(n) van het jaar.

3.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.

gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.

3.2 Veldonderzoek Op donderdagochtend 17 april 2025 hebben ecologen Jennifer Bockting en Veerle Basten in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een noordwestenwind met windkracht 2 en regen. De gemiddelde temperatuur lag rond de 10 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.

3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek Het plangebied omvat paardenweiden en een moestuin, gedeeltelijk omringd door hagen en bomen. Aan de noordzijde grenst het aan de Hoebertweg, waar zich ook de toegang bevindt via een onverharde oprit met een toegangspoort. De west- en oostzijde grenzen aan aangrenzende percelen en in het zuiden grenst het aan een ander deel van de paardenweide en moestuin, welke behouden blijven. Het grootste deel van het plangebied wordt gebruikt als paardenweide, met daartussen de moestuin. De vegetatie bestaat voornamelijk uit gras, met soorten als zuring, brandnetel, paardenbloem en ooievaarsbek. In en rond de moestuin en langs de perceelranden komen daarnaast onder andere braam, paarse dovenetel en stinkende gouwe voor. Binnen het plangebied staat één boom: een perenboom aan de noordzijde. Ook staan er aan deze zijde een tuinkas en tuinhuisje. Buiten het plangebied, met name aan de noordrand, staan meerdere bomen met daaronder een ondergroei van vooral braam. Langs de west- en oostgrens staan hagen en aan de oostzijde loopt een verhard pad langs de erfgrens.

Foto 1: Overzicht zuidelijk gelegen paardenweide.

Foto 2: Overzicht zuidelijk gelegen paardenweide.

Foto 3: Overzicht moestuin te midden van paardenweiden.

Foto 4: Overzicht noordelijk gelegen paardenweide.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

9

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Foto 5: Tuinkas en tuinhuisje aan noordzijde plangebied.

Foto 6: Perenboom aan noordzijde plangebied.

Foto 7: Houtwal ten noorden van plangebied.

Foto 8: Verhard pad en haag aan oostzijde plangebied.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

10

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN In dit hoofdstuk worden de beschermde gebieden en soorten beschreven die zich (mogelijk) in de nabijheid van het plangebied bevinden. Er wordt aangegeven of de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op deze beschermde gebieden en soorten en of er met de werkzaamheden beschermde houtopstanden verdwijnen.

4.1 Gebiedsbescherming Door middel van bureaustudie is onderzocht of het plangebied binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de provincie NoordBrabant.

4.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 3 kilometer afstand van noordoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied ‘Boschhuizerbergen’. Op ongeveer 7 kilometer afstand naar het zuiden ligt Natura 2000gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en noordoostelijk op 9 kilometer Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in blauw aangegeven.

Minimaal 3 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000

Afbeelding 6: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.

Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

11

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 2 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in groene kleur.

Minimaal 2 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 7: Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgeving.

In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

4.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening kan dit staven.

4.2 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien de totale oppervlakte of het aantal bomen kleiner is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Binnen het plangebied staat één boom die gekapt zal worden. Deze boom maakt echter geen deel uit van een houtopstand die voldoet aan de criteria die de Omgevingswet stelt voor bescherming. Om echter een overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen, wordt aangeraden om alvorens tot kap over te gaan bij het gemeenteloket na te gaan of voor het vellen van de betreffende boom een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

12

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

4.3 Soortenbescherming Bijlage 1, project Hoebertweg met nummer BE-1328 d.d. 8 april 2025 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 3 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 4 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

4.3.1 Flora Volgens de NDFF zijn de laatste vijf jaar geen beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Veldbezoek flora Onder de Omgevingswet beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dit soort locaties worden voornamelijk gevonden in natuurgebieden, zoals de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg, alsmede op bedrijfsterreinen als de Maasvlakte. Op basis van de ligging en de aard van de locatie is het onwaarschijnlijk dat er binnen het projectgebied beschermde vaatplantsoorten voorkomen. Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiële groeiplaatsen voor beschermde flora in het projectgebied aanwezig zijn. Het plangebied bestaat grotendeels uit grasland dat wordt gebruikt als paardenweide met in het midden een moestuin. De vegetatie in de weiden bestaat voornamelijk uit gras met soorten als zuring, brandnetel, paardenbloem en ooievaarsbek. Rondom de moestuin en langs de perceelranden zijn soorten aanwezig, zoals braam, paarse dovenetel en stinkende gouwe. Langs de west- en oostzijde van het plangebied staan hagen en ook loopt er een verhard pad langs de erfgrens aan de oostzijde. Aan de noordzijde bevindt zich een solitaire perenboom binnen het plangebied.

Net ten noorden buiten het plangebied staan meerdere bomen met een ondergroei van voornamelijk braam.

Foto 9: Zuring.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Foto 10: Ooievaarsbek.

13

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Foto 11: Paarse dovenetel.

Foto 12: Brandnetel en witte dovenetel.

Deelconclusie flora Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien vanwege de inrichting, het beheer en gebruik. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de zorgplicht.

4.3.2 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Tweekleurige vleermuis

Verblijfplaatsen in Vooral bebouwing Vaak bebouwing Vooral bebouwing

Tabel 1: Waargenomen vleermuizen binnen een straal van twee kilometer.

Veldbezoek vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. Binnen het plangebied staat één boom die gekapt zal worden. Deze boom heeft een geschikte stamdiameter, maar geen holtes, gaten of loshangende schors. Ook de bomen direct rondom het plangebied vertonen geen openingen die geschikt zijn voor vleermuizen. De bomen rondom het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Binnen het plangebied is geen geschikte bebouwing aanwezig. Er staan alleen een glazen tuinkas en een houten tuinhuisje, die beide geen openingen hebben die geschikt zijn voor vleermuizen. Het plangebied is dus niet geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Vleermuizen foerageren op plaatsen met veel insecten, zoals graslanden, water en bossen. Het is mogelijk dat vleermuizen het plangebied passeren of hier foerageren. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

14

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. De bomen en hagen ten noorden en westen van het plangebied vormen een lijnvormig element dat mogelijk dient als vliegroute. Deze bomen en hagen bomen blijven behouden en maken geen deel uit van de voorgenomen ingreep. Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoord is afhankelijk van de hoeveelheid licht en de gevoeligheid van de soort voor licht. De bomen rondom het plangebied kunnen fungeren als vliegroute en de naburige woning kan mogelijk verblijfplaatsen bieden voor vleermuizen. Met de beoogde werkzaamheden dient extra aandacht te worden besteed aan het gebruik van licht. Er wordt geadviseerd om zoveel mogelijk bij daglicht te werken en indien kunstlicht nodig is, dit zodanig te richten dat de bomen, naburige woning en andere groenelementen niet worden verlicht, om zoveel mogelijk verstoring door licht te voorkomen.

Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen.

4.3.3 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Martersoort Das Steenmarter

Bescherming Beschermd Vrijgesteld*

Tabel 2: Waargenomen marterachtigen binnen een straal van twee kilometer. * In Limburg is de steenmarter vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari.

Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen Het plangebied bestaat enkel uit gras en een moestuin. Er is geen ruigte aanwezig dat kan dienen als schuilof foerageergelegenheid voor marterachtigen. Ook de tuinkas en het houten tuinhuisje bieden geen geschikte verblijfplaatsen door het ontbreken van een ingang. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen zoals uitwerpselen, prooiresten en stank, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

15

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 van marterachtigen. Ten noorden van het plangebied is een houtwal met dekkende vegetatie aanwezig die wel geschikt kan zijn voor kleine marterachtigen. Deze blijft behouden.

Foto 13 & 14: Houtwal met ondergroei ten noorden van het plangebied.

Deelconclusie marterachtigen Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. De geschikte houtwal met vegetatie ten noorden van het plangebied blijft bestaan en het leefgebied van marterachtigen zal niet verslechteren.

4.3.4 Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Limburg tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige zoogdiersoort Bever Eekhoorn

Bescherming Beschermd Vrijgesteld*

Tabel 3: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van twee kilometer. * In Limburg is de eekhoorn vrijgesteld in de periode maart-april en juli tot en met november.

Bever In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-,

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

16

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren In en rondom het plangebied staan enkele bomen. Tijdens het veldbezoek zijn in deze bomen geen eekhoornnesten waargenomen. Ook zijn er geen sporen van eekhoorns aangetroffen, zoals afgeknaagde notendoppen of beschadigde boomschors. Dit wijst erop dat eekhoorns waarschijnlijk geen actief gebruik maken van de bomen rondom het plangebied. Bovendien blijven alle bomen op één na behouden. Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever Tijdens het veldbezoek is gebleken dat het aannemelijk is dat er vrijgestelde soorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Hierdoor dient rekening gehouden te worden met vluchtroutes voor de grondgebonden zoogdieren. Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Het is uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van overige grondgebonden zoogdieren. Alle bomen rond het plangebied blijven behouden.

4.3.5 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Omgevingswet hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde nesten’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels in Limburg kan worden opgedeeld in 4 categorieën. Categorie 1-3 De eerste 3 categorieën betreffen vogels die hun nesten jaarrond gebruiken, zeer plaatstrouw broeden of afhankelijk zijn van bebouwing. Voor deze vogelsoorten gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele jaar.

De vogelsoorten uit deze categorieën met jaarrond beschermde nesten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Ooievaar Raaf Ransuil Rode wouw Roek Slechtvalk

Beschermingscategorie* 2 3 2 2 2 3 2 2 1 2 3 3 3 1 2

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Nestplaats In gebouwen In bomen In boomholtes, nestkasten en gebouwen In gebouwen en nestkasten Op de grond, in gebouwen en nestkasten In bomen In gebouwen en nestkasten Tegen gebouwen In gebouwen en nestkasten In bomen, op gebouwen en nestpalen In bomen In bomen en op de grond In bomen In bomen In gebouwen, bomen en nestkasten

17

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 Steenuil Torenvalk Wespendief

1 3 3

In gebouwen, boomholtes en nestkasten In gebouwen, bomen en nestkasten In bomen

Tabel 4: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten binnen een straal van twee kilometer. *Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten. 2: Zeer plaatstrouwe broedvogel of afhankelijk van bebouwing. 3: Zeer plaatstrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar een specifiek nest.

Categorie 4 Categorie 4-soorten zijn vogels die jaarlijks terugkeren naar een specifiek nest, maar voldoende flexibel zijn om elders een nieuw nest te bouwen. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van het leefgebied niet in het geding mag komen. De vogelsoorten waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Blauwe reiger Buizerd IJsvogel Kramsvogel Ringmus Sperwer Spotvogel Wulp Zwarte specht

Nestplaats In bomen In bomen In steile wanden In bomen In gebouwen en nestkasten In bomen In struiken en bomen Op de grond In boomholtes

Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven binnen een straal van twee kilometer.

Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al.

2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

18

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Boerenzwaluw/Huiszwaluw De boerenzwaluw staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en de nestplaatsen ervan zijn jaarrond beschermd.

Broedvogels keren jaarlijks terug naar dezelfde kolonie, al zijn vooral de vrouwtjes minder plaats trouw. Jonge vogels zoeken een geschikte nestplek in de omgeving van hun ouderlijk nest. Boerenzwaluwen zijn in Nederland van maart tot in oktober, incidentele waarnemingen daargelaten. De meerderheid der broedvogels arriveert in april of begin mei, soms echter later vanwege ongunstige trekomstandigheden. De Boerenzwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Het gros van de paren huist in koeien-, varkens- of paardenstallen. De huiszwaluw is een kleine zangvogel die bekend staat om zijn gevorkte staart en zijn voorkeur om te nestelen onder de overhangende daken van gebouwen. Ze worden vaak aangetroffen in open landschappen, zoals agrarische gebieden en weilanden, in de buurt van waterlichamen zoals meren en rivieren. Huiszwaluwen zijn sterk geassocieerd met menselijke nederzettingen en nestelen graag onder dak overstekken van gebouwen. Hun nestplaatsen moeten beschut zijn tegen regen en roofdieren en zich boven open ruimtes bevinden waar ze gemakkelijk kunnen jagen op insecten, hun belangrijkste voedselbron. Het behoud van geschikte nestlocaties en het minimaliseren van verstoringen zijn cruciaal voor het behoud van huiszwaluwpopulaties.

Overige Vogelrichtlijnsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de werkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

19

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 Veldbezoek vogels In het plangebied ontbreekt geschikte bebouwing, nestkasten of andere structuren die geschikt zijn voor nestplaatsen van gierzwaluwen, huismussen, gebouwbewonende uilen en slechtvalken. Er staan alleen een glazen tuinkas en een houten tuinhuisje, die beide geen openingen hebben die geschikt zijn voor vogels. In de tuin van het naastgelegen perceel, ten oosten van het plangebied, hangt een uilenkast. Deze blijft behouden. Net als vleermuizen kunnen uilen veel hinder ondervinden van overmatige belichting. De te behouden uilenkast dient zowel in de aanleg- als de gebruiksfase ontzien te worden van belichting. De aanwezige bomen in en direct rondom het plangebied kunnen nestgelegenheid bieden voor boombewonende vogelsoorten, maar tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van (roof)vogels aangetroffen. Het is mogelijk dat het plangebied als foerageergebied wordt gebruikt door bijvoorbeeld roofvogels. Omdat in de omgeving voldoende beschikbaar blijft, zal het plangebied echter geen essentieel foerageergebied voor deze roofvogels zijn. Er zijn mogelijkheden voor overige Vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. In de directe en wijdere omgeving blijven voldoende alternatieve broedgelegenheden beschikbaar.

Een negatief effect op deze soorten kan eenvoudig worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.

Foto 15: Uilenkast bij de buren ten oosten van het plangebied.

Foto 16: Roodborst in het plangebied.

Deelconclusie vogels Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan, en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. Daarom is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn geen geschikte gebouwen aanwezig waarin gebouwbewonende vogels kunnen nestelen. Wel zijn er bomen aanwezig, maar zijn er geen nesten aangetroffen. Het plangebied biedt mogelijkheden voor algemene Vogelrichtlijnsoorten. Aangezien voldoende alternatieve broedgelegenheden in de directe omgeving aanwezig zijn en negatieve effecten voorkomen kunnen worden door buiten het broedseizoen te werken, worden er geen negatieve gevolgen voor de vogelsoorten verwacht. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog.

4.3.6 Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

20

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

Soort Alpenwatersalamander

Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd

Tabel 6: Waargenomen amfibieën, vissen en reptielen binnen een straal van twee kilometer.

Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Agrarische gronden worden gemeden als landhabitat. Veldbezoek amfibieën, vissen en reptielen In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater bevindt zich op het aangrenzende perceel, ten westen van het plangebied. Hierdoor kan het voorkomen van vissen en voortplantingshabitat van amfibieën in het plangebied worden uitgesloten. Binnen het plangebied ontbreekt vegetatie die schuil- of foerageermogelijkheden biedt voor amfibieën en reptielen. Het bestaat enkel uit weiden die worden begraasd en een moestuin.

Ten noorden van het plangebied bevindt zich echter een houtwal met dichte vegetatie, die wel geschikt kan zijn als land- of winterhabitat. Deze houtwal blijft behouden. Deelconclusie amfibieën, vissen en reptielen Het voorkomen van beschermde vis-, amfibie- en reptielsoorten in het plangebied kan worden uitgesloten, aangezien er geen oppervlaktewater aanwezig is en de vegetatie geen schuil- of foerageermogelijkheden biedt. De aangrenzende houtwal buiten het plangebied is mogelijk geschikt als land- of winterhabitat, maar blijft behouden. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Limburg. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden volstaan met de zorgplicht.

4.3.7 Ongewervelden Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. De beschermde soorten ongewervelden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn waargenomen zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Grote vos Spiegeldikkopje Teunisbloempijlstaart

Soortgroep en habitat Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen Dagvlinder, vochtige ruigten langs bospaden en bosranden, open bossen en hoogvenen, waardplant: hennegras, pijpenstrootje, boskortsteel, riet Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart

Tabel 7: Waargenomen beschermde ongewervelden binnen een straal van twee kilometer.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

21

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328 Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. Spiegeldikkopje Het spiegeldikkopje leeft in vochtige tot natte grazige ruigten bij beekbegeleidende broekbossen of hakhoutbosjes en (gedegenereerde) hoogveengebieden. Het waterpeil is wisselend, maar staat 's winters op of boven het maaiveld. Doordat de rups pas eind oktober gaat overwinteren, is het belangrijk dat de waardplant tot in de herfst groen blijft; dit is met name op vochtige plaatsen het geval. Spiegeldikkopjes leven vooral bij ruigere vegetaties waarin zowel de waardplant als de nectarplanten groeien. Geschikte ruigten zijn vooral te vinden langs bosranden, bredere bospaden of in de luwte van struweel. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) heeft een divers habitat, maar ze worden vaak geassocieerd met gebieden waar hun waardplanten, zoals de teunisbloem (Oenothera), voorkomen.

Veldbezoek ongewervelden De genoemde biotopen van beschermde dagvlinders en nachtvlinder komen niet voor in het plangebied en de nabije omgeving, zodoende is het voorkomen op voorhand uit te sluiten. Overige ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Deelconclusie ongewervelden In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen. Het voorkomen van beschermde vlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

22

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

5. RESULTATEN EN ADVIES In dit hoofdstuk wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Omgevingswet mogelijk worden overtreden met de voorgenomen ingreep. Ook worden daarbij eventueel te nemen vervolgstappen aangegeven.

5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden 5.1.1 Natura 2000 – niet aan de orde Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland – niet aan de orde Het plangebied is niet gelegen in Natuurnetwerk Nederland. Negatieve gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden zijn redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van NNN is niet noodzakelijk.

5.1.3 Houtopstanden – niet aan de orde Binnen het plangebied staat één boom die gekapt zal worden. Deze boom maakt echter geen deel uit van een houtopstand die voldoet aan de criteria die de Omgevingswet stelt voor bescherming. Om echter een overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen, wordt aangeraden om alvorens tot kap over te gaan bij het gemeenteloket na te gaan of voor het vellen van de betreffende boom een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Gebied Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden

Afstand plangebied 3 km 2 km

Ingreep verstorend Nee Nee

Nader onderzoek Nee Nee

Vergunningaanvraag Nee Nee

Opmerkingen

N.v.t.

Nee

Nee

Nee

-

-

Tabel 8: Overzicht gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen.

5.2 Resultaten en advies beschermde soorten 5.2.1 Vleermuizen – zorgplicht Met de voorgenomen ontwikkeling gaan geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Binnen het plangebied is geen geschikte bebouwing aanwezig. Er wordt één boom in het plangebied gekapt, maar deze biedt geen geschikte verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De bomen rondom het plangebied blijven behouden. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. Men dient wel rekening te houden met mogelijke negatieve externe effecten, zoals kunstlicht, geluid en trillingen, die invloed kunnen hebben op potentiële structuren voor vleermuizen. Met de beoogde werkzaamheden dient extra aandacht te worden besteed aan het gebruik van licht. Er dient zoveel mogelijk bij daglicht te worden werken en indien kunstlicht nodig is, dit zodanig te richten dat de bomen en andere groenelementen niet worden verlicht, om zoveel mogelijk verstoring door licht te voorkomen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren – zorgplicht Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

23

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

5.2.3 Broedvogels – zorgplicht, werken buiten broedseizoen In het plangebied ontbreekt geschikte bebouwing, nestkasten of andere structuren die geschikt zijn voor nestplaatsen van gierzwaluwen, huismussen, gebouwbewonende uilen en slechtvalken. Buiten het plangebied is wel een uilenkast aanwezig. Deze dient te worden ontzien van verlichting, om zodoende verstoring te voorkomen. Er zijn wel bomen aanwezig, maar er zijn geen nesten van (roof)vogels aangetroffen. Het plangebied biedt mogelijkheden voor algemene Vogelrichtlijnsoorten. Aangezien voldoende alternatieve broedgelegenheden in de directe omgeving aanwezig zijn en negatieve effecten voorkomen kunnen worden door buiten het broedseizoen te werken, worden er geen negatieve gevolgen voor de vogelsoorten verwacht. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog.

5.2.4 Amfibieën – zorgplicht Het is mogelijk dat er enkele individuen van algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, in landfase voorkomen binnen het plangebied. Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant, maar hiervoor geldt wel de zorgplicht.

5.2.5 Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat met de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten worden verwacht: flora, marterachtigen, reptielen, vissen en ongewervelden. Soortgroep Geschikt Ingreep Nader Vergunning Opmerkingen habitat verstorend onder aanvraag zoek Flora Nee Nee Nee Nee Vleermuizen Verblijfplaatsen Nee Nee Nee Nee Foerageergebied Ja Niet Nee Nee Voorkom het significant schijnen van kunstlicht op groenelementen Vliegroutes Ja Mogelijk Nee Nee Voorkom het schijnen van kunstlicht op naastgelegen bomen Marterachtigen Nee Nee Nee Nee Overige grondgebonden Ja Mogelijk Nee Nee Aandacht voor zoogdieren zorgplicht algemene grondgebonden zoogdieren Broedvogels Jaarrond Nee Nee Nee Nee beschermd Algemeen Ja Mogelijk Nee Nee Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren Amfibieën Nee Nee Nee Nee Aandacht voor zorgplicht algemene amfibieën Reptielen Nee Nee Nee Nee Vissen Nee Nee Nee Nee Ongewervelden Nee Nee Nee Nee Tabel 9: Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

24

Ecologische quickscan Hoebertweg ong. Venray, BE-1328

5.3 Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: o Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). o Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Gelet op de zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16773711/1