b NL.IMRO.0984.TAM25006-ON01 tb3
Tekst van het document
Natuur
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Schoutenstraatje 20 Venray Rapportnummer: 2025-BE-1323 In opdracht van: Bureau Leefomgeving Noorderhof 16 5804 BV Venray
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1323 Opdrachtgever Bureau Leefomgeving Contactpersoon De heer P. van de Ligt Locatie Schoutenstraatje 20 Venray Auteur Veerle Basten Collegiale controle Freek Rovers Opleverdatum 6 mei 2025
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Criteria................................................................................................................................... 4 1.4 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 4
2.
PROJECTGEGEVENS ....................................................................................................... 5 2.1 Ligging van het plangebied .................................................................................................. 5 2.2 Omschrijving van het invloedsgebied ................................................................................. 5 2.3 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 6
3.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ............................................................................ 7 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................. 7 3.2 Veldonderzoek ...................................................................................................................... 7 3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek....................................................... 8
4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 11 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 11 4.2 Houtopstanden ................................................................................................................... 12 4.3 Soortenbescherming .......................................................................................................... 12
5.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 24 5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden ..................................... 24 5.2 Resultaten en advies beschermde soorten ....................................................................... 24 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 25 5.4 Toelichting op nader onderzoek ........................................................................................ 26
6.
BRONNEN ................................................................................................................... 28
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
SAMENVATTING Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing in het plangebied Schoutenstraatje 20 te Venray te verbouwen tot twee woningen. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn effecten met negatieve invloed op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied niet volledig uit te sluiten. De bebouwing bestaat uit bakstenen muren met een zadelvormig dak, bedekt met rode dakpannen. De kopgevels zijn voorzien van schoorstenen en een verhoogde bakstenen rand boven het dakvlak. Verspreid over het gebouw zijn meerdere potentiële invliegopeningen aanwezig.
Zo bevinden zich onder de dakgoot aan de westzijde kierende ruimtes achter de houten plank. Daarnaast zijn in de gevels diverse gaten zichtbaar en zijn de loodslabben plaatselijk kierend. Mogelijk is ook de onderste rij dakpannen niet volledig gesloten. Op basis van deze bevindingen kunnen gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten en is nader onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 noodzakelijk. De aanwezige openingen zijn voor vogels te klein. Wel kan de aanwezige vegetatie ten zuiden van het gebouw en de haag op de muur aan de noordoostzijde functioneren als essentieel leefgebied voor huismussen. Omdat het onduidelijk is of deze vegetatie tot het plangebied behoort en mogelijk (deels) verdwijnt, is nader onderzoek noodzakelijk, conform het Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) februari, om negatieve effecten op deze jaarrond beschermde soort uit te sluiten. Er zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op overige soortgroepen en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Veerle Basten Brabant Eco Mei 2025
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
1. INLEIDING EN ONDERZOEK In dit hoofdstuk staan de aanleiding en doelstelling van deze ecologische quickscan beschreven. Ook staan de criteria en de geldigheid van dit onderzoek vermeld. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie bijlage 2.
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Bureau Leefomgeving is het voornemen om het plangebied Schoutenstraatje 20 te Venray te herontwikkelen. De bestaande bebouwing zal verbouwd worden tot twee woningen. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied van de voorgenomen ingreep mogelijk planten- en diersoorten aanwezig zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De centrale vraag luidt: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden? Als blijkt dat de ingreep leidt tot een mogelijke overtreding van de Omgevingswet, wordt bepaald naar welke soorten en functies eventueel aanvullend onderzoek nodig is en of nadere toetsing in het kader van beschermde gebieden noodzakelijk is.
1.3 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door ecologisch deskundigen. Een ecologisch deskundige heeft aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring en geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats en soorten. o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
1.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waarvoor dit niet geldt, moeten de gegevens recenter zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
2. PROJECTGEGEVENS
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste gegevens ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. Allereerst wordt ingegaan op de geografische ligging van het plangebied en de kenmerken van het invloedsgebied. Vervolgens worden de voorgenomen ontwikkelingen en het toekomstige gebruik beschreven.
2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan het Schoutenstraatje 20, in de kern van Venray. Venray is een stad en gemeente in de provincie Limburg. Ten westen van de stad liggen de natuurgebieden Odapark en Vlakwater. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Venray
Afbeelding 1: Ligging plangebied in de wijdere omgeving. Bron: Google Earth.
2.2 Omschrijving van het invloedsgebied Het plangebied bestaat uit een voormalig horecapand en vegetatie. Het invloedsgebied bestaat vooral uit winkelbestemmingen en burgerbebouwing. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Afbeelding 2: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
Afbeelding 3: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit het herontwikkelen van het plangebied Schoutenstraatje 20 te Venray. Het voornemen is om de bestaande bebouwing met een oppervlakte van 198 m² inpandig te verbouwen tot twee woningen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
3. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied en of er met de voorgenomen ingreep negatieve effecten te verwachten zijn op de kwaliteit van beschermde natuurgebieden in de omgeving. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, is de eerste stap van ecologisch onderzoek en geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten, dieren en natuurgebieden. De ecologische waarden worden in kaart gebracht middels bureau- en veldonderzoek. De volgende vragen worden beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig binnen het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Limburg? Een ecologische quickscan is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek.
Er zijn in dit verkennend onderzoek geen nadere inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een nadere inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode(n) van het jaar.
3.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Limburg.
3.2 Veldonderzoek Op donderdagochtend 17 april 2025 hebben ecologen Jennifer Bockting en Veerle Basten in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een noordwestenwind met windkracht 2 en regen. De gemiddelde temperatuur lag rond de 10 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek Het plangebied omvat een voormalig horecapand, omgeven door verharding en enige vegetatie. Aan de noordzijde grenst het gebied aan het Schoutenstraatje en aan de overige zijden wordt het omsloten door aangrenzende bebouwing. Het gebouw heeft bakstenen muren en een zadelvormig dak dat is bedekt met rode dakpannen. De kopgevels zijn voorzien van schoorstenen en hebben een bakstenen rand die iets boven het pannendak uitsteekt. De noordelijke kopgevel bevat drie halfronde ramen. In de westelijke zijgevel bevinden zich eveneens drie halfronde openingen, bestaande uit deuren omgeven door ramen. Aan deze zijde loopt onder de dakgoot een houten plank. De zuidelijke kopgevel is deels begroeid met hedera en hier hangen ook technische installaties en er zit een ventilatierooster in de gevel. Voor deze gevel staan meerdere struiken die tot halverwege de muur reiken. De oostelijke gevel grenst direct aan andere bebouwing: aan de zuidoostzijde aan een éénlaagse bakstenen gebouw en aan de noordoostzijde aan een bakstenen muur met daarboven een haag van hedera. Het plangebied bestaat grotendeels uit bebouwing en verharding. Behalve de hedera op de gevels, is er ten zuiden van het gebouw nog wat dichte vegetatie aanwezig, bestaande uit enkele boompjes, struiken en een ondergroei van hedera.
Foto 1: Overzicht omgeving ten noordoosten van plangebied.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Foto 2: Overzicht omgeving ten noordwesten van plangebied.
8
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Foto 3: Overzicht omgeving ten westen van plangebied.
Foto 4: Overzicht omgeving ten zuidoosten van plangebied.
Foto 5: Overzicht omgeving ten noordoosten van plangebied.
Foto 6: Noordwestzijde gebouw (plangebied).
Foto 7: Noordzijde gebouw (plangebied).
Foto 8: Westzijde gebouw (plangebied).
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Foto 9: Westzijde gebouw (plangebied).
Foto 10: Zuidzijde gebouw (plangebied).
Foto 11: Vegetatie ten zuiden van plangebied.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN In dit hoofdstuk worden de beschermde gebieden en soorten beschreven die zich (mogelijk) in de nabijheid van het plangebied bevinden. Er wordt aangegeven of de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op deze beschermde gebieden en soorten en of er met de werkzaamheden beschermde houtopstanden verdwijnen.
4.1 Gebiedsbescherming Door middel van bureaustudie is onderzocht of het plangebied binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de provincie Limburg.
4.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 2 kilometer afstand van noordoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied ‘Boschhuizerbergen’. Op ongeveer 8 kilometer afstand naar het zuidwesten ligt Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en noordoostelijk op 8 kilometer Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in blauw aangegeven.
Minimaal 2 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Afbeelding 4: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 1,5 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in groene kleur.
Minimaal 1,5 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 5: Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgeving.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
4.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben waarschijnlijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening kan dit staven.
4.2 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien de totale oppervlakte of het aantal bomen kleiner is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet.
4.3 Soortenbescherming Bijlage 1, project Schoutenstraatje met nummer BE-1323 d.d. 7 april 2025 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 3 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 4 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
4.3.1 Flora De beschermde plantensoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Beschermde plantensoort Kartuizer anjer
Habitat Grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen
Tabel 1: Waargenomen beschermde plantensoorten binnen een straal van twee kilometer.
Kartuizer anjer Kartuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bossages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Veldbezoek flora Onder de Omgevingswet beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dergelijke locaties bevinden zich vooral in natuurgebieden, zoals de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg, alsmede op bedrijfsterreinen als de Maasvlakte. Gezien de ligging en de aard van de locatie, midden in de kern van Venray, is het onwaarschijnlijk dat er binnen het projectgebied beschermde vaatplantsoorten voorkomen. Tijdens veldonderzoek is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten, echter zijn deze hier niet waargenomen. Het plangebied bestaat grotendeels uit bebouwing en verharding. Op enkele gevels groeit hedera, met name tegen de zuidelijke kopgevel. Ten zuiden van deze gevel bevindt zich een dichtbegroeid stuk vegetatie, bestaande uit enkele boompjes, struiken en een ondergroei van hedera. Daarnaast is op de bakstenen muur ten noordoosten van het gebouw een haag van hedera aanwezig.
Deelconclusie flora Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen in het plangebied, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de zorgplicht.
4.3.2 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Tweekleurige vleermuis
Verblijfplaatsen in Vooral bebouwing Vaak bebouwing Vooral bebouwing
Tabel 2: Waargenomen vleermuizen binnen een straal van twee kilometer.
Veldbezoek vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig en ook direct rondom het plangebied staan geen bomen met een geschikte stamdiameter. Het voorkomen van verblijfplaatsen van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Het gebouw bevat openingen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing bestaat uit bakstenen muren met een zadelvormig dak, bedekt met rode dakpannen. De kopgevels zijn voorzien van schoorstenen en een verhoogde bakstenen rand boven het dakvlak. Verspreid over het gebouw zijn meerdere potentiële invliegopeningen aanwezig. Zo bevinden zich onder de dakgoot aan de westzijde kierende ruimtes achter de houten plank. Daarnaast zijn in de gevels diverse gaten zichtbaar en zijn de loodslabben plaatselijk kierend. Mogelijk is ook de onderste rij dakpannen niet volledig gesloten. Op basis van deze bevindingen kunnen gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten.
Foto 12: Kierende loodslabben.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Foto 13: Kier achter houten plank onder dakgoot.
14
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Foto 14: Opening in de gevel.
Foto 15: Opening bij houten plank.
Vleermuizen foerageren op plaatsen met veel insecten, zoals graslanden, water en bossen. Het plangebied is hiervoor niet geschikt, aangezien er nauwelijks vegetatie aanwezig is en daardoor weinig insecten voorkomen. Vleermuizen zullen eerder foerageren in de tuinen en parken in de nabije omgeving. Het is mogelijk dat vleermuizen het plangebied passeren, maar het maakt geen onderdeel uit van een essentieel foerageergebied. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In en direct naast het plangebied zijn geen lineaire lijnen aanwezig. Deelconclusie vleermuizen De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hierdoor kunnen de werkzaamheden negatieve effecten hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van de beschermde soortengroep. Nader onderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing is daarom noodzakelijk, conform Vleermuisprotocol 2021. Daarnaast dient met rekening te houden met mogelijke negatieve externe effecten, zoals kunstlicht, geluid en trillingen, die invloed kunnen hebben op potentiële structuren voor vleermuizen in de directe omgeving.
Er dient extra aandacht te worden besteed aan het voorkomen van deze verstoringen de werkzaamheden zoveel mogelijk bij daglicht uit te voeren en indien er gebruik wordt gemaakt van kunstlicht, dit naar beneden te richten en niet op omliggende bebouwing, bomen en andere groenelementen.
4.3.3 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Martersoort Das Steenmarter
Bescherming Beschermd Vrijgesteld*
Tabel 3: Waargenomen marterachtigen binnen een straal van twee kilometer. * In Limburg is de steenmarter vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari.
Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen De aanwezigheid van marterachtigen wordt vaak verraden door uitwerpselen, prooiresten of een herkenbare geur. Tijdens het veldbezoek is specifiek gelet op sporen van marterachtigen, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden die op hun aanwezigheid duiden. Het plangebied is te opgeruimd en de bebouwing wordt bezemschoon gehouden. Er zijn geen geschikte ingangen voor marterachtigen om de bebouwing te betreden, waardoor er geen verblijfplaatsen voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de bebouwing. In het plangebied is geen ruigte aanwezig waar marterachtigen kunnen foerageren of verblijven. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich wat vegetatie in de vorm van struiken, wat in theorie enige schuil- en foerageermogelijkheden kan bieden voor bijvoorbeeld een steenmarter, die bekend staat om zijn voorkomen in bebouwde omgevingen. Deze vegetatie is echter te klein en te geïsoleerd om als essentieel leefgebied te fungeren.
Bovendien ligt het plangebied in de kern van Venray, een bebouwde omgeving met veel menselijke activiteit door de aanwezige winkelstraten. Deelconclusie marterachtigen Gezien de bebouwde omgeving, het ontbreken van sporen en de menselijke activiteit, is het zeer onwaarschijnlijk dat marterachtigen het plangebied gebruiken. De werkzaamheden in het plangebied hebben dan ook geen negatief effect op deze soortgroep.
4.3.4 Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Limburg tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige zoogdiersoort Bever Eekhoorn
Bescherming Beschermd Vrijgesteld*
Tabel 4: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van twee kilometer. * In Limburg is de eekhoorn vrijgesteld in de periode maart-april en juli tot en met november.
Bever In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren In het plangebied zelf zijn geen bomen aanwezig, maar in de nabijheid van het plangebied staan enkele kleine boompjes. Aangezien eekhoorns doorgaans hun nesten bouwen op een hoogte van minimaal 5 meter (bron: Zoogdiervereniging), zijn deze boompjes te klein om als nestlocatie voor eekhoorns te dienen. Daarnaast zijn er geen sporen van eekhoorns waargenomen, zoals afgeknaagde notendoppen of afgescheurde boomschors. Bovendien behoren de boompjes niet tot het plangebied en blijven ze behouden. Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever. Tijdens het veldbezoek is gebleken dat er mogelijk vrijgestelde soorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen.
Hierdoor dient rekening gehouden te worden met vluchtroutes voor de grondgebonden zoogdieren. Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Het is uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van overige grondgebonden zoogdieren. Alle bomen rond het plangebied blijven behouden.
4.3.5 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Omgevingswet hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde nesten’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels in Limburg kan worden opgedeeld in 4 categorieën. Categorie 1-3 De eerste 3 categorieën betreffen vogels die hun nesten jaarrond gebruiken, zeer plaatstrouw broeden of afhankelijk zijn van bebouwing. Voor deze vogelsoorten gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele jaar.
De vogelsoorten uit deze categorieën met jaarrond beschermde nesten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe
Beschermingscategorie* 2 3 2 2 2 3 2 2 1 1
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Nestplaats In gebouwen In bomen In boomholtes, nestkasten en gebouwen In gebouwen en nestkasten Op de grond, in gebouwen en nestkasten In bomen In gebouwen en nestkasten Tegen gebouwen In gebouwen en nestkasten In bomen en op de grond
17
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 Ooievaar Ransuil Rode wouw Roek Slechtvalk Steenuil Torenvalk Wespendief
2 3 3 1 2 1 3 3
In bomen, op gebouwen en nestpalen In bomen en op de grond In bomen In bomen In gebouwen, bomen en nestkasten In gebouwen, boomholtes en nestkasten In gebouwen, bomen en nestkasten In bomen
Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten binnen een straal van twee kilometer. *Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten. 2: Zeer plaatstrouwe broedvogel of afhankelijk van bebouwing. 3: Zeer plaatstrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar een specifiek nest.
Categorie 4 Categorie 4-soorten zijn vogels die jaarlijks terugkeren naar een specifiek nest, maar voldoende flexibel zijn om elders een nieuw nest te bouwen. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van het leefgebied niet in het geding mag komen. De vogelsoorten waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Blauwe reiger Buizerd IJsvogel Kramsvogel Oeverzwaluw Ringmus Sperwer Spotvogel Wulp Zomertortel Zwarte specht
Nestplaats In bomen In bomen In steile wanden In bomen In steile wanden In gebouwen en nestkasten In bomen In struiken en bomen Op de grond In bomen en struiken In boomholtes
Tabel 6: Waargenomen vogelsoorten waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven binnen een straal van twee kilometer.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. De oehoe is een grote uilensoort die een breed scala aan habitats bewoont, variërend van rotsachtige berggebieden tot bosrijke gebieden en zelfs open landschappen.
Oehoes maken vaak gebruik van bestaande nesten van andere grote vogels, zoals arenden of roofvogels, maar ze kunnen ook hun eigen nesten bouwen op rotsrichels, in bomen of zelfs op de grond. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar.
Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Boerenzwaluw/Huiszwaluw De boerenzwaluw staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en de nestplaatsen ervan zijn jaarrond beschermd. Broedvogels keren jaarlijks terug naar dezelfde kolonie, al zijn vooral de vrouwtjes minder plaats trouw. Jonge vogels zoeken een geschikte nestplek in de omgeving van hun ouderlijk nest. Boerenzwaluwen zijn in Nederland van maart tot in oktober, incidentele waarnemingen daargelaten. De meerderheid der broedvogels arriveert in april of begin mei, soms echter later vanwege ongunstige trekomstandigheden. De Boerenzwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Het gros van de paren huist in koeien-, varkens- of paardenstallen. De huiszwaluw is een kleine zangvogel die bekend staat om zijn gevorkte staart en zijn voorkeur om te nestelen onder de overhangende daken van gebouwen.
Ze worden vaak aangetroffen in open landschappen, zoals agrarische gebieden en weilanden, in de buurt van waterlichamen zoals meren en rivieren. Huiszwaluwen zijn sterk geassocieerd met menselijke nederzettingen en nestelen graag onder dak overstekken van gebouwen. Hun nestplaatsen moeten beschut zijn tegen regen en roofdieren en zich boven open ruimtes bevinden waar ze gemakkelijk kunnen jagen op insecten, hun belangrijkste voedselbron. Het behoud van geschikte nestlocaties en het minimaliseren van verstoringen zijn cruciaal voor het behoud van huiszwaluwpopulaties. Overige Vogelrichtlijnsoorten Overige Vogelrichtlijnsoorten zijn vogels wiens nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. De Omgevingswet hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 Veldbezoek vogels Het gebouw bevat geen openingen die geschikt zijn als nestlocatie voor jaarrond beschermde vogelsoorten. De bebouwing bestaat uit bakstenen muren met een zadelvormig dak, bedekt met rode dakpannen. De kopgevels zijn voorzien van schoorstenen en een verhoogde bakstenen rand boven het dakvlak. Hoewel het gebouw enkele openingen bevat die geschikt zijn voor vleermuizen, zijn deze te klein voor soorten als huismus en gierzwaluw. Ten zuiden van het gebouw bevindt zich dichte vegetatie met enkele boompjes, struiken en ondergroei van hedera. Daarnaast is aan de noordoostzijde van het gebouw een haag aanwezig op een bakstenen muur. Deze vegetatie is mogelijk essentieel leefgebied voor huismussen en dient als schuil- en foerageergebied. Tijdens het veldbezoek zijn er meerdere huismussen in de vegetatie waargenomen. Het is onduidelijk of deze vegetatie tot het plangebied behoort en (deels) zal verdwijnen. Om die reden is nader onderzoek noodzakelijk.
Foto 16 & 17: Vegetatie ten zuiden van het gebouw.
Foto 18 & 19: Huismussen in struik ten zuiden van gebouw (links) en in haag ten zuidoosten van gebouw (rechts).
Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tijdens het veldbezoek is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. In het plangebied staan kleine, jonge boompjes, maar deze zijn te klein om geschikt te zijn voor het maken van een nest door roofvogels. In het plangebied is geen bos of open vlakte aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen rondom het plangebied. Het is dus uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de habitat van een boombewonende roofvogelsoort. Voor de slechtvalk is er echter geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied, aangezien deze vogel bij voorkeur broedt in hoge gebouwen van meer dan vier verdiepingen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige Vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten zoals o.a. houtduif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Deelconclusie vogels De bebouwing bevat geen geschikte nest- of verblijfplaatsen voor huismussen en gierzwaluwen; de aanwezige openingen zijn daarvoor te klein. Wel kan de aanwezige vegetatie ten zuiden van het gebouw en de haag op de muur aan de noordoostzijde functioneren als essentieel leefgebied voor huismussen. Omdat het onduidelijk is of deze vegetatie tot het plangebied behoort en mogelijk (deels) verdwijnt, is nader onderzoek noodzakelijk, conform het Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) februari, om negatieve effecten op deze jaarrond beschermde soort uit te sluiten. Om verstoring van algemene Vogelrichtlijnsoorten te voorkomen, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog.
4.3.6 Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Alpenwatersalamander Heikikker Levendbarende hagedis Poelkikker
Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, vrijgesteld* Amfibieën, beschermd
Tabel 7: Waargenomen amfibieën, vissen en reptielen binnen een straal van twee kilometer. * In Limburg is de levendbarende hagedis vrijgesteld van 15 augustus tot en met 15 oktober.
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Agrarische gronden worden gemeden als landhabitat. Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De heikikker blijkt, in vergelijking tot bijvoorbeeld de bruine kikker, een vennensoort bij uitstek. Levendbarende hagedis Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis.
De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Buiten de voortplanting zijn poelkikkers minder gebonden aan water en brengen ze de rest van het seizoen door op het land. Overwintering vindt gewoonlijk plaats op het land. Veldbezoek amfibieën, vissen en reptielen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is het voorkomen van vissen in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Ook kunnen negatieve effecten op het voortplantingshabitat van amfibieën op voorhand worden uitgesloten. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich enige vegetatie in de vorm van struiken, wat in theorie enige schuil- en foerageermogelijkheden kan bieden voor amfibieën en reptielen.
De directe omgeving is echter dermate ongeschikt door bebouwing met veel menselijke activiteit door nabijgelegen winkelstraten. Hierdoor is het zeer onwaarschijnlijk dat deze soorten hier voorkomen. Bovendien is het gebied te klein en te geïsoleerd om als essentieel leefgebied te kunnen functioneren. Deelconclusie amfibieën, vissen en reptielen De aanwezigheid van beschermde vissoorten en geschikt voortplantingshabitat voor beschermde amfibieën kan worden uitgesloten, aangezien er geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig is. Er kunnen enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad, in hun landfase in het plangebied kunnen voorkomen. Aangezien dit vrijgestelde soorten betreft, is de algemene zorgplicht voldoende.
4.3.7 Ongewervelden Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. De beschermde soorten ongewervelden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn waargenomen zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Grote vos Grote weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder
Soortgroep en habitat Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wilde kamperfoelie
Tabel 8: Waargenomen beschermde ongewervelden binnen een straal van twee kilometer.
Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. Grote weerschijnvlinder Het habitat van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323 vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Op de vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw en staan enkele grotere, markante bomen. Kleine ijsvogelvlinder Het habitat van de kleine ijsvogelvlinder bestaat uit gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. De vlinders leven vooral hoog in de bomen, maar komen 's morgens naar beneden om te drinken van mest, rottend fruit of vocht van de grond. Veldbezoek ongewervelden De genoemde biotopen van beschermde dagvlinders komen niet voor in het plangebied en de nabije omgeving, zodoende is het voorkomen op voorhand uit te sluiten. Overige ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Deelconclusie ongewervelden In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen. Het voorkomen van beschermde vlinders en libellen kan uitgesloten worden.
Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
5. RESULTATEN EN ADVIES In dit hoofdstuk wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Omgevingswet mogelijk worden overtreden met de voorgenomen ingreep. Ook worden daarbij eventueel te nemen vervolgstappen aangegeven.
5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden 5.1.1 Natura 2000 – niet aan de orde Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland – niet aan de orde Het plangebied is niet gelegen in Natuurnetwerk Nederland. Negatieve gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden zijn redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van NNN is niet noodzakelijk.
5.1.3 Houtopstanden – niet aan de orde Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet. Gebied Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden
Afstand plangebied 2 km 1,5 km
Ingreep verstorend Nee Nee
Nader onderzoek Nee Nee
Vergunningaanvraag Nee Nee
Opmerkingen
N.v.t.
Nee
Nee
Nee
-
-
Tabel 9: Overzicht gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen.
5.2 Resultaten en advies beschermde soorten 5.2.1 Vleermuizen – nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen Met de voorgenomen werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verstoord. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van deze soorten is noodzakelijk. Er zijn geen vliegroutes of foerageergebied aanwezig. Daarnaast dient men rekening te houden met mogelijke negatieve externe effecten zoals kunstlicht, geluid en trillingen, die vleermuizen kunnen verstoren.
5.2.2 Grondgebonden zoogdieren – zorgplicht Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht.
5.2.3 Broedvogels – nader onderzoek naar huismus en werken buiten broedseizoen Met de voorgenomen werkzaamheden gaat mogelijk essentieel leefgebied van huismussen verloren. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Ook zijn er mogelijk nesten aanwezig van vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Een negatief effect op deze soorten kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Schoutenstraatje 20 Venray, BE-1323
5.2.4 Amfibieën – zorgplicht Het is mogelijk dat er enkele individuen van algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, in landfase voorkomen binnen het plangebied. Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Limburg, maar hiervoor geldt wel de zorgplicht.