5.1 Onderbouwing v2025-05-05
Tekst van het document
Door de sloop neemt de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied significant af. Daarmee is sprake van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essen�e van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essen�e van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integra�e in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenac�viteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwach�ngen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respec�evelijk archeologische en cultuurhistorische bestemmingsvlakken in het (�jdelijk deel van het) omgevingsplan of ac�viteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het ini�a�ef in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
42
In het plangebied zijn geen objecten of elementen van cultuurhistorische waarde aanwezige. In de omgeving van het plangebied zijn eveneens geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast is in paragraaf 3.5.9 toegelicht dat het plan past binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader. Het plan leidt niet tot een aantas�ng van cultuurhistorische waarden. Ten aanzien van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen. Archeologie Voor de uitvoering van voorliggend plan zijn bouw- en sloopwerkzaamheden benodigd. Om de archeologische verwach�ngswaarde van de loca�e te beoordelen is de archeologische beleidskaart van de gemeente Venray (actualisa�e 2011) gebruikt. Navolgende a�eeldingen tonen hiervan de uitsneden met daarop de deelloca�es omkaderd.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Venray (actualisa�e 2011) (bron: gemeente Venray)
Voor de twee deelloca�es is op basis van de kaart het volgende te concluderen: Kleindorp 31-33: deze deelloca�e kent grotendeels een lage archeologische verwach�ng. Voor de gronden met een lage verwach�ng zijn in de vigerende planologische situa�e geen archeologieregels opgenomen. Het zuidelijke deel van deze loca�e kent een hoge verwach�ng. Hiervoor zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde - Archeologie - 3' opgenomen. De zuidelijke woning wordt binnen 'Waarde - Archeologie - 2' gerealiseerd, maar overschrijdt de geldende onderzoeksgrens van 500 m2 niet. Op deze deelloca�e vinden geen grote ontgravingen (voor bijvoorbeeld een infiltra�evoorziening) plaats. Den Tiel 6: deze deelloca�e kent op basis van de beleidskaart een hoge/monumentale verwach�ng. Hiertoe zijn in de planologische situa�e de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde Archeologie - 3' opgenomen. De nieuwe woning wordt binnen 'Waarde - Archeologie - 2' gerealiseerd, maar overschrijdt de geldende onderzoeksgrens van 500 m2 niet. Op deze deelloca�e vinden geen grote ontgravingen (voor bijvoorbeeld een infiltra�evoorziening) plaats. Bij de sloop van de stallen en bedrijfsgebouwen en het verwijderen van de erfverhardingen wordt zoveel mogelijk gehandeld volgens de ‘Richtlijn ondergrondse sloop i.v.m. archeologie (2024)’ van Kragten-AchAenO.
Deze richtlijn zal aan de sloopaannemer ter beschikking worden gesteld. Mochten �jdens de grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan worden deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet (2016)) direct gemeld bij de gemeente Venray. Vervolgens zal door de gemeente bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. Het aspect archeologie levert daarmee geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van de beoogde woonbestemmingen.
43
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blij� ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van s�kstof. De omgevingswaarden voor s�kstofdeposi�e zijn vastgesteld op grond van ar�kel 2.15a van de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en ac�viteiten, afzonderlijk of in combina�e met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alterna�eve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blij�. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-ac�viteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van na�onaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, ves�ging of uitbreiding van een soortenpopula�e s�muleren. Op grond van ar�kel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover ac�ef beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-ac�viteit moet bij vrijwel alle ac�viteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit ac�viteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen met betrekking tot gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Navolgende a�eelding toont een uitsnede van de kaart 'Natura 2000-gebieden'.
Op de a�eelding is zichtbaar dat het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Boschhuizerbergen) op circa 5 kilometer ten noordoosten van het plangebied gelegen is.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
44
Uitsnede kaart 'Natura 2000-gebieden' (bron: atlasleefomgeving.nl)
Met voorliggend plan wordt voorzien in het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden en door het toevoegen van woningen een toename van het gebruik. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Boschhuizerbergen' ligt op ca 4,7 km ten oosten van het plangebied. Om de situa�e met betrekking tot s�kstof inzichtelijk te maken, zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Bijlage 5 bevat een toelich�ng op de invoergegevens, en de bijlagen 6 t/m 9 bevaten de berekeningen. Hieruit volgt dat er geen significante effecten met betrekking tot s�kstof zijn als gevolg van de ontwikkeling. Vanwege de ruime afstand en dit beperkte effect kunnen nega�eve effecten ten aanzien van o.a. trilling en lichthinder op voorhand worden uitgesloten. Soortenbescherming Om de gevolgen van het plan met betrekking tot soortenbescherming te beoordelen is voor beide deelloca�es een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlagen 11 (Kleindorp) en 12 (Den Tiel)). Hieruit komt het volgende naar voren: Kleindorp 31-33: voor deze loca�e blijkt uit de flora- en fauna-inspec�e dat in de te verwijderen thujahaag �jdens het broedseizoen mogelijk nesten van algemene inheemse vogelsoorten aanwezig zijn. Verstoring kan worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) uit te voeren en in gebruik zijnde nesten te ontzien.
Daarnaast kunnen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn, maar hiervoor geldt in Limburg een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel is de algemene zorgplicht van toepassing: aangetroffen dieren moeten �jdens de werkzaamheden direct naar een veilige plek buiten het werkgebied worden verplaatst. Met naleving van deze maatregelen ontstaan er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan vanuit de natuurwetgeving, Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet nodig; Den Tiel 6: Voor deze deelloca�e blijkt uit de quickscan flora en fauna dat mogelijk algemene broedvogels in de beplan�ng aanwezig zijn. Werkzaamheden die tot verstoring kunnen leiden, dienen daarom buiten het broedseizoen (globaal 15 maart – 15 juli) te worden uitgevoerd, of er moet vooraf worden vastgesteld dat geen ac�eve nesten aanwezig zijn. Verder kunnen algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en rep�elen voorkomen, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling, mits de zorgplicht wordt nageleefd. Bij het zorgvuldig uitvoeren van de werkzaamheden en het in acht nemen van deze maatregelen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit soortenbescherming. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet nodig. Het aspect flora en fauna levert daarmee geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van de beoogde 45
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
woonbestemmingen.
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevaten. Het ini�a�ef dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een toename aan func�es kan leiden tot extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe func�e moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoe�e voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De ac�viteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgenera�e De omze�ng van de twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen leidt niet tot extra verkeersbewegingen of een vergroote parkeerbehoe�e. Het toevoegen van drie burgerwoningen binnen het plangebied leidt tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Tegelijk verdwijnen de planologische rechten voor de uitoefening van twee agrarische bedrijven. De uitoefening daarvan, met bijbehorende verkeersbewegingen, is daarmee niet meer mogelijk. Per saldo is er sprake van een forse afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied.
Ook het type verkeer dat van en naar de loca�e rijdt, verandert van (middel)zwaar verkeer naar licht verkeer. Er is sprake van een verbetering van de verkeerssitua�e ter plaatse. De nieuwe, toe te voegen, woningen worden ontsloten op de bestaande wegen. Parkeren Parkeren vindt in de toekoms�ge situa�e nog al�jd plaats op eigen terrein. Voor woonhuizen geldt conform de gemeentelijke eisen een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Per woning is hierin voorzien. In de inpassingsplannen zijn de parkeerplaatsen en de inriten aangegeven. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoe�e. Het ini�a�ef is uitvoerbaar met betrekking tot verkeer.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadapta�e
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hite, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blij�. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezete klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benuten. De na�onale opgave voor klimaatadapta�e is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadapta�e en het Deltaplan Ruimtelijke Adapta�e met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrach�g worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek (zie ook paragraaf 3.5.10) Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Uit de kaartbeelden van de klimaateffectatlas is op te maken dat ter plaatse van het plangebied geen wateroverlast, hitestress, droogte of overstroming te verwachten valt.
Nietemin verbetert de waterhuishoudkundige situa�e door de significante afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blij� het hemelwater ook in het gebied zelf. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoe�e die kan ontstaan als een gevolg van hitestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, eveneens ter voorkoming van hitestress. Op het dak van de woning Kleindorp 33 liggen zonnepanelen. Met deze panelen wordt jaarlijks evenveel stroom
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
46
opgewekt als jaarlijks wordt verbruikt. Er wordt nog over nagedacht om de woningen Kleindorp 31 en Den Tiel 6 te voorzien van zonnepanelen zodat ook daar het jaarlijkse verbruik kan worden opgewekt. De nieuw te bouwen woningen zullen al energieneutraal worden gebouwd waarbij onder andere zonnepanelen worden aangebracht. Omdat er in totaliteit geen overschot aan zonne-energie is, bestaan er geen plannen om een baterijsysteem te plaatsen om het overschot op te kunnen slaan.
47
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Hoofdstuk 6
Conclusie
Ar�kel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelich�ng licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijker�jd voldoende ruimte te laten voor ac�viteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integra�e van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemo�veerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situa�es, complexe gebieden of gebiedsovers�jgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wetelijk eis dat sprake is van een evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste ac�viteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit.
Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit project sprake is van een evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit project en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelich�ng paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 (‘veilige en gezonde fysieke leefomgeving’ en ‘een goede omgevingskwaliteit’) is te lezen, dit plan voldoet aan een evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
48
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
Par�cipa�e
Inspraak Voor het ini�a�ef hee� de ini�a�efnemer de omgeving op de hoogte gesteld van het plan door middel van een omgevingsdialoog. Een verslag hiervan is opgenomen in bijlage 14. Overleg Onderhavig ini�a�ef wordt in het kader van het wetelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instan�es.
7.2
Kostenverhaal
7.3
Economische uitvoerbaarheid
Het toevoegen van woningen betre� een aangewezen ac�viteit die valt onder het publiekrechtelijk kostenverhaal zoals opgenomen in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er een anterieure overeenkomst gesloten moet worden waarin het kostenverhaal is verzekerd. Het gaat dan onder meer om de plankosten (voor het benodigde planologische besluit), de kosten in de openbare ruimte (waaronder de bijdrage bovenwijkse voorzieningen) en een financiële bijdrage (voormalige bijdrage ruimtelijke ontwikkeling) per toe te voegen woning. Ook eventuele nadeelcompensa�e is voor rekening van de ini�a�efnemer. Tussen de ini�a�efnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over het kostenverhaal gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensa�e.
De realisa�e van het project geschiedt voor rekening van de ini�a�efnemer. De gronden van de deelloca�es Kleindorp 31-33 (met uitzondering van de woning Kleidorp 33) en Den Tiel 6 zijn in eigendom van initai�efnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Voor de economische uitvoerbaarheid zijn derhalve geen problemen te verwachten.
49
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Hoofdstuk 8 8.1
Toelich�ng op de regels
Algemeen
Sinds 1 januari 2024 hee� elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het �jdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit: • Voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen en exploita�eplannen; • Lokale verordeningen in het �jdelijk deel van het omgevingsplan; • Bruidsschat; • Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie ar�kel 4.6 Invoeringswet). Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling op de deelloca�es Kleindorp 31-33 en Den Tiel 6 in Merselo is in strijd met het �jdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' en de navolgende herzieningen, het bestemmingsplan ‘Kleindorp 33 Merselo’, en het wijzigingsplan ‘Den Tiel 6 Merselo’). Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het func�oneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan.
Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan. Regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. • Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Venray. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Kleindorp 31-33 en Den Tiel 6 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. • Hoofdstuk 2: Func�es en ac�viteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane func�es en ac�viteiten beschreven voor de specifieke loca�e.
Voor het TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare func�es en ac�viteiten (voorheen de bestemmingen) uit het �jdelijk deel van het omgevingsplan ('Buitengebied Venray 2010, herziening regels'). Ook de gebiedsaanwijzingen (voorheen gebiedsaanduidingen) zijn in dit hoofdstuk opgenomen. De bestemmingsregels zijn wel zodanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. In voorliggend plan zijn de func�es 'Agrarisch met waarden' en 'Wonen' opgenomen. Agrarisch met waarden Deze func�e is toegekend aan de gronden die in de toekoms�ge situa�e in gebruik blijven als landbouwgrond. Ter plaatse van de func�eaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verbod toepassen gewasbeschermingsmiddelen waarbij dri� ontstaat' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen waarbij dri� ontstaat, niet toegestaan. Wonen Deze func�e is toegekend ter plaatse van de toekoms�ge woonpercelen van de bestaande- en nieuwe woningen binnen het plangebied. Hoofdgebouwen zijn toegestaan binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken. In beginsel is één woning per bouwvlak toegestaan. De ingebruikname van de woonpercelen is TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
50
gekoppeld aan een voorwaardelijke verplich�ng in het kader van landschappelijke inpassingen. De aanvang van de bouw van de toe te voegen ruimte-voor-ruimte woningen is gekoppeld aan een voorwaardelijke verplich�ng in het kader van sloop van bedrijfsgebouwen op de deelloca�e Kleindorp 31-33. • Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de ar�kelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier ziten bijvoorbeeld de aanwijzing voor verboden gebruik en de aanvraagvereisten. • Hoofdstuk 4: Overgangsrecht De overgangsbepalingen voorzien er in dat de bestaande situa�e mag blijven bestaan zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop func�es en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van bouwaanduidingen, bouwvlakken, func�eaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
51
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlagen bij de onderbouwing
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
52
Bijlage 1
53
Verkennend bodemonderzoek (Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek (Den Tiel)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
54
Bijlage 3
55
Aanvullend bodemonderzoek (Den Tiel)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 4
Evalua�erapport bodemsanering (Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
56
Bijlage 5
57
Toelich�ng invoergegevens AERIUS-berekeningen
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 6
AERIUS-berekening (sloop Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
58
Bijlage 7
59
AERIUS-berekening (sloop Den Tiel)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 8
AERIUS-berekening (aanleg Den Tiel en Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
60
Bijlage 9
61
AERIUS-berekening (gebruik Den Tiel en Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 10
Akoes�sch onderzoek (Den Tiel en Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
62
Bijlage 11
63
Quickscan Flora en Fauna (Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 12
Quickscan Flora en Fauna (Den Tiel)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
64
Bijlage 13
65
Berekeningen geur (Kleindorp en Den Tiel)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Bijlage 14
Verslag omgevingsdialoog (Den Tiel en Kleindorp)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
66
85
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6