5.1 Onderbouwing
Tekst van het document
26
gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek Met voorliggend initiatief worden alle varkensstallen gesloopt, een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd en zonnepanelen in een grondopstelling geplaatst. Het nieuwe bedrijfsgebouw betreft geen bodemgevoelige functie, de werkzaamheden worden hoofdzakelijk op locatie bij klanten uitgevoerd, men is maximaal 2 uur aaneengesloten in de bedrijfsruimte(n) aanwezig. Gelet op het voorgaande is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet nodig. Wel is bijvoorbeeld voor het vergraven of toepassen van meer dan 25 m3 grond een milieuverklaring bodemkwaliteit (meestal op basis van bodemonderzoek) nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting; het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2.
27
Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 191343 _388266. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen.
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2023 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 11,2 µg/m3
PM10 (fijnstof) 6,7 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 8,9 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten gelijkblijvende hoeveelheid verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.4) ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Het plangebied ligt binnen een benoemd aandachtsgebied (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor fijnstof. Met de sanering van de varkenshouderij levert het initiatief een verbetering op van de algehele luchtkwaliteit. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
28
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
4.5
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par.
22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Standaardwaarde 2,0 ouE/m3
Grenswaarde 8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
35,0 ouE/m3
Tabel met standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. De gemeente Venray heeft in het Omgevingsplan onder andere het volgende opgenomen: Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
30
Geurgevoelig object Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Waarde 2,0 ouE/m3 3,0 ouE/m3 8 ouE/m3 14,0 ouE/m3
Tabel 22.3.10 Omgevingsplan: Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor
2. Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten: a. een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; b. een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; c. een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; 2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en 3. in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en d. een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 Gelegen binnen de bebouwde kom Gelegen buiten de bebouwde kom
Afstand 100 m 50 m
Tabel 22.3.11 Omgevingsplan: Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor
Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf 1. Onverminderd Artikel 22.98 tot en met Artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13. Geurgevoelig object Gelegen binnen de bebouwde kom Gelegen buiten de bebouwde kom
Afstand 50 m 25 m
Tabel 22.3.13 Omgevingsplan: Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
2. In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf. Geurverordening gemeente Venray. De gemeenteraad van de gemeente Venray en de gemeenteraad van de voormalige gemeente MeerloWanssum hebben een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Nadien heeft de gemeente Venray haar verordening nog aangepast in die zin dat voor een viertal locaties de geurnorm gewijzigd is. In deze verordeningen (inclusief de wijziging van de gemeente Venray) wordt afgeweken van de wettelijke normen uit de Wgv. Beide geurverordeningen zijn inmiddels samengevoegd tot één verordening waarbij de uitgangspunten ongewijzigd zijn gebleven. De normen uit deze samengevoegde verordening zijn: Gebied: Zoekgebieden woningbouw Vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij Bedrijfsterreinen Plangebied Burgemeester Ponjéestraat in Wanssum Voor de bestaande woongebieden in Wanssum Voor de bestaande woongebieden van Venray, Leunen, Smakt, Vredepeel, Ysselsteyn, Oostrum, Merselo, Castenray, Oirlo, Veulen, Blitterswijck en Geijsteren. Buitengebied Timmermannsweg 13 Ysselsteyn, Ringweg 33a Ysselsteyn, Pater Tulpstraat 24 Ysselsteyn, Horsterweg 70/70a/70b Castenray
Maximaal toegestane geurbelasting (odourunits per m³ lucht) 8,0 ouE/m³ 8,0 ouE/m³ 8,0 ouE/m³ 7,0 ouE/m³ 2,50 ouE/m³ 3,0 ouE/m³
14,0 ouE/m³ 8,0 ouE/m³
Tabel met normen voorgrondbelasting Verordening geurhinder en veehouderij
Op de 'Kaart behorende bij Aanpassing verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray september 2009' is per deelgebied ingetekend wat de normstelling is. In de gebiedsvisie behorende bij de geurverordening is geen specifieke definitie of uitwerking opgenomen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wél is aangegeven dat de afwijkende normering uit de geurverordening niet mag leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray. In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ heeft de gemeente Venray vastgelegd wat wordt verstaan onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het opstellen van deze aanvulling op de gebiedsvisie en het vastleggen van de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (Infomil 2007) als basis gediend. In onderstaande tabel is de maximale waarde van de voor- en achtergrondbelasting weergegeven waarbij volgens de gemeente Venray nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gebied Bestaande woongebieden Venray, Oostrum, Smakt, Geijsteren, Blitterswijck en Wanssum Bestaande woongebieden Ysselsteyn, Veulen, Castenray, Oirlo, TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Maximale belasting (odourunits per m³ lucht) Achtergrond Voorgrond 13,0 ouE/m³ 6,5 ouE/m³ 20,0 ouE/m³
6,5 ouE/m³ 32
Leunen, Heide en Merselo Zoekgebied woningbouw Wanssum 13,0 ouE/m³ Overige zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 20,0 ouE/m³ Vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij 20,0 ouE/m³ Buitengebied 20,0 ouE/m³
7,0 ouE/m³ 8,0 ouE/m³ 8,0 ouE/m³ 14,0 ouE/m³
Tabel met maximale waarde voor- en achtergrondbelasting volgens ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’
Planspecifiek Voorliggend plan zet een agrarische bedrijfslocatie om naar een reguliere, kleinschalige bedrijfslocatie. Het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren is niet meer toegestaan in de toekomstige situatie. Als gevolg daarvan kunnen nadelige milieugevolgen op de omgeving voor de toekomst worden uitgesloten. De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied blijft op de huidige locatie behouden. Herbouw elders wordt niet mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning heeft geen functionele binding met een dierenverblijf meer en betreft daarmee een bijzonder geurgevoelig object. Op basis van artikel 22.100 lid b uit het Omgevingsplan van de gemeente Venray hoeft in een dergelijk geval niet getoetst te worden aan de waarden uit 22.98 eerste lid. Deze waarden zijn derhalve niet van toepassing. Wel dient getoetst te worden aan de afstanden uit de tabellen 22.3.11 en 22.3.13 voor bijzondere geurgevoelige objecten. De woning voldoet aan deze afstanden voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom van respectievelijk 50 m en 25 m. De afstand tussen de woning en agrarische bedrijven, ten noorden en zuiden van het plangebied, verandert niet. Belemmeringen in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van in de omgeving gelegen bedrijven zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen.
In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl 33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.
de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl). De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.
Geluidsaandachtsgebied Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Breedte (m) 100 200 350 200 350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek Voorliggend plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in het Bkl mogelijk. Een bedrijfsgebouw is geen geluidgevoelig gebouw volgens het Bkl. De bestaande bedrijfswoning blijft op de huidige plek als zodanig behouden. In dit plan wordt herbouw van deze woning elders binnen het plangebied, TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
34
bijvoorbeeld dichter op een weg, niet mogelijk gemaakt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Op de risicokaart is te zien dat op circa 370 meter afstand ten zuiden van het plangebied een buisleiding aanwezig is. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van de buisleiding. Daarnaast liggen er twee propaanopslagtanks ten westen van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten de risicocontour van de opslagtanks. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.8
M.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
36
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.rbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-merplicht'. b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-merbeoordelingsplicht'. Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit.
Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is in categorie J11 vermeld dat voor een stedelijk ontwikkelingstraject mogelijk een mer-(beoordelings)plicht geldt. Het begrip stedelijk ontwikkelingstraject is nergens gedefinieerd of gekwantificeerd. Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijf op de plek waar een varkenshouderij gevestigd was. Gelet op de aard en de omvang van het project (er is grotendeels sprake van bestaand bebouwd gebied en de voorziene bebouwing is beperkt) kan dit niet als een stedelijk ontwikkelingsproject worden aangemerkt. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.
4.9
Explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
4.10
Gewasbeschermingsmiddelen
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige functie. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken. Planspecifiek Voorliggend plan zet een agrarische bedrijfslocatie om naar een reguliere, kleinschalige bedrijfslocatie. De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied blijft op de huidige locatie behouden. Herbouw elders wordt niet mogelijk gemaakt. In de huidige situatie is de woning al gevoelig met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. Dit verandert als gevolg van de ontwikkeling niet. De afstand tussen de woning en agrarische gronden verandert niet. Daarmee treden geen veranderingen op met betrekking tot dit aspect.
Het aspect gewasbeschermingsmiddelen levert hiermee geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
38
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Het bebouwd oppervlak binnen het plangebied neemt aanzienlijk af.
Tevens worden de planologische bouwen gebruiksmogelijkheden voor de oprichting van een intensieve veehouderij van de locatie gehaald. Daar komt een kleinschalig bedrijf voor terug. Het initiatief is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zie paragraaf 4.8. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.
Voorliggend initiatief voorziet in de sloop van de varkensstallen, het realiseren van zonnepanelen in een grondopstelling en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. Het plangebied ligt volgens het Ruimtelijk KwaliteitsKader in het deelgebied 'Jonge ontginningsgebieden'. Waarin grootschalige openheid, rationele verkavelingsstructuur en laanbeplanting centraal staan. De locatie wordt ingepast conform de geldende landschappelijke kwaliteiten. Het zonnepark word ingesloten door gemengde hagen met struweel en bomen en een lage haag voor het noordelijke bedrijfsgebouw. De exacte te treffen ingrepen zijn opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan in bijlage 1 van de regels. Archeologie Voor onderhavig initiatief is de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Venray (2011) geraadpleegd. Navolgende afbeelding geeft hiervan een uitsnede. Ter plaatse van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. De uit te voeren werkzaamheden zijn daarmee in het kader van archeologie niet onderzoeksplichtig. Een onderzoeksplicht is ook niet opgenomen in de vigerende planologische situatie. Het aspect archeologie levert daarmee geen belemmeringen op voor het initiatief.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Venray 2011
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
40
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. De omgevingswaarden voor stikstofdepositie zijn vastgesteld op grond van artikel 2.15a van de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel & Mariapeel' ligt op ca 2,8 km ten zuiden van het plangebied. Om de situatie met betrekking tot stikstof inzichtelijk te maken, zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Bijlage 1 bevat een toelichting op de invoergegevens, en de bijlagen 2, 3 en 4 bevatten de berekeningen.
Hieruit volgt dat er geen significante effecten met betrekking tot stikstof zijn als gevolg van de 41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
ontwikkeling. Vanwege de ruime afstand en dit beperkte effect kunnen negatieve effecten ten aanzien van o.a. trilling en lichthinder op voorhand worden uitgesloten. Soortenbescherming Met het oog op soortenbescherming is vanwege de beoogde sloopactiviteiten en andere geplande ingrepen een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. De belangrijkste conclusie is dat er met dit plan geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat de nadelige gevolgen voor de beschermde dieren en planten zo veel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgeneratie en ontsluiting De verkeersaantrekkende werking blijft door voorliggend initiatief gelijk aan die van de te saneren varkenshouderij, waarbij er verhoudingsgewijs wel sprake van veel minder zware voertuigen. De transportbewegingen behorende bij de varkenshouderij (20 personenauto's, 8 vrachtwagens en 6 tractoren per dag) verdwijnen. De werkzaamheden van dit kleinschalige timmer- en klusbedrijfje vinden voornamelijk op locatie bij de klanten plaats.
Op grond van het CROW kan voor dergelijke bedrijven een bandbreedte van 2 tot 4 voertuigbewegingen per 100 m2 bvo per etmaal gerekend worden. Op basis van de toekomstige oppervlakte van het bedrijf is daarmee sprake van 18 tot 35 motorvoertuigbewegingen. De verkeerssituatie ter plaatse van het plangebied en omgeving verbetert aanzienlijk. De wijze van ontsluiten verandert niet. De bedrijfswoning en het kleinschalige bedrijf blijven via de huidige wijze ontsloten op de Timmermannsweg. Deze weg heeft ruimschoots voldoende capaciteit voor de verkeersbewegingen, mede door het stoppen van de veehouderij.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
42
Parkeren Voor parkeren bij de nieuwe functie geldt de Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray (2013) als uitgangspunt. Voor het bedrijf zijn volgens de gemeentelijke parkeernormen (Werken – bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief) 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo nodig. Dat zijn 10 parkeerplaatsen. Deze parkeerruimte kan volledig binnen het erf worden gerealiseerd. Op pagina 12 van het landschappelijk inpassingsplan is dit ingetekend. Daarnaast beschikt de bedrijfswoning over eigen parkeervoorzieningen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Venray en is sprake van een robuuste toekomstige parkeersituatie. Omdat de bedrijfsactiviteiten grotendeels op locatie bij klanten plaatsvinden en het erf dus slechts beperkt wordt gebruikt voor parkeren van personeel en incidentele bezoekers, is de feitelijke behoefte aan parkleerplaatsen in de werkelijke situatie zelfs veel lager dan de normatieve berekening. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadapta�e
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Uit de kaartbeelden van de klimaateffectatlas is op te maken dat ter plaatse van het plangebied geen wateroverlast, hittestress, droogte of overstroming te verwachten valt.
Niettemin verbetert de waterhuishoudkundige situatie door de significante afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Door het hemelwater in het gebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De geplande nieuw te bouwen bedrijfsruimte is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee wordt voldaan aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom het kleinschalige bedrijf zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, eveneens ter voorkoming van hittestress. Op het dak van de noordelijke vrijstaande bedrijfsruimte en in het zonnepark liggen zonnepanelen. Met deze panelen wordt jaarlijks veel meer stroom opgewekt dan wordt verbruikt. Het overschot wordt met een batterijsysteem (om onbalans in vraag en aanbod te voorkomen) terug geleverd aan het net. Het huidige bedrijfsperceel is intensief bebouwd en versteend waardoor warmte langer op de locatie blijft hangen. Deze situatie verbetert aanzienlijk door het initiatief, vooral door een aanzienlijke afname van bebouwing en het toevoegen van groen. De aanwezige bomen op het voorerf, ook rondom de woning, blijven bovendien behouden en zorgen via schaduwwerking en wind voor verkoeling tijdens warme dagen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.
Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
44
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systema�ek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
7.3
Toepassingsbereik TAM-omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22v] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22v] van het omgevingsplan Venray. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.
7.4
Beschrijving per func�e
Onderhavig initiatief kent de volgende functies: Bedrijf Deze functie is opgenomen ter plaatse van het voorerf. Op het voorerf staat de huidige bedrijfswoning, de bedrijfsbebouwing die in de toekomstige situatie wordt gebruikt als kleinschalig bedrijf en het nieuwe bedrijfsgebouw. Via aanduidingen op de verbeelding is aangegeven waar de bedrijfswoning en het kleinschalige bedrijf zijn toegestaan en wat het maximum bebouwd oppervlak is.
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Agrarisch Deze functie is opgenomen ter plaatse van de resterende gronden aan de westkant van het plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden zonnepark' is de opstelling van het zonnepark toegestaan. Overige gronden zullen in de toekomstige situatie in gebruik worden genomen als reguliere landbouwgrond. Gebouwen zijn er niet toegestaan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
46
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Par�cipa�e
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden uit de omgeving op de hoogte gebracht via een omgevingsdialoog. Vanuit de omgeving zijn er geen bezwaren tegen het plan. Een verslaglegging van deze dialoog is toegevoegd als bijlage 6.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Omdat het initiatief geen aangewezen activiteit betreft die valt onder het publiekrechtelijke kostenverhaal is het sluiten van een anterieure overeenkomst niet noodzakelijk.
Er worden leges geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag volgens de 'Verordening van de gemeenteraad van Venray houdende regels voor de heffing en de invordering van leges 2025'. Er wordt ook een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten, eventuele nadeelcompensatie is voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
8.3
Vooroverleg
Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.
47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Bijlagen bij de onderbouwing
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
48
Bijlage 1
49
Toelich�ng invoergegevens AERIUS berekeningen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Bijlage 2
AERIUS-berekening sloop
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
50
Bijlage 3
51
AERIUS-berekening aanleg
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Bijlage 4
AERIUS-berekening gebruik
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
52
Bijlage 5
53
Quickscan soortenbescherming
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Bijlage 6
Verslag omgevingsdialoog