CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

32 5A Toelichting Puttenweg 45 Ysselsteyn

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening stoppers- en saneringsregeling (ronde 2).3.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4.1

LOCATIE

4.1.1 Bestaande situatie Maatschap E.P.H. van Asten en J.G.L.M. Spreeuwenberg (hierna te noemen initiatiefnemer) exploiteerde een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf aan de Puttenweg 43-45 in Ysselsteyn. Kadastraal gelegen op percelen; gemeente Venray sectie M nummer 1221 (bedrijfswoning Puttenweg 43, 3.460 m2), nummer 1220 (76.355 m2), nummer 850 (765 m2), nummer 1113 ( 2.440 m2) en nummer 851 (bedrijfswoning Puttenweg 45, 260 m2).

Afbeelding 1, huidige situatie

Initiatiefnemer participeert aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Dit betekent dat de varkenshouderij op deze locatie volledig dient te worden gesaneerd, de milieutoestemming voor het houden van varkens dient te worden ingetrokken en het bestemmingsplan dient dusdanig te worden gewijzigd dat het houden van varkens niet langer mogelijk is. Het totale bouwvlak bedraagt ca 1,95 ha. Hierin zijn 2 bedrijfswoningen gelegen en de intensieve veehouderij voor het houden van varkens. De aanwezige en te slopen bebouwing ten behoeve van het varkensbedrijf bedraagt ca. 5.613 m2, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.

te slopen varkensstallen

te behouden Akkerbouwloods

Te slopen bedrijfswoning te behouden woning

Afbeelding 2, te slopen en te behouden bebouwing.

4.1.2 Planvoornemen De beoogde situatie voor initiatiefnemer betreft het mogelijk maken van 2 bouwvlakken met de bestemming “Wonen” nabij de Puttenweg en op het oostelijk gedeelte een “Agrarisch Bouwvlak” zonder bedrijfswoning voor een niet-intensieve veehouderij. Gedacht wordt aan het realiseren van een paardenhouderij met rijhal, paardenstallen, buitenbak, stapmolens e.d. naast de huidige akkerbouw activiteiten. De huidige bedrijfswoning Puttenweg 45 zal vervallen zodra een nieuwe woning feitelijk gerealiseerd wordt op het noordelijke bouwvlak met de bestemming “Wonen”. Feitelijk komt er géén woning bij. De huidige bedrijfswoning wordt gewijzigd in een woonbestemming naast de huidige bedrijfswoning Puttenweg 43. Door bovengenoemde wijzigingen bestaat er geen mogelijkheid meer om binnen het agrarisch bouwvlak een (agrarische) bedrijfswoning te realiseren. Bovenstaande is in een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Venray. De gemeente heeft positief gereageerd op dit principeverzoek (bijlage 1).

Afbeelding 3, uitsnede concept verbeelding planvoornemen.

4.1.3 Toelichting van toepassing zijnde beleid/bestemmingsplan Op de locatie Puttenweg 43 en 45 is het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 (vastgesteld op 14-12-2010) en de herziening regels (vastgesteld op 01-11-2016 en 2009-2017) van toepassing. Op de locatie rust de enkelbestemming “Agrarisch”, de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie-2”, een gedeeltelijke bouwvlakaanduiding, gedeeltelijk de functieaanduiding “intensieve veehouderij”, gedeeltelijk de functieaanduiding “bedrijfswoning”, gebiedsaanduiding “luchtvaartverkeerzone”, gedeeltelijk maatvoering “maximum bouwhoogte 115 m”, gedeeltelijk maatvoering “maximum bouwhoogte 110 m” en de gebiedsaanduiding “reconstructiewetzoneverwevingsgebied”. 4.1.4 Toelichting van de milieuaspecten 4.1.4.1 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden

verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De bedrijfswoning aan de Puttenweg 45 wordt verplaatst, hierdoor ontstaat een nieuw geluidgevoelig object. Voor de nieuw te realiseren woning is een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Puttenweg (N277) hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen lijken niet reëel. Het is derhalve noodzakelijk om bij College van B&W in het kader van de Wet geluidhinder ontheffing aan te vragen voor een hogere grenswaarde. De woning voorziet in een geluidluwe gevel. Het Bouwbesluit vereist een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 20 dB(A) en een binnengeluidniveau in de woning van ten hoogste 33 dB. Aangezien de gecumuleerde ongecorrigeerde gevelgeluidbelasting hoger is dan 53 dB dient aanvullend onderzoek te worden verricht naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat het maximaal toelaatbaar binnengeluidniveau in de woning is gewaarborgd. Aanvullend onderzoek kan pas worden uitgevoerd op het moment dat een definitieve ontwerptekening van de woning beschikbaar is.

Op dit moment is er nog geen definitieve ontwerptekening van de nieuw te realiseren woning beschikbaar. Een aanvullend akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd als er een definitieve ontwerptekening van de woning beschikbaar is. 4.1.4.2 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Transportroutes: Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev); • Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg is de locatie niet gelegen binnen het invloedgebied van een risicobron. Evenmin vormt de locatie een risicobron voor kwetsbare bestemmingen.

Afbeelding 4. Uitsnede risicokaart (bron:risicokaart.nl)

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Nabij de planlocatie bevinden zich geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Conclusie Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. 4.1.4.3 Bedrijven en milieuzonering

Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar

bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Tabel 1, milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.

In het geval dat er sprake is van gemengd gebied dan kunnen de richtafstanden met 1 stap verminderd worden. Ter plaatse van de planlocatie kan door de verscheidenheid aan diverse typen bebouwing en percelen gesproken worden van gemengd gebied . Op de locatie wordt een intensieve veehouderij beeindigd, hierdoor daalt de milieucaterogrie van de locatie. De richtafstanden tot de reeds aanwezige nabij gelegen locaties zal hierdoor afnemen. De te verplaatsen woning blijft ondanks dat deze ca. 100 m westelijk verplaatst word voldoen aan de gestelde richtafstanden. 4.1.4.4 Bodem

De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Voor de plangebied is een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de woonbestemmingen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 4. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de

onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. 4.1.4.5 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken •

mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden. De voorlopig looptijd is in 2014 verlengd tot en met 31 december 2016. De reikwijdte en werking van het NSL veranderd daardoor niet. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekenende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-grens 1.500

minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-grens 3.000

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt. Bij dit initiatief wordt planologisch gezien één woning gerealiseerd. Als gevolg van de bouw van één woning wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 4.1.4.6 Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In een aanvullende notitie op de geurverordening (vastgesteld november 2011) is bepaald dat voor nieuwe geurgevoelige objecten sprake dient te zijn van een maximale achtergrondbelasting van 20 Oue/m3 (leefklimaat matig) en een maximale voorgrondbelasting van 14 Oue/m3 (leefklimaat tamelijk slecht) om het te kunnen typeren als “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat”. Toetsing norm voorgrond: Vaste afstand Het betreft hier een agrarisch intensief veehouderij bedrijf met twee bedrijfswoningen.

Bij het bestemmen van 2 burgerwoningen direct aan de Puttenweg en het vervallen van de “functieaanduiding intensieve veehouderij” ontstaat een vaste afstand van 50 meter tussen de woningen en het resterende ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Binnen een afstand van 50 meter, die geldt voor vaste afstandsdieren, zijn dan ook geen geurbelastende functies aanwezig. Aan de vaste afstanden wordt voldaan voor beide woningen. Geurgevoelige objecten Er zijn ook geen veehouderijen met geurcontouren in de directe omgeving aanwezig, die een negatief effect op de voorgenomen ontwikkeling kunnen hebben. De geurcontour

waarbinnen de locatie gelegen is, is de geurcontour van de beeindigde intensieve veehouderij op de locatie. Hierdoor is sprake van een bestaande woning (Puttenweg 43), welke op of na 19 maart 2000 deel uitmaakte van een andere veehouderij en waarvoor een vaste afstand van 50 m geldt tussen het dichtstbij gelegen emissiepunt van de veehouderij en de gevel van de betreffende woning. Aan deze afstand wordt voldaan. Voor de nieuwe woning aan de Puttenweg geldt een afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a. b. c.

op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.

Aan deze afstand wordt voldaan. Omliggende veehouderijen worden dan ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Aan de voorgrondnorm wordt voldaan voor beide woningen. Toetsing norm achtergrond: Ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen is getoetst aan de maximale achtergrondbelasting van 20 Oue/m3. Aan de norm voor de voorgrondbelasting wordt in de onderhavige situatie voldaan. Aan de achtergrondwaarde van 20 Oue/m3 wordt met een berekende maximale belasting van 18,675 Oue/m3 ruimschoots voldaan.

Tabel 5: Receptorpunten cumulatieve geurbelasting

Afbeelding 6: Receptorpunten cumulatieve geurbelasting

4.1.4.7 Wet Natuurbescherming Natura2000

Het plangebied is gelegen nabij de Natura200 gebieden Deurnsche Peel & Mariapeel (3 km) en Boschhuizerbergen (9 km). Gezien de beoogde ontwikkeling, beëindigen varkenshouderij, kan gesteld worden dat er sprake is van een forse afname van ammoniakemissie en derhalve ook van de ammoniak-depositie. Dit in combinatie met de afstand tot het gebied, zijn negatieve effecten op het Natura 2000- gebied uit te sluiten. De bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten behorende bij de nieuw te realiseren woning en de voorgenomen sloop van de bijgebouwen en erfverharding zijn per 1 juli 2021 vrijgesteld van een eventuele vergunningplicht. Voor de gebruiksfase geldt deze vrijstelling niet en dient gekeken te worden naar de structurele stikstofemissies en -depositie tijdens de gebruiksfase van het woningbouwproject. In onderstaande tabel uit de handreiking Woningbouw en Aerius wordt duidelijk dat de emissies in de gebruiksfase bij woningbouwprojecten tot 50 woningen en op een afstand van 3 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Deurnsche Peel en Mariapeel) 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.

Tabel 4, indicatieve depositie Handreiking Woningbouw en Aerius.

Flora en Fauna

Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de Flora- en Faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Verboden activiteiten zijn nauwelijks gewijzigd ten opzichte van de “oude wetgeving”. Wel zijn enkele definities aangepast. Zo is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Verstoren zonder dat vooraf goed onderzoek is uitgevoerd naar beschermde soorten, blijft strafbaar. Met de nieuwe wet is ook de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Waar de Flora- en Faunawet nog uitgaat van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: 1: strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en 2: andere beschermde soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Het plangebied was in gebruik als landbouwbedrijf en bevat derhalve in beginsel geen beschermde vegetatie en diersoorten. Dit wordt bevestigd door het uitgevoerde flora en fauna onderzoek. De flora- en fauna inspectie is toegevoegd als bijlage 3. Daarnaast zal de sloop van de gebouwen plaatsvinden buiten het broedseizoen.

4.1.4.8 Verkeer en infrastructuur

De locatie is goed ontsloten. De locatie is gelegen aan de N277, van waaruit zowel de N270 als de A73 goed bereikbaar zijn. De te verplaatsen woning zal ontsloten worden op de N277. Voor deze woning is reeds een uitrit aanwezig. Ten opzichte van de huidige verkeersbewegingen vindt er een afname van verkeersbewegingen plaats, door de beëindiging van de intensieve varkenshouderij nemen de transportbewegingen van voer en dieren af. Het agrarisch bouwvlak blijft bereikbaar via de reeds aanwezige inrit naar de huidige bedrijfswoning Puttenweg 45 en de voormalige varkenshouderij. Op basis van de gemeentelijke Beleidsnota Parkeernormen Venray dienen voldoende parkeervoorzieningen op eigen grond ten behoeve van de woningen gerealiseerd te worden. Per vrijstaande woning dienen, in het buitengebied, tenminste 2

parkeerplaatsen, met een afmeting van 2,5 * 5 m per parkeerplaats, aanwezig te zijn. Op het erf bij iedere (te realiseren) woning is voldoende ruimte aanwezig om aan deze norm te voldoen. 4.1.4.9 Water

De totale bebouwing op de locatie neemt af. Hierdoor is er binnen het plangebied een kleiner verhard oppervlak aanwezig dan in de huidige situatie. Door de afname van verhard oppervlak ontstaan louter positieve gevolgen voor de afwatering van het hemelwater. Nabij de te realiseren woning is meer als genoeg ruimte en mogelijkheid om het hemelwater van de nieuw te realiseren woning en bijbehorende verharding af te voeren en te infiltreren in de bodem. 4.1.5 Toelichting van de aanpassingen op de verbeelding Binnen het plangebied wordt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning’ verwijderd. De huidige bedrijfswoning Puttenweg 45 krijgt de enkelbestemming ‘Wonen’ en naast de woning Puttenweg 45 wordt een nieuw bestemmingsvlak ‘Wonen’ gerealiseerd. 4.1.6 Toelichting van de aanpassingen in de planregels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ (vastgesteld 20-092017). De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

Ter borging van de uitvoering van een akoestisch en bodemonderzoek is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12762613/1