260408 nota van zienswijzen wijziging 2025-01
Tekst van het document
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01: opname vergunningplicht gewasbeschermingsmiddelen en andere wijzigingen Eindrapport zienswijzen
Gemeente Venray Postbus 500 5800 AM Venray
Samengesteld door Teams Ruimtelijke Ontwikkeling
1
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
2
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
Inhoud 1
Inleiding
4
2
Zienswijzen
4
Zienswijze 1 Zienswijze 2
5 9
3
Ambtshalve wijzigingen
14
4
Vervolgprocedure
15
Bijlage A Overzicht indieners zienswijzen
3
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
1
Inleiding
Deze nota bevat de gemeentelijke reactie op de binnengekomen zienswijzen naar aanleiding van de terinzagelegging van Ontwerp wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01. Het betreffende wijzigingsbesluit heeft ter visie gelegen van 4 september 2025 tot en met 15 oktober 2025. Tijdens de inzage termijn heeft eenieder het recht gehad een schriftelijke of mondelinge zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad. In deze nota wordt ingegaan op de ingediende zienswijzen op het ontwerpplan. Er zijn in totaal twee zienswijzen binnengekomen tegen het ontwerp wijzigingsbesluit. Deze zienswijzen zijn binnen de daartoe gestelde termijn verzonden naar de gemeente en dus ontvankelijk. In hoofdstuk 2 volgt de inhoudelijke behandeling van deze zienswijzen. De reacties worden samengevat weergegeven en zijn van een gemeentelijk standpunt voorzien. Daarbij is aangegeven of en in hoeverre de reactie tot aanpassing van het vast te stellen TAMomgevingsplan leidt. In hoofdstuk 3 volgt een uiteenzetting van de ambtshalve aanpassingen van het vast te stellen plan ten opzichte van het ontwerp TAM-plan. Tenslotte, volgt in hoofdstuk 4 een toelichting over de vervolgprocedure. Bijlage A bevat de persoonsgegevens van de natuurlijke personen en de rechtspersonen van de indieners van de zienswijzen (hierna: reclamanten) en de inhoudelijke reacties.
Deze bijlage A is vanwege de vermelde persoonsgegevens van de natuurlijke personen vertrouwelijk en zal niet ter inzage worden gelegd.
2
Zienswijzen
Het wijzigingsbesluit heeft in ontwerp ter inzage gelegen van 4 september 2025 tot en met 15 oktober 2025. Gedurende deze periode zijn twee schriftelijke zienswijzen binnengekomen. De persoonsgegevens van de indieners van de zienswijzen (hierna: reclamanten) zijn geanonimiseerd verwerkt in dit rapport. 1. xxx, (reclamant 1), ingekomen op 15 oktober 2025; 2. xxx, (reclamant 2), ingekomen op 15 oktober 2025; Aan de reclamanten is een uniek nummer toegekend. Dit overzicht van nummers inclusief adresgegevens staat opgenomen in bijlage A.
4
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
Zienswijze 1 Ontvankelijkheid • Schriftelijke zienswijze d.d. 14 oktober 2025, ontvangen op 15 oktober 2025. • De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd. • De zienswijze is dan ook ontvankelijk. Reactie Reclamant 1 is eigenaar van gronden, zowel in privé als bedrijfmatig, die binnen het besluitgebied zijn gelegen van besluitpunt 2a: ‘Regels voor de activiteit gewasbeschermingsmiddelen gebruiken’ zijn gelegen en maakt zich zorgen om de impact die deze regels maken op zijn bedrijfsvoering. Volgens reclamant 1 is ten onrechte nagelaten om een participatietraject te doorlopen. Reclamant haalt hierbij een aantal punten aan: a. Reclamant 1 is niet vooraf geïnformeerd over het voorbereidingsbesluit b. Is inspreken geen vorm van indienen van zienswijzen, er wordt geen verslag van het Sprekersplein gemaakt en wordt de raad ook niet geïnformeerd over hetgeen tijdens het Sprekersplein is ingebracht. c. Vervolgens stelt reclamant 1 dat participatie bij het voorbereidingsbesluit, niet maakt dat er geen participatie meer hoeft plaats te vinden op vervolgbesluitvorming. d. Reclamant 1 stelt dat participatie verplicht had moeten plaatsvinden. e. Tot slot, stelt reclamant 1 dat je participatie tussen het voorbereidingsbesluit en onderhavig wijzigingsbesluit niet gelijk kunt trekken mede als gevolg van tijdsverloop. f.
Verder stelt reclamant 1 dat het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn nu het besluit onvoldoende duidelijk maakt dat de betrokken belangen bekend zijn en hoe hiermee wordt omgegaan. g. Reclamant 1 stelt dat onderhavig besluit zijn eigendomsrecht beperkt en dat hierbij niet aan de vereisten wordt voldaan. h. Volgens reclamant 1 kan voor de afstand niet volstaan worden met een verwijzing naar de jurisprudentie in gewasbeschermingsdossier, zijnde 50 meter. i. Onderhavig besluit is volgens reclamant 1 in strijd met artikel 22.6 Omgevingswet en er geen sprake is van het aanvullen van regels in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. j. De beoordelingsregels uit onderhavig besluit zouden in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel nu het voor reclamant 1 onduidelijk is wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. k. Reclamant 1 stelt dat er geen waarde mocht worden toegekend aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet. Standpunt gemeente a.
Het is juist dat reclamant 1 vooraf niet geïnformeerd is over het voorbereidingsbesluit althans niet persoonlijk. In de eerste plaats staat in de motivering van het wijzigingsbesluit dat ‘(…) alle direct belanghebbenden in het kader van het voorbereidingsbesluit schriftelijk zijn geïnformeerd en in de gelegenheid zijn gesteld om in te spreken tijdens het sprekersplein, (..)’. In deze zin staat nergens dat de direct
5
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
belanghebbende voorafgaand aan het nemen van het voorbereidingsbesluit zijn geïnformeerd. Dit hoeft niet en past ook niet bij het instrument voorbereidingsbesluit. Een voorbereidingsbesluit is namelijk bedoelt om de bestaande situatie te bevriezen en onwenselijke activiteiten te voorkomen. Partijen hier vooraf over informeren, beperkt de effectiviteit van het instrument. Wel is het voorstel tot het nemen van een voorbereidingsbesluit en de behandeling openbaar geweest. Reclamant 1 heeft voorafgaand aan de behandeling en besluitvorming kennis kunnen nemen van het voorbereidingsbesluit en heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot inspreken gedurende het sprekersplein. Ten overvloede, tijdens zijn inspraakmoment is reclamant 1 expliciet ingegaan op het verbod op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en wat dit betekent voor een gemeente als Venray. Om dan achteraf te stellen dat reclamant enkel heeft ingesproken over het herstelbesluit voor Oostrum-Oost, waar een dergelijke regeling niet in was opgenomen is dan erg kort door de bocht. b.
Het is juist dat het inspreken gedurende sprekersplein niet gelijk te stellen valt met het indienen van een zienswijze. De wetgever heeft bepaald dat gemeenten voorbereidingsbesluiten kunnen nemen, daarbij heeft de wetgever eveneens bepaald dat tegen een voorbereidingsbesluit geen inspraak en/of rechtsmiddelen (zienswijzen, bezwaar, beroep) kunnen worden ingezet – hetgeen reclamant 1 in zijn zienswijze ook zelf toelicht. Dit alles omdat het de effectiviteit van het instrument teniet zou kunnen doen. Indirect kon reclamant 1 het voorbereidingsbesluit wel aanvechten. Deze heeft hier echter niet voor gekozen. Het Sprekersplein is een gelegenheid geweest voor reclamant 1 en andere belanghebbenden om hun mening over deze maatregel te kunnen geven. En zoals onder a. al aangeven is, heeft reclamant 1 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Dat van dit inspreekmoment geen verslag wordt gemaakt noch of dit woord-voor-woord wordt gedeeld met de raadsleden, maakt niet dat inspreken op Sprekersplein niet gezien kan worden als een participatiemoment.
c.
Reclamant 1 stelt vervolgens dat participeren bij het voorbereidingsbesluit niet ziet op participeren bij het vervolgbesluit. Hier is sprake van enige discrepantie in de zienswijze. Eerst was er namelijk geen participatie en vervolgens heeft deze participatie volgens reclamant 1 niet voor het juiste besluit plaatsgevonden. De Omgevingswet stelt participatie echter niet verplicht en ook de zienswijzenfase wordt aangemerkt als een vorm van participatie. Reclamant 1 heeft tijdens de inzagetermijn van dit wijzigingsbesluit een overleg gehad op het gemeentehuis alsmede een zienswijze ingediend tegen onderhavig wijzigingsbesluit.
d.
Anders dan reclamant 1 stelt, bepaald de Omgevingswet niet dat participatie – in de vorm dat je iedere mogelijke belanghebbende inspraak geeft – verplicht is. De wet bepaald dat er een kennisgeving moet worden gedaan over hoe participatie bij dat besluit wordt vormgegeven en het is onderdeel van de motivatieplicht van het besluit. Het betreft en motiveringsplicht en aan deze verplichting is voldaan. Er is een kennisgeving gedaan waarin duidelijk is toegelicht hoe de gemeente voornemens was de participatie vorm te geven. Daarbij is toegelicht dat de direct belanghebbenden in ieder geval schriftelijk zijn geïnformeerd over het voorbereidingsbesluit en dat zij
6
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
gelegenheid hebben gehad in te spreken gedurende het Sprekersplein. Dit is ook als zodanig toegelicht in de motivering. e.
Reclamant 1 is van mening dat de uitgangssituaties en actualiteit tussen het voorbereidingsbesluit en onderhavig wijzigingsbesluit totaal anders zouden zijn. Het komt wel vaker voor dat de voorbereiding van een besluit langere tijd op zich laat wachten waardoor er sprake is van een tijdsverloop tussen het eerste participatiemoment en de uiteindelijke start van de procedure. Dit betekent niet dat dan iedere omgevingsdialoog opnieuw gevoerd zou moeten worden. Er heeft een vorm van participatie plaatsgevonden in het kader van het voorbereidingsbesluit en voor onderhavig besluit is daarnaar verwezen.
Voorgaande zienswijzen zagen op het participatietraject. Zoals uit de beantwoording van de uitgefilterde punten volgt, geldt er een motiveringsverplichting geen participatieverplichting voor planwijzigingen, is participatie vormvrij. Er heeft participatie plaatsgevonden en dat is met de zienswijzenfase nog steeds het geval. Er heeft een gesprek met reclamant 1 plaatsgevonden en reclamant 1 is in de gelegenheid geweest een zienswijze in te dienen. Zienswijzen a. t/m e. leiden daarmee niet tot aanpassingen aan onderhavig besluit en zijn daarmee ongegrond. f.
In het algemeen geldt dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere functies (in het verleden bestemmingen) en regels voor gronden vaststellen. Uiteraard dient bij het vaststellen van andere functies en regels voor gronden de gemeenteraad oog te hebben voor de verschillende belangen, waaronder de belangen van andere grondeigenaren. Reclamant 1 stelt dat zijn belangen niet voldoende zijn meegewogen nu er in de motivering niets expliciet over staat opgenomen. Het is echter niet zo dat de gemeente geen zicht heeft op de wijze waarop reclamant 1 zijn gronden gebruikt. Tenslotte, kan de gemeente hiervoor het BRP raadplegen. Daarnaast spelen er verschillende nieuwbouwprojecten in de directe omgeving waardoor de gemeente eveneens bekend is geraakt met het gebruik van de omliggende gronden. De gemeente heeft in beeld welk belangen er spelen in de omgeving en heeft die betrokken bij de voorbereiding van dit besluit. Dit hoeft echter niet expliciet te worden opgenomen in de motivering van het besluit. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing en is daarom ongegrond.
g.
Vervolgens stelt reclamant 1 dat onderhavig besluit zijn eigendomsrecht schaadt. Zoals onder 1f. al is overwogen kunnen aan bestemmingsplannen geen blijvende rechten worden ontleend. In dit geval moet er een afweging worden gemaakt tussen hetgeen onderhavig besluit beoogd (een gezond woon- en leefklimaat voor de gevoelige functies aan de rand van Oostrum in het kader van een pilot) en het belang van reclamant 1 om gewasbeschermingsmiddelen te kunnen gebruiken (op één perceel grasland en één akkerbouwperceel). In het kort een belangenafweging tussen een gezonde leefomgeving (een van de doelen van de Omgevingswet) en het ongehinderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van bestaande én nieuwe woonfuncties. In deze afweging is een zwaarder belang toegekend aan een gezonde leefomgeving.
7
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
Hierbij is echter ook rekening gehouden met de belangen van reclamant 1. Zo heeft er een verkenning plaatsgevonden ten behoeve van een alternatieve invulling van de gronden van reclamant 1. Hiertoe is ook een principebesluit genomen. Deze bereidheid om mee te werken aan een alternatieve invulling, kan worden aangemerkt als een route naar schadeloosstelling. E.e.a. zal in de motivering worden opgenomen. Deze zienswijze leidt daarmee tot aanpassingen aan de motivering van onderhavig wijzigingsbesluit en is daarmee gegrond. h. Reclamant 1 stelt dat niet enkel verwezen kan worden naar de jurisprudentie die stelt dat een afstand van 50 meter leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze afstand is namelijk niet wetenschappelijk onderbouwd. Volgens reclamant 1 had de gemeente zelf nader onderzoek moeten doen naar een adequate spuitvrije zone. De gemeente heeft in onderhavig besluit een vergunningplicht opgenomen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, geen verbod of een spuitvrije zone. Hierbij is aangesloten bij de vigerende jurisprudentielijn, die ziet op het hanteren van een afstand van 50 meter. Partijen wordt gelegenheid geboden om aan te tonen dat zij binnen deze 50 meter – dus op een kortere afstand – gebruik kunnen maken van gewasbeschermingsmiddelen op een wijze die niet nadelig is voor de gevoelige functies binnen deze afstand.
Of deze afstand kleiner moet zijn of juist groter dat is mede afhankelijk van het type gewas dat geteeld wordt, welke middelen hierbij toegepast worden en op welke wijze deze middelen worden aangebracht. Aangezien dit geen one size fit al situatie betreft, kon de gemeente – in het kader van deze pilot – volstaan met een verwijzing naar een algemene vuistregel. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassingen aan onderhavig besluit en is daarmee ongegrond. i.
Volgens reclamant 1 moeten alle regels uit het tijdelijk deel worden ‘geponsd’. Deze stelling gaat op twee punten mank, namelijk onderhavig wijzigingsbesluit maakt geen gewenste ontwikkelingen mogelijk noch is er sprake van directe strijd met het tijdelijk deel. Het wijzigingsbesluit neemt namelijk een vergunningplicht op binnen de bestaande agrarische regels. Agrarisch gebruik blijft toegestaan, alleen wil de gemeente het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand tot gevoelige functies beperken. Reclamant 1 leek zich voldoende bewust van het voorgaande en neemt vervolgens het standpunt in dat er geen sprake kan zijn van het aanvullen van regels. Er zijn echter geen regels die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen expliciet toestaan – er zijn simpelweg geen regels over – en de opname van een vergunningplicht is dan ook niet in strijd met deze regels. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassingen aan onderhavig besluit en is daarmee ongegrond.
j.
Uit de regels volgt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter afstand van een gevoelige functie toegestaan kan worden wanneer de gebruiker hiervoor een omgevingsvergunning heeft gekregen. Volgens reclamant 1 zou het onduidelijk zijn wanneer een dergelijke omgevingsvergunning wordt verleend. Uit artikel 5.6 volgt dat ‘indien kan worden aangetoond dat bij de activiteit gewasbeschermingsmiddelen gebruiken rondom de locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.’ Het idee achter deze regel is dat de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen moet kunnen aantonen dat er geen sprake is van schade aan het woon- en leefklimaat bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan aangetoond worden door het overleggen van een locatie specifieke motivering / onderzoek, zie hiervoor ook artikel 5.7. Het voorgaande is
8
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
conform bestaande rechtspraak waarin het enkel mogelijk is met toepassing van een locatie specifieke motivering af te wijken van de afstand van 50 meter tussen agrarisch gebruik met gewasbeschermingsmiddelen en een gevoelige functie. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassingen aan onderhavig besluit en is daarmee ongegrond. k.
Reclamant 1 is van mening dat aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen belang mag worden gehecht. Reclamant licht dit toe door aan te geven dat algemene zorgplichten een vangnet vormen om activiteiten die nadelig zijn voor het milieu zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. En stelt vervolgens dat deze niet kunnen gelden boven de regels in het Bal die zien gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen. Het Bal stelt echter regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van bescherming van (oppervlakte)water en stelt – behoudens in artikel 4.273e: geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij wind – geen maatregelen die zien op gezondheidsaspecten. Dit betekent dat er sprake is van een lacune in hetgeen is geregeld (dat enkel ziet op water- en waterbescherming) en hetgeen niet is geregeld, namelijk bescherming van een gezonde leefomgeving in de brede zin. Voor dergelijke lacunes zijn – zoals reclamant 1 zelf al toelicht – de algemene zorgplichten en juist daarom heeft de gemeente hier een belang aan (mogen) hechten. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassingen aan onderhavig besluit en is daarmee ongegrond.
Conclusie De zienswijzen zijn deels gegrond en leiden tot aanpassing van het wijzigingsbesluit in de zin dat de motivering wordt aangevuld met een toelichting inzake de schadeloosstelling.
Zienswijze 2 Ontvankelijkheid • Schriftelijke zienswijze d.d. 10 oktober 2025, ontvangen op 15 oktober 2025. • De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd. • De zienswijze is dan ook ontvankelijk. Reactie Reclamant 2 is gezamenlijk eigenaar van gronden die binnen het besluitgebied zijn gelegen van besluitpunt 2a: ‘Regels voor de activiteit gewasbeschermingsmiddelen gebruiken’ zijn gelegen en stelt dat onderhavig regels ertoe leiden dat het bestaande agrarische gebruik niet langer mogelijk is. Dit zou een beperking vormen voor teeltvrijheid en een onevenredig belemmering voor de bedrijfsvoering. Reclamant 2 brengt hiertoe het volgende in: a.
Volgens reclamant 2 is het belang van onderhavig besluit erin gelegen dat er agrarisch gebruik gaat plaatsvinden op een kortere afstand dan 50 meter tot een gevoelige functie. Reclamant stelt echter dat dit belang al beschermd wordt middels de jurisprudentie van de Afdeling. Waarom er nu meer bescherming nodig zou zijn dan er binnen het geldende recht is, zou in de motivering niet duidelijk worden gemaakt.
b.
Reclamant 2 is van mening dat dit plan niet zozeer ziet op het belang van bescherming van een gevoelige functie, maar het belang van het college om niet te worden beperkt
9
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
door de duidelijke kaders die de Afdeling heeft gegeven over spuitvrije zones in de woningbouwplannen ‘Zompgraaf Oostrum’ en ‘Woningbouw Oostrum Oost’. c.
Reclamant 2 ziet de regels als een beperking van de jurisprudentie van de Afdeling en vraagt zich af waarom die jurisprudentie niet voldoende bescherming zou bieden?
d.
Volgens reclamant 2 ontbreekt een deugdelijk onderzoek, waardoor beleidswensen zoals een fijn woonklimaat binnen woongebieden, positief effect op de gezondheid, gezonde lucht, veiligheid en gezondheid nastrevenswaardige doelen van ruimtelijke ordening, maar kan onderhavig ontwerp besluit niet het middel of de weg zijn om die doelen te bereiken.
e.
Reclamant 2 noemt de opname van een vergunningsplicht het meest vergaande instrument dat de gemeente kon inzetten, vanwege de zware bewijslast. Reclamant 2 vraagt zich daarom af om de gemeente ook alternatieven heeft onderzocht?
f.
Reclamant 2 is van mening dat de planregels rechtsonzeker, aangezien het niet mogelijk zou zijn om bewijs te leveren van het feit dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd mede gegeven de stand van de wetenschap.
g.
Aanvullend zou het voor reclamant 2 onduidelijk zijn wanneer de motivering voldoet om objectief te kunnen bepalen dat aan de beoordelingsregel wordt voldaan.
h. Naar aanleiding van het voorgaande stelt reclamant 2 dat het plan niet voldoet aan de motiveringplicht. i.
Het ontbreken van onderzoek naar alternatieven zou in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel.
j.
De voorgenomen regeling is volgens reclamant 2 genomen voor de bestemmingsplannen ‘Zompgraaf Oostrum’ en ‘Woningbouw Oostrum Oost’ en zou daarom in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel.
k.
De zorgplichten uit artikel 1.7 van de Omgevingswet kunnen volgens reclamant 2 niet leiden tot een grondslag voor onderhavig besluit.
Standpunt gemeente a. Volgens reclamant 2 biedt de jurisprudentielijn van de Afdeling voldoende bescherming tussen agrarische en gevoelige functies en is een regeling als voorgesteld niet noodzakelijk. De jurisprudentie is echter ontstaan door het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies in de nabijheid van agrarische functies. In onderhavig geval is het besluit breder en ziet het op de bescherming van de bestaande gevoelige functies. Als daarmee nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd, dan is dit uiteraard mooi meegenomen. De Omgevingswet kent een breder toetsingskader namelijk de toetsing aan een evenwichtige toedeling an functies aan locaties. Onderdeel hierbij is ook een toetsing van het aspect gezondheid. Dit leidt tot een probleem, namelijk dat in de oudere bestemmingsplannen geen afweging is gemaakt over hoe de agrarische en woonbestemmingen zich tot elkaar verhouden. En aangezien de Omgevingswet ook volgt dat het aspect gezondheid meegewogen dient te worden, kan er niet enkel worden teruggevallen op een jurisprudentielijn die ziet én op nieuwe ontwikkelingen én is opgebouwd onder de oude WRO en de nieuwe Wro, waardoor hierin eveneens het
10
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
aspect gezondheid in ontbreekt. Dit betekent dat voor bestaande situaties de door reclamant 2 aangehaalde jurisprudentielijn niet één-op-één van toepassing is. Deze zienswijze vormt naar aanleiding van het voorgaande geen aanleiding tot het wijzigen van het plan en is daarmee ongegrond. b.
Reclamant 2 stelt dat het planvoornemen niet zozeer een maatregel vormt om de gezondheid te beschermen, maar een reactie op de uitspraken van de Afdeling inzake de bestemmingsplannen ‘Zompgraaf Oostrum’ en ‘Woningbouw Oostrum Oost’. Hoewel deze stelling van reclamant 2 onjuist is, hoeft het een het ander echter niet uit te sluiten. In de gemeente Venray is namelijk grote behoefte aan woningen en de aangehaalde plannen maken woningen mogelijk, alleen door de spuitvrije zones kunnen deze woningen niet gebouwd worden. Dit verandert echter niets aan de situatie dat onder de Omgevingswet in het kader van de toetsing aan een evenwichtige toedeling an functies aan locaties ook het aspect gezondheid dient te worden meegewogen, en wel bij iedere wijziging van het omgevingsplan. Dit leidt tot een probleem, namelijk dat in – dit geval in het oude bestemmingsplan Oostrum – er geen afweging is gemaakt over hoe de agrarische en woonbestemmingen zich tot elkaar verhouden en dat in die situaties dus ook niets is gevonden van het aspect gezondheid. Terwijl uit de jurisprudentielijn van de Afdeling volgt dat deze functies zich op korte afstand van elkaar niet goed verhouden. Dit vormt een breder probleem dan enkel in de Oosthoek van Oostrum, maar de gemeente moet ergens starten met het zoeken naar mogelijkheden.
Deze zienswijze vormt naar aanleiding van het voorgaande geen aanleiding tot het wijzigen van het plan en is daarmee ongegrond.
c.
Reclamant vraagt zich af waarom de jurisprudentielijn van de Afdeling onvoldoende bescherming zou bieden. Nergens in de motivering wordt dit door de gemeente gesteld. De jurisprudentielijn van de Afdeling inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gaat ervanuit dat een afstand van 50 meter tussen agrarische functies en gevoelige functie aanvaardbaar is en biedt ruimte deze afstand te verkleinen met een locatie specifiek motivering. Dit is precies wat onderhavig planvoornemen ook tracht te doen, zij het dat de beperking nu 50 meter rondom bestaande en nieuw te realiseren woningen wordt getrokken. Het idee hierachter is dat in het oude bestemmingsplan Oostrum geen afweging is gemaakt over hoe de agrarische en woonbestemmingen zich tot elkaar verhouden. Dit terwijl de Omgevingswet verplicht stelt dat iedere wijziging van het omgevingsplan moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties waarbij rekening gehouden dient te worden met het aspect gezondheid. De jurisprudentielijn van de Afdeling is vormgegeven onder de oude WRO en de nieuwe Wro, maar zegt niets over het aspect gezondheid. Toch is hierbij zoveel mogelijk aangesloten. Zij het dat de gemeente aan deze kortere afstand een vergunningplicht heeft gekoppeld, terwijl bij de meeste planwijzigingen volstaan wordt met een locatie specifieke motivering.
Deze zienswijze vormt naar aanleiding van het voorgaande geen aanleiding tot het wijzigen van het plan en is daarmee ongegrond.
d.
Volgens reclamant kunnen beleidswensen niet landen in het omgevingsplan. De gemeente deelt deze mening niet. Kijkende naar de beleidscyclus kan er een wens zijn, bijvoorbeeld een gezond Venray. Hoe we daar willen komen kan dan landen in een programma en dit programma bepaald dat er concrete maatregelen in het Omgevingsplan kunnen landen. De Omgevingswet biedt juist meer ruimte aan
11
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
planmakers (dan onder de Wet ruimtelijke ordening / Wro) om regels te stellen om bijvoorbeeld positieve gezondheid te bevorderen. Deze zienswijze van reclamant 2 vormt geen aanleiding om het planvoornemen te wijzigen en is daarom ongegrond. e.
Volgens reclamant 2 is de vergunningplicht voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de meest vergaande maatregel die de gemeente kon nemen. En daarom zou het ontbreken van alternatievenonderzoek in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze zienswijze gaat echter mank nu de gemeente heeft gekozen voor een vergunningplicht. Het meest vergaande zou het opleggen van een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn geweest. Hoewel reclamant 2 van mening is dat vergunningverlening niet mogelijk is en deze vergunningplicht uiteindelijk een algeheel verbod zou vormen, is dit specifiek niet de bedoeling van de gemeente met het stellen van deze regels. De gemeente zoekt naar ruimte om agrarisch gebruik met gewasbeschermingsmiddelen mogelijk te houden zonder dat dit nadelig is voor de gezondheid van mens en milieu. Alternatieven waarover na is en wordt gedacht zijn beperken van teelten – hierbij kan gedacht worden aan het uitsluiten van sierteelt Venray breed of in specifieke gebieden – maar ook het aanwijzen van specifieke gebieden voor teelten. Aangezien de gemeente van mening is dat deze maatregelen een nog grotere inbreuk vormen op de agrarische bedrijfsvoering en de eigendomsposities van grondeigenaren, heeft zij daar geen maatregelen toe genomen.
Aangezien er wel degelijk over alternatieven is nagedacht, leidt deze zienswijze niet tot aanpassing en wordt deze ongegrond verklaard.
f.
Uit de regeling volgt dat een gebruiker een omgevingsvergunning voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan krijgen wanneer deze kan aantonen dat dit niet schadelijk is voor het woon- en leefklimaat. Volgens reclamant is deze regeling rechtsonzeker aangezien het onmogelijk is dit te bewijzen. De regeling is echter dezelfde lijn als waarnaar reclamant 2 verwijst wanneer deze het heeft over de jurisprudentielijn van de Afdeling. Met en locatie specifieke motivering kan worden aangetoond dat er geen sprake is van schade aan het woon- en leefklimaat, dit kan door een specifieke manier van spuiten, een mechanische vorm van gewasbescherming, een windhaag, etc.. Dergelijke maatregelen als gevolg van een locatie specifiek onderzoek worden eveneens door de Afdeling geaccepteerd. Als een planwijziging op basis van deze maatregelen mogelijk is, dan is het ook mogelijk hier een omgevingsvergunning voor te verlenen. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassing van onderhavig planen is daarmee ongegrond.
g.
Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder 2f.
h. Voor de beantwoording wordt verwezen naar de beantwoording onder de punten 2a t/m 2f. i.
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de beantwoording onder 2e.
j.
Onderhavig planvoornemen vormt een van de pilotprojecten rondom het onderwerp gewasbeschermingsmiddelen en gezondheid. Er is nog een pilotproject in voorbereiding en binnen de kaders van het project Veilig en Gezond Venray wordt dit onderwerp ook
12
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
meegenomen. Er is gekozen voor een pilot in een klein gebied om te kunnen ervaren of het instrument vergunningplicht uitvoerbaar is. Oostrum is gekozen omdat hier eerder ook het voorbereidingsbesluit is opgelegd geweest in het kader van de bestemmingsplannen ‘Zompgraaf Oostrum’ en ‘Woningbouw Oostrum Oost’. Om een dergelijke pilot meteen te doen voor de gehele gemeente is niet te overzien en gaat voorbij aan de ideeën achter het starten van een pilot. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassing van onderhavig planen is daarmee ongegrond. k.
Reclamant 2 is van mening dat aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen belang mag worden gehecht en geen grondslag zouden kunnen vormen voor onderhavig planvoornemen. Reclamant 2 volgt dit argument aan door te stellen dat dit zeker niet kan niet het planvoornemen in strijd met de jurisprudentielijn van de Afdeling is. Het is echter onjuist dat de gemeente de algemene zorgplichten als zelfstandige grondslag heeft toegepast voor onderhavig planvoornemen. Uit deze zorgplichten kan echter wel worden opgemaakt dat de beleving van de fysieke leefomgeving breder is dan het oude begrip ‘een goede ruimtelijke ordening’ en dat er ook van de gebruiker van de fysieke leefomgeving actief handelen wordt gevraagd om deze te beschermen. Uit de motivering volgt dat dit planvoornemen daarbij aansluiting zoekt, aangezien uit de zorgplichten volgt dat wanneer de gebruiker weet of zou moeten weten dat zijn handelen schadelijk is voor de fysieke leefomgeving deze gebruiker maatregelen moet treffen of het gebruik dient te beëindigen. Dit terughalend naar het onderwerp, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, dan is bekend dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen schadelijke effecten kan hebben voor omwonenden en het milieu en zouden gebruikers zich dus bewust moeten gaan afvragen of dit handelen voortgezet moet blijven worden.
De zorgplichten vormen geen zelfstandige grondslag voor onderhavig planvoornemen noch is de toepassing in strijd met de jurisprudentielijn van de Afdeling. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanpassing van onderhavig planen is daarmee ongegrond.
Conclusie De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
13
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
3
Ambtshalve wijzigingen
Ambtshalve zijn de planregels gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten. Is een voorrangsbepaling toegevoegd aan de planregels. Het nieuwe artikel 5.1 gaat als volgt luiden: ‘De regels die gelden op de locatie uit de bestemmingsplannen, die onderdeel zijn van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, blijven gelden, zolang deze niet in strijd zijn met de regels uit afdeling 5.2.’ Als gevolg van de opname van dit artikel zijn de overige artikelen in deze paragraaf hernummerd. Tevens is er in het hoofdstuk overgangsrecht een overgangsregeling opgenomen in artikel 13.2: ‘Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.’
14
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
4
Vervolgprocedure
Vaststelling van het ‘Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01: opname vergunningsplicht gewasbescherming en andere wijzigingen’ door de gemeenteraad is voorzien op 26 mei 2026. Publicatie van het vaststellingsbesluit vindt normaal gesproken binnen twee weken na vaststelling plaats. Er zijn echter wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerpbesluit. Volgens artikel 10.3 van het Omgevingsbesluit dient het vaststellingsbesluit tot wijziging van een omgevingsplan onverwijld te worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten van Limburg, indien:
• •
een provinciale zienswijze niet of niet volledig is overgenomen, of het vastgestelde plan afwijkt van het ontwerp en er sprake is van een provinciaal belangen; met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
Deze toezending vormt de basis voor een eventuele inzet van een reactieve interventie door de provincie, zoals geregeld in artikel 16.21 van de Omgevingswet. Het vaststellingsbesluit zal de dag na de raadsvergadering van de gemeenteraad per elektronische weg aan Gedeputeerde Staten worden verzonden. Zij zullen vervolgens zo spoedig mogelijk een besluit nemen over een eventuele interventie. Het is dan ook nog niet op voorhand te zeggen wanneer de publicatie zal plaatsvinden en de beroepstermijn begint. De beroepstermijn voor de duur van zes weken vangt aan op de dag na de terinzagelegging van het besluit. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid om gedurende de beroepstermijn een beroepschrift in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het wijzigingsbesluit treedt volgens artikel 16.78 van de Omgevingswet vier weken na de bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking. Hierbij geldt het voorbehoud dat wanneer iemand een voorlopige voorziening aanvraagt en deze wordt toegekend, de inwerkingtreding van het plan kan worden geschorst.
15
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Venray, wijziging 2025-01 Eindrapport zienswijzen
Bijlagen Bijlage A – (niet publiceren)
16