CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

26 N270 Via Venray Niet gesprongen explosieven

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan N270 Via Venray.29.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Nr . FK1

Nr . BBK2

19711339

--

19720312

--

19721350

--

19730559

--

19731384

B1

19741124

--

Pagina 54 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

Gebeurtenis

Hoofdstuk

1974

Acaciastraat:  Eén Panzserschreck (zonder motor)  Vijf brisantgranaten 2 cm  Zeven pantsergranaten 2 cm  Twaalf kkm (diversen)

2.7.1

1974

Wanssumseweg 11, Oostrum: één brisantgranaat van 2 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19741319

1975

Fagotstraat 57, Venray: één staart van een 3 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19750970

1975

Baggerweg, Leunen: één raketmotor van een 14 cm raket [sic]

2.7.1

EODD, moranummer 19751623

1975

Henry Dunantstraat, Venray: één rookhandgranaat

2.7.1

EODD, moranummer 19752773

1976

Cellostraat 14, Venray: één staart van een 3 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19761904

1762131-VO-02

Bron

EODD, moranummer 19741865

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening

Nr . FK1

Nr . BBK2

Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19741865

B1

19741319 indicatief

B1

19750970

--

19751623

B1

19752773

--

19761904

--

Ja, de locatie lag in het analysegebied, maar bestaat inmiddels niet meer en de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Pagina 55 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

1977

Gebeurtenis Deurneseweg, Venray:  237 ontstekers No 117/119  Eén rookgranaat 25 ponder (leeg)  Eén rookgranaat 105 mm (leeg)  Eén rookgranaat pot 25 ponder  Eén brisantpantsergranaat 7,5 cm

Hoofdstuk

2.7.1

Bron

EODD, moranummer 19770369

1977

Mambostraat 82, Venray: één staartstuk van een 3 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19773453

1979

Oirloseweg, Oostrum: één 60 lbs raketkop van 3 inch raket.

2.1.2

T&A Survey, Spoortracé CuijkBlerick, Moranummer 19791300, p. 82

1979

Blakterweg, Venray: één staart van een 4,2 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19790535

1979

Weiland Deurneseweg, Venray:  Twee brisantgranaten van 75 mm (leeg en verschoten)  Eén pantsergranaat 17 ponder

2.7.1

EODD, moranummer 19791335

1979

Wanssumseweg, Venray: één brisantpantsergranaat 7,5 cm

2.7.1

EODD, moranummer 19791628

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening

Nr . FK1

Nr . BBK2

Ja, de vondst van de brisantpantsergranaat draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19770369

B1

19770369

--

19791300

--

19790535

--

19791335

--

19791628

--

Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Pagina 56 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum 1980

Gebeurtenis

Hoofdstuk

Leunseweg, Venray:  Eén staart van een 4.2 inch mortier  Eén staart van een 3 inch mortier

2.7.1

Bron EODD, moranummer 19800966

1982

Beemdweg, Venray: één pantsergranaat van 17 ponder

2.7.1

EODD, moranummer 19823080

1984

Losplaats NS-Station Venray te Oostrum: één brisantgranaat 3.7 inch met restant ontsteker.

2.1.2

T&A Survey, Spoortracé CuijkBlerick, Moranummer 19840619, p. 83

1986

Randenrade, Oostrum: één brisantgranaat 3 inch mortier (met restant schokbuis)

2.7.1

EODD, moranummer 19861546

1989

Leunseweg 39, Venray: één ontstekerdop No 1

2.7.1

EODD, moranummer 19893173

1989

Oirloseweg, Venray:  Eén SB No 117  Zes brisantgranaten 20 mm met ontsteker  Eén bodembuis

2.7.1

EODD, moranummer 19893523

1990

Leunseweg 59, Venray: één brisantpantsergranaat 7,5 cm

2.7.1

EODD, moranummer 19902127

1990

Leunseweg 57, Venray: één pantservuist

2.7.1

EODD, moranummer 19902170

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening

Nr . FK1

Nr . BBK2

Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19800966

B1

19823080

--

19840619

--

19861546

--

Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19893173

19893523

--

19902127

B1

19902170

B1

Pagina 57 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

Gebeurtenis

Hoofdstuk

Bron

Bruikbaar t.b.v. afbakening

Nr . FK1

Nr . BBK2

1991

Van Berlostraat 2, Venray: één scherfhandgranaat Mils 36

2.7.1

EODD, moranummer 19911517

Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19911517

B1

1992

Oirloseweg, Venray:  Vijftien brisantgranaten 2 cm (met ontsteker, verschoten)  Acht pantserbrandgranaat 2 cm (verschoten)  Eén bodembuis

2.7.1

EODD, moranummer 19921464

Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

19921464

B1

1993

Randenrade, Oostrum: één brisantgranaat 10,5 cm (met ontsteker, verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 19932628

19932628

--

1993

Deurneseweg, Venray: één brisantgranaat 3 inch mortier met ontsteker

2.7.1

EODD, moranummer 19932678

19932678

--

1994

Venloseweg, Oostrum: één brisantgranaat 3 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19940227

19940227

--

1995

Mons. Hansenstraat, Oostrum: één brisantgranaat 81 mm mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19952574

19952574

--

1998

Leunseweg, Venray:  Eén staartstuk van een 4.2 inch mortier  Eén rookgranaat 25 ponder (met ontsteker, verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 19981220

19981220

--

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar de vermelding biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Pagina 58 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

Gebeurtenis

Hoofdstuk

Bron

1989

Industrieterrein 'de Hulst', Venray: één brisantgranaat 4.2 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 19892765

2000

Beemdweg, Venray: één brisantpantsergranaat 75 mm

2.7.1

EODD, moranummer 20000453

2000

Van Berlostraat, Leunen: één brisantgranaat 4.2 inch mortier, met restant ontsteker

2.7.1

EODD, moranummer 20001937

2000

Hulstweg, Oostrum: één brisantgranaat 25-ponder (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20001613

2002

Henry Dunantstraat, Venray:  Eén brisantgranaat 4.2 inch mortier (met restant schokbuis)  Twee staartstukken van een 4.2 inch mortier

2.7.1

EODD, moranummer 20021343

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Nr . FK1

Nr . BBK2

19892765

--

20000453

--

20001937

--

20001613

--

20021343

--

Pagina 59 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

Gebeurtenis

Hoofdstuk

Bron

2002

Henry Dunantstraat, Venray:  Vijf staartstukken van 4.2 inch mortieren  Vier restanten van ontstekers No. 152  Eén lichaam van een brisantgranaat 25 ponder

2.7.1

EODD, moranummer 20021368

2002

Witte Vennenweg, Oostrum: één brisantgranaat 25-ponder (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20021754

2005

Henri Dunantstraat, Oostrum: één brisantgranaat 3 inch mortier (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20050134

2006

Leunseweg 37 te Venray: één brisantgranaat van een 25 ponder (met schokbuis)

2.7.1

EODD, moranummer 20060510

2007

Tuin van een woning in aanbouw, Monseigneur Hanssenstraat, Oostrum: één staartstuk van 4.2 inch mortier (leeg)

2.7.1

EODD, moranummer 20070473

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst van de staartstukken van 4.2 inch mortieren een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, de locatie ligt in het analysegebied, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten om een CE verdacht gebied af te bakenen. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Nr . FK1

Nr . BBK2

20021368

--

20021754

--

20050134

--

20060510

--

20070473

--

Pagina 60 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

2007

Gebeurtenis Henri Dunantstraat, Oostrum:  Eén brisantgranaat 3 inch mortier (verschoten)  Staartstuk 3 inch mortier (leeg)  Restant schokbuis No. 162 Van Berlostraat 1: één brisantgranaat van 8 cm mortier met restant ontsteker.

Hoofdstuk

Bron

2.7.1

EODD, moranummer 20070965

2.7.1

EODD, moranummer 20081051

2014

Molenhofweg, Leunen: één brisantgranaat; 10,5 cm met restant mechanische tijdschokbuis S60 (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20140744

2014

Molenhofweg, Leunen:  Eén scherfhandgranaat; M75 (YUGO)  Eén rookgranaat

2.7.1

EODD, moranummer 20141682

2016

Deurneseweg, Venray: één rookgranaat; 25 pdr met restant tijdschokbuis No 221 serie (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20161498

2016

Nobelstraat, Venray: één brisantgranaat; 25 pdr met schokbuis No 117 (UK) (verschoten)

2.7.1

EODD, moranummer 20161811

2008

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Ja, de vondst draagt bij aan de context van de grondgevechten die in en/of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. De aangetroffen scherfhandgranaat is bovendien naoorlogs. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat. Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat.

Tegelijkertijd is de vondst een indicatie voor grondgevechten die in en/of nabij het analyse- en onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Nr . FK1

Nr . BBK2

20070965

--

20081051

B1

20140744

--

20141682

--

20161498

--

20161811

--

Pagina 61 van 81

1940-1945, naoorlogse ruimingen Datum

21 maart 2016

1762131-VO-02

Gebeurtenis

Hoofdstuk

Vanmiddag werd in het Brukske bij graafwerkzaamheden een explosief, afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog, aangetroffen. Het bleek te gaan om een Duitse mortiergranaat. Vermoedelijk is het explosief jaren terug bij verplaatsing van grond/zand hier terecht gekomen. De Explosieve[n] Opruimings Defensie (EOD) heeft het explosief op een veilige plaats tot ontploffing gebracht.

2.6.1

Bron

De Gelderlander (webeditie)

N270 via Venray – fase 1

Bruikbaar t.b.v. afbakening

Nr . FK1

Nr . BBK2

Nee, aan de hand van de locatieomschrijving kan niet worden bepaald of het om het onderzoeksgebied gaat.

17 Indicatief (omgeving)

--

Pagina 62 van 81

4 BEOORDELING BRONNENMATERIAAL 4.1

Indicaties en contra-indicaties van explosieven in het analysegebied Er is in de meidagen van 1940 geen sprake geweest van grondgevechten in het analysegebied. Voorafgaand aan de bevrijding door de geallieerden was er sprake van grondgevechten en beschietingen met geschutmunitie en raketten in het analysegebied. Bovendien zijn de bruggen over de Oostrumse Beek opgeblazen. De afbakening van één van de bruggen is van invloed op het onderzoeksgebied. In het analysegebied waren militaire objecten aanwezig. Het betrof mijnenvelden, vuurwerken, een loopgraaf, wapenopstellingen en stellingen. Alleen de afbakening van de mijnenvelden is van invloed op het onderzoeksgebied. Er zijn geen militaire vliegtuigen in het analysegebied gecrasht of de beschrijvingen van crashes zijn zodanig globaal dat niet kan worden bepaald of er sprake is van het analysegebied. In het analysegebied is een V-wapen neergestort. Een afbakening van een CE verdacht gebied heeft echter geen gevolgen voor het onderzoeksgebied. Ter plaatse van het analysegebied is sprake geweest van bombardementen. Het analysegebied heeft geleden onder gevechtshandelingen. Er zijn in het verleden CE in het analysegebied geruimd. Het betrof met name verschillende soorten granaten. Er is na de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van naoorlogse bodemingrepen in het analysegebied (contra-indicaties).

Het betreft onder meer de aanleg van de Rijksweg A73 en de provinciale weg N270; de uitbreiding van de kernen van Leunen, Oostrum en Venray; en de realisatie van industrieterreinen. CE zijn mogelijk ten gevolge van deze bodemingrepen verwijderd c.q. binnen het analysegebied verplaatst. De naoorlogs geroerde en opgehoogde grond is (in principe) vrij van explosieven.

 

     

Op basis van de beschikbare feiten zijn er indicaties beschikbaar waaruit blijkt dat er mogelijk CE in het analysegebied aanwezig zijn.

4.2 

Leemten in kennis bronnenmateriaal Bij een historisch onderzoek kan nooit een volledig overzicht van alle bronnen worden verkregen. Er is bij dit onderzoek gebruik gemaakt van een bronnenselectie. Getuigen die meer kunnen vertellen over munitiedumpingen, vliegtuigcrashes en bombardementen kunnen ondertussen zijn overleden. Luchtfoto’s van de Royal Air Force geven doorgaans een betrouwbare indicatie betreffende de vraag of er mogelijk CE in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Luchtfoto’s geven altijd een momentopname weer. Er kunnen voor, na en tussen verschillende opnamedata CE in het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen. Het is, vanwege getroffen camouflagemaatregelen, maar zeer de vraag of alle geschutopstellingen etc. op luchtfoto’s kunnen worden teruggevonden. Aangezien het analysegebied in de Tweede Wereldoorlog (gedeeltelijk) uit water bestond, kunnen sporen van gevechtshandelingen niet op luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog worden waargenomen. De ruimrapporten van de EOD kennen hun beperkingen voor wat betreft de nauwkeurigheid van de vindplaatsbeschrijvingen. Het is niet altijd mogelijk om exact aan te geven waar de CE werden aangetroffen. Deze munitie is bovendien geruimd. Dergelijke beperkingen zijn er ook bij andere geraadpleegde bronnen, zoals bijvoorbeeld documenten uit de gemeentearchieven.

Er kan alleen een CE verdacht gebied worden afgebakend met behulp van concrete locatiebeschrijvingen. Aan de hand van de historische luchtfoto’s kan niet worden bepaald of het analysegebied door geallieerde raketbeschietingen is getroffen. Er is onvoldoende aanvullend bewijs aangetroffen waarmee deze gevechtshandeling kan worden bevestigd.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 63 van 81

AVG beschikt niet over exacte NAP-hoogtes van het analyse- en onderzoeksgebied uit de Tweede Wereldoorlog. De in deze rapportage aangegeven NAP-hoogtes zijn gebaseerd op Duitse en geallieerde stafkaarten. De betreffende NAP-hoogtes die op deze stafkaarten zijn weergegeven, zijn relatief onnauwkeurig en geven geen volledige dekking van het analysegebied.

4.3

Soort en verschijningsvorm van explosieven

In de lijst van gebeurtenissen (hoofdstuk 3) worden de volgende gevechtshandelingen genoemd:  Defensie (mijnenvelden, een loopgraaf, geschut- en wapenopstellingen)  Grondgevechten en beschietingen met geschutmunitie en raketten  Luchtaanvallen  Inslag van een V-wapen  Vernielingsladingen bruggen  Mijnenvelden en vuurwerken Voor de genoemde handelingen is beoordeeld of – als gevolg van de handeling – CE in het onderzoeksgebied kunnen worden aangetroffen. Zo ja, dan is tevens beoordeeld welke van de zestien hoofdsoorten CE uit de WSCS-OCE, versie 1, in de bodem aanwezig kunnen zijn.5 4.3.1

Locaties militaire defensieve maatregelen

De volgende hoofdsoorten CE zijn mogelijk ter plaatse van de (voormalige) mijnenvelden en vuurwerken in het onderzoeksgebied aanwezig: Soort explosief Landmijnen Vuurwerken

4.3.2

Nationaliteit Duits Geallieerd

Subsoort Riegelmijnen, Schümijnen 20 A/P Trip w

Verschijningsvorm Gedumpt / achtergelaten Gedumpt / achtergelaten

Grondgevechten en beschietingen met geschutgranaten en raketten

In de geraadpleegde bronnen wordt gesproken over grondgevechten in oktober en november 1944. De volgende hoofdsoorten CE zijn mogelijk ter plaatse van de locaties waar strijd werd geleverd aanwezig: Soort explosief

Nationaliteit

Hand- en geweergranaten

Duits, geallieerd

Klein kaliber munitie (KKM)

Duits, geallieerd

Geschutgranaten

Duits, geallieerd

Raketten

Duits

Subsoort Steelhandgranaten, Gewehrgranaten No. 30, eihandgranaten, Mills 36 9 mm, 7,92 mm, .303 inch 2 cm t/m 10,5 cm, 2 inch t/m 5.5 inch, 17 en 25 ponder 15 cm Nebelwerfer

Verschijningsvorm Gedumpt / achtergelaten Gedumpt / achtergelaten Verschoten Verschoten

5

De gevechtshandelingen waarvan de afbakening van een CE-verdacht gebied niet van invloed is op het onderzoeksgebied worden in het vervolg van deze rapportage niet meer besproken. 1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 64 van 81

4.3.3

Tactische luchtaanvallen

Op de historische luchtfoto’s zijn de gevolgen van de volgende gevechtshandeling zichtbaar:  De afworp van geallieerde vliegtuigbommen met een gewicht van 250 lb., 500 lb. en 1000 lb. Er was sprake van tactische duikbombardementen De volgende soorten CE zijn als gevolg van de bovengenoemde gevechtshandelingen mogelijk in de bodem aanwezig: Soort explosief Afwerpmunitie

4.3.4

Nationaliteit Geallieerd

Subsoort 250 lb., 500 lb., 1000 lb.

Verschijningsvorm Afgeworpen

Vernielingsladingen bruggen

Op de historische luchtfoto’s zijn de gevolgen zichtbaar van in werking getreden vernielingsladingen bij bruggen in het analysegebied (oktober-november1944). CE kunnen in het geval van een niet in werking getreden vernielingslading zijn gedumpt of achtergelaten in het onderzoeksgebied. Wanneer er sprake is geweest van een geïmproviseerde vernielingslading, dan kunnen CE ten gevolge van de detonatie zijn weggeslingerd. De vraag of CE zijn weggeslingerd is afhankelijk van de gebruikte typen CE. Soort explosief Geïmproviseerde vernielingslading, CE in werking getreden

4.4

Nationaliteit

Verschijningsvorm

Duits

Weggeslingerd

Aantal mogelijk aan te treffen explosieven

De volgende aantallen CE kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen. Een en ander is gebaseerd op een inschatting van AVG omdat er in de (historische) bronnen geen exacte aantallen worden genoemd: Soort explosief Afwerpmunitie Geschutmunitie Raketten Klein kaliber munitie Hand- en geweergranaten Landmijnen Vuurwerken Vernielingsladingen

1762131-VO-02

Aantal mogelijk aan te treffen explosieven Eén t/m enkele Enkele t/m tientallen Eén t/m enkele Tientallen t/m honderden Enkele t/m tientallen Enkele t/m tientallen Enkele t/m tientallen Eén t/m enkele

N270 via Venray – fase 1

Pagina 65 van 81

4.5

Horizontale en verticale begrenzing verdacht gebied

De verdachte gebieden die in deze paragraaf worden besproken zijn ingetekend op de CE-bodembelastingkaart. In de volgende deelparagraaf wordt de begrenzing van ieder verdacht gebied besproken en gemotiveerd. 4.5.1

Verdachte mijnenvelden en vuurwerken

Er is sprake de volgende verdachte deelgebieden:  Mijnenvelden (Riegelmijnen, Schümijnen)  Vuurwerken (20 A/P Trip w) CE kunnen in of nabij mijnenvelden zijn achtergebleven. Conform de WSCS-OCE wordt de volgende afbakening voor mijnenvelden en vuurwerken gehanteerd:  Mijnenveld: geregistreerd mijnenveld waarvan het mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrappor gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. De grenzen zoals aangegeven in het mijnenlegrapport en/of ruimrapport zijn verdacht op CE. Landmijnen en vuurwerken kunnen op maximaal 0.5 meter minus de NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen. AVG beschikt niet over exacte gegevens van NAP-hoogtes van de (voormalige) locaties van de mijnenvelden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

4.5.2

Verdachte locaties grondgevechten en beschietingen met geschutmunitie en raketten

Dit betreft de locaties die in de Tweede Wereldoorlog zijn getroffen door (geallieerde) geschutmunitie en raketten en waar grondgevechten hebben plaatsgevonden. Geschutmunitie en CE afkomstig van grondgevechten: De zwaarste categorie geschutmunitie die kan worden aangetroffen is volgende de beschikbare gegevens geschutmunitie van 3,7 inch geschut die tot maximaal 3,5 meter minus de NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog kan worden aangetroffen. De NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog is de bovengrens van het CE verdachte gebied. Raketten: De 15 cm Nebelwerfer-raketten kunnen tot maximaal 4,5 minus de NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen. De NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog is de bovengrens van het CE verdachte gebied. De NAP-hoogtes van de CE verdachte gebieden varieerden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog tussen circa 22,40 m en 25,70 m +NAP. 4.5.3

Verdachte locaties tactische luchtaanvallen

Dit betreft de locaties die in de Tweede Wereldoorlog het doelwit zijn geweest van tactische luchtaanvallen. De WSCS-OCE beschrijft de afbakening van een luchtaanval op een pin point target als volgt:  Duikbombardement op zgn. pin point target, inslagenpatroon onbekend. Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen (bijvoorbeeld een brug of militair hoofdkwartier). Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter, gemeten vanuit het hart van het doel als zijnde CE verdacht aan te merken.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 66 van 81

Afwerpmunitie van 250, 500 en 1000 lb. kan in de vastgestelde verdachte gebieden worden aangetroffen tot een maximale conusweerstand van 10 MPa met een minimale laagdikte van 1 meter. De bovengrens is de NAP-hoogte uit de Tweede Wereldoorlog. De NAP-hoogtes van de op afwerpmunitie verdachte gebieden varieerden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog tussen circa 22,40 m en 25,70 m +NAP. De exacte indringingsdiepte kan voorafgaand aan de uitvoeringsfase van een project met behulp van sondeergegevens worden bepaald. AVG heeft getracht via de website van Dinoloket sondeergegevens op te vragen van de verdachte gebieden. Er zijn onvoldoende sondeergegevens beschikbaar om uitspraken te kunnen doen over de maximale indringingsdiepte van de CE. 4.5.4

Verdachte locaties vernielingsladingen

Dit betreft de locaties waar mogelijk vernielingsladingen kunnen worden aangetroffen:  Vernielingsladingen: locaties van in werking gestelde vernielingsladingen, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en). De locaties waar de vernielingsladingen in werking zijn gesteld, zijn verdacht op CE. De afbakening wordt situationeel bepaald. Vernielingsladingen of delen daarvan kunnen op de waterbodem (het leggerprofiel uit de Tweede Wereldoorlog) worden aangetroffen. AVG beschikt niet over gegevens met betrekking tot het leggerprofiel van de Oostrumse Beek ter hoogte van de betreffende brug ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 67 van 81

5 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 5.1

Conclusie

AVG heeft in opdracht van de Provincie Limburg een vooronderzoek CE uitgevoerd voor het onderzoeksgebied N270 via Venray – fase 1. Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE. In de hieronder weergegeven kolom is samengevat welke CE, als gevolg van welke gevechtshandelingen / CE gerelateerde handelingen in het onderzoeksgebied kunnen worden aangetroffen. Tevens zijn, indien mogelijk, de verschijningsvorm en de maximale indringingsdiepte van de CE ten opzichte van het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog aangegeven. Gevechtshandeling/ CE gerelateerde handeling Het neerkomen van afwerpmunitie Grondgevechten en beschietingen met geschutmunitie en raketten Het aanbrengen van vernielingsladingen De aanleg van mijnenvelden

CE

Verschijningsvorm

Afwerpmunitie Hand- en geweergranaten Klein kaliber munitie (KKM) Geschutgranaten Raketten (Geïmproviseerde) vernielingsladingen Landmijnen Vuurwerken

Afgeworpen Gedumpt/achtergelaten Verschoten

Maximale indringingsdiepte (t.o.v. NAP-hoogte WOII)6 n.t.b. -3,5 meter -4,5 meter

Weggeslingerd

Leggerprofiel waterbodem

Gedumpt/achtergelaten

-0,5 meter

Als gevolg van de in/nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden gevechtshandelingen is het onderzoeksgebied geheel verdacht op CE. Het CE verdachte gebied is horizontaal afgebakend op de CE-bodembelastingkaart (zie bijlage 6.5). Er is na de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van bodemingrepen in het analysegebied, welke worden aangeduid als contra-indicaties. Het betreft onder meer de aanleg van de Rijksweg A73 en de provinciale weg N270; de uitbreiding van de kernen van Leunen, Oostrum en Venray; en de realisatie van industrieterreinen. CE zijn mogelijk ten gevolge van deze bodemingrepen verwijderd c.q. binnen het analysegebied verplaatst. De naoorlogs geroerde en opgehoogde grond is (in principe) vrij van explosieven. Exacte gegevens met betrekking tot de verticale afbakening zijn niet bekend bij AVG.

6

AVG beschikt niet over exacte gegevens van de NAP-hoogtes ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Met behulp van de geraadpleegde stafkaarten kan worden gesteld dat de NAP-hoogtes varieerden tussen circa 22,40 m en 25,70 m +NAP. 1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 68 van 81

5.2

Advies vervolgtraject

De door AVG voor de Provincie Limburg geadviseerde vervolgstappen worden in de hierop volgende paragrafen besproken. 5.2.1

Opsporing CE

AVG adviseert de Provincie Limburg om direct tot opsporing van CE over te gaan. Het CE onderzoek maakt onderdeel uit van de opsporingsfase die in paragraaf 6.6 van de WSCS-OCE is beschreven. De opsporingsfase omvat het geheel van organisatie en uitvoering, achtereenvolgens: werkvoorbereiding, detecteren, interpreteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven, tijdelijk veiligstellen van de situatie tot aan overdracht aan de EOD en proces-verbaal van oplevering aan de opdrachtgever en Bevoegd Gezag. Om een gedegen detectieonderzoek te kunnen uitvoeren dient het opsporingsgebied goed beloopbaar en vrij van obstakels te zijn. Dat wil zeggen dat alle bovengrondse obstakels, zoals hekwerk, begroeiing en gewas - indien mogelijk - voor aanvang van de detectie moeten zijn verwijderd. Na het verwijderen van de bovengrondse obstakels kan de locatie worden gedetecteerd. Bomen en begroeiing dienen boven het maaiveld te worden gerooid/gesnoeid. Indien een analoge detectie wordt uitgevoerd dienen alle verdachte objecten die worden gedetecteerd en waarvan de meetwaardenovereenkomsten vertonen met mogelijk aanwezige CE in kaart te worden gebracht door de locatie door middel van GPS in te meten. Bij deze vastlegging dient tevens de vermoedelijke diepte te worden vastgelegd.

Bij het uitvoeren van een computerondersteunde detectie wordt de data vastgelegd in een datalogger. De data wordt na de detectie uitgelezen in een speciaal hiervoor ontworpen softwareprogramma. De hoeveelheid te benaderen objecten kan pas worden bepaald na het uitvoeren van de detectie. De uit de detectie aangemerkte verdachte objecten worden uitgezet in het opsporingsgebied met behulp van GPS. Deze punten worden vervolgens handmatig en indien nodig machinaal benaderd. Aangetroffen objecten worden vervolgens geïdentificeerd en indien nodig veiliggesteld. Werkzaamheden die in naoorlogse ophogingen plaatsvinden, kunnen op reguliere wijze tot op het maaiveld van de Tweede Wereldoorlog worden uitgevoerd. In naoorlogs geroerde grond kan over het algemeen eveneens regulier worden gegraven. Denk hierbij aan naoorlogs aangelegde wegen, fundaties en riolering. Begeleiding boringen, sonderingen en peilbuizen in CE verdacht gebied De hieronder beschreven werkzaamheden hebben betrekking op de begeleiding van het plaatsen van boringen, peilbuizen en/of sonderingen in het kader van milieukundig, archeologisch en/of geofysisch veldwerk in CE verdacht gebied. De begeleiding heeft tot doel om de onderzoekswerkzaamheden veilig te verrichten, opdat er geen boringen/sonderingen worden geplaatst op plaatsen waar mogelijk een CE ligt.

De organisatie dient te beschikken over een procedure waarmee wordt geborgd dat bij de begeleiding van onderzoekswerkzaamheden wordt voldaan aan de in de WSCS-OCE omschreven eisen (zie paragraaf 6.7 van de WSCS-OCE). Bij het controleren van peilbuizen, boor- en sondeerpunten tot een maximum van 4,5 meter –maaiveld wordt de locatie van de boor- en sondeerpunten gedetecteerd. Indien een object wordt waargenomen, wordt er in de nabijheid een “schoon” punt gezocht waar eventueel wel veilig de boring en/of sondering kan worden uitgevoerd.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 69 van 81

Indien er boringen en/of sonderingen dieper dan 4,5 meter moeten worden gezet, worden er door middel van een sondeer-/magnetometerconus tot de gewenste diepte magnetometersonderingen geplaatst. Deze sonderingen worden real-time geplaatst. Dat wil zeggen dat tijdens het drukken van de sondeerconus direct de meetdata van de magnetometer worden bekeken om eventuele naderende objecten te kunnen waarnemen. Indien er tijdens het sonderen een object wordt waargenomen dat overeenkomt met afwerpmunitie, zal de sondering worden stopgezet. De eerste 3,0 meter vanaf maaiveld dient voorafgaand aan de dieptedetectie te worden vrijgegeven, omdat de magnetometerconus het materieel detecteert dat wordt gebruikt om de sondering uit te voeren. Voor deze werkzaamheden wordt een verkort projectplan opgesteld. Dit plan wordt ter kennisgeving ingediend bij de gemeente, waarna de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Na het uitvoeren van de werkzaamheden worden de meetresultaten door middel van registratie in een verkort rapport vastgelegd. De vrijgave van locaties beperkt zich strikt tot het verrichten van de desbetreffende onderzoekswerkzaamheden. 5.2.2

Verkleinen CE verdachte gebieden

AVG geeft een negatief advies voor het maken van een nadere verdiepingsslag om met behulp van informatie over naoorlogse werkzaamheden het verdachte gebied eventueel te kunnen verkleinen. Hoewel er na de Tweede Wereldoorlog in het onderzoeksgebied verschillende grondroerende werkzaamheden en ophogingen hebben plaatsgevonden, adviseert AVG niet om een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) op te stellen. Een PRA is pas bruikbaar indien er relevante NAP-hoogtes uit de Tweede Wereldoorlog bekend zijn en de toekomstige werkzaamheden in het onderzoeksgebied zijn vastgesteld. Voor het onderzoeksgebied N270 via Venray – fase 1 zouden de resultaten van een PRA nauwelijks tot reductie van CE verdacht gebied leiden.

5.3

Risicoanalyse en afbreukcriteria

In de hieronder weergegeven alinea’s worden een risicoanalyse en afbreukcriteria conform de WSCS-OCE omschreven (zie hoofdstuk 3.3 van de WSCS-OCE versie 2016). Het hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van conventionele explosieven is het onverhoeds aantreffen van CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE, wat grote uitwerkingsgevolgen teweeg kan brengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemde risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart. Om de risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van CE zoveel mogelijk te beperken, dient het vooronderzoek en het opsporen van CE, inclusief de civieltechnische ondersteuning, op een deskundige, zorgvuldige en gestructureerde wijze plaats te vinden.

Ten behoeve daarvan worden er eisen gesteld aan de:  De organisatie (het bedrijf / de certificaathouder);  Het personeel en de middelen;  Het proces (aanpak en werkwijze van het opsporen van CE)

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 70 van 81

De afbreukcriteria voor het hoofdrisico van het onverhoeds aantreffen van CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE worden in de WSCS-OCE als volgt beschreven:  Onverwachts aantreffen van CE tijdens werken in de (water)bodem  Onzorgvuldig en/of ondeskundig handelen door personeel betrokken bij het opsporen (detecteren en benaderen) van CE  Onvoorbereid starten met het opsporen van CE  Onzorgvuldig uitvoeren van een detectieonderzoek en/of gebruik onjuiste detectieapparatuur  Onjuist en/of onzorgvuldig benaderen van gedetecteerde CE  Onjuist identificeren van aangetroffen CE  Ongewenst tot uitwerking komen van CE na het aantreffen daarvan  Onzorgvuldige en/of onjuiste overdracht van CE aan EODD  Risico’s samenhangende met het verrichten van civieltechnische werkzaamheden in het opsporingsgebied  Na afronding van het opsporingsproject alsnog aantreffen van CE

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 71 van 81

6 BIJLAGEN 6.1

Bronnenlijst 6.1.1            

Explosieven Opruimings Dienst Defensie te Soesterberg / Semi Statische Archief Diensten te Rijswijk Bedrijfsarchief AVG Gemeentearchief Venray Kadaster te Zwolle Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage Luftbilddatenbank te Estenfeld Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam Nederlands Instituut voor Militaire Historie te ’s-Gravenhage Provinciaal Archief / Regionaal Historisch Centrum Limburg te Maastricht Universiteit Wageningen, afdeling Speciale Collecties The National Archives te Londen The National Archives and Records Administration te Washington D.C.

6.1.2                

Archieven en overige instanties

Literatuur

A. Beuving, Explosieven in en rondom de Peel M. Blondel, Oorlog en herstel in Noord-Limburg 1940-1950: een herinnering in foto’s (Venlo 1950) E.H. Brongers, De oorlog in mei '40 (Utrecht/Antwerpen 1969) J. Didden / M. Swarts, Kampfgruppe Walther and Panzerbrigade 107: a thorn in the side of Market Garden (Drunen 2016) A. Giesbers / H. Dinnissen, Operatie Aintree: de slag om Overloon en Venray (september-oktober 1944) (Balgoij 2004) C. Huurman, Het spoorwegbedrijf in oorlogstijd 1939-1945 (’s-Hertogenbosch 2001) C. Klep / B. Schoenmaker (red.), De bevrijding van Nederland 1944 – 1945. Oorlog op de flank (Den Haag 1995) A. Korthals Altes, Luchtgevaar: luchtaanvallen op Nederland 1940-1945 (Amsterdam 1984) A. Korthals Altes / N.K.C.A. in ’t Veld, Slag in de schaduw (Amsterdam 1981) A. Meijers, Achtung Minen – Danger Mines. Het ruimen van landmijnen in Nederland 1940-1947 (Soesterberg 2013) F.J. Molenaar, De luchtverdediging in de meidagen van 1940. Deel 1 en deel 2 (’s-Gravenhage 1970) V.E. Nierstrasz (red.), De verdediging van Noord-Limburg en Noord-Brabant. Mei 1940 (’s-Gravenhage 1953) B.C. de Pater/ B. Schoenmaker e.a., Grote Atlas van Nederland 1930-1950 (’s-Gravenhage / Utrecht / Zierikzee 2006) W.M.G. Ummenthum, Tweede Wereldoorlog en bevrijding in Venray e.o. (Venray 1995) J. van Woensel, Vrij van Explosieven.

De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers 19442004 (Amsterdam 2004) G.J. Zwanenburg, En nooit was het stil….Kroniek van een Luchtoorlog. Deel 1 & 2 (’s-Gravenhage 1990/1992)

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 72 van 81

6.1.3     

http://www.avg.eu http://www.explosievenopsporing.com http://www.explosievenopsporing.nl http://www.vergeltungswaffen.nl http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl

6.1.4 

Websites

Overig

T. Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945 (2003)

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 73 van 81

6.2

Certificaat WSCS-OCE

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 74 van 81

6.3

Richtlijnen WSCS-OCE afbakening verdachte gebieden

Indicatie

Algemene omschrijving

Uitgangspunt conclusie Verdacht

Verdedigingswerk

Wapenopstelling

Groepering van wapenopstellingen en/of geschutsopstellingen, rondom afgezet met een versperring (bijvoorbeeld weerstandskern of steunpunt). Opstelling van handvuurwapen, machinegeweer of andere (semi-) automatisch wapen, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.

Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied

Onverdacht

x

Het grondgebied binnen de grenzen van het verdedigingswerk is verdacht. De grenzen worden bij voorkeur bepaald aan de hand van georefereerde luchtfoto’s.

x

Locatie van de wapenopstelling.

Geschutopstelling (statisch en mobiel)

Locatie van geschut, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.

x

25 meter rondom het hart van de geschutopstelling, maar niet verder dan een eventueel aangrenzende watergang.

Munitieopslag in open veld

Locatie van munitievoorraad in het open veld, niet zijnde binnen een verdedigingswerk.

x

Locatie van de veldopslaglocatie.

Loopgraaf

Militaire loopgraaf.

x

Het gebied binnen de contouren van de loopgraaf is verdacht, bij voorkeur bepaald aan de hand van georefereerde luchtfoto’s.

Tankgracht of –geul

Landmijnen verdacht gebied

Landmijnen verdacht gebied

Mijnenveld

Mijnenveld

Mijnenveld

Versperringen

Een diepe (al dan niet droge) gracht of geul met steile wanden, aangebracht om pantservoertuigen tegen te houden. Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD géén landmijnen aangetroffen. Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD, of bij naoorlogse activiteiten landmijnen aangetroffen. Geregistreerd mijnenveld, waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geregistreerd mijnenveld waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Mijnenlegrapport aanwezig. Niet alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Versperringen, zoals strandversperringen en Drakentanden.

x

Niet verdacht, tenzij er aanwijzingen zijn dat er mogelijk munitie in gedumpt is.

x

n.v.t.

De grenzen zoals aangegeven in het ruimrapport.

x

x

n.v.t.

De grenzen zoals aangegeven in het mijnenlegrapport en/of ruimrapport.

x

x

n.v.t.

x

Tenzij er indicaties zijn dat CE onderdeel uitmaken van de versperring.

Infrastructuur zonder geschutsopstelling of munitievoorraad

Militaire werken zoals woononderkomen of werken met een burgerdoel zoals schuilbunker.

x

Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van nabijverdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen.

Schuilloopgraaf

Loopgraaf voor burgerbevolking om in te schuilen.

x

n.v.t.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 75 van 81

Indicatie

Algemene omschrijving

Uitgangspunt conclusie Verdacht

Kampementen Mangat Vernielingslading Artillerie-, mortierof raketbeschieting

Onverdacht

Grondgebied met onderkomens zoals tenten. Gat in grond met schuilfunctie, niet in gebruik genomen als schuttersput. Locatie van aangebrachte vernielingslading. Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudig) raketwerpersysteem.

Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied

x

Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van munitieopslag of nabijverdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen.

x

n.v.t.

x

Locatie van de vernielingslading.

x

Situationeel te bepalen. Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslag-patroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoe ver de maximale horizontale verplaatsing is.

Raketbeschieting inslagenpatroon bekend

Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers.

Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom

Vliegtuigbom die niet in werking is getreden.

Crashlocatie vliegtuig Krater van gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat

Aanwezigheid van CE vanwege de crash. Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een incidentele luchtafweergranaat bevindt.

Inslagpunt van een V-1 wapen

Gebied dat is getroffen door de inslag van een V-1 wapen.

x

Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V-1 wapen bevindt.

x

Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V-2 wapen bevindt.

x

Situationeel te bepalen.

Dumplocatie van CE en/of toebehoren in landbodem of op waterbodem.

x

Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water.

x

Situationeel te bepalen.

Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerd V-1 wapen Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerd V-2 wapen Dumplocatie van munitie en/of toebehoren Ongecontroleerde (massa)explosie

(Sympathische) detonatie van een explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitie trein.

x

x

Situationeel te bepalen. x

Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft. 15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond. 50 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieve componenten.

Vernietigingslocatie voor CE

Eén of meerdere springputten.

x

De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en).

Vernielingslading (in werking gesteld)

Locatie van in werking gestelde vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en).

x

Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 76 van 81

Indicatie

Algemene omschrijving

Uitgangspunt conclusie Verdacht

Tapijtbombardement

Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Duikbombardement op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Line Target, inslagenpatroon onbekend

Gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.

Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen. Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn of treinstel op deze spoorlijn te treffen.

Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied

Onverdacht

x

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon (1) wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel. (2/3)

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn. (2/4)

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel. (2/5)

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn. (2/6) 7

1. Verzameling van de locaties van inslagen van één bepaald toestel of één bepaald bombardement. 2. Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. 3. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50% van de vliegtuigbommen binnen 119 meter neer is gekomen en de maximaal gemeten afstand t.o.v. het doel 181 meter was. 4. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50 % van de vliegtuigbommen binnen 46 meter neer is gekomen en de maximaal afstand t.o.v. het doel 91 meter was. 5. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel (gebouwen) waarbij opgemerkt moet worden dat de gemiddelde spreiding van de raketten t.o.v. het middelpunt van een salvo 69 meter was, en dat de gemiddelde afstand van het middelpunt van een salvo t.o.v. het doel 39 meter was. 6. De genoemde afstand is de maximale afstand gemeten n.a.v. luchtfoto-interpretatie.

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 77 van 81

6.4

Presentatiekaart verzamelde historische feiten

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 78 van 81

F E IT E N K A A R T - N 2 7 0 V E N R AY 30

27

882517

30

143

30 28

20171161 720737

792267

831115

791436

139

31

760463 732561

732845

750357

19930479 19773585

35

20050855

20061879

19740550

20050860

20061606

140

16

36

18

42

5

2

19712665

82 82

4

19720312

82 19741865

19741124 40 19800966 19981220 19731384 19902170

19750970 4

18

43

19932678 19721350 19770369 20161498

19

126

19921464

19892765

20001613

119 113

19741319

Melding uit MMOD archief

L

Vermelding in literatuur

V

Melding van een V-wapen

S

Stelling

W

Wapenopstelling

K

Krater >2 meter

!

Krater <2 meter (t/m 15-10-1944)

V

Vernielingslading in werking gesteld

19791628

Verdacht conform EODD archief

3

Onderzoeksgebied

Waarneming van artillerie-, mortier- en raketinslagen

20021754

18

14

18 19823080

De feiten die op de feitenkaart zijn ingetekend betreffen de feiten overeenkomstig uit de rapportage. Feiten die in de archieven zijn aangetroffen, maar overduidelijk niet het onderzoeksgebied of analysegebied betreffen zijn niet ingetekend. De feiten buiten het analysegebied zijn daarentegen niet volledig.

19790535 20000453

Nummers naast de symbolen op de kaart verwijzen naar de feitentabel in het vooronderzoek.

0

42 44

148

44

152

75

150

300

450

600

750 METER

42

42 37

47

20170660

2

127

19750970

7

4

51 128

M

20161811

153

119

Melding van een luchtaanval

109

48

122

L

Hoofdweerstandslijn "Stellung Zwei"

20141682

44

123

Melding uit Nationaal Archief

18

15

46

A

Analysegebied

20001937

48

19730559

19791300 19893523

20081051 19911517

177

20050134

Melding uit gemeentearchief

Loopgraaf 19952574

19950738 19890619 19932628

A

13 6

20

4

4

20021343

10

1

Inzet van EODD

8

16 19840619

19940227

13

19751623

19791335

20140744

14

19711339

2

19773453

12

20171348

20070473

M

4

19900217 9

43

20

20

2 7

19843923

10 111

42 42

19761904 17

18

20021368

36

38

39

40

20070965

20170731

19771108

11

36

142

20060510 182 19893173

54

19764088

184

37

182

20170691 19961877

36

146

147

20020440 19911311 19843818

5

145 16

9

19853490

34

144

19772522

16

16

890644

5

138

20001099

20040467

791039

129

138

20002200

32

47

161 161

31 141

31

793583

8

773848

962436

Legenda

8

8

801242

841866

871485

792343

19773453

12

Gemeente Venray

43

124

13

112 52 52

52

43

Feitenkaart Conventionele Explosieven

AVG Explosieven Opsporing Nederland Postbus 160 6590 AD Gennep

Opdrachtgever:

4 © 2009 OpenStreetMap Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl; Esri Nederland & Community Maps Contributors

Provincie Limburg Postbus 5700 6202 MA Maastricht

N270 Projectnummer: Tekeningnummer: Formaat: Getekend: Datum: Voor akkoord:

1762131 FK1 A2 Paul Gieben 21-11-2017 Menno Abee

Deze tekening is eigendom van AVG Explosieven Opsporing Nederland. Het is de opdrachtgever vrij om deze tekeningen te gebruiken uitgezonderd het aanbrengen van wijzingen en aanvullingen. Van deze tekening mag niets worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. druk, scan of op elke andere wijze dan ook, zonder toestemming van AVG Explosieven Opsporing Nederland. ©2012

27

137

27

±

6.5

CE-bodembelastingkaart

1762131-VO-02

N270 via Venray – fase 1

Pagina 80 van 81

B O D E M B E L A S T IN G K A A R T C E - N 2 7 0 V E N R AY 394000

Legenda Onderzoeksgebied Verdacht gebied geschutmunitie en raketten (1) Verdacht gebied landmijnen en vuurwerken (2) Verdacht gebied vernielingslading (3) Verdacht gebied afwerpmunitie (4)

(1) 3.5 m / 4.5 m - maaiveld * (2) 0,5 m - maaiveld (3) Leggerprofiel waterbodem (4) n.t.b. **

B1

* Achter de met de verdachte gebieden corresponderende nummers staat de maximale indringingsdiepte van de CE ten opzichte van het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog weergegeven. AVG beschikt niet over exacte gegevens van de NAP-hoogtes uit de Tweede Wereldoorlog. De hoogtes kunnen in de praktijk variëren en van de huidige hoogtes afwijken.

393000

** De maximale indringingsdiepte van afwerpmunitie kan aan de hand van sondeergegevens worden bepaald.

B1 B4 B4 B4 B1 B4

B2

B3/B4

Alleen oorlogshandelingen in of nabij het onderzoeksgebied zijn afgebakend.

B2

Nummers naast de symbolen op de kaart verwijzen naar de feitentabel in het vooronderzoek.

B1

392000

0

B1

50 100

200

300

400

±

500 METER

B2 B4

Bodembelastingkaart CE Conventionele Explosieven Gemeente Venray AVG Explosieven Opsporing Nederland Postbus 160 6590 AD Gennep

391000

Opdrachtgever:

Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl; © 2009 OpenStreetMap 195700

196700

197700

198700

Provincie Limburg Postbus 5700 6202 MA Maastricht

N270 Projectnummer: Tekeningnummer: Formaat: Getekend: Datum: Voor akkoord:

Deze tekening is eigendom van AVG Explosieven Opsporing Nederland. Het is de opdrachtgever vrij om deze tekeningen te gebruiken uitgezonderd het aanbrengen van wijzingen en aanvullingen. Van deze tekening mag niets worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. druk, scan of op elke andere wijze dan ook, zonder toestemming van AVG Explosieven Opsporing Nederland. ©2012

B1

1762131 BK1 A2 Paul Gieben 24-11-2017 Menno Abee

AVG Explosieven Opsporing Nederland Prof. Asserweg 24 – 5144 NC Waalwijk Postbus 160 - 6590 AD Gennep K.v.K. Venlo 12029421 Tel. : 0485-802020 Fax : 0485-802084 oce@avg.eu www.explosievenopsporing.com

CE VRIJWARING N270-Venray

Opdrachtgever Documentcode Aantal pagina’s Datum: Versie

Provincie Limburg 18560297-VW-01 14 (inclusief bijlagen) 18 april 2018 Definitief

Opsteller:

Vrijgegeven door:

Geaccordeerd:

Paraaf

Paraaf

Dhr. H. van Driel Coördinator OCE

Dhr. M. van Zwam Senior OCE-deskundige

Dhr. J.W.J. de Beer Manager OCE

INHOUDSOPGAVE 1

BEGELEIDING BODEMONDERZOEK ............................................................................................ 3

1.1 OMSCHRIJVING EN DOEL VAN DE OPDRACHT............................................................................................... 3 1.2 OPPERVLAKTEDETECTIE MIDDELS EEN MAGNETOMETER .................................................................................... 3 1.3

DETECTIE MIDDELS EEN MAGNETOMETERCONUS ........................................................................................... 3

1.4 UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................................................................. 3 1.5 EINDCONCLUSIE EN VRIJWARING ............................................................................................................. 4 2

BIJLAGEN ................................................................................................................................. 5

2.1 OVERZICHTSTEKENING .......................................................................................................................... 5 2.2 REGISTRATIE MEETGEGEVENS................................................................................................................... 7

1756297-VW-01

N270 Venray

Pagina 2 van 14

1 BEGELEIDING BODEMONDERZOEK 1.1

OMSCHRIJVING EN DOEL VAN DE OPDRACHT

Door Provincie Limburg is opdracht verleend aan AVG Explosieven Opsporing Nederland voor het begeleiden van milieukundig veldwerk in OCE verdacht gebied. De aanleiding van deze begeleiding is vooronderzoek van AVG met kenmerk 1762131-VO-02. Hierin wordt aangeven dat in het gebied, waar de begeleiding wordt uitgevoerd, naar alle waarschijnlijkheid conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. De mogelijk aan te treffen CE bestaat uit geschutmunitie, raketten, mijnen en vuurwerken, vernielingsladingen en afwerpmunitie. Het doel van de begeleiding is het veilig kunnen uitvoeren van de te verrichten onderzoekswerkzaamheden, waarbij geborgd wordt dat geen boringen worden geplaatst op plaatsen waar mogelijk een CE ligt.

1.2

OPPERVLAKTEDETECTIE MIDDELS EEN MAGNETOMETER

Voor dit onderzoek is er gezocht met behulp van een magnetometer Vallon type 1302D. Met deze apparatuur zijn de aangegeven locaties onderzocht op mogelijk aanwezige CE. De effectieve zoekdiepte van de magnetometer, type 1302, is 4,5 meter beneden maaiveld. Echter, voor projectielen met een diameter tot 2 centimeter wordt een detectiegrens van 0,35 meter aangehouden. Projectielen met een diameter van 2 tot 5 centimeter worden tot een diepte van 0,5 meter gevonden. Zwaardere projectielen (5 tot 10 centimeter) worden tot 1,2 meter diep gedetecteerd. Grotere projectielen en bommen kunnen tot maximaal 4,5 meter diep gedetecteerd en gelokaliseerd worden afhankelijk van grootte en ligging van het projectiel.

1.3

DETECTIE MIDDELS EEN MAGNETOMETERCONUS

Deze detectie wordt o.a. toegepast wanneer oppervlakte detectie niet toereikend is en het vermoeden bestaat dat een explosief op grotere diepte ligt. Door een magnetometersonde te plaatsen in een sondeersonde van een sondeerapparaat is het mogelijk de magnetometersonde de grond in te persen (verdringende techniek) en gelijktijdig een meting uit te voeren. Deze techniek wordt realtime detectie genoemd. Bij dieptedetectie wordt de magnetometersonde altijd tot de werkgrens of beneden de maximale penetratiediepte van de te verwachte explosief neergelaten of gedrukt. Op deze manier kan de bodem tot op grote diepte worden onderzocht op de aanwezigheid van afwerpmunitie.

1.4

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

De uitgevoerde werkzaamheden door AVG bestond uit het detecteren van boorpunten op de door de opdrachtgever aangegeven locaties. Op alle locaties heeft een negatiefmeting met magnetometer plaatsgevonden. Tijdens de werkzaamheden waren er geen detectie verstorende belemmeringen en zijn geen bijzonderheden te melden.

1756297-VW-01

N270 Venray

Pagina 3 van 14

1.5

EINDCONCLUSIE EN VRIJWARING

Resumerend kan gesteld worden dat er door ons, met de gebruikte zoekmethodiek, geen significante verstoringen zijn gesignaleerd op de CE gevrijwaarde sondeerlocaties in het onderzoeksgebied N270. Derhalve zijn de sondeerlocaties, volgens navolgende overzichtstekening, door AVG Explosieven Opsporing Nederland vrijgegeven in munitietechnische zin voor het uitvoeren van bodemonderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10736254/1