21 Zienswijze 1 anoniem
Tekst van het document
AANTEKENEN Gemeente Venray Raad
Postbus 500 5BOO AM VENRAY
Tevens per e-mail : gemeente@venray.nl Nijmegen, 27 februari 2023 Ons kenmerk
Telefoonnummer
Agrum B.V./gemeente Venray (Oostrum Oost) 20230233 - 2518934/ t - PG/
o24 - 382 83 77
Faxnummer
Uw kênmerk N L.I M RO. 098 4.8P22O24- onO L
Betreft
zienswijze ontwerpbestemmingsplan Oostrum-Oost
ZIENSWIJZEN Edelachtbare heer, mevrouw,
Burgemeester en wethouders van Venray hebben op 2 februari 2A23 bekend gemaakt dat het ontwerp van het bestemmingsplan Oostrum Oost (NL.IMRO.O9B4.BP22O24onO1) van 3 februari 2023 tot en met 16 maart 2023 ter inzage ligt. De heer en als vertegenwoordiger van de besloten vennootschappen
nam voor zichzelf
evestigd op hetzelfde adres) contact met mij op. Cliënten kunnen zich niet verenigen met het door burgemeester en wethouders voorbereide ontwerp van het bestemmingsplan'Oostrum-Oost'. VoorI k ik hierdoor zienswijzen kenbaar omtrent het ontwerpbestemmingsplan'Oostrum-Oost' Als biilaqe 1 (*) bij deze zienswijzen ontvangt u een kopie van de kennisgeving (van de terinzagelegg ing ) va n het ontwerp-bestemmingsplan'Oostru m-Oost'. (hierna gezamenlijk in kunnen zich met het ontwerp-bestemmingsplan niet mannelijk enkelvoud:I) verenigen en bestrijden dit als geheel.
Paglna
2/t3
1. 1.1
Inleiding Hetontwerp-bestemmingsplan
op 2 februari 2023 hebben burgemeester en wethouders van Venray (verder: 'burgemeester en wethouders') kennis gegeven van het ontwerp-bestemmingsplan 'oostrum-oost'(hierna: 'het ontwerp-bestemmingsplan') en aangekondigd dat het ontwerp van 3 februari 2023 tot en met 16 maart 2023 ter inzage ligt,1 Het ontwerp-bestemmingsplan voorziet in een planologisch kader voor de bouw van maximaal 59 woningen op verschillende percelen ten zuiden van de Van Broekhuizenstraat (kadastraal bekend nummers 7876, t877,339 en 2003). Blijkens de toelichting op het ontwerp-bestemmingsplan gaat het om 9 grondgebonden sociale huurwoningen, 10 kleinere goedkope grondgebonden koopwoningen, 16 eengezinskoopwoningen, 6 gelijkvloerse woningen en 16 twee-onder-een-kapwoningen, Aanvullend worden ten behoeve van een parLiculier initiatlef ook twee vrijstaande woningen, aan de zijde van de Van Broekhuizenstraat, gerealiseerd, De bij het ontwerp behorende verbeelding ziet er als volgt uit:
PtEKtNt0 00tut¡ENrtr¡ Kftt¡,1[nKfi.l
I
rsoeze.c, Js17qs.4 Enkelbestemm¡ng W0nen
ffi Dubbelbeçtemmlng El:J Wa¿rde - Archeologie 2 þ
eourwlak
F - ì Maatvoerlng
l- -l nl¿xinrunr aðntål wooneenhedeni6 -l- -. Maatvoering -l nraximunr goothooete: 6 nì
(Bron : www, ruimtel iikepla n nen. nl)
Naast de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Verkeer'en 'Groen' Iigt op een klein deel van de percelen de dubbelbestemming 'waarde - Archeologie 4', op de overige delen van de percelen ligt de dubbelbestemming 'waarde - Archeologie 2'. verder liggen op de percelen verschillende bouwvlakken met een maatvoering'maximum aantal t Gemeenteblad 2023, 46229
Paglna
3/13 wooneenheden'van 6, 15, 6, 6, 12, 10 en 4. Voor ieder bouwvlak geldt de maatvoering 'maximum goothoogte: 6 m',
1.2
Het geldende bestemmingsplan'
Op dit moment geldt voor het plangebied op grond van het bestemmingsplan'Oostrum' (door uw raad vastgesteld op 22 december 2015) de enkelbestemming 'Agrarisch'. Op
een groot deel van de betreffende percelen ligt bovendien de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologíe 2'. Op het andere deel van de betreffende percelen rust de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', Een uitsnede van de verbeelding behorend bij het geldende bestemmingsplan ziet er als volgt uit:
PTEßINfO DOCUMT¡IT€¡¡ I{€¡¡AIE ++
I reeare.r. reroro.r
+ +ø+
l+
++++++
Ënkelbeslemmlng
+++i++
t++++
i+t+++t+ +tt+++++ ++t+i+++ ++
Agr¿r¡sch
ffi
Dubbelb€stemm¡ng
[:!¿:J W¿arde - Ârcheologie 2
( Brop : www. rul mtelij kepla nnen. nl)
2, : Zienswijzen
2.1 Parkeren Ten aanzien van het aspect'parkeren' is in de planregels een algemene bouwregel opgenomen, Artikel 9.3 luidt als volgt: "9, 3 Parkeergelegenheld 9,3.1 Parkeernorm Een omsevhssversunning voor het bauwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een
bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldaende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in "Bijlage 3 Parkeernormen Venray" die als bijlage bij de "Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray" hoort. Indlen deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CRAW publicatie 317 'kenc$fers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekenîng wordt gehouden met de wijziglng.
Paglna
4lt3 9,3.2 AfwÌjkinq Het bevoegd gezag kan een amgevingsverlening verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 9.3.L, indien het valdoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op ove rwegend e bezwa ren stu i t. ".
Onduidelijk.is wat precies wordt bedoeld met een 'nieuw gebouw'.I meent dat ten aanzien van iedere bouwactiviteit (of dit nu gebouwen of bouwwerken betreffen) zou moeten worden voldaan aan de op dat moment geldende beleidsregels inzake - kort gezegd - parkeren. Verder is niet geborgd dat de parkeerplaatsen ook in stand worden gehouden. Ook ontbreekt er een gebruiksregel. Verder is bij de berekening van de parkeerbehoefte geen rekening gehouden met de gebruiksmogelijkheden anders dan'Wonen'. Op grond van artikel 5,1.1 van de planregels zijn bijvoorbeeld ook'beroepen aan huis met een maximum oppervlak van 40 m2' (bij recht) toegestaan. Op grond van artikel 5.5.1 van de planregels (specifieke gebruiksregels) is zelfs beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis, toegestaan. Bij het in kaart brengen van de parkeerbehoefte moet uit worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Daaraan is ten onrechte voorbij gegaan. De parkeerbehoefte is naar verwachting derhalve groter dan waarvan nu wordt uitgegaan. In artikel 5.2.2van de planregels is wel aangegeven dat bij een beroep aan huis de parkeerbalans'niet onevenredig nadelig mag worden beinvloed'. Onduidelijk is echterwat daaronder moet worden verstaan. Nu de parkeerbehoefte is onderschat, is in het bestemmingsplan ook niet geborgd dat ter plaatse voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd.
Ivreest voor parkeerhinder en daarmee samenhangend verkeersonveilige situaties. Het ontwerpbestemmingsplan is onzorgvuldig voorbereid.
2.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
M.e. r. - beoordelingsbesl uít ontbreekt
Op grond van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer moet voorafgaand aan de
terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Een dergelijk besluit lijkt te ontbreken. In de terinzagelegging en/of de plantoelichting wordt in ieder geval geen kennis gegeven van een m.e.r.beoordelingsbesluit. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 2,lid 5, onder b van het Besluit m.e.r. neergelegde verplichting om de daar genoemde artikelen uit de Wet milieubeheer toe te passen. Reeds om die reden kan het besluit geen stand houden.
Inhoud m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) In de aanmeldnotitie zijn niet alle - kort gezegd - relevante milieuaspecten betrokken (althans, niet toereikend beoordeeld). Zo wordt op pagina 3 aangegeven dat in de aanmeldnotitie'een inschatting' is gemaakt van de milieuaspecten die in het'verdere plantraject nog gedetailleerder worden onderzocht'. Een samenvatting van de afweging van de betreffende aspecten is opgenomen in de bijlage 1 bij de aanmeldnotitie. De afweging per (milieu)aspect is daarin te summier. Er wordt (bijvoorbeeld) niet ingegaan op de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en onomkeerbaarheid van de milieueffecten. Bij verschillende aspecten wordt gewezen op ander'onderzoek' (zoals archeologisch bureauonderzoek, bodemonderzoek, akoestisch onderzoek etc.). Uit vaste rechtspraak
Paglna
slL3 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de conclusie dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu deugdelijk moet worden gemotiveerd en dat daarbij een enkele verwijzing naar de verrichte sectorale onderzoeken niet voldoende is.2 Van een toereikende integrale beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu in relatie tot de criteria van bijlage III b¡j de m.e.r,-richtlijn is geen sprake. Verder wordt in de aanmeldnotitie het volgende geconcludeerd: "Conclusie LJit de tabet in bijlage I blijkt dat er sprake is of kan zijn van nadelige milieueffecten. Deze
effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen worden genamen om deze effecten te beperken. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide m,e.r.-beoordeling of het apstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.".
In de toelichting op het bestemmingsplan wordt uit de aanmeldnotitie de volgende conclusie getrokken: "uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, of dat deze effecten te reguleren zijn, waardoor het opstellen van een MER niet zinvol en/of noodzakelijk is.". De conclusie in de toelichting is onjuist. Uit de aanmeldnotitie volgt geenszÌns dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten. Daaruit volgt immers juist dat er wél nadelige milieueffecten zijn. Verder is de conclusie dat de negatieve effecten te reguleren zijn te onduidelijk en (rechts)onzeker. Onduidelijk is welke maatregelen worden getroffen en wat het effect daarvan is. Bovendien is de (tijdige) uitvoering van die maatregelen in het bestemmingsplan niet geborgd. De raad en/of burgemeester en wethouders kunnen op basis van de aanmeldnotitie niet kunnen concluderen dat belangrijke nadelige voor het milieu zijn uitgesloten en dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
2.3
Laddertoets In de plantoelichting wordt voor wat betreft de toetsing aan artikel 3.1,6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: 'Bro') verwezen naar de'laddertoets'in bijlage 1 bij de toelichting. Burgemeester en wethouders hebben dan het oog op de'Laddertoets Oostrum-Oost gemeente Venray' 24 november 2A22 (opgesteld door Companen) (hierna :'de laddertoets'), Geen kwalitatieve behoefte
in de laddertoets wordt gesteld dat het voorgenomen plan voldoet aan de vigerende beleidskaders met betrekking tot het woonbeleid. Daarbij wordt opgemerkt dat in het beleid wordt ingezet op - kort gezegd - differentiatie van nieuwbouw en dat daaraan met het voorgenomen plan wordt voldaan. Sprake zou ziijn van 597o betaalbare woningen, 24o/a bereikbare woningen en I7o/a dure woningen. Deze'differentiatie' is in de planregels
echter in het geheel niet geborgd. Op grond van artikel 5,2.2 van de planregels 2 7ie o,a. AbRS 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298.
Paglna
6/13 (bouwregels voor hoofdgebouwen) geldt dat vrijstaande, geschakelde, tweeaaneengebouwde, aaneengebouwde woningen en patiowoningen overalzijn toegestaan Geen kwantitatieve behoefte Zoals uit de conclusies uit de laddertoets ook volgt, bestaat binnen de gemeente Venray (kennelijk) behoefte aan 1840 woningen (incl.2o/o frictieleegstand3). Blijkens de laddertoets bestaat de huidige'netto planvoorraad' in de gemeente Venray op dit moment uit2.273 woningen (incl. de 59 woningen uit het voorgenomen plan). Onduidelijk is wat met'netto planvoorraad'wordt bedoeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in de laddertoets de harde plancapaciteit moet worden betrokken.a De Etil.prognose waarnaar wordt verwezen in de laddertoets is niet bijgevoegd. Onduidelijk is of dit een onafhankelijk onderzoek is.s De aannames uit de laddertoets die op die prognose zijn gebaseerd, kunnen niet worden geverifieerd, Duidelijk ls wel dat de behoefte ruimschoots kleiner is dan de netto planvoorraad. Van een kwantitatieve behoefte kan derhalve geen sprake zijn. Aangegeven wordt dat enige mate van overcapaciteit gewenst is om goed in te kunnen spelen op de woningbehoefte, Daarbij is (kennelijk) geen rekening gehouden met de 2Vo frictieleegstand die al bij de woningbehoefte is opgeteld.
Er zal derhalve sprake zijn van ureest voor onaanvaardbare leegstand, een ongewenste overcapaciteit. I
Alternatieve locaties
In de laddertoets wordt aangegeven dat er 3 alternatieve locaties zijn: Klooster Paschalis aan de Wanssumsweg, de herontwikkeling van de voormalige boerderij aan de Mgr. Hanssenstraat en de hoek van de Stationsweg/bedrijventerrein Hulst. Verder zouden er op dit moment geen leegstaande panden of alternatieve locaties voor nieuwbouw beschikbaar zijn. Burgemeester.en wethouders reiken hiervoor gepn onderbouwing aan. Bovendien gaan burgemeester en wethouders voorb'rj aan ontwikkellocaties aan de overz'tjde van de Van Broekhuizenstraat, de Geijsterseweg en de Zuiderbergweg,
2.4
Stikstof
In de plantoelichting wordt aangegeven dat uit de uitgevoerde berekeningen en na intern salderen blijkt dat zowel bij de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenres_ultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j, Gelet daarop zouden op voorhand negatieve effecten op Natura 2OOO-gebieden vanwege stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. Als bijlage 9 bij de plantoelichting is de notitie'AERIUS-berekening Oostrum-Oost'van 17 november 2022(hierna:'de Stikstofnotitie') opgenomen. In deze notitie is een verdere toelichting gegeven op de gevolgen van het plan voor Natura 2O00-gebieden.
3 Aangegeven wordt dat de optimale woningvoorraad altiJd iets groter moet zijn dan het aantal huishoudens
omdat er door verhuizingen altijd sprake is van een zekere leegstand. Dlt noemt men de frictieleegstand, die doorgaans op 2o/o van de woningvoorraad wordt gesteld, aldus de laddertoets. 4 Zie bijv. AbRS 22 me¡ 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1668. s Z¡e artikel 2.4.2 sub b van de Omgevingsverordening Llmburg 2014.
Paglna
7/r3 Uit de Stikstofnotitie (en de daarbij behorende AERlUS-berekeningen) volgt dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattype binnen nabijgelegen Natura 2000-9ebieden.
In de Stikstofnotitie (en de toelichting bij het bestemmingsplan) is aangegeven dat het plangebied in gebruik is als agrarische grond en dat de gronden momenteel worden bemest. Beoogd is de stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase weg te strepen (intern salderen) tegen de afname van de stikstofdepositie door het beëindigen van bemesten. Voor de omvang van de bemesting (en daarmee de omvang van de referentiesituatie) is volgens de Stikstofnotitie aangesloten bij de bemestingskaart van Bij126. Op basis van deze bemestingskaart is voor het gehele plangébied (volgens de Stikstofnotitie circa 2,06 ha) uitgegaan van gebruik als grasland en de daar bijbehorende ammoniakemissie van 16,8 kglhafiaar. Echter, er is ten onrechte voor het gehele plangebied uitgegaan van het gebruik als grasland en de daarbij behorende ammoniakemissie van 16,8 kglhafiaar.Ik licht dit hierna toe, Zoals gezegd is voor de ammoniakemissie van bemesten uitgegaan van de bemestingskaart van 8U12. Deze bemestingskaart geeft slechts per boekhoudingsgebied de gemiddelde bemesting en ammoniakemissie weer. Volgens de bemestingskaart ligt het plangebied binnen het boekhoudingsgebied met id-nummer 107. Dit gebied is hieronder weergegeven :
6 https :/1www. biJl 2. nl/emissie-bemesting/# 15/5 1.53 10 6.OI73 |
Paglna
B/13
)i rj.l
x
ld
r0?
NH¡4mlssl6 {korhs4ðaf} t0,0
t;e
r'f$
ì
::
s
4
ii !'
'T-¡ .ì1
lr-
{r-
Voor dit gehele gebied geldt een gemiddelde ammoniakemissie van 16,Bkglhafiaar. Met andere woorden: de bemestingskaart geeft niet op perceelniveau de daadwerkelljke bemesting en ammoniakemissie weer. Voor de vaststelling van de omvang van referentiesituatie kan echter niet worden uitgegaan van een gemiddelde. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft namelijk de feiteliJke en planologisch legale situatie van het plangebied te gelden als de referentiesituatie,T Gelet hierop moet voor de referentiesituatie op perceelniveau worden uitgegaan van het feitelijke gebru¡k (en niet het gemiddelde van een zeer groot gebied)Zoals gezegd is voor het gehele perceel uitgegaan van gebruik als grasland (met een bijbehorende emissie van 16/8 kglhaÆaar). Informatie over het feitelljke grondgebruik is door het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikbaar gesteld:
7 Zie bflvoorbeeld
AbRS 22 januarl 2020, ECLI:NL:RVS:2020t212.
Pagina
9l13
' o.r!i¡ts'
V
o
99@O
@l(Ði19C(:) O(ÐOC G) O@i@) @)
t
Ë
o
Gerst, zomsr-
IA )ô(
1 m€l 2022
!t@ÐGmtElEMt@t
<7 &
¡-'lÈ¡:¡
64J,dt
o.wqrrcloüg
'å,
\
I
t
.d
.
.: 'tl,
brw
^
Crnl
ùqi.
Yd.r
o
?Sa $$V
,'l
16 7017 2019 2m1 2022 "A0 lârw 0aßt rpels Mõlt ÀúdsÐolen Ro!!ô c€ñsnlevsråy,llñbùrg
#
*1*1,Ë
*-!
tandbdwg€blc1t Züldeljk V*hd¡dcrf qcbÌed
@ otcot,t cropxÀ
+
i
A t, $" mL
:;n
r
I MlcÞrollL¡ru ì
I
,J ¡* '*'cn''
"
."";.
' ..tÌ \
Voor een grootdeel van het plangebied geldt dat het niet in gebruik is en was als grasland. Circa t hectare van het plangebied was in gebruikvoorde teelt van zomergerst. Dit wordt bevestigd door luchtfoto's van kret plangebied: 6Þr.r.qùr
x .{
v.¡e.rtuñ [Iì
Gelet hierop is ten onrechte voor het gehele plangebied uitgegaan van gebruik als grasland (en de daar bijbehorende ammoniakemissie). Bovendien is niet aangetoond en onderbouwd dat dit grasland daadwerkelijk is bemest. Dat is namelijk niet het geval. Het grasland is zeer extensief gebruikt.
Paglna
1o/13
In dit kader is bovendien relevant dat voor zomergerst een significant lagere aanwendingsnorm (en daarmee ammoniakemissie) geldt dan voor grasland. De omvang van de referentiesituatie is dus vele malen kleiner dan waarvan wordt u itgegaa n.
Daarmee is de omvang van de referentiesituatie onjuist vastgesteld en berusten de AERlUS-berekeningen op onjuiste uitgangspunten. Significante effecten op Natura 2000gebieden zijn daarom niet uitgesloten.
Verder is het volgende van belang, Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moeten alle gevolgen van het plan worden beoordeeld. Dat houdt in dat verkeersbewegingen die te herleiden zijn tot het plan beoordeeld moeten worden. Zolang verkeersbewegingen niet zijn opgaan in 'het heersende verkeersbeeld', worden deze (in ieder geval) toegerekend aan het plan.8
In de toelichting bij het bestemmingplan en de Stikstofnotitie is de vaststelling van rijroute van het verkeer in de aanleg- en bouwfase niet toegelicht. De rijroute kan bovendien niet worden gecontroleerd, omdat de AERIUS-berekeningen niet als zelfstandige bestanden zijn toegevoegd bij het bestemmingsplan. Hierdoor is het niet mogelijk de bestanden in de AERIUS-calculator te laden.
2.5
Soortenbescherming De'Quickscan flora en fauna Geysterseweg 2 te Oostrum'd.d. 16 mei 2022 (opgesteld door BRO), zoals bijgevoegd in bijlage 7 bij de plantoelichting is onvolledig (hierna: 'de quickscan'), Zoals ook volgt uit de kaart op pagina 4 van deze quickscan is niet het volledige plangebied onderzocht, De meest noordwestelijk gelegen hoek van het plangebied, is (kennelijk) niet bij de quickscan betrokken. Juist op (onder meer) dit deel van het plangebied, is op dit moment opgaand groen aanwezig.
In de quickscan wordt (onder meer) geconcludeerd dat het plangebied potentieel leefgebied biedt voor de steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen zou uitsluitsel dienen te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort. Als'Vervolgtraject en advies' wordt omschreven: "De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebled kunnen negatieve gevolgen hebben voar steenuil, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie een terrîtorium van steenuil aanwez¡g is binnen het plangebied. Een vervolgonderzoek naar steenuil loopt van half februari tot en met half apríl en bestaat uit drie veldbezoeken,".
Als bijlage B bij de toelichting zijn de'Resultaten vervolgonderzoek steenuil Geysterseweg 2 te Oostrum'd.d. 15 juli 2OZ2 (opgesteld door BRO) gevoegd (hierna: 'het vervolgonderzoek'). Hierin is (wederom) niet het volledige plangebied onderzocht 8 Zie bijvoorbeeld AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1971
Paglna
lL/13 Verder volgt uit het vervolgonderzoek, dat het onderzoek heeft gelopen in de periode van 15 mei tot en met 15 juni 2A22. De veldbezoeken zouden hebben plaatsgevonden op 15 mei, 30 mei en 15 juni 2022. Dit is derhalve niet in de voorgeschreven periode half februari half april gebeurd.Ivraagt zich dan ook af of wel een reeiel beeld is verkregen van de (eventuele) aanwezigheid van de steenuil.
Verder is op de rand van het plangebied op 15 mei 2O22een steenuil waargenomen. Niet valt in te zien hoe BRO in het vervolgonderzoek tot de conclusie is kunnen komen dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het territorium van de steenuil'
2.6
Omgevingsverordening Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: 'de omgevingsverordening'), luidt als volgt: "Artikel 2,4,2 Instructíeregels nieuwe planvoorraad wonen De toelichting bij een ruimtelijk pÍan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere w on i ng en besch
rijft dat :
a. rekenlng ls gehouden met de hoofdstukken 3 (L¡mburgse prlncipes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelíjk reg i o n a a I b e h oefteo nd e rzoe k ; c, over de behaefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Límburg of Zuid- Limburg, De regío's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemmÌng, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
d. het ruimtelijk plan is opgenamen in de Limburgse systematiek van monitoring' e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vÌjf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelÌikheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.",
Aan deze instructieregel is niet voldaan. Zo is onduidelijk of sprake is van'actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek' (sub b). De toelichting noch de laddertoets verschaft daarover duidelijkheid, Verder heeft kennelijk geen reg¡onale afstemming over - kort gezegd : de behoefte plaatsgevonden (sub c). Althans de toelichting geeft daar geen blijk van. In de'Vooroverlegreactie provincie', die als bijlage 1-3 bij de toelichting is gevoegd, geeft de provincie ook aan dat'het plan nog regionaal dient te worden afgestemd'. Ook lijkt het plan niet te zijn opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring (sub d).
2.7 Spuitzonering Ter zake van de percelen ten oosten van het (voorziene) plangebied geldt op grond van het bestemmingsplan 'Oostrum'de enkelbestemming 'Agrarisch'. Op grond van artikel 3.1van de planregels zijn deze gronden bestemd voor (onder meer) agrarisch
-! Paglna
72/13
grondgebruik. Dat begrip is in artikel 1 niet omschreven. Het begrip'Agrarisch'is in artikel 1.7 als volgt omschreven: "Het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.".
Ter plaatse kunnen derhalve ook gewassen worden geteeld. In de planregels worden geen beperkingen gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze percelen, Vanwege het feit dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan uitgegaan moet worden van de maximale planologische mogelijkheden, had bij de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan rekening moeten worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de aangrenzende percelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrljvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, aangehouden moet worden.e In het ontwerpbestemmingsplan is met die afstand in het geheel geen rekening gehouden. Een groot deel van de woningen is voorzien binnen 50 meter van de agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. De kortste afstand tussen de agrarische percelen en de voorziene woningen is (slechts) +/- 16 meter. Ook om die reden kan het ontwerp-bestemmingsplan niet worden vastgesteld.
2.8
Wegverkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Mgr, Hanssenstraat en de Van Broekhuizenstraat die beiden buiten het plangebied liggen. De Mgr. Hanssenstraat is een kernontsluitingsweg, de Van Broekhuizenstaat een lintontsluitingsweg. De voorgenomen woningbouwontwikkeling zal een toename van de verkeersafwikkeling tot gevolg hebben
In het akoestisch onderzoek zijn de gevolgen bezien voor de te bouwen woningen en worden deze als acceptabel aangemerkt ondanks dat de geluidbelasting voor een aantal woningen boven de voorkeursgrenswaarde ligt. Daarbij is voor de Van Broekhuizenstraat aangenomen dat daar een maximum snelheid geldt van 30 km/u. Dat is een onjuist uitgangspunt. Er ís geen sprake van een toegestane maximum snelheid beperkt tot 30 km/u en al evenmin is dit geborgd. Opvallend is bovendien dat niet is bezien welke akoestische gevolgen de nieuwe verkeersbewegingen zullen hebben op bestaande woningen zoals die van de heer Dat geldt te meer, waar de noordelijke ontsluitingsroute vlak bij zijn woning is voorzien.
-2,9
Wonen aan het lint
In het ontwerp-bestemmingsplan is wonen aan het lint beleidsuitgangspunt voor wat betreft de Van Broekhuizenstraat. Aan de Van Broekhuizenstaat zijn evenwel 6 woningen voorzien. Naar het oordeel van cliënten past bebouwing van dergelijke omvang (mede vanwege de voorgenomen vormgeving) niet in het bestaande lint en is tegenover de woning van cliënten geen sprake meer van lintbebouwing. e Vergelijk bijv. AbRS 25 januari 2023,
ECLI:NL:RVS:2023:245
Paglna
13113
2.10
Kamerbrief Water en Bodem sturend
De Staatssecretaris van InfrasLructuur en Waterstaat heeft ter voorkoming van toekomstige problemen biJ Kamerbrief van 25 november 2O22Lo geschetst welke uitgangspunten dienen te worden gehanteerd bij het maken van ruimtelijke keuzes bij de ruimtel'rjke planvorming. Daarbij is bepaald dat water eh bodem leidend zijn bij ruimtelijke keuzes, Burgemeester en wethouders hebben weliswaar een watertoets doen uitvoeren, maar die toets is te beperkt in het licht van de door de Staatssecretaris geformuleerde uitgangspunten. Het ontwerp-bestemmingsplan is ook op dit punt niet voldoende en onzorgvuldig voorbereid.
Conclusie
3
verzoek ik u met inachtneming van de hiervoor geformuleerde zienswijzen af te zien van vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan en het plannen van woningbouw in het plangebied. Namens
Als u een nadere toelichting op deze zienswijzen op prijs stelt of overleg aangewezen acht, dan zijn cliënten daartoe vanzelfsprekend bereid. Hoogachtend
advocaat
10 rENW
BSL-20221 2B3O4L
aemeenteVenfOy
èk
Nr. ¡16229
GEMEENTEBLAD
2 februari
2023
0fficiéle uitgave van de gemeente Venray
Bestemmingsplan ontwerp, Oostrum Oost Burgemeester en wethouders van Venray maken, gelet op artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, de ter inzage legging bekend van het ontwerp van het bestemmingsplan:
Oostru m Oost {N L.l MRO,OgB4.BP22024-on01
)
Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de kern Oostrum en wordt begrensd door de Van Broekhuizenstraat aan de noordzijde. Aan de oostzijde door zijdelingse woonperceelsgrens en agrarische gronden, de zuidzijde door een drietal woonpercelen en de Mgr. Hanssenstraat en de westzijde van het plangebied wordt gevormd door de achterperceelsgrenzen van de woningen aan de Geijsterseweg, Ðe locatie Oostrum-Oost wordt herontwikkeld tot een nieuw woongebied met maximaal 59 woningen, aangeboden in een mix van verschillende woningbouwtypen,
Het ontwerpplan ligt van 3 februar¡ tot en met 16 maart 2O23ter inzage
Binnen de genoemde termijn zijn het ontwerp bestemmingsplan en de hier bljbehorende stukken daarnaast beschikbaar gesteld op wwwruimtelijkeplannen,nl. Op www.venray.nl/ter-inzage-liggendestukken vindt u de directe link naar www,ruimteliikeplannen.nl. Gedurende de inzagetermiin kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen bij de gemeenteraad van Venray, Postbus 500,5800 AM Venray, Voor het geven van een mondelinge zienswijze kunt u.een afspraak maken via het klantencontactcenter via telefoonnummer A478-52 33 33, Naast de mogelijkheid om schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen in te dienen, is het ook mogelijk dit digitaal te doen. U kunt hiervoor naar www.venray.nl/melding-klacht-bezwaar-en-zienswijze.
Venray, d.d. 2 februari 2023
Gemeentel¡lad 2023 nr. {6229 2lab¡uari2023