20 Archeologie Plangebied De Hulst I te Venray
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH VERKENNEND BOORONDERZOEK PLANGEBIED DE HULST I TE VENRAY GEMEENTE VENRAY
Archeologisch verkennend booronderzoek Plangebied De Hulst I te Venray in de gemeente Venray Opdrachtgever
Gemeente Venray Postbus 500 5800 AM Venray
Project
RAY.GEM.ARC
Rapportnummer
11050483
Status
Definitieve rapportage
Datum
19 juli 2011
Vestiging
Swalmen
Paraaf
Autorisatie
Drs. A.H. Schutte (Senior KNA-Archeoloog)
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer
11050483 RAY.GEM.ARC
Toponiem
Plangebied De Hulst I
Opdrachtgever
Gemeente Venray
Gemeente
Venray
Plaats
Venray
Provincie
Limburg
Omvang plangebied
Circa 3,4 hectare
Kaartblad
52 B
coördinaten centrum plangebied
X: 197.636 / Y: 393.201
Bevoegde overheid
Gemeente Venray Postbus 500, 5800 AM Venray T: 0478-523333 F: 0478-523222 E: gemeente@venray.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Samenwerkingsverband Regio Eindhoven Postbus 985 5600 AZ Eindhoven T: 040 259 45 31 F: 040 259 45 40 E: info@sre.nl
ARCHIS2 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer
47.549 N.v.t.
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen / Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy, Drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Venray een verkennend booronderzoek (IVOoverig, verkennende fase) uitgevoerd voor het plangebied De Hulst I te Venray in de gemeente Venray. Het plangebied is nu in gebruik als akkerland (waarvan deels asperge-akker), aardbeienkwekerij en kas. Het plangebied zal worden herontwikkeld. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumenten Zorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn.
Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is. Resultaten inventariserend veldonderzoek De door de gemeente Venray opgestelde quickscan toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een nederzettingsterrein en crematiegrafveld op aanliggende percelen de kans daarop. Daarom is er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is sterker verstoord door diepploegwerkzaamheden dan van te voren werd verondersteld, maar niet dusdanig dat er geen archeologische resten meer binnen het plangebied worden verwacht. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Selectieadvies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Bovenstaand advies vormt een selectieadvies. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Venray), die vervolgens een selectiebesluit neemt.
11050483 RAY.GEM.ARC
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1 1.2
Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer ...................................................................... 1 Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ................................................................................ 2 3.1 3.2 3.3
4
Methoden .......................................................................................................................... 2 Resultaten ......................................................................................................................... 2 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek .......................................................... 3
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ......................................................................................... 4 4.1 4.2
Conclusie .......................................................................................................................... 4 Selectieadvies................................................................................................................... 4
BRONNEN ............................................................................................................................................ 5
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3.
Locatie van het plangebied Detailkaart van het plangebied Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Quickscan gemeente Venray Boorprofielen
11050483 RAY.GEM.ARC
1 1.1
INLEIDING Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer
Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Venray een verkennend booronderzoek (IVOoverig, verkennende fase) uitgevoerd voor het plangebied De Hulst I te Venray in de gemeente Venray (zie figuur 1 en figuur 2). Het plangebied is nu in gebruik als akkerland (waarvan deels aspergeakker), aardbeienkwekerij en kas. Het plangebied zal worden herontwikkeld. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumenten Zorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). In de rapportage zal na een samenvatting van het vooronderzoek (§ 1.2) eerst de doelstelling van het huidige onderzoek en de te beantwoorden onderzoeksvragen beschreven worden (hoofdstuk 2). Vervolgens zullen de methodiek en resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen worden behandeld (hoofdstuk 3). Op basis van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 4).
Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Venray, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen nodig zijn. 1.2
Resultaten vooronderzoek
In mei 2011 is door de gemeente Venray een archeologische quickscan opgesteld (zie bijlage 4). Op basis van de resultaten van deze quickscan heeft het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten van landbouwers. Vanwege de vondsten van archeologische resten uit de Romeinse tijd (een crematiegrafveld) en een nederzettingsterrein uit de Vroege- en Volle-Middeleeuwen, aangetroffen bij een archeologische noodopgraving voor de aanleg van de A73 in 1993 direct ten westen en zuidwesten van het plangebied, is het zuidelijke deel van het plangebied aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde in de vorm van een monument (AMK-terrein 15.043). Hoogstwaarschijnlijk bevinden zich in het plangebied nog archeologische resten vergelijkbaar met die in 1993 zijn opgegraven. Geadviseerd is om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de bodemopbouw en mate van bodemverstoring in kaart te brengen.
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN
Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is er op gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 1 van 21
Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 14 juli 2011. Meegewerkt hebben: drs. M. Stiekema (senior prospector) en ing. G.J. Boots BA (archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).
3 3.1
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.2, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 12 juli 2011 door drs. M. Stiekema (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er 17 boringen gezet (zie figuur 3). Er is geboord tot een diepte van maximaal 1,40 m -mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een zandguts met een diameter van 1 cm cm. Er is in drie raaien geboord met een afstand van 40 m tussen de raaien en een afstand van 50 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. De boringen zijn lithologisch conform de Ar1 cheologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem en bot. 3.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. In alle boringen werden matig fijne, zwak siltige zanden aangetroffen. De top van het bodemprofiel bestaat uit een donker grijsbruin gekleurde, zwak humeuze eerdlaag (Ap-horizont) die bij 12 van de 17 boringen minder dan 50 cm dik is. Onder de zwak humeuze eerdlaag is in alle boringen een verstoord pakket aangetroffen dat varieert in dikte van 70 cm bij boring 7 en 9 tot 115 cm bij boring 13. De eerdlaag is, afgaande op de bodemkaart die hoge enkeerdgronden aangeeft voor het plangebied, vermoedelijk een rest van een esdek dat vanwege verploeging bij alle boringen verstoord is. De verstoorde laag onder deze eerdlaag kenmerkt zich door de heterogene samenstelling van het bodemmateriaal dat uit een mix van het (voormalige) esdek en de onderliggende dekzandafzettingen be1
Bosch, 2005
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 2 van 21
staat. Volgens de huidige eigenaar van het plangebied, de heer P. Jeuken, is het plangebied in het verleden in zijn geheel in gebruik geweest als aspergeakker. Hiervoor is het plangebied meerdere malen diep geploegd tot zeker 70-75 cm onder maaiveld. De diepte van de in de boringen aangetroffen verstoringen geeft aan dat deze ploegdiepte over bijna het gehele plangebied zelfs dieper is geweest. Onder de (verstoorde) bovenlaag is in alle boringen de C-horizont (het oorspronkelijke moedermateriaal) aangetroffen, bestaande uit zwak siltige, matig fijne zandafzettingen. Er zijn in diverse boringen gleyverschijnselen aangetroffen die kunnen wijzen op (in het verleden) sterk wisselende grondwaterstanden. Bij 15 van de 17 boringen is ook de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen door de diepploegwerkzaamheden afgetopt. Alleen bij de boringen 7 en 9 is de top van de dekzandafzettingen niet geraakt door de ploegwerkzaamheden. Dit is waarneembaar omdat hier onder de verstoorde laag een onverstoorde overgangslaag van het oorspronkelijke esdek boven de dekzandafzettingen is aangetroffen. Deze laag bevindt zich in beide boringen op 70-90 cm -mv. De (hier ongestoorde) top van de dekzandafzettingen bevindt zich bij deze twee boringen op 90 cm -mv.
Omdat bij de rest van de boringen de overgang tussen het verstoorde pakket en de intacte dekzandafzettingen op 75 – 100 cm -mv (met een uitschieter naar 115 cm -mv bij boring 13) bevindt, kan er van worden uitgegaan dat de mate van aftopping van de oorspronkelijke dekzandafzettingen (C-horizont) door de ploegwerkzaamheden in het plangebied zich vermoedelijk heeft beperkt tot de bovenste 5 à 10 cm. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd;
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Het bodemprofiel in het plangebied bestaat uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel met erboven een matig dik tot dik (tussen 35 en 56 cm) antropogeen opgebracht esdek. Het aangetroffen bodemprofiel dient daarom geclassificeerd te worden als een (in dit geval deels verstoorde) hoge enkeerdgrond.
Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? De top van de bodemprofielen is door diepploegwerkzaamheden, in verband met de aspergeteelt, verstoord tot een diepte van 70 tot 115 cm -mv. Bij 15 van de 17 boringen hebben deze diepploegwerkzaamheden ook de top van de dekzandafzettingen verstoord. Afgaande op de twee boringen met een onverstoorde top van de dekzandafzettingen, zal deze verstoring over het grootste deel van het plangebied zich hebben beperkt tot 5 à 10 cm in de top van de dekzandafzettingen.
Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 3 van 21
Omdat sporen van archeologische vindplaatsen tot zeker in de eerste 30 cm van de top van de dekzandafzettingen kunnen voorkomen en de waargenomen verstoringen niet tot deze diepte reiken blijft de hoge verwachtingswaarde voor het plangebied gehandhaafd.
4 4.1
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Conclusie
De door de gemeente Venray opgestelde quickscan toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een nederzettingsterrein en crematiegrafveld op aanliggende percelen de kans daarop. Daarom is er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is sterker verstoord door diepploegwerkzaamheden dan van te voren verwacht, maar niet dusdanig dat er binnen het plangebied geen archeologische resten meer of alleen nog maar in een verstoorde context kunnen worden verwacht. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zouden kunnen zijn. 4.2
Selectieadvies
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Bovenstaand advies vormt een selectieadvies. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Venray), die vervolgens een selectiebesluit neemt.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 4 van 21
LITERATUUR Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A).
BRONNEN AHN; internetsite, juli 2011. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, julii 2011. http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html SIKB; internetsite, juli 2011. http://www.sikb.nl
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 5 van 21
Figuur 1.
Locatie van het plangebied
400000
VIERLINGSBEEK VIERLINGSBEEK VIERLINGSBEEK VIERLINGSBEEK VIERLINGSBEEK
WEST WEST ERBEEK WESTERBEEK ERBEEK WEST WEST ERBEEK HOLT HOLT HOLTHEES HEES HEES HOLT MAASHEES MAASHEES MAASHEES MAASHEES
Ov Ov erloon Overloon erloon Ov Ov erloon SMAKT SMAKT SMAKT SMAKT SMAKT WELL WELL LB LB WELLLB WELL WELL LB LB LB
395000
GEIJST GEIJST EREN GEIJSTEREN EREN GEIJST GEIJST EREN
VREDEPEEL VREDEPEEL VREDEPEEL VREDEPEEL
Wanssum Wanssum Wanssum Wanssum Wanssum MERSELO MERSELO MERSELO MERSELO MERSELO
Venray Venray Venray Venray Venray Venray
BLIT BLIT BLIT ERSWIJCK ERSWIJCK BLIT BLIT BLITT TT TT TERSWIJCK ERSWIJCK ERSWIJCK ERSWIJCK
OOST OOST OOST RUM RUM LB LB OOST OOST OOSTRUM RUM RUM RUMLB LB LB LB
OIRLO OIRLO OIRLO OIRLO LEUNEN LEUNEN LEUNEN LEUNEN LEUNEN
MEERLO MEERLO MEERLO MEERLO MEERLO
390000
HEIDE HEIDE HEIDE HEIDE T IENRAIJ IENRAIJ TT TT TIENRAIJ IENRAIJ IENRAIJ IENRAIJ
N N N N
IJSSELST IJSSELST EIJN LB IJSSELSTEIJN EIJNLB LB IJSSELST IJSSELST EIJN LB
SWOLGEN SWOLGEN SWOLGEN SWOLGEN
CAST CAST ENRAIJ CASTENRAIJ ENRAIJ CAST CAST ENRAIJ
VEULEN VEULEN VEULEN VEULEN VEULEN
385000
0 00 00
5000m 5000m 5000m 5000m 5000m
Horst Horst Horst Horst Horst 190000
195000
200000
205000
Venray - Plangebied De Hulst I Locatie van het plangebied bron: Geodan
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 6 van 21
Detailkaart van het plangebied
393300
393400
Figuur 2.
393200
Akkerland
Aardbeienstellingen
393100
Kas N N N N N
0
100m
100m
197400
197500
197600
197700
197800
197900
Venray - Plangebied De Hulst I Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied Huidige bebouw ing
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 7 van 21
Boorpuntenkaart
393400
Figuur 3.
1 3 393300
2 6 4 5 7 10
393200
9 8 11 14 16
393100
12 15
N N N N N
17 13
0
100m
197400
100m
197500
197600
197700
197800
197900
Venray - Plangebied De Hulst I Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Huidige bebouw ing Boorpunt
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 8 van 21
Bijlage 1
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Formatie van Peelo
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien
Formatie van Sterksel
2.600.000
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 9 van 21
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 10 van 21
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum(ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 11 van 21
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse Tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken.
In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 12 van 21
Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de tiende - elfde eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast.
De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de e steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het e begin van de 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt.
In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid e plaats, wat zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 13 van 21
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een selectiebesluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermt te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het belopen van het maaiveld van het plangebied. Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 14 van 21
sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. De Derde fase: Archeologische Begeleiding (AB) of Opgraven (AAO) Archeologische Begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een Algehele Archeologische Opgraving (AAO). Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 15 van 21
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ ▼ Opgraven*** Begeleiding*** Beschermen Verwijderen Begeleiding Bescherming van de van de van de archeologie werkzaamheden archeologie door door door archeologen archeologen planaanpassing * ** *** **** ***** ******
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 16 van 21
Bijlage 4
11050483 RAY.GEM.ARC
Quickscan gemeente Venray
Pagina 17 van 21
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 18 van 21
Bijlage 5
11050483 RAY.GEM.ARC
Boorprofielen
Pagina 19 van 21
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 20 van 21
11050483 RAY.GEM.ARC
Pagina 21 van 21