17 BP Westsingel Onderbouwing voorgrond belasting geur
Tekst van het document
Memo:
Berekening voorgrondbelasting Enge Steeg 1 Leunen op plangebied woningbouwontwikkeling Westsingel 1 Venray
Datum:
12 april 2023
Projectnummer:
2022.1891
Ter attentie van:
Frank Janssen
Opgesteld door:
Jack Rooseboom
In afschrift aan: Bijlage(n):
Besluit omgevingsvergunning Enge Steeg 1 Leunen verleend d.d. 8 februari 2010 en kenmerk MM090070
Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure voor een woningbouwontwikkeling aan de Westsingel 1 Venray dient inzichtelijk te worden gemaakt of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op grond van de Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray welke onderdeel is van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen bestaande woongebieden Venray als wordt voldaan aan een voorgrondbelasting van maximaal 6,5 ouE/m3. Zie onderstaande tabel.
Om te bepalen of dat er wordt voldaan aan de norm van 6,5 ouE/m3 is de voorgrondbelasting geur van de maatgevende veehouderij aan de Enge Steeg 1 Leunen op het plangebied Westsingel 1 Venray berekend middels V-stacks vergunning 2020. Hiertoe is de Omgevingsvergunning milieu opgevraagd bij de gemeente Venray. Deze vergunning is verleend d.d. 8 februari 2010 en kenmerk MM090070. De rijkscoördinaten van het plangebied Westsingel 1 Venray zijn bepaald aan de hand van onderstaande figuur.
2
Onderstaand zijn de invoergegevens en resultaten van de V-stacks geurberekening weergegeven. Hierbij is de geuremissie omgerekend naar de geuremissiefactoren zoals vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij, in werking per 1-12-20221.
De maximaal berekende geurbelasting bedraagt 2,2 ouE/m3 en voldoet hiermee ruimschoots aan de maximale voorgrondbelasting van 6,5 ouE/m3. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de voorgrondbelasting geur.
1 wetten.nl - Regeling - Regeling geurhinder en veehouderij - BWBR0020711 (overheid.nl)
3
Bijlage 1: Besluit omgevingsvergunning Enge Steeg 1 Leunen verleend d.d. 8 februari 2010 en kenmerk MM090070
4
ARCHIEF
Cemeente
Venray
VERGUNNING WET MIUEUBEHEER MM090070
BESCHIKKING VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN VENRAY Aanvraag
Op 25 juni 2009 is een aanvraag ontvangen van G.A.M. Jenniskens, Enge Steeg 1, 5809 EB in
Leunen, inzake een revisievergunning ingevolge artikel 8.4, eerste lid van de Wet milieubeheer
(Wm), voor een varkensfokkerij, vleesvarkenshoudehj en landbouwproductiebedhjf gelegen aan Enge Steeg 1, kadastraal bekend: gemeente Venray, sectie N, nummer 638 (gedeeltelijk). De ontvangstbevestiging is verzonden op 1 juli 2009.
Op 3 december 2009 zijn aanvullende stukken ontvangen. De aanvraag voldoet hiermee aan het gestelde van hoofdstuk 5 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb). Hiermee
is de aanvraag ontvankelijk, zodat deze in behandeling is genomen. De volgende bescheiden maken onderdeel uit van de aanvraag:
Aanvraagformulier Wet milieubeheer agrarisch met 3 bijiagen (V-stacks, ISL3a, toelichting
ventilatoren) ingekomen 3 december 2009, laatst gewijzigd 2 december 2009; Systeembeschrijvingen BWL 2006.09 en BWL 2007.01 VI, ingekomen 25 juni 2009;
Vragenlijst varkenshouderij (energie), ingekomen 25 juni 2009; Dimensioneringsplan en bijiagen, ingekomen 25 juni 2009;
Plattegrondtekening, nummer 0802-M, laatste wijziging 2 december 2009, ingekomen
3 december 2009. Wettelijk kader
Op grond van categorie 8.1, sub a van bijiage 1 van het Ivb is het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm.
De aanvraag heeft betrekking op meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens (>30 kg). Daarmee is de inrichting een installatie als bedoeld in bijiage 1 van de EG-richtlijn geintegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging (hierna: IPPC-richtlijn). Ingevolge artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer is het verboden zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort (IPPC bedrijf) op te richten, te veranderen en in working te hebben.
110.000807
1
Cemeente
Venray
Besluit ammoniakemissie huisvestinq veehouderij
Op de inrichting is het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit
huisvesting) van toepassing. De regels in het Besluit huisvesting gelden naast de voorschriften bij deze milieuvergunning. Dit betekent dat de huisvestingssystemen voor de dieren tijdig moeten voldoen aan de maximale emissiewaarden die in de bijiage bij het Besluit huisvesting worden genoemd.
Coordinate en afstemming mef oyenge wefgewng - Coordinatieplicht met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Binnen de inrichting vinden geen lozingen plaats waarop de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) van toepassing is. Bij de totstandkoming van deze beschikking is er
daarom ook geen sprake van een verplichte coordinatie met een vergunning ingevolge de Wvo, zoals bedoeld in de artikelen 8.28 tot en met 8.34 van de Wm. - Coordinatie bouw- en Wm-vergunningaanvraag
Voor de wijzigingen bij deze milieuvergunningaanvraag is een bouwvergunning vereist. Er is sprake van de bouw van een nieuwe vieesvarkensstal en een interne verbouwing van een zeugenstal. De
codrdinatieregeling conform artikel 8.5, tweede lid Wm is van toepassing. Artikel 20.8 Wm bepaalt
dat de Wm-vergunning niet eerder van kracht wordt dan nadat de betrokken bouwvergunning is
verleend. Er geldt op grond van artikel 52 Woningwet een aanhoudingsplicht voor de beslissing op de bouwaanvraag in verband met het verlenen van een Wm-vergunning. Er is nog geen bouwaanvraag ingediend. - Milieu-effectrapportage
In het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r.) zijn drempelwaarden vastgesteld wanneer bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een veehouderij door het bevoegd gezag moet worden beoordeeld of vanwege bijzondere omstandigheden een milieueffectrapportage noodzakelijk is. Op grond van nummer 14 van onderdeel D van de bijiage van het
Besluit m.e.r. zijn de drempelwaarden 60.000 of meer plaatsen voor mesthoenders, 45.000 of
meer plaatsen voor hennen, 2.200 of meer plaatsen voor vieesvarkens of 350 of meer plaatsen voorzeugen.
Uit de aanvraag voIgt dat er sprake is van oprichting van een stal met 2.184 plaatsen voor
vieesvarkens en een oprichting c.q. uitbreiding met 266 plaatsen voor zeugen. Het
bovengenoemde aantal voor vieesvarkens en zeugen wordt niet overschreden. Het Besluit m.e.r. is daarom niet van toepassing op deze inrichting.
110.000807
2
Cemeente
Venray
- Natuurbeschermingswet
Voor handelingen die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument dan wel handelingen die een beschermd
natuurmonument ontsieren, geldt een vergunningplicht ex. artikel 16 van de
Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998), waarvoor Gedeputeerde Staten van de provincie het bevoegd gezag zijn. Voor projecten en andere handelingen die de kwaliteit van Nature 2000 gebieden kunnen
verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, geldt eveneens een vergunningplicht (artikel 19d). Ingevolge artikel 1 onderdeel o van de Natuurbeschermingswet wordt onder een Nature 2000 gebied een Vogelrichtlijn- of
Habitatrichtlijngebied verstaan. De afstand van het emissiepunt van de inrichting tot het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen op grond van de Nbw 1998 Boschhuizerbergen is op basis van de aangevraagde situatie circa 4.105 meter. Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg dienen te beoordelen of een
Nbw-vergunning noodzakelijk is. Procedure De voorbereiding van de beschikking op de aanvraag heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en afdeling 13.2 van de Wm.
Zienswijzen near aanleiding van de onfMrerpbesch/frfrmg Gedurende de ter inzage termijn van 18 december 2009 tot en met 28 januari 2010 zijn er geen
zienswijzen ontvangen.
Overwegingen betreffende de aanyraag - Beoordelingskader Het beoordelingskader van de aanvraag wordt gevormd door de artikelen 8.8 tot en met 8.10 van de
Wm. De voorschriften die aan deze vergunning verbonden zijn, zijn gesteld overeenkomstig de
artikelen 8.11 tot en met 8.13 van de Wm. - Wet ruimtelijke ordening
Op grond van artikel 8.9 Wm mag door verlening van de vergunning geen strijd ontstaan met regels die met betrekking tot de inrichting gelden gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke
ordening. In artikel 8.10 derde lid van de Wm is sprake van een bevoegdheid om een milieuvergunning te weigeren als sprake is van strijd met een bestemmingsplan.
110.000807
3
Cemeente
Venray
Blijkens recente jurisprudentie (zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
van State met als kenmerk 200806366/1/M2) neemt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat in
de gevallen waarop artikel 8.10 derde lid betrekking heeft geen plicht maar een bevoegdheid bestaat om de gevraagde milieuvergunning te weigeren.
De onderhavige activiteit gaat gepaard met een bouwvergunningplichtig bouwwerk. Dit bouwwerk is in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan buitengebied van 1981. In 2008 is echter een start gemaakt met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het
buitengebied. Met het oog op dit nieuwe bestemmingsplan is ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied een voorbereidingsbesluit genomen. Dit besluit is in working
getreden op 10 april 2009 en is een jaar geldig. Met dit voorbereidingsbesluit kunnen
bouwactiviteiten worden geweerd die nog op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied ('81) mogelijk zijn en waarvoor - gelet op het stelsel van de Woningwet - op aanvraag een bouwvergunning zou moeten worden verleend. Deze voorbereidingsbescherming is geregeld in de vorm van een aanhoudingsplicht van de beslissing op aanvragen om
bouwvergunningen. Deze aanhouding kan worden doorbroken wanneer het bouwwerk niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Op 17 april 2009 is het voorontwerpbestemmingsplan buitengebied ter inzage gelegd. Onderhavige uitbreiding past in dit voorontwerp. - Vigerende vergunningrechten
Ten behoeve van de inrichting aan Enge Steeg 1 in Leunen is op 25 augustus 1999 een
revisievergunning op basis van de Wm (nr. 1999.2653) verleend voor een fokvarkens- en vleesvarkenshouderij. De inrichting is binnen drie jaar nadat deze vergunning onherroepelijk is geworden voltooid en in working gebracht. Voor de wijzigingen bij deze vergunning was een bouwvergunning nodig. Deze is
verleend, waardoor de revisievergunning op grond van artikel 20.8 Wm in working is getreden.
Voor de bepaling van de aanwezige vergunningrechten geldt dus de vergunning van 25 augustus 1999. - Aanvraag vergunning Gezien de uitbreidingen en wijzigingen die binnen de inrichting plaatsvinden, is het noodzakelijk
dat opnieuw een revisievergunning wordt aangevraagd. Ten opzichte van de vergunde situatie
worden de navolgende wijzigingen binnen de inrichting aangevraagd: •
In stal B wordt de bestaande zeugenhuisvesting aangepast naar groepshuisvesting en wordt
een gedeelte van een opslagruimte verbouwd tot huisvesting van guste en dragende zeugen in systeem BWL 2005.09. •
Stal C wordt ingericht voor de huisvesting van gespeende biggen.
•
In stal D wordt de veebezetting gewijzigd van 510 vieesvarkens en 170 gespeende biggen naar 326 vieesvarkens en 48 gespeende biggen met ziekenboeg.
110.000807
4
Cemeente
Venray
Er wordt een nieuwe stal (stal E) gebouwd voor 2,184 vleesvarkens en 156 opfokzeugen,
voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2007.OlVl).
110.000807
5
Cemeente
Venray
Dierbezetting
Voor de beoordeling van onderhavige aanvraag is onderstaand overzicht met betrekking tot de dierbezetting van belang: Diersoort
Omreken-
Vergunningsituatie
factor*
25 augustus 1999
Aanvraag/beoogde situatie
Ou
NH3
Aantal
Ou
Kraamzeugen (D 12.100),1
27,9
8,3
44
1.227,6
365,2
Guste/drag. zeugen (D 1.3.9.2)),2
18,7
2,5
0
Guste/drag. zeugen (D 1.3.100),3
18,7
4,2
Guste/drag. zeugen (D 1.3.101),4
18,7
4,2
156
Gespeende biggen (D 1.1.100.1)',5
7,8
0,6
650
5.070,0
Gespeende biggen (D 1.1.100.2)®
7,8
0,75
0
0
Dekberen (D 2.100)’
18,7
5,5
1
18,7
5,5
1 V
18,7
5,5
Opfokzeugen (D 3.2.1.2)'
20
460,0
80,0
20
460,0
80,0
904,8
82,7
0
0
23,0
4,0
Opfokzeugen ( D 3.2.15.3.1)',9
5,8
0,53
VIeesvarkens (D 3.1.1)'°
23,0
3,0
VIeesvarkens (D 3.2.1.1)ii
23,0
3,0
VIeesvarkens (D 3.2.1.2)'’
23,0
VIeesvarkens (D 3.2.15.3.2) 13
5,8
Totaal aantal OU en totals ammoniakemissie
Afstand tot zeer kwetsbaar gebied in meters
NHj
Aantal
NHs
Ou
2.008,8
597,6
0
7 82 v
1.533,4
205,0
0
0
156 V
2.917,2
655,0
2.917,2
655,0
0
0
390,0
0 1310/ 10.218,0
0
72
156 I
•
982,5
0
0
27.485,0
3.585,0
0
0
208 J
4.784,0
624,0
4,0
0
0
0,53
0
0
118 2.714,0 2.184t/ 12.667,2
1.157,5
37.179
5.080,7
38.226
4.861,8
1.195
4.105
472,0
4.105
* - aantal odour units per seconds psr dier, op basis van bijiags 1 van ds Regsling gsurhindsr en veehouderij
(Staatscourant 2009, nr. 70) NH3: emissie in kg NH3 per dierplaats per jaar, op basis van bijiage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Staatscourant 2009, nr. 82)
1. Kraamzeugen, overige huisvestingssystemen; 2. Guste en dragende zeugen, groepshuisvesting met voerligboxen of zeugenvoerstations, zonder strobed met schuine putwanden in het mestkanaal, roosters anders dan metalen driekant roosters (BWL 2006.09); 3. Guste en dragende zeugen, overige huisvestingssystemen, groepshuisvesting; 4. Guste en dragende zeugen, overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting; 5. Gespeende biggen <25 kg, overige huisvestingssystemen, hokoppervlak maximaal 0,35 m^; 6. Gespeende biggen <25 kg, overige huisvestingssystemen, hokoppervlak groter dan 0,35 m^; 7. Dekberen, overige huisvestingssystemen; 8. Opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^; 9. Opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met waterwasser, chemische wasser en biofilter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^ (BWL 2007.OlVl); 10. VIeesvarkens >25 kg, voiledig roostervloer, hokoppervlak maximaal 0,8 m^; 11. VIeesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak maximaal 0,8 m^; 12. VIeesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^; 13.
VIeesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met waterwasser, chemische wasser en biofilter, hokoppervlak groter dan 0,8 m 2 (BWL 2007.OlVl).
110.000807
6
Cemeente
Venray
-Geurhinder
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in working getreden. De geurhinder van veehouderijen dient op basis van de methodiek, zoals aangegeven in deze wet en de gelijknamige regeling, te worden getoetst.
In de wet zijn normen vastgesteld voor geurgevoelige objecten. Ingevolge artikel 1 Wgv zijn geurgevoelige objecten gebouwen die geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf en
die daarvoor permanent of op een vergelijkbare wijze worden gebruikt. De geurbelasting en de
normen worden uitgedrukt in (Europese) odour units (OUg) per kubieke meter. Er worden normen onderscheiden voor concentratiegebieden (zoals bedoeld in bijiage I van de Meststoffenwet) en
niet-concentratiegebieden. De gehele gemeente Venray is gelegen in een concentratiegebied. Toetsing dient plaats te vinden aan de volgende normen (artikel 3, eerste lid Wgv): Geurgevoelige objecten in concentratiegebied, binnen de bebouwde kom: 3,0 OUe/m,3 Geurgevoelige objecten in concentratiegebied, buiten de bebouwde kom : 14,0 OUg/m^.
Op grond van artikel 6, eerste lid Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen van toepassing zijn dan de desbetreffende waarden zoals genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wgv. De gemeenteraad van Venray heeft op 25 maart 2008 de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray' (hierna de verordening) vastgesteld, zoals bedoeld in
dit artikel. De verordening is op 4 april 2008 in werking getreden. Op 29 September 2009 is de eerste aanpassing van de geurverordening vastgesteld.
De verordening geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op grond van de verordening is voor een aantal gebieden de afwijkende norm van 8 OUg/m’opgenomen. Het betreft de volgende
gebieden:
Zoekgebieden woningbouw
Bijzondere gebieden (vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij) Bedrijfsterreinen. Voor de overige aangewezen gebieden gelden binnen de aangegeven begrenzing de waarden van artikel 3, eerste lid van de Wgv.
Bij diercategorieen waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. Ingevolge artikel 3, eerste lid Wgv wordt een vergunning geweigerd indien de geurbelasting op een geurgevoelig object meer bedraagt dan de
hiervoor genoemde waarden.
110.000807
7
Cemeente
Venray
Op grond van artikel 4, eerste lid van de Wgv dient de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ten minste
100 meter te bedragen en buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter te bedragen. Specifieke bepalingen: In afwijking van artikel 3, eerste lid Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij binnen de bebouwde kom
ten minste 100 meter en buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. Ingevolge artikel 5 Wgv moet de afstand aan de buitenzijde van een dierenverblijf tot de
buitenzijde van een geurgevoelig object binnen en buiten de bebouwde kom respectievelijk 50 en 25 meter bedragen. Relevante geurgevoelige objecten, in de omgeving van de inrichting zijn: Het dichtst bijgelegen geurgevoelige object binnen de bebouwde kom, zijnde de woning aan de
Vicarieweg 44 in Leunen op een afstand van 234 meter van de inrichting gelegen; Het dichtst bijgelegen geurgevoelige object buiten de bebouwde kom, zijnde de woning aan Sportlaan 8 in Venray op een afstand van 56 meter van de inrichting gelegen;
Het dichtst bijgelegen geurgevoelige object behorende bij een veehouderij, zijnde de woning aan Zuivelweg 3 in Leunen op een afstand van 122 meter gelegen; het dichtst bijgelegen bijzondere gebied, zijnde Sportpark de Wieen (Leunseweg 16A) ligt op
een afstand van 330 meter van de inrichting gelegen; Het dichtst bijgelegen bedrijfsterrein, zijnde de woning aan Zuivelweg 6 op een afstand van
214 meter van de inrichting gelegen; Het meest nabij gelegen zoekgebied voor woningbouw is gelegen aan de noordwestzijde van Leunen. Dit zoekgebied is gelegen op circa 290 meter van de inrichting. Momenteel bevinden zich
nog geen geurgevoelige objecten in dit zoekgebied. Op basis van de omrekeningsfactoren van bijiage 1 van de Rgv wordt de vigerende
vergunningsituatie bepaald op een geuremissie van 37.179 OU.'e* De aangevraagde situatie leidt tot een geuremissie van 38.226 OUg.
110.000807
8
Cemeente
Venray
In het volgende overzicht zijn de berekende geurbelastingen tot geurgevoelige objecten.
weergegeven: Geurgevoelige objecten, niet behorende bij een veehouderij:
Adres geurgevoelig object
Cat. object
Vicarieweg 16
Binnen Binnen
Vicarieweg 44 Hoebertweg 29B Zuidsingel 1 Zuivelweg 6 Leunseweg 16A Sportlaan 2/2A
Enge Steeg 3
Binnen
Geurbelasting (OUE/m^) Norm Werkelijk 2,4
3,0
2,7
3,0 3,0
Buiten
2,1 1,2 4,1 2,2
Buiten Buiten
1,7 4,0
8,0 14,0
Binnen Buiten
3,0 8,0 8,0
Gemeten tot buitenzijde (m.) Werk. Gew. Punt afstand afstand 257 234
50 50
Stal E
342 497
50 50
Stal A Stal A
214 330
25 25
Stal A Stal A
390 178
25 25
Stal A Stal E
Stal E
Geurgevoelige objecten, behorende bij een veehouderij; Adres geurgevoelig object
Cat. object
Zuivelweg 3
buiten
Gemeten tot emissiepunt (m.) Werk. Gew. Punt afstand afstand Stal A 126 50
Gemeten tot buitenzijde (m.) Gew. Werk. Punt afstand afstand 122 25 Stal A
Uit de tabel blijkt dat de activiteiten waarvoor onderhavige vergunning is aangevraagd voldoen aan de normstelling uit de verordening. Tevens wordt voldaan aan de vereiste afstand tot aan
woningen van derden. Geconcludeerd kan worden dat er geen reden is de vergunning vanwege geurhinder te weigeren.
- Beoordeling van de ammoniakemissie
De op 8 mei 2002 in working getreden Wet ammoniak en veehouderij (Wav) bevat het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van de ammoniakemissie uit dierenverblijven in het kader van
de vergunningverlening ingevoigde de Wm. De Wav is per 1 mei 2007 gewijzigd (Staatsblad 2007, 103).
Op grond van artikel 6 Wav wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een
of meer diercategorieen en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig
gebied.
De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal kraamzeugen met 28 dieren, het aantal guste en dragende zeugen met 82 dieren, het aantal opfokzeugen met 156 dieren, het aantal gespeende biggen met 660 dieren en het aantal vieesvarkens met 1.315 dieren.
Ingevolge artikel 2 van de Wav hebben provinciale staten van Limburg op 18 april 2008 de zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Dit besluit is goedgekeurd op 11 juli 2008 door de Minister van
LNV en vervolgens op 7 augustus 2008 bekendgemaakt.
110.000807
9
Gemeente
Venray
Het dichtstbij gelegen zeer kwetsbaar gebied - Boschhuizer bergen - is uitgaande van de
aangevraagde situatie gelegen op een afstand van 4.105 meter van de dierenverblijven. Nu geen van de dierenverblijven geheel of gedeeltelijk in een zeer kwetsbaar gebied dan wel in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied is gelegen, kan de vergunning niet op grond van
artikel 6 Wav worden geweigerd. Beste beschikbare technieken
In artikel 3, derde lid Wav wordt aanvullend gesteld dat de artikelen 8.10, tweede lid en 8.11 Wm ook voor de emissie van ammoniak uit dierenverblijven van toepassing blijven. Dat wil zeggen dat
de vergunning eveneens moet worden geweigerd als in de inrichting niet tenminste de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Als de vergunning betrekking heeft op een gpbv
(IPPC)-installatie moet de vergunning ook worden geweigerd, indien niet wordt voldaan aan de
strengere emissie-eisen die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld (stronger dan
de emissie-eisen die op basis van BBT kunnen worden gesteld). Of aan BBT of de eventuele
strengere emissie-eisen wordt voldaan, moet worden beoordeeld op inrichtingsniveau: de som van de ammoniakemissies uit de dierenverblijven mag niet groter zijn dan de ammoniakemissie die ten hoogste mag worden veroorzaakt als alle huisvestingssystemen elk afzonderlijk aan de emissieeisen (op basis van BBT of de eventuele strengere emissie-eisen) zouden voldoen (interne
saldering ). Als bijzondere voorwaarde geldt dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, wel afzonderlijk aan BBT moet voldoen.
Aangezien onderhavige aanvraag betrekking heeft op een gpbv (IPPC)-installatie zal op grond van het derde lid van artikel 3 van de Wav moeten worden beoordeeld of er vanwege de technische
kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden strengere emissie-eisen dan BBT in de vergunning moeten worden opgenomen (de zogenaamde IPPC-omgevingstoetsing). IPPC-omqevinqstoetsinq Voor de IPPC-omgevingstoets is gebruik gemaakt van de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets
ammoniak en veehouderij. Deze beleidslijn is op 25 juni 2007 door de minister van VROM vastgesteld en op 26 juni 2007 toegezonden aan de Tweede Kamer, De beleidslijn is bedoeld als
handreiking voor het bevoegd gezag. Op 23 november 2007 is in de Staatscourant (nr. 288) de wijziging van de Regeling aanwijzing BBT-documenten gepubliceerd. Hierbij is onder andere het document Beleidslijn IPPComgevingstoets ammoniak en veehouderij toegevoegd aan de BBT-documenten. Het bevoegd gezag dient bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare
technieken rekening te houden met de aangewezen BBT-documenten. Met inachtneming van de beleidslijn wordt eerst beoordeeld of de aangevraagde uitbreiding gezien
de omvang en situering aanleiding kan zijn voor het stellen van strengere emissie-eisen.
110.000807
10
Cemeente
Venray
Vervolgens wordt nader ingegaan op effecten van de uitbreiding op de omiiggende natuurgebieden
en de heersende achtergronddepositie. Op basis daarvan wordt geconcludeerd of en zo ja in welke mate in het onderhavige geval strengere emissie-eisen moeten worden gesteld. Omvang aangevraagde u/tbre/d/ng
In de tabel op pagina 5 wordt een overzicht gegeven van de aangevraagde situatie. In de vergunde
situatie is sprake van een ammoniakemissie van 5.080,9 kg/jaar. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de aangevraagde ammoniakemissie 4.861,8 kg/jaar bedraagt. Hierna wordt de omgeving nader beschouwd om te beoordelen of er een reden is om strengere eisen dan BBT op te leggen en of er
wordt voldaan aan de strengere eisen. Diercategorie
Stal
Aantal dieren
NHsfactor
NHs-Totaal
BBT 2,9
208,8
Totaal BBT
Kraamzeugen (D 12.100)
A
72
8,3
aanvraao 597,6
Guste/dr. zeug. (D 1.3.9.2)
B
82
2,5
205,0
2,6
213,2
Guste/dr. zeug. (D 1.3.100)
B
156
4,2
655,0
2,6
405,6
0,75
982,5
0,23
301,3
Gesp. biggen (D 1.1.100.2)
A,C,D
1.310
Dekberen (D 2.100)
B
1
5,5
5,5
5,5
5,5
Opfokzeugen (D 3.2.1.2)
A
20
4,0
80,0
1,4
28,0
Opfokzeugen ( D 3.2.15.3.1)
E
156
0,53
82,7
1,4
218,4
VIeesvarkens (D 3.2.1.1)
D
208
3,0
624,0
1,4
291,2
D
118
4,0
472,0
1,4
165,2
E
2.184
0,53
1.157,5
1,4
VIeesvarkens (D 3.2.1.2) VIeesvarkens (D 3.2.15.3.2)
Totaal
4.861,8
3.057,6
4.894,8
Effecten uitbreiding op nabijgeiegen natuurgebieden Hieronder worden de effecten van de afname van de ammoniakemissie voor een aantal relevante
natuurgebieden in de omgeving van de veehouderij bezien. Daarbij zijn overeenkomstig het advies
in de beleidslijn de zeer kwetsbare gebieden in aanmerking genomen.
- Boschhuizer bergen
In de aangevraagde situatie ligt het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare gebied op een afstand van 4.105 meter van de dierenverblijven. Het betreft Boschhuizer bergen. Het gebied is tevens
aangemerkt als een Natuurbeschermingswetgebied. Ten opzichte van de vergunde situatie is er
sprake van een afname van de ammoniakemissie (van 5.080,9 tot 4.861,8 kg per jaar). De
effecten van onderhavig plan op het gebied dienen te worden beoordeeld in het kader van de Nb-
wetvergunningsprocedure.
110.000807
11
Cemeente
Venray
- Achtergronddepositie Onderhavige inrichting en de hiervoor beschreven natuurgebieden zijn gelegen in Noord-Limburg. Dit is een omgeving met een relatief hoge achtergronddepositie. Slechts een deel van de
achtergronddepositie is rechtstreeks afkomstig van veehouderijen in de directe omgeving. Op inrichtingsniveau is deze hoge achtergronddepositie echter aanleiding tot het stellen van strengere emissie-eisen. Conclusie op basis van de IPPC-omgevingstoetsing
Gelet op de aangevraagde bedrijfsomvang en de omgeving is er reden om strengere BBT-eisen op te leggen. Op grond van de IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij wordt een strengere
eis echter uitsluitend gesteld voor zover de ammoniakemissie na toepassing van BBT meer bedraagt dan 5.000 kg/jaar. Uit voorgaande label blijkt dat de ammoniakemissie na toepassing
van BBT 4.894,8 kg/jaar bedraagt. Er wordt daarom geen strengere eis gesteld. Dit neemt echter niet weg dat voor de nieuwe stal E voor de huisvesting van 2.184 vieesvarkens
en 156 opfokzeugen, een ammoniakemissiefactor van 0,53 kg/dier/jaar is aangevraagd. Dit is veel minder dan de strengere BBT-eis van maximaal 1,1 kg/NHs, die op grond van de beleidslijn zou
worden vereist. Beoordelinq of aan BBT
Het bevoegd gezag dient bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening te houden met de in de Regeling aanwijzing BBT-documenten
aangewezen documenten. Bij de beoordeling welke huisvestingssystemen als BBT kunnen worden aangemerkt, is aangesloten bij de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (InfoMil, 30 juli 2007), die is opgenomen in de Regeling aanwijzing BBTdocumenten (Staatscourant 2007, nr. 228) en het Besluit ammoniakemissie huisvesting
veehouderij (in working getreden 1 april 2008).
Ten aanzien van ammoniak geldt dat voor varkens huisvestingssystemen met een emissiefactor
kleiner of gelijk aan de maximale emissiewaarde van bijiage 1 van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij voldoen aan BBT. In de label op bladzijde 10 zijn de maximale
emissiefactoren van de onderscheidenlijke diercategorieen aangegeven in de voorlaatste kolom.
Toetsing stalsysteem Uit de label op bladzijde 10 blijkt dat uitsluitend de huisvesting van 82 guste en dragen zeugen in stal B en de huisvesting van vieesvarkens en opfokzeugen in stal E afzonderlijk voldoet aan de maximale emissiewaarden. De betreffende guste en dragende zeugen worden gehouden in een
systeem met voerligboxen en schuine putwanden in het mestkanaal en roosters anders dan
driekant metaal. Dit komt overeen met een systeem met verkleinde mestkelder, dat in het BREFdocument is aangemerkt als BBT.
110.000807
12
Cemeente
Venray
Het huisvestingssysteem voor vieesvarkens en opfokzeugen met een gecombineerde luchtwasser
(BWL 2007.01 VI) is in het BREF-document niet aangeduid als BBT. De redenen hiervoor zijn het
energie- en zuurverbruik en het ontstaan van spuiwater. Het systeem is echter te vergelijken met een nageschakelde techniek ter beperking van de ammoniakemissie en komt wat betreft de
working overeen met systeem 4.6.5.2 (chemical wet scrubber) uit het BREF-document. Het
energie- en zwavelzuurverbruik wordt door de in de aanvraag aangegeven maatregelen beperkt. Ook wordt het spuiwater afgevoerd naar een externe verwerker, zodat dit nuttig kan worden hergebruikt. Op grond van constante jurisprudentie is een chemische combiluchtwasser onder deze
omstandigheden aan te merken als BBT. Voor dekberen zijn geen maximale emissiewaarden vastgesteld. De aangevraagde traditionele
huisvesting kan worden aangemerkt als BBT.
Intern salderen Uit bovenstaande tabel blijkt dat de overige huisvestingssystemen afzonderlijk niet kunnen voldoen aan de maximale emissiewaarden. Artikel 3, derde lid Wav maakt het echter mogelijk dat met behulp van intern salderen aan BBT kan wordt voldaan. Onder intern salderen wordt verstaan: de
mogelijkheid om binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen BBT toe te passen, voor zover het de emissie van ammoniak betreft, op voorwaarde dat de
daardoor gemiste ammoniakreductie wordt gecompenseerd door het toepassen van verdergaande technieken dan BBT in de overige (bestaande of nieuwe) huisvestingssystemen. Dit onder de voorwaarde dat een huisvestingsysteem dat op 1 januari 2007 nog niet aanwezig was
binnen de inrichting afzonderlijk voldoet aan de maximale emissiewaarde.
In de nieuwe afdeling voor guste en dragende zeugen in stal B en in de nieuwe vieesvarkens- en opfokzeugenstal is een systeem toegepast dat verder gaat dan BBT. In de zeugenafdeling is sprake van een emissie van 2,5 kg per dier per jaar waardoor meer ammoniak wordt gereduceerd
dan met het systeem dat als BBT is aangemerkt (2,6 kg/dierplaats/jaar). In de nieuwe vieesvarkens- en opfokzeugenstal is sprake van een emissie van 0,53 kg per dier per jaar
waardoor aanzienlijk meer ammoniak wordt gereduceerd dan met het systeem dat als BBT is aangemerkt (1,4 kg/dierplaats/jaar). De ammoniakemissie van de inrichting is in totaal 4.861,8 kg NH3/jaar. Dit is minder dan de toegestane emissie van 4.894,8 kg NHVjaar (zie tabel bladzijde 10). Er wordt dus, als gevolg van
intern salderen, voldaan aan BBT. Daarbij wordt overwogen dat de nieuwe huisvesting van gespeende biggen in stal C kan op grond van artikel 1, lid onder e. van het Besluit huisvesting omdat de ammoniakemissie en het
vloeroppervlak niet toeneemt ten opzichte van de vergunde huisvesting van vieesvarkens. Dit geldt ook voor de gewijzigde huisvesting van vieesvarkens en gespeende biggen in stal D.
110,000807
13
Cemeente
Venray
In stal A waren 44 kraamzeugen en 480 gespeende biggen vergund in kraamopfokhokken. Deze hokken blijven ongewijzigd als kraamhokken in gebruik. In de aangevraagde situate worden hierin 72 kraamzeugen en 170 gespeende biggen gehouden. Omdat middels intern salderen meer wordt
gereduceerd dan nodig is om te voldoen aan BBT, is het echter niet redelijk om de kraamhokken
voor 28 kraamzeugen emissiearm te laten aanpassen. Geconcludeerd kan worden dat er geen grond is om de vergunning vanwege de ammoniakemissie te weigeren. - Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de 'Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer' van kracht geworden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op grond van artikel 5.6 Wm
gelden ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen',
bijiage 2 en de op de ttel 5.2 berustende bepalingen. Ingevolge artikel 5.17, eerste lid van de Wm houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling van een aanvraag voor een milieuvergunning rekening
met de in bijiage 2 genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes. De grenswaarden bestaan uit een uurgemiddelde, een 24-uursgemiddelde en/of een
jaargemiddelde norm. Voor het berekenen van de luchtkwaiiteit bij inrichtingen geldt artikel 74 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL). In dit artikel staat dat getoetst moet worden
vanaf de grens van de inrichting (toepasbaarheidsbeginsel), op plaatsen waar blootstelling significant is (blootstellingscriterium). Ingevolge artikel 5.19 van de Wet milieubeheer dient geen
beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden op locaties waar geen vaste bewoning is en waar publiek geen toegang toe heeft. Daarnaast behoeft toetsing niet plaats te vinden op de rijbaan van
wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm
hebben. Indian de gevolgen van de vergunningaanvraag in 'niet in betekende mate' bijdragen aan de
luchtkwaliteit, dan kan toetsing aan de grenswaarden achterwege blijven. Verlening van deze beschikking kan gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Er is dan ook
onderzoek verricht naar de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de in genoemde bijiage 2 aangegeven milieukwaliteitseisen voor de emissie van zwevende deeltjes in de buitenlucht. Voor zwevende deeltjes gelden de volgende grenswaarden:
- 40 microgram per m^ als jaargemiddelde concentrate;
- 50 microgram per m^ als 24-uursgemiddelde concentrate, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per kalenderjaar mag worden overschreden.
Bij het toetsen aan voornoemde grenswaarden dient de bijdrage van de inrichting te worden
opgeteld bij de achtergrondconcentratie ter plaatse.
110.000807
14
Cemeente
Venray
De achtergrondconcentratie bedraagt op grond van de door het Ministerie van VROM vastgestelde achtergrondgegevens circa 28 pg/m^ als jaargemiddelde concentratie in 2009. Tevens vindt zonder
de invioed van de inrichting 23 maal per jaar een overschrijding van de grenswaarde van 50 pg/m^ als 24 uur gemiddelde concentratie plaats. De grenswaarden voor de emissie van zwevende deeltjes worden, zonder invioed van de inrichting niet overschreden. Vanaf de grens van de inrichting zijn uitsluitend (bedrijfs)woningen van derden, wegen zonder
voetpad en niet voor publiek toegankelijke landbouwgronden gelegen. Toetsing hoeft derhalve uitsluitend plaats te vinden op nabij gelegen woningen Enge Steeg, Zuivelweg, Vicarieweg, Sportlaan, Leunseweg en Hoebertlaan en de sportgebouwen aan Leunseweg en Sportlaan. Bij onderhavige vergunningaanvraag is een berekening gevoegd van de emissie van zwevende deeltjes als gevolg van de gemelde activiteiten.
Uit het rapport blijkt dat de activiteiten waarvoor deze vergunning is aangevraagd, de emissie van zwevende deeltjes aan de grenswaarden uit bijiage 2 voldoen. De vergunning behoeft derhalve niet
geweigerd te worden op grond van artikel 8.8 tweede en derde lid juncto artikel 5.17 van de Wet milieubeheer. - Afvalstoffen
Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat de navolgende afvalstoffen uit de inrichting vrijkomen: Kadavers; Bedrijfsafval van huishoudelijke aard;
Klein gevaarlijk afval (waaronder afgewerkte olie)
De hoeveelheid overige bedrijfsafvalstoffen bedraagt minder dan 25 ton per jaar en de hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen bedraagt minder dan 2,5 ton per jaar. Ingevolge de Handreiking Wegen
naar preventie bij bedrijven, is daarom afvalpreventie niet relevant. Gezien de aard en omvang van de afvalstoffen die uit de inrichting vrijkomen, wordt een preventie-
onderzoek in het kader van de "verruimde reikwijdte" (naar reductie en hergebruik van afvalstoffen) niet zinvol geacht.
In de vergunning zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de opslag, het gescheiden inzamelen en het afvoeren van voor recycling of hergebruik in aanmerking komende afvalstoffen. (Bedrijfs)afval water
Uit de aanvraag voIgt dat er diverse afvalwaterstromen uit de inrichting vrijkomen:
1.
Was- en schrobwater van de stallen;
2.
Waswater van voertuigen voor veevervoer;
3.
Overig bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard;
4.
Spuiwater van de gecombineerde luchtwasser.
110.000807
15
Gemeente
Venray
Ad 1 en 2.
Was- en schrobwater van de stallen, waswater van voertuigen (inclusief mobiele
kadaveraanbiedvoorziening) worden geloosd in de mestputten en worden samen met de mest, over landbouwgronden uitgereden overeenkomstig de bepalingen van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm).
Ad 3.
Bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op de openbare holering. Op deze lozing zijn de bepalingen van de Instructieregeling lozingen milieubeheer (Stcrt 59, 22 maart 1995) van
toepassing. Deze bepalingen zijn in de voorschriften bij deze vergunning opgenomen.
Ad 4. Binnen de inrichting wordt een gecombineerde luchtwasser, bestaande uit een chemische wasser, waterwasser en biofilter geplaatst. Vooral de waterwasser en de chemische wasser produceren
spuiwater, dat na tijdelijke opslag uit de inrichting moet worden afgevoerd. Dit afvalwater wordt in een afzonderlijke gesloten opslagvoorziening van 40 m^ opgeslagen. Bij elke luchtwasser ontstaat spuiwater omdat er regelmatig een gedeelte van het water uit de luchtwasunit moet worden afgelaten om de working van de installatie goed te laten verlopen. De inrichtinghouder dient de
waterkwaliteit ook regelmatig zelf te controleren. Voor de afvoer van het spuiwater uit de inrichting kan op grond van het Meststoffenbesluit 1977 ontheffing worden verleend. Het spuiwater kon, tot
dat de EURAL in working trad, op grond van het Meststoffenbesluit 1977 niet als meststof worden vervoerd of verkocht, anders dan met een ontheffing van het bepaalde in artikel 2 van het
Meststoffenbesluit, waarin dit wel werd gezien als meststof. Als de leverancier van onderhavige luchtwasser, in het bezit is van een dergelijke ontheffing, kan worden gewaarborgd dat het spuiwater conform de geidende wet- en regelgeving wordt afgezet. In andere gevallen dient het spuiwater als een afvalstof uit de inrichting te worden afgevoerd.
In de voorschriften van de vergunning is daarom opgenomen dat in een logbook de afleverbonnen aanwezig dienen te zijn waarin de hoeveelheid en de bestemming (locatie waar het spuiwater naar
toe gaat) is aangegeven.
- Bodembescherming
Op basis van het bepaalde in de Wm dient het bevoegd gezag bij de beoordeling van een vergunningaanvraag de gevolgen voor de bodem en de mogelijkheden tot bescherming van deze bodem mee te nemen. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB, 2003) is een hulpmiddel voor
de risicobepaling op bodemverontreiniging en de selectie van adequate bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.
110.000807
16
Cemeente
Venray
De navolgende bodembedreigende activiteiten vinden plaats: Opslag van dieselolie in een tank (bovengronds met een totale inhoud van 600 liter); Opslag van huisbrandolie in twee bovengrondse tanks (totale inhoud 10.000 liter); Opslag en gebruik van olien en afgewerkte olien in vaten (totale inhoud 240 liter); Opslag en gebruik van 25 liter reinigingsmiddelen in emballage; Opslag en gebruik van 25 liter of kg. bestrijdingsmiddelen in emballage; Opslag en gebruik van 25 liter diergeneesmiddelen; Opslag van zwavelzuur in een stationaire tank (2.000 liter); Opslag van drijfmest in de mestkelders (totale inhoud circa 4.830 m^);
Opslag van spuiwater van de gecombineerde luchtwasser (40 m^); Een wasplaats waar veetransportmiddelen worden gereinigd;
Een onderhoudswerkplaats.
De tanks voor opslag van diesel- en huisbrandolie, zijn enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in of boven een lekbak. De opslag en het gebruik van de bijbehorende installaties dient te voldoen aan het gestelde in de richtlijn PGS 30 "Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine installaties.
Opslag tot 150 m’ van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100 ®C in
bovengrondse tanks." Met het toepassen van deze richtlijn, kan bodemverontreiniging, als gevolg van de opslag en het afleveren van diesel- en huisbrandolie, in voldoende mate worden voorkomen. De desbetreffende
bepalingen zijn opgenomen in de voorschriften bij deze beschikking.
De opslag van olien, vloeibare reinigingsmiddelen, bestrijdingsmiddelen, diergeneesmiddelen en zwavelzuur moet plaatsvinden in of boven lekbakken. Als de opslag van laatstgenoemde producten
boven een vloeistofkerende vloer plaatsvindt, zijn in combinatie met de genoemde lekbakken
voldoende maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen. Leidingen voor zwavelzuur en spuiwater zijn ondergronds gelegen. Deze leidingen moeten
regelmatig op vloeistofdichtheid worden gecontroleerd. De leidingen moeten bestand zijn tegen de fysieke en chemische eigenschappen van de genoemde stoffen. Overeenkomstige voorschriften zijn
aan deze beschikking verbonden. Door aan deze vergunning voldoende adequate voorschriften te
verbinden, kan bodemverontreiniging in voldoende mate worden voorkomen.
De mestkelders onder de stallen moeten op grond van de Bouwtechnische Richtlijnen Mestbassins 1992, mestdicht zijn uitgevoerd, waardoor de kans op lekken als nihil kan worden beschouwd. Door de beschreven bouwwijzen en toetsing aan de bouwrichtlijnen van de mestkelders, wordt het risico van bodemverontreiniging in voldoende mate beperkt.
110.000807
17
Cemeente
Venray
Ten aanzien van de vloeistofkerendheid en de uitvoering van de wasplaats voor
veetransportmiddelen, zijn in deze vergunning eveneens voldoende adequate voorschriften opgenomen waarmee bodemverontreiniging kan worden voorkomen.
De werkplaats wordt uitsluitend gebruikt voor werkzaamheden aan eigen machines. Het is daarom voldoende dat de vloer vloeistofkerend is uitgevoerd. In samenhang met regelmatige inspectie
wordt op deze wijze een aanvaardbaar bodemrisico gewaarborgd.
Door aan deze vergunning voldoende adequate voorschriften te verbinden, kan bodemverontreiniging in voldoende mate worden voorkomen. Uit de beoordelingssystematiek van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2003) blijkt
dat er, door het aanwezig zijn en/of voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen,
voldoende goede maatregelen zijn genomen teneinde bodemverontreiniging te kunnen voorkomen op plaatsen waar de stoffen worden opgeslagen en gebruikt. Mede gezien de aard van de werkzaamheden en activiteiten en de hoeveelheid vloeistoffen die binnen de inrichting worden opgeslagen, wordt het niet noodzakelijk geacht dat een nulsituatie-onderzoek en een eindsituatie-
onderzoek worden uitgevoerd. - Energie Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met de zogenaamde "verruimde
reikwijdte" van de Wet milieubeheer. Beoordeeld meet worden of in het belang van bescherming van het milieu, voorschriften met betrekking tot het energieverbruik gesteld moeten worden en wat de aard
van deze voorschriften moet zijn. De circulaire "Energie in de milieuvergunning" en de daarop
gebaseerde handreiking "Energie in de Wet milieubeheer" van September 2000 gaat er vanuit dat energiebesparende maatregelen in relatie met de terugverdientijd haalbaar zijn als jaarlijkse het
elektriciteitsverbruik meer is dan 50.000 kWh, het huisbrandolieverbruik meer bedraagt dan 21.000 liter. Uit de aanvraag voIgt dat de navolgende hoeveelheden energie worden verbruikt:
■
Elektriciteit: 110.000 kWh;
■
Huisbrandolie: 25.000 liter.
Uit de gegevens bij de aanvraag blijkt de volgende energiebesparende maatregelen zijn of worden getroffen: •
Natuurlijke daglichtintreding
•
Centrale lichtschakelaar Schemerschakelaar buiten- en terreinverlichting Energiezuinige verlichting Vloer-, wand- en dakisolatie van de stallen
Isolatie van leidingen Centrale afzuiging in stal E
110.000807
18
Cemeente
Venray
Frequentieregeling
Regeling met meetwaaier en smoorunit
Klimaatcomputer Uit de gegevens blijkt dat diverse energiebesparende maatregelen zijn of worden getroffen.
Daarom is er - gezien de voorgenomen maatregelen - vooralsnog geen aanleiding voor het opnemen van middel-, onderzoeks- en/of rapportagevoorschriften ter beperking van het energieverbruik. Voor
optimalisatie van het energieverbruik is slechts een meet- en registratievoorschrift opgenomen om het energieverbruik jaarlijks te registreren en een onderhoudsvoorschrift ten behoeve van de
verwarmingsinstallatie.
- Geluid Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat onder andere de navolgende akoestisch relevante
bronnen binnen de inrichting aanwezig zijn:
Ventilatoren (ten behoeve van de stallen); Vervoersbewegingen van tractor, vrachtauto's en personenauto's (van en naar de inrichting);
Laad- en losactiviteiten, zoals verladen dieren, mest en lossen voer.
Representatieve bedrilfssituatie
Langtijdgemiddelde beoorde//ngsn/veau CLAf,!?? Door de gemeente Venray zijn geen gebiedsgerichte grenswaarden in een gemeentelijke nota
industrielawaai vastgesteld. Dit houdt in dat voor de bepaling van de maximaal toegestane
geluidbelasting hoofdstuk 4 van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" d.d. 21 oktober 1998 van het Ministerie van VROM (verderte noemen: de Handreiking) is gebruikt. Op grond van de Handreiking dient de wijze van toetsing en normstelling voor bestaande inrichtingen als voIgt plaats te vinden:
"
Toetsing vindt plaats aan de hand van de in tabel 1 genoemde richtwaarden;
•
Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid;
■
Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid kan in sommige gevallen tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) aanvaardbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te
spelen.
110.000807
19
Cemeente
Venray
Tabel 1: Richtwaarden voor woonomgevingen ________________________________ Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in __________________ dB(A) Dag Avond Nacht 40 35 Landelijke omgeving__________ 30 Rustige woonwijk, weinig verkeer 45 40 35 50 45 Woonwijk in de stad 40
Onderhavige inrichting is gelegen in het buitengebied van Leunen, hetgeen betekent dat in beginsel
een waarde van 40 dB(A)-etmaalwaarde geldt (landelijke omgeving). Indien de omgeving van de inrichting echter nader wordt bekeken, kan worden geconcludeerd dat er diverse (agrarische)
bedrijvigheden plaatsvinden. Met inachtneming van deze gebiedstypering, wordt het aanvaardbaar geacht om de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr.Li) te stellen op
45, 40 en 35 dB(A), voor respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode. Deze normen zijn als voorschrift aan deze vergunning verbonden.
De normstelling geldt in de regel op de gevel van woningen van derden of voor zover zich binnen
die afstand geen woningen bevinden op 50 meter van de grens van de inrichting. Maximale geluidniveau (La,max)
Voor het maximale geluidniveau (LA,m8x:) moet volgens de Handreiking worden gestreefd naar het
voorkomen van geluidniveau's die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidniveau
uitkomen (= de voorkeursgrenswaarde). Door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn de navolgende waarden echter al regelmatig als aanvaardbaar aangemerkt: 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode (200203707/1 d.d. 11 juni 2003 en 200204087/1 d.d. 2 juli 2003). Dit laatste geeft voldoende aanleiding om laatstgenoemde normstelling in deze vergunning te
verwerken. Ook voor het maximale geluidniveau is aan de orde dat de normstelling in beginsel geldt ter plaatse van woningen van derden. Daar waar binnen 50 meter - van de grens van de
inrichting - geen woningen van derden zijn gelegen, geldt de normstelling op elk willekeurig punt
op 50 meter van de grens van de inrichting. Niet-representatieve bedriifssituatie
Aan en afvoerbewegingen vinden alien in de dagperiode (7.00 - 19.00 uur) plaats. Uit de aanvraag
voIgt echter dat het maximaal 12 keer per jaar kan voorkomen dat er - tussen 19.00 en 07.00 uur (avond- en nachtperiode) - vrachtwagens de inrichting bezoeken ten behoeve van het verladen
van dieren. Het een en ander zal tot gevolg hebben dat er tijdens het uitvoeren van deze
werkzaamheden en activiteiten hogere geluidbelastingen zullen worden geproduceerd dan de
normstelling van de representatieve bedrijfssituatie. Nu deze werkzaamheden en activiteiten
"slechts" enkele keren per jaar gedurende de avond- en nachtperiode plaatsvinden en het voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is dat deze werkzaamheden en activiteiten worden uitgevoerd, wordt het aanvaardbaar geacht dat een verhoging van de geluidnormen wordt toegestaan.
110.000807
20
Gemeente
Venray
Indirecte hinder Uit de aanvraag voIgt dat het aantal bewegingen van personenauto's en vrachtwagens van en naar de inrichting (de zogenaamde indirecte hinder) gering is. Op grond van het bepaalde in de
zogenaamde schrikkelcirculaire van het Ministerie van VROM van 29 februari 1996 kan/mag
daarom in alle redelijkheid worden aangenomen dat aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-
etmaalwaarde wordt voldaan. Het opnemen van laatstgenoemde waarde in deze vergunning, wordt daarom aanvaardbaar geacht. Akoestisch onderzoek
Gezien de aard en omvang van de (akoestisch relevante) werkzaamheden en activiteiten kan/mag in alle redelijkheid worden aangenomen dat aan de in deze vergunning opgenomen geluidnormen wordt voldaan. Daarom wordt het op dit moment niet noodzakelijk geacht dat een akoestisch
onderzoek onderdeel dient uit te maken van de aanvraag. - Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de kans op en effect van een ernstig ongeval binnen de inrichting vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Kans en effect worden onder meer bepaald
door stofeigenschap en hoeveelheid aanwezige stoffen, alsmede op de wijze waarop met deze
stoffen wordt omgegaan. Ops/ag gevaar/gke sto/ifen
- Uit de aanvraag voIgt verder dat er binnen de inrichting maximaal 2.000 liter zwavelzuur wordt opgeslagen in een stationnaire tank. De opslag moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van PGS 15. De desbetreffende bepalingen zijn opgenomen in de voorschriften bij deze
vergunning. - Uit de aanvraag voIgt verder dat er binnen de inrichting maximaal 25 liter reinigingsmiddelen worden opgeslagen. Aangezien de aangegeven hoeveelheid, tevens een werkvoorraad betreft,
hoeven de bepalingen van PGS 15 niet te worden opgenomen in de voorschriften bij deze
vergunning. - De opslag van bestrijdingsmiddelen moet voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling (artikel 18) van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Staatsblad 2007, nr. 125) en aan de
gestelde vergunningsvoorschriften ter beperking van risico's betreffende de externe veiligheid.
110.000807
21
Cemeente
Venray
- Brandveiligheid Ter bestrijding van een beginnende brand moeten binnen de inrichting voldoende
brandblusmiddelen aanwezig zijn. De betrouwbaarheid en de bedhjfszekerheid van deze blustoestellen wordt verkregen door jaarlijkse controle en onderhoud. Er moet worden voldaan aan de bepalingen van het "Besluit brandveilig gebruik gebouwen", dat op 1 november 2008 in working is getreden.
- Overige regels en wetten Het verienen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee ook is voidaan aan de bepaiingen die in andere wetten en regeis (zoais Woningwet, Bouwverordening, bestemmingsplan,
Natuurbeschermingswet of besluiten ingevolge de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteid dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.
110.000807
22
Cemeente
Venray
Besluit BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN VENRAY, Gelet op de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en Wet milieubeheer (Wm) BESLUITEN:
Aan G.A.M. Jenniskens, Enge Steeg 1, 5809 EB in Leunen de gevraagde revisievergunning, ingevolge artikel 8.4, lid 1 van de Wet milieubeheer inzake een varkensfokkerij, vieesvarkenshouderij en landbouwproductiebedrijf voor het houden van:
- 72 kraamzeugen, overige huisvestingssystemen; - 82 guste en dragende zeugen, groepshuisvesting met voerligboxen of zeugenvoerstations, zonder strobed met schuine putwanden in het mestkanaal, roosters anders dan metalen driekant roosters (BWL 2006.09); - 156 guste en dragende zeugen, overige huisvestingssystemen, groepshuisvesting; - 1.310 gespeende biggen <25 kg, overige huisvestingssystemen, hokoppervlak groter dan 0,35 m^; - 1 dekbeer, overige huisvestingssystemen; - 20 opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^; - 156 opfokzeugen van ca.
25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met waterwasser, chemische wasser en biofilter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^ (BWL 2007.OlVl); - 208 vieesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak maximaal 0,8 m^; - 118 vieesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsiuiter, hokoppervlak groter dan 0,8 m^ en - 2.184 vieesvarkens >25 kg, gedeeltelijk roostervloer, gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met waterwasser, chemische wasser en biofilter, hokoppervlak groter dan 0,8 m 2 (BWL 2007.01V1), te verlenen voor de inrichting aan Enge Steeg 1, 5809 EB in Leunen kadastraal bekend: gemeente Venray, sectie N, nummer 638 (gedeeltelijk) en overeenkomstig de bij dit besluit behorende voorschriften en als zodanig gewaarmerkte bescheiden.
De voorschriften van paragraaf 1.2 "Nazorg" van kracht te laten blijven tot 5 jaar nadat deze
vergunning haar rechtskracht heeft verloren.
Ven ray,
- 8 FEB. 20W
namens het college van Burgemeester en Wethouders van Venray,
afdelingsmanager Wonen en Werken,
Henk Loonen
110.000807
23