CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Vast te stellen regels met ambtshalve wijzigingen

Gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Janslust 11 Venray, besluitvorming wordt uitgesteld5.674 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

REGELS BESTEMMINGSPLAN ‘JANSLUST 11 HEIDE’

INLEIDENDE REGELS Artikel 1. Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Janslust 11 Heide’ van de gemeente Venray. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML bestand NL.IMRO.0984.BP20009-va01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat. Het gebouw kan onderscheiden worden van het hoofdgebouw en is in architectonisch opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 abiotische waarde de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot de aanwezigheid van natuurlijke grondwaterstromen en een voor het gebied typerende bodemopbouw. 1.7 agrarisch bedrijf Een bedrijf dat naar aard en omvang uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren evenals een productiegerichte paardenhouderij inclusief pensionstal. 1.8 (agrarisch) Bedrijfsgebouw (een gedeelte van) een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een (agrarisch) bedrijf.

1.9 agrarische bedrijfsvoering de bedrijfsmatige gang van zaken binnen een agrarisch bedrijf. 1.10 agrarisch grondgebruik gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, al dan niet met het gebruik van tijdelijk afdekmateriaal, en/ of door middel van het houden van dieren. 1.11 archeologische waarden de aan een gebied toegekende waarden die worden bepaald door de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.13 bebouwingsoppervlak een op de verbeelding aangegeven oppervlakte in vierkante meters, dat de omvang van het deel van een bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd. 1.14 bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het plan aanwezig. 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 bijgebouw een al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw waarbij het behoort, dat niet toegankelijk is vanuit het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt en functioneel dienstbaar is aan dat hoofdgebouw. 1.18 bijbehorende bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.19 bosbouwkundige waarde de aan een gebied toegekende waarde vanwege zijn houtproductiefunctie in samenhang met een natuur-, landschappelijke en/of recreatieve functie. 1.20 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.21 bouwgrens de grens van een bouwvlak.

1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de planregels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.25 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.26 cultuurhistorische waarde de waarden aan een gebied of opstal toegekende waarde met betrekking tot de kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegen- en slotenpatroon, de verkavelingsstructuur of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden. 1.27 dagrecreatief medegebruik 1 extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën. 1.28 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.29 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen). Een escortbedrijf is een aparte functie en derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q.

bestemming valt zoals bedoeld dan wel omschreven in dit bestemmingsplan. 1.30 gebiedskwaliteit Gebiedskwaliteit is opgebouwd uit vier, onderling samenhangende, aspecten: a.

Landschappelijke structuur: De wijze, waarop de totstandkomingsgeschiedenis van een gebied afleesbaar is in de huidige situatie;

b.

landschappelijke elementen: De intrinsieke waarde van samenhangende ecologische en groenstructuren en watersystemen en de visuele waarde van de (afwisseling) van groene en gebouwde kwaliteiten;

c.

Verkavelingstructuur/ bebouwingsstructuur: De wijze waarop de ruimte in een gebied letterlijk geordend is: open/gesloten, de verdeling van bebouwd/onbebouwd, de functionele verdeling en de herkenbaarheid van de ruimtelijke structuur;

d.

Functionele structuur: De kwaliteit van de gebouwde omgeving, zowel de kwaliteit van de elementen op zich, als de kwaliteit van de onderlinge samenhang en de relatie met andere kwaliteitsaspecten.

De inhoudelijke waardering van de gebiedskwaliteit is opgenomen in het Ruimtelijk Kwaliteitskader (RKK). 1.31 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32 halfverharding een enigszins harde laag voor een tuinpad, fiets- of wandelpad, bospad/zandweg, oprit, parkeerterrein, bestaande uit breuksteen, vermalen asfalt, vergruisde schelpen of daarmee vergelijkbaar materiaal van verschillende groottes en daardoor een waterdoorlatende functie en natuurlijke uitstraling hebbend;

1.33 natuurbegraafplaats terrein dat deel uitmaakt van een bos- en/of natuurgebied waar lichamen worden begraven en/of urnen worden bewaard, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van onbehandelde/onbewerkte natuurlijke materialen.

1.33 natuurlijke waarden de aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van bodemkundige, hydrologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in samenhang. 1.34 nieuwbouw het oprichten van een nieuw gebouw waarbij geen rekening wordt gehouden met de verschijningsvorm van een eventueel gesloopt gebouw op die locatie. 1.35 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren. 1.36 omgevingskwaliteit samenhangende systeem van water, milieu-, natuur- en landschapskwaliteit, zoals weergegeven in het Ruimtelijk kwaliteitskader. 1.37 nevenactiviteiten een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. 1.38 onevenredige aantasting van de aanwezige waarden het resultaat van een ruimtelijke ingreep heeft een verhoudingsgewijs te groot nadelig effect op de aanwezige waarden in dat gebied. 1.39 (straat) prostitutie het zich (op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg resp.

openbare ruimten bevindend voertuig) beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele dienste ten behoeve van een ander tegen vergoeding. (Straat)prostitutie is een aparte functie en valt derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit bestemmingsplan. 1.40 peil

a.

Voor gebouwen waarvan: 1. de hoofdingang binnen 20 meter van de weg is gelegen en; 2.

het oorspronkelijke maaiveld niet meer dan 0,50 meter afwijkt van de hoogte van de weg: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b.

In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het oorspronkelijke maaiveld waarop het bouwwerk geplaatst is of wordt;

met dien verstande dat, indien bestaande gebouwen afwijkend van de onder a. en/of b. genoemde gevallen zijn gerealiseerd, de bovenkant van de begane grondvloer van bestaande gebouwen als peil wordt beschouwd. 1.41 seksinrichting een voor het publiek toegankelijk gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde dan wel onderkomen, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar. Een seksinrichting is een aparte functie en valt derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit bestemmingsplan.

1.42 verbouw het verrichten van bouwwerkzaamheden waarbij wezenlijke delen van de bestaande bouw aanwezig moeten blijven. 1.44 verharding een harde laag voor een weg, oprit, parkeerterrein of daarmee vergelijkbare voorzieningen en bestaande uit materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt ofuit elementen die in meer of mindere mate (los) met elkaar verbonden zijn en als gevolg waarvan neerslag niet of zeer beperkt in de bodem kan infiltreren. 1.43 voorgevelrooilijn de snijlijn van het naar de weg gekeerde gevelvlakken van een woning (niet zijnde de voorkant van een erker) of (agrarisch) bedrijfsgebouw (dat het dichtst bij de weg is gelegen) en het grondvlak, waarop de woning/(agrarisch) bedrijfsgebouw zich bevindt, waarbij de voorgevelrooilijn doorloopt tot de perceelsgrenzen. 1.44 woning een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting en hoofdverblijf van een huishouden.

Artikel 2. Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 De goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.2 De inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3 Bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 Hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde verticaal vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte peil. De hoogte ten aanzien van de bestemming Verkeer- Railverkeer moet gemeten worden vanaf bovenkant spoorstaaf (BS). 2.5 Afstand tot de (naar de weg gekeerde) perceelgrens de kortste afstand van een bouwwerk tot de (naar de weg gekeerde) perceelgrens van het bouwperceel. 2.6 Afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen. 2.7 Vloeroppervlakte op de vloer tussen de binnenzijden van de gevelmuren en/of gemeenschappelijke scheidingsmuren.

2.8 De oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 Inhoud overkappingen, carports en daarmee gelijk te stellen gebouwen en bouwwerken vanaf peil tot aan de buitenzijde van het dak en tussen de buitenwerkse maten van de draagconstructie. Overstekken tot 0,50 meter worden niet meegeteld bij de berekening van de inhoud. 2.10 Dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.11 Vrijwaringszone weg uit de as van de dichtstbijgelegen rijbaan inclusief bijbehorende toe- en afritten. 2.12 Inhoud bedrijfswoning als inhoud van de bedrijfswoning wordt aangemerkt de inhoud (m3) van het hoofdgebouw inclusief aan/bijgebouwen, exclusief overkappingen. Zakelijke functies die in het woongedeelte zijn opgenomen, worden geacht tot de inhoud van de woning te behoren.

2.13 Inhoud burgerwoning als inhoud van de burgerwoning wordt aangemerkt de inhoud (m3) van het hoofdgebouw inclusief aan/bijgebouwen, exclusief overkappingen. Waar het hoofdgebouw onderdeel is van voormalige bedrijfsbebouwing, wordt onder inhoud van de burgerwoning begrepen de inhoud tot dat deel van het hoofdgebouw dat op dat moment functioneel als woonruimte in gebruik is, dan wel waarvan de uitstraling als woning zich naar buiten toe etaleert. De inhoud wordt dan tot dat punt en over alle bovengrondse bouwlagen berekend. 2.14 Wijze van meten Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: •

afstanden loodrecht;

•

hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en;

•

maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.

BESTEMMINGSREGELS Artikel 3. Natuur 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

bos- en natuurgebieden;

b.

instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden en met daaraan nevengeschikt de bosbouwkundige waarde;

c.

dagrecreatief medegebruik 1;

d.

een natuurbegraafplaats en daarbij behorende nevenactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – natuurbegraafplaats';

e.

parkeren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – parkeren toegestaan';

f.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – visuele bufferzone’ een zone van 20 m langs de weg Weverslo die zodanig is ingericht en in stand wordt gehouden dat deze dient als visuele afscherming van het gebied met de weg Weverslo, waar ook geen graven gedolven mogen worden en geen wandelpaden mogen worden aangelegd;

g.

het houden van presentaties, lezingen, exposities, workshops en andere daarmee vergelijkbare bijeenkomsten die invulling geven aan de cultuur rondom het levenseinde en die de meditatienatuur ter plaatse respecteren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – natuurbegraafplaats.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Natuur’ aangewezen gronden mogen bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a.

gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering

van

ondergeschikte

bouwwerken,

zoals

afrasteringen

en

eenvoudige

recreatief

ondersteunende voorzieningen, zoals wegwijzers, informatieborden en zitbanken, waarbij de hoogte van de bouwwerken maximaal 2 meter mag bedragen en geldt dat ze naar aard en afmetingen bij deze bestemming passen; b.

bij de bouw van de onder a toegestane bouwwerken, dan wel de aanwezigheid van de onder a genoemde bouwwerken, dan wel als gevolg van het te verwachten gebruik van de onder a genoemde bouwwerken mogen de natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad;

c.

ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak 90 m2’ mag het bebouwd oppervlak voor wat betreft gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 90 m2 bedragen.

3.2.2 Natuur Voor de bouwwerken gelegen op gronden met de bestemming 'Natuur' gelden onderstaande eisen: a.

bedrijfsgebouwen:

Bouwhoogte

Max. 6 m

Goothoogte

Max. 3 m

Afstand tot de bouwperceelsgrens

Min. 5 m

Totale oppervlakte

Max. 90 m2

Bouwhoogte Erf- en terreinafscheidingen

Max. 2 m

Bouwwerken geen gebouw zijnde, voorzover gelegen binnen het bouwvlak

Max. 10 m

Bouwwerken geen gebouw zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – parkeren toegestaan'

Max. 2 m

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Max. 2 m

Afstand tot de bouwperceelsgrens

Min. 5 m

b.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

c.

er geldt een bouwverbod van vijf meter tot de bouwperceelsgrens ten behoeve van de landschappelijke inpassing;

d.

ondergeschikte bouwdelen (tussenlid, kleine, lage aanbouwen etc) zijn wat betreft hoogte en verschijningsvorm uitgezonderd van het gestelde onder artikel 3.2.2 onder a en b.

3.3 Specifieke gebruiksregels Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor: a.

het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;

b.

het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;

c.

elke vorm van detailhandel, anders dan ten behoeve van het in 3.1 onder c bedoelde recreatieve gebruik, in de vorm van ambulante handel;

d.

het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een escortbedrijf en (straat)prostitutie;

e.

lawaaisporten;

f.

het aanbrengen van verhardingen buiten het bouwvlak, behoudens halfverhardingen welke uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – parkeren toegestaan';

g.

het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);

h.

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);

i.

het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

j.

het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;

k.

het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);

l.

het gebruik van de gronden voor asverstrooiing;

m. het gebruik van de gronden voor meer dan 2 onder elkaar gelegen graven; n.

meer dan 200 graven of 800 urnengraven per hectare;

o.

meer dan 2 activiteiten per maand, zoals genoemd onder 3.1 onder g.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:

a.

het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);

b.

het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen);

c.

het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

d.

het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;

e.

het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;

f.

het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;

g.

het dempen van sloten of greppels;

h.

het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);

i.

het planten van bomen en/of struiken.

3.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 3.4.1 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a.

plaatsvinden binnen het bouwvlak;

b.

het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c.

de aanleg van kabels en leidingen betreffen binnen wegbermen welke grenzen aan deze bestemming;

d.

zijn toegestaan ten behoeve van het wijzigen van de natuurvorm, zoals van bos naar heide, op basis van een beheerplan.

3.4.3 Afwegingskader Een in artikel 3.4.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de natuurwaarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

Artikel 4. Waarde - Archeologie - 2 4.1 Bestemmingsomschrijving De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 2' zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 10.3 van de planregels in acht dient te worden genomen. 4.2 Bouwregels a.

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;

b.

Indien de verstoring meer dan 500 m 2 bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm, dient de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Algemeen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2 van de planregels en meer bebouwing toestaan, indien door archeologisch onderzoek is gebleken dat geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of;

b.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of;

c.

de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

4.3.2 Afwegingskader Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in 4.3.1 vragen burgemeester en wethouders een archeologisch deskundige om schriftelijk advies of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor: a.

grondbewerkingen uit te voeren, voor zover de werkzaamheden dieper gaan dan 50 cm ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;

b.

het indrijven van voorwerpen in de grond, dieper dan 50 cm.

4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a.

het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);

b.

het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);

c.

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);

d.

het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

e.

het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;

f.

het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;

g.

het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;

h.

het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);

i.

het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;

j.

het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- en sierteelt waarbij de oogst dieper dan 50 cm zal plaatsvinden.

4.5.2 Uitzonderingen Het in artikel 4.5.1 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a.

het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

b.

een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m 2;

c.

blijkens een rapport van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige (voortoets) de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;

d.

de aanleg van kabels en leidingen betreffen binnen wegbermen welke grenzen aan deze bestemming.

4.5.3 Afwegingskader Een in artikel 4.5.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 5. Waarde – Leefgemeenschap bossen 5.1 Bestemmingsomschrijving De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde – Leefgemeenschap bossen’ zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.

bescherming en versterking van bestaande bos- en natuurgebieden;

b.

instandhouding van aanwezige natuurlijke, cultuurhistorische, visueel landschappelijke, abiotische en archeologische waarden met een zo sterk mogelijk ecologische en ruimtelijk structurele samenhang;

c.

bescherming van de natuur- en landschapswaarden in het gebied;

waarbij artikel 10.3 van de planregels in acht dient te worden genomen. 5.2 Bouwregels Op of in de als 'Waarde – Leefgemeenschap bossen' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd mits de in artikel 5.1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. 5.3 Specifieke gebruiksregels Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor: a.

het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;

b.

het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;

c.

het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);

d.

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);

e.

het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

f.

het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;

g.

het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);

h.

het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt);

i.

het aanbrengen van verhardingen van meer dan 15 m2, met in achtneming van het bepaalde onder 3.2.1 onder a. en 3.3. onder f;

j.

het aanbrengen van tijdelijke afdekmaterialen;

k.

het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden, niet zijnde een bouwwerk.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren: a.

het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);

b.

het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen);

c.

het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

d.

het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;

e.

het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;

f.

het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;

g.

het dempen van sloten of greppels;

h.

het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);

i.

het planten van bomen en/of struiken;

j.

het gebruik van de gronden voor meer dan 2 onder elkaar gelegen graven.

5.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 5.4.1 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a.

plaatsvinden binnen een bouwvlak;

b.

het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c.

betreffen de aanleg van kabels en leidingen betreffen binnen wegbermen welke grenzen aan deze bestemming;

d.

zijn toegestaan ten behoeve van het wijzigen van de natuurvorm, zoals van bos naar heide, op basis van een beheerplan..

5.4.3 Afwegingskader Een in artikel 5.4.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de natuurwaarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

ALGEMENE REGELS Artikel 6. Antidubbeltel bepaling Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7. Algemene aanduidingsregels 7.1 Luchtvaartverkeerzone In afwijking van het overigens in het plan bepaalde is het niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone', ter aanduiding van de obstakelvrije zone van het luchtvaartterrein, enig bouwwerk te bouwen, enig roerend goed, houtopstanden en/of beplantingen te hebben of aan te brengen, danwel de bodem op te hogen, met een grotere hoogte dan aangegeven op de verbeelding.

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Parkeernorm Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van binnen de bestemmingen toegestane verkeersaantrekkende functies, het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in “Bijlage 3 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW publicatie 317 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.

8.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan een omgevingsverlening verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.1 indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Artikel 9. Algemene afwijkingsregels 9.1 Omgevingsvergunning Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a.

de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits van de wegbeheerder een positief advies is ontvangen;

b.

de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;

c.

de planregels ten aanzien van het bouwen van kunstuitingen en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, waarbij voor een hoogte van meer dan 65 m +NAP, in het kader van voorkoming van onaanvaardbare radarverstoring, voorafgaand aan het toestaan schriftelijk advies dient te zijn ingewonnen bij de Dienst Vastgoed Defensie;

d.

afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%.

9.2 Afwegingskader Een in artikel 9.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a.

de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;

b.

de milieusituatie;

c.

de verkeersveiligheid;

d.

de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

e.

het bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten.

Artikel 10. Algemene wijzigingsregels 10.1 Wijzigingsbevoegdheid 10.1.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en: a.

bestemmingsgrenzen met max. 10 m. verschuiven, of

b.

functieaanduidingen van de verbeelding verwijderen.

10.1.2 Afwegingskader Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in artikel 10.1.1 genoemde wijzigingsregels vindt een belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden: a.

de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen worden geschaad;

b.

de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;

c.

de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.

Artikel 11. Overige regels 11.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 11.2 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening De regels van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 1 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen: a.

de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;

b.

brandblusvoorzieningen;

c.

de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;

d.

het bouwen bij ondergrondse hoofdtransportleidingen;

e.

de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden;

f.

de ruimte tussen bouwwerken.

11.3 Prioriteit van dubbelbestemmingen a.

Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming;

b.

Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden: 1.

in de eerste plaats de regels van de bestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2';

2.

in de tweede plaats de regels van de bestemming 'Waarde – Leefgemeenschap bossen.

11.4 Strijdig gebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 12. Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan: a.

aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;

b.

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;

c.

lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik a.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c.

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13. Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Janslust 11 Heide.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10316753/1