CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

16 3C Bijlage 2 Heide Heidseweg 9 ff inspectie

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening stoppers- en saneringsregeling (ronde 2).4.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

In opdracht van: Arvalis 31 mei 2021 R. Rijnders Bsc, ir. J.P.M. Hovens en ir. C. de Koning

Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:

Arvalis R. Rijnders Bsc/ir. J.P.M. Hovens R. Rijnders Bsc en ir. C. de Koning

Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en we zijn PSO gecertificeerd.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

1

Inhoud 1.

Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 3 2. De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 3. Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4. Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied ..........................................................................................................

6 4.2 Beschermde planten en dieren ................................................................................................. 6 5. Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 11 6. Conclusies ..................................................................................................................................... 12 Literatuur ............................................................................................................................................... 13 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 14

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

2

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Arvalis begeleidt de herinrichting van een locatie aan de Heidseweg 9 te Heide en heeft ecologisch adviesbureau Faunaconsult B.V. opdracht gegeven op deze locatie een flora- en fauna-inspectie uit te voeren. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project.

1.2

Doel en status van dit document

Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de veldinventarisatie weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies weer.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

3

2.

De Wet natuurbescherming

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.

De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

4

3.

Werkwijze

3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De vegetatie wordt verwijderd (mogelijk worden enkele bomen behouden) en de varkensstallen worden gesloopt. De bestemming wordt gewijzigd van agrarisch naar wonen. De woning met bijbehorende tuin en de schuur blijven gehandhaafd. Het plangebied wordt vervolgens ingericht als dierenweide. Er is (nog) geen afbeelding van de voorgestane situatie voorhanden.

3.2

Werkwijze flora- en fauna-inspectie

Op 29 april 2021 heeft Faunaconsult B.V. het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Daartoe werden de varkensstallen in het plangebied van binnen en buiten volledig geïnspecteerd met behulp van een zaklamp, boomcamera en ladder. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

5

4.

Aanwezige beschermde planten en dieren

4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1) bevindt zich ten noordoosten van Heide en ten zuidwesten van Venray. Het gebied bestaat uit een 5 voormalige varkensstallen, een woning met bijbehorende tuin, een inrit, een schuur, een dierenweide en gazons. Doordat de woning met bijbehorende tuinvegetatie en de schuur blijven behouden, vallen deze buiten het feitelijke plangebied. In het plangebied komen algemene plantensoorten voor zoals beukenhaag, zomerlinde, grote brandnetel en paardenbloem. De omgeving rondom het plangebied is overwegend agrarisch ingericht, met akkers en graslanden. In het noorden grenst het plangebied aan de Heidseweg en in het westen aan de Lemmenweg. Ten zuiden bevindt zich een boerderij. De oostzijde grenst aan akkers.

Figuur 4.1. Het plangebied met de te slopen gebouwen (rode cijfers) en de te behouden gebouwen (groene letters). 1 = varkensstal met golfplaten dak 2 = varkensstal met golfplaten dak 3 = varkensstal met golfplaten dak 4 = varkensstal met damwand dak 5 = varkensstal met sandwichpanelen dak A = woning B = schuur Bron: Google Maps.

4.2

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren en vogels De varkensstallen 1, 2 en 3 in figuur 4.1 zijn vrijwel identiek in opbouw en bevatten alle drie spouwmuren met een golfplaten dak en dakbeschot. De ruimte tussen de golfplaten en het dakbeschot is afgeschermd met vogelschroot zodat toegang voor vogels en vleermuizen niet mogelijk is (zie Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

6

figuur 4.2.1). Op sommige plekken was vogelschroot echter afwezig. Deze plekken zijn met de boomcamera geïnspecteerd, maar nesten van huismussen, gierzwaluwen of steenuilen zijn niet waargenomen. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn hier dus afwezig. Wel zijn tussen het dakbeschot en het dak in varkensstal 3 een zestal kauwennesten met jonge kauwtjes aanwezig (zie figuur 4.2.2). Tussen de golfplaten en het dakbeschot bevindt zich een grote ruimte. Deze is voor vleermuizen te tochtig. De kopgevels zijn van boven afgedicht met specie en de lange gevels zijn voorzien van een muurplaat. Vleermuizen kunnen daardoor niet in de spouw. De open stootvoegen in de buitenmuren bevinden zich op circa 40 cm hoogte. Omdat vleermuizen van onderuit aanvliegen richting een opening en omdat er aan de onderzijde een grotere kans bestaat op predatie door bijvoorbeeld de kat, zijn deze gleuven niet geschikt als ingang voor vleermuizen. Wel is er bij varkensstal 1 een deel van de windveer aan de zuidelijke kopgevel beschadigd (zie figuur 4.2.3) waardoor de spouw toegankelijk is, maar deze is te open en daardoor te tochtig voor vleermuizen. De kopse kanten aan de noordzijde zijn met damwandplaten bekleed vanaf circa 2 meter hoogte. De openingen aan de onderzijde zijn afgedicht met een houten lat (zie figuur 4.2.4) waardoor deze niet toegankelijk zijn voor vleermuizen.

De zuidelijke kopse kanten bevatten alleen een windveer die op een lat aan de gevel is bevestigd. Vleermuizen zouden hier via de zijkant tussen kunnen komen, maar omdat de platen dun zijn en vrijwel geen isolatie bieden, is het als verblijf echter niet geschikt; in de winter is het te koud (geen isolatie) en in de zomer te heet (in de hete middagzon). Varkensstal 4 heeft spouwmuren en een damwand dak met aan de onderkant isolatieplaten. Tussen het damwand dak en de zijgevels bevindt zich vogelschroot (zie figuur 4.2.5), waardoor huismus- en gierzwaluwnesten met zekerheid afwezig zijn. Gevelopeningen zijn afwezig en aan de lange zijden bevinden zich spouwlatten (te zien in figuur 4.2.5). Aan de kopse kanten zijn plafondkleppen aanwezig en een damwandgevelbekleding die geen openingen of kieren bevat die toegang kunnen verlenen aan vleermuizen. Ook vleermuisverblijven zijn in dit gebouw dus zeker afwezig. Varkensstal 5 heeft spouwmuren en een sandwichpanelen dak. Er zijn geen open stootvoegen of andere openingen in de gevels aanwezig. De sandwichpanelen en de goot sluiten nauw aan op de gevel waardoor toegang voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen niet mogelijk is. De kopse kanten hebben een damwandgevelbekleding en zijn aan de onderzijden afgedicht met een houten lat. Vleermuisverblijven zijn ook hier uit te sluiten.

Jaarrond beschermde vogelnesten en vleermuisverblijven zijn in dit gebouw dus afwezig. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) was er in 2014 één (niet nader getoond) territorium van kwetsbare soorten (roofvogels/uilen) in het kilometerhok in het plangebied aanwezig. Tijdens het veldbezoek werden huismus, Turkse tortel, pimpelmees en kauw waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn (jaarrond beschermde) vogelnesten (op de kauwennesten in varkensstal 3 na), uitwerpselen, braakballen, etc. nergens in het plangebied waargenomen. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels zoals de grasmus of merel in vegetaties nestelen. In de schuur (B in figuur 4.1) zijn tijdens het veldbezoek twee huismusnesten waargenomen. Ook bevindt er zich een kerkuilennestkast, die momenteel in gebruik is door kauwen. Tijdens het veldbezoek werden meerdere keren in- en uitvliegende kauwen waargenomen. Bovendien zijn er nergens uitwerpselen of braakballen van de kerkuil aangetroffen. De schuur valt echter buiten het feitelijke plangebied. Er zijn verder geen holle bomen aanwezig in het plangebied. Ook elders in het plangebied zijn vleermuisverblijven (of uilennesten etc.) dus met zekerheid afwezig.

Er zijn tijdens het veldbezoek geen steenmarters, steenmarteruitwerpselen of sporen van steenmarters waargenomen in en rond het plangebied. In het plangebied werden geen wissels of holen, zoals van de das, waargenomen. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

7

Figuur 4.2.1. Bevestigde vogelschroot onder de golfplaten daken.

Figuur 4.2.2. Tussen het dakbeschot en het dak in varkensstal 3 zijn kauwennesten met jongen aanwezig.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

8

Figuur 4.2.3. Een deel van de windveer op de kopse gevel is beschadigd, waardoor de spouw toegankelijk is. Deze is echter te open en daardoor te tochtig voor vleermuizen.

Figuur 4.2.4. De kopse kanten aan de noordzijde hebben een damwandplaten gevelbekleding en is van onderen afgesloten met een houten lat.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide

9

Figuur 4.2.5. Op de gevel ligt een spouwlat en onder het dak is vogelschroot aanwezig.

Planten De Provincie Limburg heeft het kilometerhok waarin het plangebied ligt in 2004 onderzocht op het voorkomen van beschermde of bijzondere planten (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl). Deze waren afwezig in en rond het plangebied. In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Amfibieën en andere soorten Amfibieën werden tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Voortplantingswater is er in de nabije omgeving mogelijk in de vorm van slootjes ten zuiden en westen van het. De waterstand in de slootjes was echter laag en in het voorjaar zal deze al vroeg geheel droog staan, waardoor deze vrijwel zeker kan worden uitgesloten als voortplantingsgebied. Het is daardoor onwaarschijnlijk dat streng beschermde amfibieën (een deel van) het plangebied als landhabitat gebruiken. Het is wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten het plangebied als deel van hun landhabitat gebruiken. Reptielen zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen en de aanwezige biotopen zijn ook niet geschikt als habitat voor dergelijke soorten. Tabel 4.2 geeft weer welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen. Tabel 4.2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Aardmuis (Microtus agrestis) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)

Vogels Internationaal met strenger beschermde beschermd nest soorten

Overige beschermde soorten X X X X X X

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 10

5.

Mogelijke effecten

- Bij de sloopwerkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en/of amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - Als de sloop van varkensstal 3 en het verwijderen van de weidevegetatie of hoger opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen plaatsvindt, kunnen algemeen broedende vogels worden verstoord of gedood. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Soort

Beschermingsregime Wnb

Algemene in het plangebied broedende vogels

Vogels

Algemeen voorkomende Overige soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X

X

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 11

6.

Conclusies

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In varkensstal 3 broedden tijdens het veldbezoek kauwen. In de weidevegetatie en de hoger opgaande vegetaties broeden gedurende het broedseizoen mogelijk algemeen voorkomende vogels. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht.

Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de te slopen varkensstallen, de weidevegetatie en hoger opgaande vegetatie te verwijderen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het slopen van varkensstal 3 en/of het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 12

Literatuur • • •

Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Provincie Limburg. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 13

Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig

de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 14

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).

Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich

te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 15

Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.

Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling

vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 16

-

-

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Flora- en fauna-inspectie Heidseweg 9 te Heide 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12762600/1