14 Bijlage A geanon zienswijze (geanonimiseerd)
Tekst van het document
„pp Van der Putt ADVOCATEN
1973 Gemeente Postbus
500
AM
5800
2023
Venray Venray
(geanonimiseerd) advocaat
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Onderwerp: Zienswijze ontwerpbestemmingsplan Westsingel 54-54a Venray
_ 20230076
Nummer: Datum:
25 januari
Geachte leden
Door
deze
en
van
2024
de
derhalve
gemeenteraad
van
Venray,
tijdig brengt ondergetekende,
in zijn
hoedanigheid
van
gemachtigde
van:
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
hierna te
noemen
voren
als
—
cliënten, die te dezer zake woonplaats kiezen
omschreven
in artikel
NLIMRO.0984.BP23018-on01,
v
en
lid 1
Ontwerpbestemmingsplan
voorgenomen
gelegd,
3.8
dat tot
en
met
31
dat
21
op
januari
2024
onder
c
Westsingel december
te
Afdeling Bestuursrechtspraak
State
)
de Raad
van
Patersstraat os
IE
5801
17
Venray info@putt.nl | www.putt.nl
Ë
AT
54-54a 2023
4.6
lid
2
Venray,
1
van
19
‘het
dat
voorziet
maart
2014
zienswijze over
—
ontwerpplan’) in het
de
Kaldenkerkerweg 20
Bl 0478
£
u
is
van
20
van
de
(ECLIENL:RVS:2014:916)
Bezoeklocatie Venlo
a
door
inzage
uitspraak
Pa \
ter
realiseren
Hoofdlocatie Venray traat 17
een
naar
identificatienummer
(hierna: en
een
IOw
Venray (PRODUCTIE 1). Gelet op
Postadres von
mijnen kantore,
jo. artikel
inzage ligt,
ter
(zorg)appartementen aan de Westsingel 54-54a van
Wro
te
is in
Bezoeklocatie Horst Spoorw )
5963
|) dezen
geen
schriftelijke machtiging vereist, gelet op
het feit dat cliënten worden
bijgestaan
door
een
advocaat.
Cliënten
(geanonimiseerd) MN;
woonachtig
aan
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
dit
Met
dat de en
ontwerpbestemmingsplan
straatbeeld,
hulpbehoevende
Hun
dat
cliënten zich niet
onvoldoende
ouderen
en
zij andere inhoudelijke
zienswijzen
-
kunnen
ruimtelijke ontwikkeling qua gebruiks-
in het
hebben
(geanonimiseerd)
kunnen als
dat
ter
bouwmogelijkheden
en
geborgd
is
dat
het
in
ter
plaatse
dezen
gaat
plaatse ongewenste ondergeschikte
bezwaren
de
tegen
volgt worden
niet past op deze locatie
zorgwoningen
om
functies
voor
mogelijk zijn. Ook
ruimtelijke ontwikkeling.
weergegeven:
_ Algemeen o
Naar
mening
bevat
het
worden
van
cliënten
ontwerpplan
toegestaan,
zien. Ter
artikelen
en
1.38
is het
ontwerpplan
in hoofdstuk
1 functies
ook
aanzien
maar
zorgvuldigheid
Cliënten hebben
ten
onderbouwing van
1.39, waarbij sterk de
indruk dat de
specifieke ruimtelijke ontwikkeling
niet
zorgvuldig
c.q.
bestemmingen,
die in het
de
laat
van
deze
respectievelijk
onderhavig ontwerpbestemmingsplan,
-
verenigen. Kortgezegd zijn zij van mening
planregels
zonder
nummering
stelling wordt weer
voorbereid.
staat
uit
een
onder
het
meer
plan plan
en
geen op
1.47.
plan zijn gebruikt
daarbij de planregels toe te spitsen
in onderhavig
niet
gewezen
1.46
opgenomen ander
Niet alleen
in
op de
ontwerpbestemmingsplan.
_ Bouwregels Bestemming Maatschappelijk o
De
maximale
waaronder de
goothoogte
is
woning
diënten
van
bepaald —
2
op een
zes
meter, terwijl
maximale
goothoogte
de
meeste
van
woningen
drie meter
—
hebben.
Van der Putt ADVOCATEN
|)
„
Daar
komt
bij
nokhoogte dat
veelal
bouwhoogte.
worden
maximale
De
projectontwikkelaar
als
plat dak,
passend
binnen
een
doch
thans
wordt
puntdak
op
te
voldoen
aan
puntdak
neemt
echter
Daarnaast
ervaren
(geanonimiseerd) er
puien
aan
de
van
hun
huis
aanbouw
noordkant
en
leefomgeving,
is eveneens
alsook hun
worden
privacy in dezen
schaduwwerking
op de
gelet op de oriëntatie
is
ontwikkeling het straatbeeld volgens
te zeer
cliënten
om
te
voldoen
aan
casu
zou
het
straatbeeld
dat geen
gaan
om
functie heeft,
—
om
dergelijk, volgens projectontwikkelaar,
groot
deel
van
bij een gebouw
op de
bijzonder
het
zicht
van
zes
ook de
directe
inkijk
deze diënten dat hun
(geanonimiseerd) en GM
van
directe
meter
inkijk
slaapkamers. Immers,
ruimtelijke ontwikkeling
geven
menen
dat het in
gegeven
Een
in het
en
plangebied,
Derhalve
de
waar
niet voorgeschreven.
de straat. Zulks kan
van
cliënten
zijn gericht
het
van
een
tuin
slaapkamers van. (geanonimiseerd)
Bestemming
de
gebouw, terwijl
het straatbeeld.
privacy in hun
de
goede ruimtelijke ordening.
het voorste
zogezegd
de
in
onaanvaardbare
zogezegd
—
een
van
past
bouwhoogte
heeft eerder te verstaan
van
verlies
graden mogelijk is, waardoor
zijn. Cliënten zijn de mening toegedaan
niet
het karakter
uitgegaan
Niet
kan
Daarnaast zal door deze
verdwijnt
en
doorgaan
functieloos
o
lager is. Een
niet
een
hoger
65
percelen zal ontstaan, terwijl die wel te verwachten
maximale
aangetast
o
dakhelling van
geheel onduidelijk of er bij een kap een
belendende en
maximale
een
dergelijke ruimtelijke ontwikkeling
een
Ook is
er
nog zo'n 2,5 tot 3,0 meter
bebouwing
o
dat
in
en
de
raampartijen
leefkeuken
en
leefklimaat
woon-
en
ruimte
geboden
aangetast.
Groen
louter
binnen
de
bestemming
‘Maatschappelijk’
onwenselijke ruimtelijke ontwikkelingen, volgens cliënten, om
niet nader
planologische mogelijkheden
wordt
doch ook binnen de
bestemming
voor
‘Groen’ wordt
toegelichte redenen, gelegenheid geboden tot voor hen
die door cliënten als
3
ongewenst worden
beschouwd.
Van der Putt
o
Zo biedt onderhavig ontwerpplan de mogelijkheid om
antenne-installaties in de
groenstrook te plaatsen van twaalf meter, vlaggenmasten van tien meter en lichtmasten van acht meter. Dergelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet noodzakelijk en
hebben grote impact op de leefomgeving van cliënten. Zo zullen eventuele masten nadrukkelijk zichtbaar zijn vanuit de woning en tuin van cliënten.
o
Cliënten zijn de mening toegedaan dat dergelijke hoge masten niet passen in het heersende straatbeeld c. q. de leefomgeving. Ook zijn cliënten de mening toegedaan dat dergelijke masten in milieurechtelijke zin onaanvaardbare consequenties hebben. Te denken valt aan straling, licht(inval) en geluidsoverlast.
o
Cliënten nemen ook ten aanzien van dit onderdeel het standpunt in dat dit ontwerpplan onzorgvuldig is voorbereid en dat ten aanzien van de belangen van cliënten onvoldoende rekening is gehouden – en derhalve in strijd is gehandeld – met artikel 3:4 lid 1 én lid 2 Awb.
-
Gebruiksregels Zorgwoningen o
Het
plan
zou
volgens
de
publicatie
voorzien
in
het
realiseren
van
20
(zorg)appartementen en nog specifieker zou het – blijkens de communicatie rondom het plan – gaan om zorgwoning voor ouderen, doch dat is in dit ontwerpplan niet afdoende geborgd. Blijkens het ontwerpplan is de functieaanduiding ‘zorgwoning’. Artikel 1. 60 van de planregels definieert een zorgwoning als volgt:
‘Er is voortdurend of in overwegende mate sprake van professionele begeleiding en/of toezicht welke overwegend in het gebouw of nabijheid van het gebouw aanwezig
is.
De
zorgaanbieder
regelt
hierbij
de
huisvesting
en
de
gemeenschappelijke voorzieningen. Indien er sprake is van scheiding van wonen
4
en zorg is er sprake van een indicatie op grond van de Wet een zeer
o
langdurige zorg of van
intensieve indicatie op grond van andere wetgeving. ’
In artikel 4. 1. 1 van de planregels is weliswaar bepaald dat bij de aanduiding zorgwoning het moet gaan om het wonen door mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op enige zorg en/of ondersteuning. Het uitsluiten van doelgroepen is niet rechtens, blijkens vaste rechtspraak van de ABRvS, doch cliënten stellen ook vast dat geen aansluiting gezocht is bij de doelgroepenverordening. Deze verordening
blijft gelding houden,
nu
deze
regeling niet is opgenomen
in het
overgangsrecht. Ook had aansluiting gezocht kunnen worden bij de bestemming ‘Wonen’ en een koppeling gemaakt kunnen worden met een éénpersoonshuishouden.
o
Als het in casu al gaat om zorgappartementen, is onduidelijk (en onvoldoende geborgd) om
welke vorm van zorg het specifiek gaat. Huisvesting voor hulpbehoevende ouderen
kan een andere impact hebben op de leefomgeving dan bijvoorbeeld woongelegenheid voor
begeleid
worden,
beschermd
wonen
etc.
Daar
is
in
onderhavig
ontwerpbestemmingsplan onvoldoende rekening mee gehouden.
o
In de uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:607) oordeelde de AbRvS al dat een specifieke functieaanduiding op zichzelf niet uitsluit dat ook andersoortig
gebruik is
toegestaan. Het plan zou volgens de publicatie voorzien in het realiseren van 20
(zorg)appartementen, doch dat is in dit ontwerpplan, zoals reeds is uiteengezet, niet afdoende geborgd. De reden daarvoor is gelegen in het woord ‘uitsluitend’, in artikel 4. 1. 1 onder c van de planregels. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2019:607, r. o. 3. 2:
‘Gelet op de plaats van het woord " uitsluitend " in artikel 7. 1, aanhef en onder b, heeft dit woord betrekking op de toegestane locatie en niet op het toegestane gebruik. Artikel 7. 1, aanhef en onder b, van de planregels kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat het gebruik ten behoeve van een tuincentrum uitsluitend is
5
toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding " tuincentrum " en dat daarnaast
gebruik ten behoeve van detailhandel is toegestaan. ’
Appellanten zijn de mening toegedaan dat in het kader van de rechtszekerheid beter geborgd dient te worden dat het gaat om huisvestiging voor hulpbehoevende ouderen, zoals het plan ook is gepresenteerd tijdens de omgevingsdialoog.
Ondergeschikte activiteiten o
De locatie van het woord uitsluitend laat onverlet dat binnen de maatschappelijke functie niet louter zorgwoningen gerealiseerd kunnen worden doch voor de leefomgeving ingrijpende ondergeschikte activiteiten mogelijk zijn. Cliënten vinden dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook hier met voeten worden getreden.
o
Voorliggend ontwerpplan biedt namelijk ruimte voor een veelheid aan activiteiten. De voor
‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn blijkens artikel 4. 1. 1. onder b (tevens)
bestemd voor aan de maatschappelijke functie ondergeschikte activiteiten die vallen onder cultuur en ontspanning, recreatie, sport, kantoren, dienstverlening, kleinschalige bedrijvigheid en horeca, een en ander conform het bepaalde in 'Staat van activiteiten Gemengd' zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels.
o
Dat het moet gaan om een functioneel ondersteunende activiteit, maakt het in dezen niet minder onwenselijk. Uit artikel 1. 36 van de planregels blijkt immers dat een ongeschikte activiteit een activiteit is die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:
de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 25% van het vloeroppervlak van het gebouw/de gebouwen, of; de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of; 6
de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.
o
De verbeelding laat zien dat het om een groot bouwvlak gaat en 25% van het toekomstig vloeroppervlak betreft
–
blijkens het bestemmingsplan mag maximaal 70% van het
bouwvlak worden bebouwd
–
nog
steeds een grote functioneel ondersteunende
activiteit met weinig tot geen maximering. Bij een grootschalig evenement maakt het, gelet op hetgeen is bepaald onder bullet twee van artikel 1. 36 planregels, niet eens uit dat de activiteit grootschaliger is dan de hoofdactiviteit, omdat het beperkt is in tijd. Dergelijke functionele
activiteiten hebben
echter
wel de nodige
impact op
de
leefomgeving. In het ontwerpplan is met die mogelijkheden en de voor de leefomgeving bestaande onzekerheden onvoldoende rekening gehouden. Ook is onduidelijk waarom een dergelijke veelheid aan nevenfuncties
als noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Het zou in dezen immers gaan om zorgwoningen voor hulpbehoevende ouderen.
o
Het
gebruik van de term ‘een en ander’ biedt weinig duidelijkheid
en
weinig
rechtszekerheid. Bijlage 3 bevat alvast bij de regels bevat een veelheid aan activiteiten, die ter plaatse onwenselijk zijn. Te denken valt bijvoorbeeld, doch niet uitsluitend, aan concertgebouwen, evenementenhallen, vervoersbedrijven, industriële activiteiten, die niet passen in de leefomgeving en die onder huidig recht in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening en onder het stelsel van de Omgevingswet
–
op
grond van het
overgangsrecht wordt dit ontwerpplan behandeld conform de regels zoals die zijn gesteld in de Wro, doch het bestemmingsplan, doch toekomstige activiteiten dienen met inachtneming van de Omgevingswet te worden vergund c. q. toegestaan – ook voldaan te worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
o
Cliënten zijn de mening toegedaan dat daar thans geen sprake van is, nu niet louter twintig wooneenheden gerealiseerd kunnen worden maar ook activiteiten die invloed hebben op de leefomgeving, in milieurechtelijke zin (geluid, geur, trillingen, lucht etc. ), 7
een verkeersaantrekkende
werking kunnen hebben en die het woongenot en privacy van
cliënten drastisch kunnen beperken. In onderhavig ontwerpplan is daar onvoldoende rekening mee gehouden. Cliënten nemen ten aanzien van dit onderdeel het standpunt in dat dit ontwerpplan onzorgvuldig is voorbereid en dat ten aanzien van de belangen van cliënten onvoldoende rekening is gehouden
–
en derhalve
in strijd is gehandeld – met
artikel 3:4 lid 1 én lid 2 Awb.
Milieu o
In paragraaf 5. 1. 1 van de toelichting op de planregels wordt gesteld dat geen m. e. r. plicht heeft te gelden, omdat zorgappartementen geen reguliere woningen betreffen c. q. er
geen
sprake
zou
zijn
van
een
stedelijk
ontwikkelingsproject.
In
ECLI:NL:RBGEL:2019:1092 oordeelde de rechtbank Gelderland dat appartementen in een
zorgcomplex wel woningen zijn. Eerder oordeelde
ECLI:NL:HR:2017:291
–
dat
bij
een
pand
dat
kan
de Hoge
Raad al
worden
beschouwd
–
in als
verzorgingsinstelling geen woning is, door de manier waarop het gebruik wordt. Zorgappartementen wijken af van die definitie en zijn derhalve, volgens de rechtbank Gelderland, aan te merken als reguliere woningen.
“De rechtbank acht aannemelijk dat de appartementen zelf zich voor wat betreft de voorzieningen niet onderscheiden van reguliere woningen. Dat bij de inrichting van de appartementen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat bewoners mogelijk minder goed ter been zijn en/of een zorgindicatie hebben, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de aard van de woning. ”
Cliënten zijn derhalve de mening toegedaan dat wel degelijk sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ten onrechte is geen rekening uitvoering gegeven aan artikel 3. 1. 6 lid 2 Bor en artikel 2. 2. 2. lid 3 van de Omgevingsverordening Limburg. In dit kader wordt ook verwezen naar r. o. 8. 3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2015 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1400. 8
o
Tenslotte wordt ten aanzien van dit onderdeel opgemerkt dat in de planregels geenszins is geborgd dat het om zorgappartementen moet gaan. De planregels bieden niet alleen de mogelijkheid om in plaats van zorgappartementen ook (zorg)woningen te realiseren, doch ook functioneel ondersteunende activiteiten die impact kunnen hebben op het milieu - verwezen wordt naar Bijlage 3 bij de planregels – en ten onrechte in het geheel niet betrokken zijn in de milieuparagraaf.
Bodem Verontreiniging o
Cliënten geven aan dat binnen het plangebied in het verleden een autobedrijf, incluis garage was gevestigd, waar
onder meer met oliehoudende materialen is gewerkt. In de
openbare registers en officiële bekendmakingen is niet vast te stellen of sprake is van (ernstige) bodemverontreiniging. Uit de toelichting op het plan blijkt ook niet dat vooronderzoek of nader onderzoek is verricht. Cliënten vinden dat weinig zorgvuldig en wijzen in dat kader ook op artikel 4. 5. 2. van de planregels.
Planregels o
Artikel 4. 5. 2. van de planregels bevat een voorwaardelijke verplichting. Derhalve is de uitvoerbaarheid ex artikel 3. 1. 6. lid 1 onder f van dit plan volgens cliënten niet aangetoond.
Verwezen
bestuursrechtspraak
van
wordt
tevens
naar
de
uitspraak
de
Raad
van
State
d. d.
van
27
de
Afdeling
maart
2013
(ECLI:NL:RVS:2013:BZ7429). In r. o. 14. 5 oordeelde de AbRvS:
‘Ter zitting is voorts gebleken dat het college geen enkel inzicht heeft in de kosten van de sanering en niet weet of uitvoering van het wijzigingsplan na sanering nog rendabel is. Nu het college een onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan achterwege heeft gelaten, bestaat aanleiding voor
9
het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. ’
Cliënten zijn van mening dat de uitvoerbaarheid van dit plein onvoldoende is aangetoond en dat in strijd is gehandeld met
het zorgvuldigheidsbeginsel.
Archeologie o
Het bestemmingsplan Venray, vastgesteld op 19 september 2017, kende ter plaatse de enkelbestemming
bedrijf
dubbelbestemming opgenomen
enkelbestemming
en
‘Waarde
–
Archeologie
wonen,
3’. Deze
doch
telkens
dubbelbestemming
met
de
is ook
in het ontwerpplan. De ruimtelijke ontwikkeling moet gezien worden in het
licht van artikel 5. 2 van de planregels en de (mogelijke) invloed van de ruimtelijke ontwikkeling op de archeologie in de bodem. In de toelichting is het volgende opgenomen:
‘Conform het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde
–
Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen
dieper dan 50 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 100 m2 een archeologisch
onderzoek dient te worden uitgevoerd. In dit geval heeft er in
de directe omgeving van het plangebied en binnen het plangebied reeds veel bodemverstoring plaatsgevonden. Bij de realisatie van de aanwezige bebouwing op de planlocatie zijn geen
archeologische restanten/waarden aangetroffen. Het
beoogde appartementencomplex wordt grotendeels ter plaatse van deze reeds verstoorde grond gerealiseerd en er wordt niet dieper gegraven dan reeds ten behoeve van de bestaande bebouwing is gedaan. Gezien er ten tijde van de bouw van
de aanwezige bebouwing geen resten zijn aangetroffen, zal dit bij de
realisatie van het nieuwe appartementencomplex naar verwachting ook niet aan de orde zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. ’
10
o
Uit de toelichting blijkt niet dat destijds onderzoek is verricht en ook niet wat de uitkomsten van dat onderzoek waren. Daar komt bij dat de huidige bebouwing is van voor inwerkingtreding van de Wro
(en Wabo) en derhalve is nog maar de vraag of – indien
onderzoek plaats heeft gehad – dat is verricht in lijn met het wettelijk stelsel doch ook met artikel 39 en 40 Monumentenwet
1988 en (nadien) de Erfgoedwet. Cliënten
betwisten dat en zijn het standpunt toegedaan dat niet afdoende onderzoek is gedaan. Het besluit is op dit punt dan ook niet zorgvuldig naar mening van cliënten
o
NB. De vrijstaande woning is gebouwd in 1955. Toen bestonden de hiervoor beschreven wetten nog niet. Sterker nog, zelfs de Monumentenweg 1961 was toen nog niet in
werking getreden.
Lucht, verkeer en parkeren o
In paragraaf 5. 1. 3 staat beschreven dat getoetst is aan de NIBM. NIBM gaat over gevolgen voor kwaliteit van de lucht, niet de gevolgen van luchtkwaliteit. Uit de Vianenuitspraak (ECLI:NL:RVS:2014:4099) volgt dat niet alleen aan het NIBM-besluit getoetst dient te worden, doch ook dat getoetst wordt aan het Besluit gevoelige bestemmingen. Van een gevoelige bestemming is sprake indien voldaan aan artikel 3 lid 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen. In casu gaat het om zorgwoningen en gelet op de formulering in artikel 1. 60 en omschrijving in artikel 4. 1. 1 onder c van de planregels ligt het voor de hand dat de zorgwoningen aan te merken zijn als gevoelige bestemmingen. Blijkens de toelichting op de regelgeving in dezen gaat het om een ruime uitleg en maakt het derhalve niet uit of de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten staat. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. Er is geen sprake van een onderzoek waarmee een overzicht van
de heersende luchtkwaliteit en de geplande ontwikkelingen in het nieuwe
bestemmingsplan wordt gegeven. Het voorgaande dient volgens de cliënten als onzorgvuldig te worden aangemerkt en in welk kader thans niet gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening.
11
Parkeren o
In de toelichting op het ontwerpplan staat beschreven dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk wordt geacht, omdat uit paragraaf 5. 6. 1 zou blijken dat er sprake zou zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal, doch
deze conclusie is volgens cliënten onjuist. Immers, er wordt aansluiting gezocht bij 70,3 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Echter, blijkens de gegevens meer
in het handelsregister hebben reeds sedert 2019 geen bedrijfsactiviteiten
plaats. Derhalve kan volgens cliënten geen aansluiting gezocht worden bij fictieve
bedrijfsuitoefening ten opzichte van de feitelijke situatie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtelijk van de Raad van State dient uitgegaan te worden van de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie . Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2021:1371, r. o. 9. 1.
o
Ook wordt gesteld dat de bewoners van het zorgcomplex geen rijbewijs c. q. auto ter beschikking zouden hebben, doch onduidelijk is op basis waarvan die conclusie wordt getrokken. In de eerste plaats staat niet vast welke vorm van zorgbehoevenden de zorgwoningen
–
nog
los van de vraag hoeveel personen per woning gehuisvest zullen
worden – zullen betrekken en of deze personen wel of geen rijbewijs en/of auto hebben. Tevens verrichten het personeel én eventuele bezoekers verkeersbewegingen, die voor een toename
o
Daarnaast
zullen zorgen.
biedt het ontwerpplan
nogal wat
mogelijkheden
om
ondergeschikte
activiteiten mogelijk te maken, die tot een ferme toename van verkeersbewegingen kunnen leiden. In artikel 4. 1. 1 onder c jo. Bijlage 3 wordt onder meer mogelijk gemaakt: personenautoverhuurbedrijven,
verhuurbedrijven
12
van
roerende
goederen,
evenementenhallen,
concertgebouwen,
danksscholen,
musea,
kinderboerderijen,
niet
effect
op
sportscholen, fitnesscentra etc.
o
Dergelijke
bedrijfsactiviteiten
hebben
alleen
het
aantal
verkeersbewegingen, doch ook de in Venray geldende parkeernormen. In artikel 5. 6. 2 wordt ten onrechte uitgegaan van 12 parkeerplaatsen, doch in Bijlage 3 van de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, wordt alleen al bij een appartement al uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per appartement, 1,1 per serviceflat en 2,0 per woning. Een woning wordt immers niet uitgesloten op basis van de voorliggende planregels. Derhalve dient uitgegaan te worden van 22 tot 40 parkeerplaatsen bij louter bewoning. Parkeerplaatsen voor personeel zijn daar nog niet in meegenomen. Komt daar een ondergeschikte er nog
functie bij, dan is in bijlage 3 duidelijk zichtbaar dat per 100 m² bvo
andere normen hebben te gelden en dienen binnen het plangebied nog meer
parkeervoorzieningen te zijn. Aan de Westsingel zijn die voorzieningen er niet en op eigen terrein is blijkens de verbeelding niet voldoende parkeergelegenheid voor zoveel parkeerplaatsen. Daar komt bij dat artikel 7. 4, als mogelijk vangnet, alleen ziet op bouwen en niet op gebruik.
o
In het ontwerpplan is ook met lucht, verkeer en parkeren onvoldoende rekening gehouden. Er is geen deugdelijk onderzoek gedaan naar verkeer, parkeren en de verkeersveiligheid. Cliënten achten het ook van belang dat de blootstelling aan luchtverontreiniging een plek krijgt in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening
en
dat
de
verkeerssituatie
(waaronder
verkeersbewegingen
en
de
parkeersituatie) wordt onderzocht. Thans is daar geen sprake van en derhalve achten zij het ontwerpplan ook op dit onderdeel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.
13
„| Kort
samengevat: voorliggend plan voldoet
wordt het woon-
en
leefklimaat
aangetast,
niet aan de eisen die artikel 3:2 Awb daaraan stelt. Daarnaast in welk kader geen
sprake
kan
zijn van
een
goede ruimtelijke
ordening.
Gelet op het vorenstaande verzoek ik u namens cliënten met
zienswijze
het
bestemmingsplan
Onder voorbehoud
van
inachtneming van de hiervoor weergegeven
niet definitief vast te stellen.
alle rechten
en
weren,
verblijft in afwachting,
(geanonimiseerd) advocaat
14
Van der Putt ADVOCATEN