CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

14 Bijlage A geanon zienswijze (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Westsingel 54-54a Venray’3.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

„pp Van der Putt ADVOCATEN

1973 Gemeente Postbus

500

AM

5800

2023

Venray Venray

(geanonimiseerd) advocaat

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

Onderwerp: Zienswijze ontwerpbestemmingsplan Westsingel 54-54a Venray

_ 20230076

Nummer: Datum:

25 januari

Geachte leden

Door

deze

en

van

2024

de

derhalve

gemeenteraad

van

Venray,

tijdig brengt ondergetekende,

in zijn

hoedanigheid

van

gemachtigde

van:

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

hierna te

noemen

voren

als

—

cliënten, die te dezer zake woonplaats kiezen

omschreven

in artikel

NLIMRO.0984.BP23018-on01,

v

en

lid 1

Ontwerpbestemmingsplan

voorgenomen

gelegd,

3.8

dat tot

en

met

31

dat

21

op

januari

2024

onder

c

Westsingel december

te

Afdeling Bestuursrechtspraak

State

)

de Raad

van

Patersstraat os

IE

5801

17

Venray info@putt.nl | www.putt.nl

Ë

AT

54-54a 2023

4.6

lid

2

Venray,

1

van

19

‘het

dat

voorziet

maart

2014

zienswijze over

—

ontwerpplan’) in het

de

Kaldenkerkerweg 20

Bl 0478

£

u

is

van

20

van

de

(ECLIENL:RVS:2014:916)

Bezoeklocatie Venlo

a

door

inzage

uitspraak

Pa \

ter

realiseren

Hoofdlocatie Venray traat 17

een

naar

identificatienummer

(hierna: en

een

IOw

Venray (PRODUCTIE 1). Gelet op

Postadres von

mijnen kantore,

jo. artikel

inzage ligt,

ter

(zorg)appartementen aan de Westsingel 54-54a van

Wro

te

is in

Bezoeklocatie Horst Spoorw )

5963

|) dezen

geen

schriftelijke machtiging vereist, gelet op

het feit dat cliënten worden

bijgestaan

door

een

advocaat.

Cliënten

(geanonimiseerd) MN;

woonachtig

aan

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

dit

Met

dat de en

ontwerpbestemmingsplan

straatbeeld,

hulpbehoevende

Hun

dat

cliënten zich niet

onvoldoende

ouderen

en

zij andere inhoudelijke

zienswijzen

-

kunnen

ruimtelijke ontwikkeling qua gebruiks-

in het

hebben

(geanonimiseerd)

kunnen als

dat

ter

bouwmogelijkheden

en

geborgd

is

dat

het

in

ter

plaatse

dezen

gaat

plaatse ongewenste ondergeschikte

bezwaren

de

tegen

volgt worden

niet past op deze locatie

zorgwoningen

om

functies

voor

mogelijk zijn. Ook

ruimtelijke ontwikkeling.

weergegeven:

_ Algemeen o

Naar

mening

bevat

het

worden

van

cliënten

ontwerpplan

toegestaan,

zien. Ter

artikelen

en

1.38

is het

ontwerpplan

in hoofdstuk

1 functies

ook

aanzien

maar

zorgvuldigheid

Cliënten hebben

ten

onderbouwing van

1.39, waarbij sterk de

indruk dat de

specifieke ruimtelijke ontwikkeling

niet

zorgvuldig

c.q.

bestemmingen,

die in het

de

laat

van

deze

respectievelijk

onderhavig ontwerpbestemmingsplan,

-

verenigen. Kortgezegd zijn zij van mening

planregels

zonder

nummering

stelling wordt weer

voorbereid.

staat

uit

een

onder

het

meer

plan plan

en

geen op

1.47.

plan zijn gebruikt

daarbij de planregels toe te spitsen

in onderhavig

niet

gewezen

1.46

opgenomen ander

Niet alleen

in

op de

ontwerpbestemmingsplan.

_ Bouwregels Bestemming Maatschappelijk o

De

maximale

waaronder de

goothoogte

is

woning

diënten

van

bepaald —

2

op een

zes

meter, terwijl

maximale

goothoogte

de

meeste

van

woningen

drie meter

—

hebben.

Van der Putt ADVOCATEN

|)

„

Daar

komt

bij

nokhoogte dat

veelal

bouwhoogte.

worden

maximale

De

projectontwikkelaar

als

plat dak,

passend

binnen

een

doch

thans

wordt

puntdak

op

te

voldoen

aan

puntdak

neemt

echter

Daarnaast

ervaren

(geanonimiseerd) er

puien

aan

de

van

hun

huis

aanbouw

noordkant

en

leefomgeving,

is eveneens

alsook hun

worden

privacy in dezen

schaduwwerking

op de

gelet op de oriëntatie

is

ontwikkeling het straatbeeld volgens

te zeer

cliënten

om

te

voldoen

aan

casu

zou

het

straatbeeld

dat geen

gaan

om

functie heeft,

—

om

dergelijk, volgens projectontwikkelaar,

groot

deel

van

bij een gebouw

op de

bijzonder

het

zicht

van

zes

ook de

directe

inkijk

deze diënten dat hun

(geanonimiseerd) en GM

van

directe

meter

inkijk

slaapkamers. Immers,

ruimtelijke ontwikkeling

geven

menen

dat het in

gegeven

Een

in het

en

plangebied,

Derhalve

de

waar

niet voorgeschreven.

de straat. Zulks kan

van

cliënten

zijn gericht

het

van

een

tuin

slaapkamers van. (geanonimiseerd)

Bestemming

de

gebouw, terwijl

het straatbeeld.

privacy in hun

de

goede ruimtelijke ordening.

het voorste

zogezegd

de

in

onaanvaardbare

zogezegd

—

een

van

past

bouwhoogte

heeft eerder te verstaan

van

verlies

graden mogelijk is, waardoor

zijn. Cliënten zijn de mening toegedaan

niet

het karakter

uitgegaan

Niet

kan

Daarnaast zal door deze

verdwijnt

en

doorgaan

functieloos

o

lager is. Een

niet

een

hoger

65

percelen zal ontstaan, terwijl die wel te verwachten

maximale

aangetast

o

dakhelling van

geheel onduidelijk of er bij een kap een

belendende en

maximale

een

dergelijke ruimtelijke ontwikkeling

een

Ook is

er

nog zo'n 2,5 tot 3,0 meter

bebouwing

o

dat

in

en

de

raampartijen

leefkeuken

en

leefklimaat

woon-

en

ruimte

geboden

aangetast.

Groen

louter

binnen

de

bestemming

‘Maatschappelijk’

onwenselijke ruimtelijke ontwikkelingen, volgens cliënten, om

niet nader

planologische mogelijkheden

wordt

doch ook binnen de

bestemming

voor

‘Groen’ wordt

toegelichte redenen, gelegenheid geboden tot voor hen

die door cliënten als

3

ongewenst worden

beschouwd.

Van der Putt

o

Zo biedt onderhavig ontwerpplan de mogelijkheid om

antenne-installaties in de

groenstrook te plaatsen van twaalf meter, vlaggenmasten van tien meter en lichtmasten van acht meter. Dergelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet noodzakelijk en

hebben grote impact op de leefomgeving van cliënten. Zo zullen eventuele masten nadrukkelijk zichtbaar zijn vanuit de woning en tuin van cliënten.

o

Cliënten zijn de mening toegedaan dat dergelijke hoge masten niet passen in het heersende straatbeeld c. q. de leefomgeving. Ook zijn cliënten de mening toegedaan dat dergelijke masten in milieurechtelijke zin onaanvaardbare consequenties hebben. Te denken valt aan straling, licht(inval) en geluidsoverlast.

o

Cliënten nemen ook ten aanzien van dit onderdeel het standpunt in dat dit ontwerpplan onzorgvuldig is voorbereid en dat ten aanzien van de belangen van cliënten onvoldoende rekening is gehouden – en derhalve in strijd is gehandeld – met artikel 3:4 lid 1 én lid 2 Awb.

-

Gebruiksregels Zorgwoningen o

Het

plan

zou

volgens

de

publicatie

voorzien

in

het

realiseren

van

20

(zorg)appartementen en nog specifieker zou het – blijkens de communicatie rondom het plan – gaan om zorgwoning voor ouderen, doch dat is in dit ontwerpplan niet afdoende geborgd. Blijkens het ontwerpplan is de functieaanduiding ‘zorgwoning’. Artikel 1. 60 van de planregels definieert een zorgwoning als volgt:

‘Er is voortdurend of in overwegende mate sprake van professionele begeleiding en/of toezicht welke overwegend in het gebouw of nabijheid van het gebouw aanwezig

is.

De

zorgaanbieder

regelt

hierbij

de

huisvesting

en

de

gemeenschappelijke voorzieningen. Indien er sprake is van scheiding van wonen

4

en zorg is er sprake van een indicatie op grond van de Wet een zeer

o

langdurige zorg of van

intensieve indicatie op grond van andere wetgeving. ’

In artikel 4. 1. 1 van de planregels is weliswaar bepaald dat bij de aanduiding zorgwoning het moet gaan om het wonen door mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op enige zorg en/of ondersteuning. Het uitsluiten van doelgroepen is niet rechtens, blijkens vaste rechtspraak van de ABRvS, doch cliënten stellen ook vast dat geen aansluiting gezocht is bij de doelgroepenverordening. Deze verordening

blijft gelding houden,

nu

deze

regeling niet is opgenomen

in het

overgangsrecht. Ook had aansluiting gezocht kunnen worden bij de bestemming ‘Wonen’ en een koppeling gemaakt kunnen worden met een éénpersoonshuishouden.

o

Als het in casu al gaat om zorgappartementen, is onduidelijk (en onvoldoende geborgd) om

welke vorm van zorg het specifiek gaat. Huisvesting voor hulpbehoevende ouderen

kan een andere impact hebben op de leefomgeving dan bijvoorbeeld woongelegenheid voor

begeleid

worden,

beschermd

wonen

etc.

Daar

is

in

onderhavig

ontwerpbestemmingsplan onvoldoende rekening mee gehouden.

o

In de uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:607) oordeelde de AbRvS al dat een specifieke functieaanduiding op zichzelf niet uitsluit dat ook andersoortig

gebruik is

toegestaan. Het plan zou volgens de publicatie voorzien in het realiseren van 20

(zorg)appartementen, doch dat is in dit ontwerpplan, zoals reeds is uiteengezet, niet afdoende geborgd. De reden daarvoor is gelegen in het woord ‘uitsluitend’, in artikel 4. 1. 1 onder c van de planregels. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2019:607, r. o. 3. 2:

‘Gelet op de plaats van het woord " uitsluitend " in artikel 7. 1, aanhef en onder b, heeft dit woord betrekking op de toegestane locatie en niet op het toegestane gebruik. Artikel 7. 1, aanhef en onder b, van de planregels kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat het gebruik ten behoeve van een tuincentrum uitsluitend is

5

toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding " tuincentrum " en dat daarnaast

gebruik ten behoeve van detailhandel is toegestaan. ’

Appellanten zijn de mening toegedaan dat in het kader van de rechtszekerheid beter geborgd dient te worden dat het gaat om huisvestiging voor hulpbehoevende ouderen, zoals het plan ook is gepresenteerd tijdens de omgevingsdialoog.

Ondergeschikte activiteiten o

De locatie van het woord uitsluitend laat onverlet dat binnen de maatschappelijke functie niet louter zorgwoningen gerealiseerd kunnen worden doch voor de leefomgeving ingrijpende ondergeschikte activiteiten mogelijk zijn. Cliënten vinden dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook hier met voeten worden getreden.

o

Voorliggend ontwerpplan biedt namelijk ruimte voor een veelheid aan activiteiten. De voor

‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn blijkens artikel 4. 1. 1. onder b (tevens)

bestemd voor aan de maatschappelijke functie ondergeschikte activiteiten die vallen onder cultuur en ontspanning, recreatie, sport, kantoren, dienstverlening, kleinschalige bedrijvigheid en horeca, een en ander conform het bepaalde in 'Staat van activiteiten Gemengd' zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels.

o

Dat het moet gaan om een functioneel ondersteunende activiteit, maakt het in dezen niet minder onwenselijk. Uit artikel 1. 36 van de planregels blijkt immers dat een ongeschikte activiteit een activiteit is die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:

de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 25% van het vloeroppervlak van het gebouw/de gebouwen, of; de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of; 6

de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.

o

De verbeelding laat zien dat het om een groot bouwvlak gaat en 25% van het toekomstig vloeroppervlak betreft

–

blijkens het bestemmingsplan mag maximaal 70% van het

bouwvlak worden bebouwd

–

nog

steeds een grote functioneel ondersteunende

activiteit met weinig tot geen maximering. Bij een grootschalig evenement maakt het, gelet op hetgeen is bepaald onder bullet twee van artikel 1. 36 planregels, niet eens uit dat de activiteit grootschaliger is dan de hoofdactiviteit, omdat het beperkt is in tijd. Dergelijke functionele

activiteiten hebben

echter

wel de nodige

impact op

de

leefomgeving. In het ontwerpplan is met die mogelijkheden en de voor de leefomgeving bestaande onzekerheden onvoldoende rekening gehouden. Ook is onduidelijk waarom een dergelijke veelheid aan nevenfuncties

als noodzakelijk en wenselijk worden geacht.

Het zou in dezen immers gaan om zorgwoningen voor hulpbehoevende ouderen.

o

Het

gebruik van de term ‘een en ander’ biedt weinig duidelijkheid

en

weinig

rechtszekerheid. Bijlage 3 bevat alvast bij de regels bevat een veelheid aan activiteiten, die ter plaatse onwenselijk zijn. Te denken valt bijvoorbeeld, doch niet uitsluitend, aan concertgebouwen, evenementenhallen, vervoersbedrijven, industriële activiteiten, die niet passen in de leefomgeving en die onder huidig recht in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening en onder het stelsel van de Omgevingswet

–

op

grond van het

overgangsrecht wordt dit ontwerpplan behandeld conform de regels zoals die zijn gesteld in de Wro, doch het bestemmingsplan, doch toekomstige activiteiten dienen met inachtneming van de Omgevingswet te worden vergund c. q. toegestaan – ook voldaan te worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

o

Cliënten zijn de mening toegedaan dat daar thans geen sprake van is, nu niet louter twintig wooneenheden gerealiseerd kunnen worden maar ook activiteiten die invloed hebben op de leefomgeving, in milieurechtelijke zin (geluid, geur, trillingen, lucht etc. ), 7

een verkeersaantrekkende

werking kunnen hebben en die het woongenot en privacy van

cliënten drastisch kunnen beperken. In onderhavig ontwerpplan is daar onvoldoende rekening mee gehouden. Cliënten nemen ten aanzien van dit onderdeel het standpunt in dat dit ontwerpplan onzorgvuldig is voorbereid en dat ten aanzien van de belangen van cliënten onvoldoende rekening is gehouden

–

en derhalve

in strijd is gehandeld – met

artikel 3:4 lid 1 én lid 2 Awb.

Milieu o

In paragraaf 5. 1. 1 van de toelichting op de planregels wordt gesteld dat geen m. e. r. plicht heeft te gelden, omdat zorgappartementen geen reguliere woningen betreffen c. q. er

geen

sprake

zou

zijn

van

een

stedelijk

ontwikkelingsproject.

In

ECLI:NL:RBGEL:2019:1092 oordeelde de rechtbank Gelderland dat appartementen in een

zorgcomplex wel woningen zijn. Eerder oordeelde

ECLI:NL:HR:2017:291

–

dat

bij

een

pand

dat

kan

de Hoge

Raad al

worden

beschouwd

–

in als

verzorgingsinstelling geen woning is, door de manier waarop het gebruik wordt. Zorgappartementen wijken af van die definitie en zijn derhalve, volgens de rechtbank Gelderland, aan te merken als reguliere woningen.

“De rechtbank acht aannemelijk dat de appartementen zelf zich voor wat betreft de voorzieningen niet onderscheiden van reguliere woningen. Dat bij de inrichting van de appartementen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat bewoners mogelijk minder goed ter been zijn en/of een zorgindicatie hebben, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de aard van de woning. ”

Cliënten zijn derhalve de mening toegedaan dat wel degelijk sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ten onrechte is geen rekening uitvoering gegeven aan artikel 3. 1. 6 lid 2 Bor en artikel 2. 2. 2. lid 3 van de Omgevingsverordening Limburg. In dit kader wordt ook verwezen naar r. o. 8. 3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2015 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1400. 8

o

Tenslotte wordt ten aanzien van dit onderdeel opgemerkt dat in de planregels geenszins is geborgd dat het om zorgappartementen moet gaan. De planregels bieden niet alleen de mogelijkheid om in plaats van zorgappartementen ook (zorg)woningen te realiseren, doch ook functioneel ondersteunende activiteiten die impact kunnen hebben op het milieu - verwezen wordt naar Bijlage 3 bij de planregels – en ten onrechte in het geheel niet betrokken zijn in de milieuparagraaf.

Bodem Verontreiniging o

Cliënten geven aan dat binnen het plangebied in het verleden een autobedrijf, incluis garage was gevestigd, waar

onder meer met oliehoudende materialen is gewerkt. In de

openbare registers en officiële bekendmakingen is niet vast te stellen of sprake is van (ernstige) bodemverontreiniging. Uit de toelichting op het plan blijkt ook niet dat vooronderzoek of nader onderzoek is verricht. Cliënten vinden dat weinig zorgvuldig en wijzen in dat kader ook op artikel 4. 5. 2. van de planregels.

Planregels o

Artikel 4. 5. 2. van de planregels bevat een voorwaardelijke verplichting. Derhalve is de uitvoerbaarheid ex artikel 3. 1. 6. lid 1 onder f van dit plan volgens cliënten niet aangetoond.

Verwezen

bestuursrechtspraak

van

wordt

tevens

naar

de

uitspraak

de

Raad

van

State

d. d.

van

27

de

Afdeling

maart

2013

(ECLI:NL:RVS:2013:BZ7429). In r. o. 14. 5 oordeelde de AbRvS:

‘Ter zitting is voorts gebleken dat het college geen enkel inzicht heeft in de kosten van de sanering en niet weet of uitvoering van het wijzigingsplan na sanering nog rendabel is. Nu het college een onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan achterwege heeft gelaten, bestaat aanleiding voor

9

het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. ’

Cliënten zijn van mening dat de uitvoerbaarheid van dit plein onvoldoende is aangetoond en dat in strijd is gehandeld met

het zorgvuldigheidsbeginsel.

Archeologie o

Het bestemmingsplan Venray, vastgesteld op 19 september 2017, kende ter plaatse de enkelbestemming

bedrijf

dubbelbestemming opgenomen

enkelbestemming

en

‘Waarde

–

Archeologie

wonen,

3’. Deze

doch

telkens

dubbelbestemming

met

de

is ook

in het ontwerpplan. De ruimtelijke ontwikkeling moet gezien worden in het

licht van artikel 5. 2 van de planregels en de (mogelijke) invloed van de ruimtelijke ontwikkeling op de archeologie in de bodem. In de toelichting is het volgende opgenomen:

‘Conform het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde

–

Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen

dieper dan 50 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 100 m2 een archeologisch

onderzoek dient te worden uitgevoerd. In dit geval heeft er in

de directe omgeving van het plangebied en binnen het plangebied reeds veel bodemverstoring plaatsgevonden. Bij de realisatie van de aanwezige bebouwing op de planlocatie zijn geen

archeologische restanten/waarden aangetroffen. Het

beoogde appartementencomplex wordt grotendeels ter plaatse van deze reeds verstoorde grond gerealiseerd en er wordt niet dieper gegraven dan reeds ten behoeve van de bestaande bebouwing is gedaan. Gezien er ten tijde van de bouw van

de aanwezige bebouwing geen resten zijn aangetroffen, zal dit bij de

realisatie van het nieuwe appartementencomplex naar verwachting ook niet aan de orde zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. ’

10

o

Uit de toelichting blijkt niet dat destijds onderzoek is verricht en ook niet wat de uitkomsten van dat onderzoek waren. Daar komt bij dat de huidige bebouwing is van voor inwerkingtreding van de Wro

(en Wabo) en derhalve is nog maar de vraag of – indien

onderzoek plaats heeft gehad – dat is verricht in lijn met het wettelijk stelsel doch ook met artikel 39 en 40 Monumentenwet

1988 en (nadien) de Erfgoedwet. Cliënten

betwisten dat en zijn het standpunt toegedaan dat niet afdoende onderzoek is gedaan. Het besluit is op dit punt dan ook niet zorgvuldig naar mening van cliënten

o

NB. De vrijstaande woning is gebouwd in 1955. Toen bestonden de hiervoor beschreven wetten nog niet. Sterker nog, zelfs de Monumentenweg 1961 was toen nog niet in

werking getreden.

Lucht, verkeer en parkeren o

In paragraaf 5. 1. 3 staat beschreven dat getoetst is aan de NIBM. NIBM gaat over gevolgen voor kwaliteit van de lucht, niet de gevolgen van luchtkwaliteit. Uit de Vianenuitspraak (ECLI:NL:RVS:2014:4099) volgt dat niet alleen aan het NIBM-besluit getoetst dient te worden, doch ook dat getoetst wordt aan het Besluit gevoelige bestemmingen. Van een gevoelige bestemming is sprake indien voldaan aan artikel 3 lid 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen. In casu gaat het om zorgwoningen en gelet op de formulering in artikel 1. 60 en omschrijving in artikel 4. 1. 1 onder c van de planregels ligt het voor de hand dat de zorgwoningen aan te merken zijn als gevoelige bestemmingen. Blijkens de toelichting op de regelgeving in dezen gaat het om een ruime uitleg en maakt het derhalve niet uit of de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten staat. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. Er is geen sprake van een onderzoek waarmee een overzicht van

de heersende luchtkwaliteit en de geplande ontwikkelingen in het nieuwe

bestemmingsplan wordt gegeven. Het voorgaande dient volgens de cliënten als onzorgvuldig te worden aangemerkt en in welk kader thans niet gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening.

11

Parkeren o

In de toelichting op het ontwerpplan staat beschreven dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk wordt geacht, omdat uit paragraaf 5. 6. 1 zou blijken dat er sprake zou zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal, doch

deze conclusie is volgens cliënten onjuist. Immers, er wordt aansluiting gezocht bij 70,3 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Echter, blijkens de gegevens meer

in het handelsregister hebben reeds sedert 2019 geen bedrijfsactiviteiten

plaats. Derhalve kan volgens cliënten geen aansluiting gezocht worden bij fictieve

bedrijfsuitoefening ten opzichte van de feitelijke situatie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtelijk van de Raad van State dient uitgegaan te worden van de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie . Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2021:1371, r. o. 9. 1.

o

Ook wordt gesteld dat de bewoners van het zorgcomplex geen rijbewijs c. q. auto ter beschikking zouden hebben, doch onduidelijk is op basis waarvan die conclusie wordt getrokken. In de eerste plaats staat niet vast welke vorm van zorgbehoevenden de zorgwoningen

–

nog

los van de vraag hoeveel personen per woning gehuisvest zullen

worden – zullen betrekken en of deze personen wel of geen rijbewijs en/of auto hebben. Tevens verrichten het personeel én eventuele bezoekers verkeersbewegingen, die voor een toename

o

Daarnaast

zullen zorgen.

biedt het ontwerpplan

nogal wat

mogelijkheden

om

ondergeschikte

activiteiten mogelijk te maken, die tot een ferme toename van verkeersbewegingen kunnen leiden. In artikel 4. 1. 1 onder c jo. Bijlage 3 wordt onder meer mogelijk gemaakt: personenautoverhuurbedrijven,

verhuurbedrijven

12

van

roerende

goederen,

evenementenhallen,

concertgebouwen,

danksscholen,

musea,

kinderboerderijen,

niet

effect

op

sportscholen, fitnesscentra etc.

o

Dergelijke

bedrijfsactiviteiten

hebben

alleen

het

aantal

verkeersbewegingen, doch ook de in Venray geldende parkeernormen. In artikel 5. 6. 2 wordt ten onrechte uitgegaan van 12 parkeerplaatsen, doch in Bijlage 3 van de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, wordt alleen al bij een appartement al uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per appartement, 1,1 per serviceflat en 2,0 per woning. Een woning wordt immers niet uitgesloten op basis van de voorliggende planregels. Derhalve dient uitgegaan te worden van 22 tot 40 parkeerplaatsen bij louter bewoning. Parkeerplaatsen voor personeel zijn daar nog niet in meegenomen. Komt daar een ondergeschikte er nog

functie bij, dan is in bijlage 3 duidelijk zichtbaar dat per 100 m² bvo

andere normen hebben te gelden en dienen binnen het plangebied nog meer

parkeervoorzieningen te zijn. Aan de Westsingel zijn die voorzieningen er niet en op eigen terrein is blijkens de verbeelding niet voldoende parkeergelegenheid voor zoveel parkeerplaatsen. Daar komt bij dat artikel 7. 4, als mogelijk vangnet, alleen ziet op bouwen en niet op gebruik.

o

In het ontwerpplan is ook met lucht, verkeer en parkeren onvoldoende rekening gehouden. Er is geen deugdelijk onderzoek gedaan naar verkeer, parkeren en de verkeersveiligheid. Cliënten achten het ook van belang dat de blootstelling aan luchtverontreiniging een plek krijgt in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening

en

dat

de

verkeerssituatie

(waaronder

verkeersbewegingen

en

de

parkeersituatie) wordt onderzocht. Thans is daar geen sprake van en derhalve achten zij het ontwerpplan ook op dit onderdeel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.

13

„| Kort

samengevat: voorliggend plan voldoet

wordt het woon-

en

leefklimaat

aangetast,

niet aan de eisen die artikel 3:2 Awb daaraan stelt. Daarnaast in welk kader geen

sprake

kan

zijn van

een

goede ruimtelijke

ordening.

Gelet op het vorenstaande verzoek ik u namens cliënten met

zienswijze

het

bestemmingsplan

Onder voorbehoud

van

inachtneming van de hiervoor weergegeven

niet definitief vast te stellen.

alle rechten

en

weren,

verblijft in afwachting,

(geanonimiseerd) advocaat

14

Van der Putt ADVOCATEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14430173/1