13 Quickscan Flora en Fauna 15
Tekst van het document
Flora- en fauna-inspectie voor de sloop van varkensstallen en herbestemming van het perceel aan de Laagheidseweg 15 te Venray
In opdracht van: V-snaar Projecten b.v. 22 maart maart 2018 13 ir. G. Hovens en P.J.C.A. op het Veld
Faunaco ns ult Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Flora- en fauna-inspectie voor de sloop van varkensstallen en herbestemming van het perceel aan de Laagheidseweg 15 Venray Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
V-snaar Projecten b.v. ir. G. Hovens/ C. de Koning, MSc ir. G. Hovens en P.J.C.A. op het Veld
Faunaconsult is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de landelijke brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische advies- en -onderzoeksbureaus. Het Netwerk Groene Bureaus hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden van het netwerk aan te spreken op de kwaliteit van hun werk en aangeleverde producten.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
1
Inhoud 1.
Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 3 2. De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 3. Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 6 4. Aanwezige beschermde natuurwaarden .......................................................................................... 7 4.1. Beschrijving plangebied ..........................................................................................................
7 4.2 Beschermde planten en dieren ................................................................................................. 9 5. Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 14 6. Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................................... 15 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 18
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
2
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
V-snaar Projecten begeleidt het herinrichtingsplan aan de Laagheidseweg 15 in Venray (Gemeente Venray, Provincie Limburg) en voert deze ook uit en heeft aan ecologisch adviesbureau Faunaconsult opdracht gegeven op deze locatie een flora- en fauna-inspectie uit te voeren. Het plangebied bestaat uit een noordelijk gelegen deel met varkensstallen en een zuidelijk gelegen deel, bestaande uit grasland. De varkensstallen worden gesloopt, de bijbehorende bedrijfswoning tussen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied in wordt herbestemd naar burgerwoning en vervolgens worden er twee nieuwe burgerwoningen gerealiseerd (een op de plaats van de varkensstallen en een op de plaats van het grasland).
1.2
Doel en status van dit document
De voorgenomen ingreep heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten deze ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de aanwezige natuurwaarden weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
3
2.
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
4
3.
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
Het plangebied bestaat uit een noordelijk gelegen deel met varkensstallen en een zuidelijk gelegen deel, dat tijdens het veldbezoek uit grasland bestond (in figuur 1 is in het zuidelijk deel nog een boomkwekerij gevestigd). In het noordelijk deel worden de varkensstallen gesloopt en alle vegetatie wordt verwijderd. De bijbehorende bedrijfswoning tussen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied krijgt de bestemming burgerwoning en vervolgens worden er twee nieuwe burgerwoningen gerealiseerd (één op de plaats van de varkensstallen en één op de plaats van het grasland). In het zuidelijk deel van het plangebied is een aantal bomen aanwezig; deze blijven alle behouden. Figuur 1 geeft de huidige situatie weer, figuur 2 geeft de voorgenomen situatie weer.
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: Google Maps.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
5
Figuur 2. De voorgenomen situatie.
3.2
Werkwijze flora- en fauna-inspectie
Op 6 maart 2018 heeft Faunaconsult het plangebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren. Daartoe werden de te slopen gebouwen van binnen en buiten met behulp van een zaklamp, boomcamera en ladder geïnspecteerd. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
6
4.
Aanwezige beschermde natuurwaarden
4.1.
Beschrijving plangebied
Noordelijk deel Dit deel van het plangebied bestaat uit 3 varkensstallen, die deels nog in gebruik zijn en voersilo’s (zie grote foto op de voorzijde van dit rapport). In figuur 3 zijn de varkensstallen aangegeven met de letters A, B en C. Daarnaast is er een werktuigenberging aanwezig (aangegeven met D in figuur 3) en een aardgastank (zie kleine foto linksonder op de voorzijde). In het meest noordelijk gelegen deel staat een aantal kerstdennen (fijnspar) en coniferen (zie figuur 4). Langs de Laagheidseweg aan de oostkant van het noordelijk deel van het plangebied staat een rij coniferen (zie figuur 5). Daarnaast werd een aantal algemeen voorkomende, niet beschermde planten waargenomen: hondsdraf, paardenbloem, zachte ooievaarsbek en vogelmuur. Het gedeelte rondom de varkensstallen is grotendeels verhard.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: Google Maps. De letters worden in de tekst hieronder nader toegelicht.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
7
Figuur 4. Coniferen en fijnsparren in het noordelijk deel van het plangebied.
Figuur 5. Varkensstallen met op de achtergrond de rij coniferen langs de Laagheidseweg. Zuidelijk deel Het zuidelijk deel van het plangebied is ongeveer een jaar geleden ingezaaid met Engels raaigras. De kleine foto rechtsboven op de voorzijde laat een deel van dit grasland zien met op de achtergrond zomereiken die aan weerszijden van de Laagheidseweg staan. In dit deel van het plangebied staan enkele zomereiken, die alle behouden blijven (zie figuur 6).
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
8
Figuur 6. Zomereiken in het zuidelijk deel van het plangebied. In het zuiden grenst het plangebied aan de Nieuwe Overloonseweg en de bebouwde kom van Venray. Voor de rest is de omgeving van het plangebied landelijk met akkers en weilanden.
4.2
Beschermde planten en dieren
Zoogdieren en vogels De 3 varkensstallen in het noordelijk deel van het plangebied (zie figuren 3 en 7) hebben alle dubbelsteense muren met een dak van golfplaten; de binnenkant van de daken is afgewerkt met schuim (zie figuur 8), zodat hier geen openingen zijn waardoor dieren van buiten de varkensstallen kunnen bereiken. De niet meer in gebruik zijnde stallen zijn tijdens het veldbezoek van binnen geïnspecteerd en hierbij werden geen sporen van vogels, vleermuizen of andere beschermde zoogdieren aangetroffen. De ruimte onder de ‘golven’ van de golfplaten is opgevuld (zie figuur 9), zodat ook hier geen plaats is voor vogelnesten of vleermuisverblijven.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray
9
Figuur 7. De drie varkensstallen (A, B en C) in het noordelijk deel van het plangebied.
Figuur 8. Van binnen is het dak afgewerkt met schuim.
Figuur 9. Onder de golfplaten daken is geen ruimte voor vogelnesten of vleermuisverblijven.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 10
De windveren van de varkensstallen liggen strak tegen de gevel (zie figuur 10), zodat hieronder geen ruimte is voor vleermuisverblijven.
Figuur 10. Onder de windveren is geen ruimte voor vleermuisverblijven. De werktuigenberging (aangeduid met D in figuur 3) heeft spouwmuren en een aantal open stootvoegen boven de garagedeur (zie figuur 11). In één van deze open stootvoegen werden uitwerpselen aangetroffen van (waarschijnlijk) gewone dwergvleermuis.
Figuur 11. In één van de open stootvoegen (aangeduid met rode pijl) werden uitwerpselen van (gewone) dwergvleermuis aangetroffen (zie detailfoto). Daarnaast vertoont de dakoversteek van de werktuigenberging kieren (zie figuur 12); in deze kieren zijn mogelijk ook vleermuisverblijven aanwezig.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 11
Figuur 12. De dakoversteek van de werktuigenberging vertoont kieren; hier zijn mogelijk vleermuisverblijven aanwezig. De bomen en struiken in het plangebied bevatten geen holten of nesten, zodat hierin geen verblijven van vleermuizen, eekhoorns of andere strenger beschermde zoogdieren aanwezig zijn. Sporen, wissels, uitwerpselen etc. van overige zoogdieren, die behoren tot de categorieën ‘Internationaal beschermde soorten’ zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Wel werden in het noordelijk deel van het plangebied bij de fijnsparren meerdere konijnenholen waargenomen (zie figuur 13). De laanbomen langs de Laagheidseweg (ten oosten van het plangebied) fungeren mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Vaste vliegroutes van vleermuizen worden onder de Wet natuurbescherming als vaste voortplantings- of rustplaatsen gezien. Tabel 1 geeft de mogelijk voorkomende beschermde zoogdieren in het plangebied weer.
Figuur 13. Konijnenhol in het noordelijk deel van het plangebied. Waarschijnlijk broeden er in het broedseizoen algemene vogelsoorten als merel, winterkoning etc. in de struiken en bomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek werden de volgende vogelsoorten in en rond het plangebied waargenomen: heggenmus, ekster, merel, groene specht en vink. Daarnaast
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 12
werd in een van de zomereiken in het zuidelijk deel van het plangebied een buizerd gezien; buizerdnesten werden echter nergens in het plangebied waargenomen. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (http://www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) kwamen er in 2014 in het meest oostelijk gelegen kilometerhok van het plangebied territoria voor van steenuil, havik, bosuil en buizerd (het plangebied is gelegen in 2 kilometerhokken). In het meest westelijk gelegen kilometerhok kwamen 3 territoria voor van steenuil en 1 van buizerd. Deze vogels broeden met zekerheid niet in het plangebied. Overige beschermde soorten In het plangebied werden alleen algemeen voorkomende, niet beschermde plantensoorten waargenomen. De Provincie Limburg heeft de twee kilometerhokken waar het plangebied in ligt in 2003 geïnventariseerd (zie http://www.natuurgegevensprovincielimburg.nl); in het plangebied werden daarbij geen beschermde planten waargenomen. Reptielen en amfibieën werden tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en wateren zijn afwezig. Het is echter wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten een deel van het plangebied als landhabitat gebruiken (zie tabel 1). In het plangebied zijn geen overige beschermde soorten waargenomen en de aanwezige biotoop is ook ongeschikt als habitat voor dergelijke soorten. Tabel 1. (Potentieel) in het gebied voorkomende beschermde soorten.
Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven. Vogels Internationaal Overige beschermde Nederlandse naam en wetenschappelijke naam met jaarrond beschermde beschermd nest soorten soorten X Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Bosspitsmuis (Sorex araneus) X X Huisspitsmuis (Crocidura russula) X Veldmuis (Microtus arvalis) Konijn (Oryctolagus cuniculus) X Haas (Lepus europaeus) X X Gewone pad (Bufo bufo) X Bruine kikker (Rana temporaria) Grootoorvleermuis (Plecotus auritus) X Laatvlieger (Eptesicus serotinus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 13
5.
Mogelijke effecten
- Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - Als de struiken en bomen in het noordelijk deel van het plangebied tijdens het broedseizoen worden verwijderd (de bomen in het zuidelijk deel van het plangebied blijven alle behouden), kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - De laanbomen langs de Laagheidseweg maken mogelijk deel uit van een vaste vliegroute of foerageergebied van vleermuizen; deze laanbomen blijven alle behouden. Wel kan het plaatsen van buitenverlichting op de laanbomen vleermuizen op deze locaties verstoren. - In de te slopen werktuigenberging is een verblijfplaats van een dwergvleermuissoort aangetroffen en mogelijk zijn er meerdere verblijfplaatsen van vleermuizen in deze berging aanwezig. Bij de sloopwerkzaamheden worden deze voortplantings- en rustplaatsen aangetast. Vleermuizen kunnen hierbij worden verstoord, verwond of gedood. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 2.
Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. Soort Beschermingsregime Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. Wnb 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 Algemene in het plangebied Vogels X X broedende vogels Vleermuizen Internationaal beschermde X X X soorten Algemene zoogdieren en Overige soorten X amfibieën Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen
van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van soorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van soorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van soorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 14
6.
Conclusies en aanbevelingen
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren, die tijdens het werk worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels Verstoring en vernietiging van vogelnesten is te vermijden, door de opgaande vegetatie in het noordelijk deel van het plangebied buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Vleermuizen: aanvullend onderzoek De laanbomen langs de Laagheidseweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute en foerageergebied van vleermuizen.
Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen rond het plangebied alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting of amberkleurige UV-vrije led armaturen. In één van de open stootvoegen van de te slopen werktuigenberging werden uitwerpselen van een dwergvleermuissoort aangetroffen Daarnaast bevat de dakoversteek kieren, waardoor ook hier mogelijk vleermuisverblijven aanwezig zijn. De sloop van dit gebouw kan leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus et al., 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: - 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd.
Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Het is aan te raden om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast 4 vleermuiskasten op te hangen, bijvoorbeeld van het type Schwegler 1FF, zoals aanbevolen in het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017). Dit dient te gebeuren vóór 1 april 2018 aan niet te slopen panden binnen een straal van 100 à 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), bijvoorbeeld de woning tussen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied in. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Het voorgenoemde type vleermuiskast is een uitwendig model, dat in principe niet geschikt is als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen werktuigenberging vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er in de nieuwbouw een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 01 Inbouwsteen, die wordt gekoppeld aan een extra compartiment (Vivara IB VL 02;
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 15
zie figuur 14). Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen.
Figuur 14. Vleermuizenkast Vivara IB VL 01 gekoppeld aan Vivara IB.
Uitgaande van de resultaten van het onderzoek zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen voor de bestemmingswijziging; deze bestemmingswijziging hoeft dan ook niet te wachten totdat vervolgonderzoek is uitgevoerd.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 16
Literatuur x BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. x Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Provincie Limburg. x Ministerie van Economische zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. x Provincie Limburg, 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. x Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur. 2013. Vleermuisprotocol 2013, versie 27 maart 2013. Gegevensautoriteit Natuur, Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 17
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: x het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) x het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) x het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) x het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) x het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) x het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) x het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: x geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, x de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en x de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 18
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: x het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) x het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) x het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) x het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) x het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) x het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: x er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); x er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; x de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 19
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: x er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); x er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; x de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 20
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Flora- en fauna-inspectie Laagheidseweg 15 Venray 21