CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

13 N270 Via Venray Passende beoordeling

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan N270 Via Venray.29.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

25 alinea's met “deur”: 27 30 67 83 141 143 147 158 172 174 179 189 198 199 201 203 450 455 857 858 1005 1088 1091 1094 1192

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray

projectnummer 463723.101 definitief revisie 2.0 4 juni 2021

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray

projectnummer 463723.101 definitief revisie 2.0 4 juni 2021

Auteur S.M. Weterings

Opdrachtgever Provincie Limburg Limburglaan 10 6229 GA MAASTRICHT

datum vrijgave 4 juni 2021

beschrijving revisie 2.0 Definitief

gecontroleerd C. Schellingen

vrijgave P. Kennes

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Doel Werkwijze en uitgangspunten Leeswijzer

3 4 5 6

2

Boschhuizerbergen

7

2.1 2.2 2.2.1 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4

Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen Afbakening instandhoudingsdoelen Habitattypen Ecologische beoordeling H2310 Stuifzanden met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen H5130 Jeneverbesstruwelen

7 7 7 7 8 9 11 12

3

Deurnsche Peel & Mariapeel

14

3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3

Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel Afbakening instandhoudingsdoelen Habitattypen Broedvogelsoorten Niet-broedvogelsoorten Ecologische beoordeling H7120 Herstellende hoogvenen A004 Dodaars A224 Nachtzwaluw

14 14 14 14 15 15 15 17 18

4

Maasduinen

19

4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8 4.3.9

Natura 2000-gebied Maasduinen Afbakening instandhoudingsdoelen Habitattypen Habitatsoorten Broedvogelsoorten Ecologische beoordeling H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden H6120 * Stroomdalgraslanden H7110B *Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

19 19 19 20 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

4.3.10 4.3.11 4.3.12 4.3.13 4.3.14 4.3.15 4.3.16 4.3.17 4.3.18 4.3.19

H91D0 * Hoogveenbossen H91E0C * Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H1166 Drijvende waterweegbree A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A224 Nachtzwaluw A236 Zwarte Specht A246 Boomleeuwerik A276 Roodborsttapuit A338 Grauwe klauwier

31 32 33 34 35 37 39 41 42 43

5

Toelichting ecologische relevantie van geringe, tijdelijke toenames

46

6

Cumulatie

48

7

Conclusies

49

8

Bronnen

50

Bijlagen

50

1. Stikstofdepositieonderzoek (apart bijgevoegd) 2. Aerius berekening gebruiksfase (apart bijgevoegd) 3. Aerius berekening realisatiefase (apart bijgevoegd) 4. Toename op hexagoonniveau 5. Kaartenbijlage (apart bijgevoegd)

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De Provincie Limburg is voornemens de provinciale weg N270 Eindhoven – Well, gelegen tussen km 38.3 en km 42.0 in de gemeente Venray duurzaam her in te richten, een fietspad aan te leggen en een landbouwroute te realiseren. In Figuur 1.1. is de ligging van het projectgebied weergegeven.

Figuur 1.1. Globale begrenzing van het projectgebied (rood omrand). Bron ondergrond: Globespotter, 2017.

Het project omhelst verschillende aanpassingen aan de bestaande weg tussen km 38.3 en km 42.0 inclusief alle binnen dit wegvak gelegen aansluitingen. De voornaamste aanpassingen houden in dat het wegprofiel wordt aangepast waarbij deze tussen de Leunseweg en A73 wordt omgebouwd van twee rijstroken aan elkaar naar twee losse rijstroken met een tussenberm. Daarnaast worden met name de volgende aspecten gewijzigd: huidig viaduct kruising Leunseweg blijft gehandhaafd waarbij een nieuwe afrit wordt aangelegd en diverse andere kleinere infrastructurele wijzigingen; de huidige landbouwroute (Zuivelweg, Molenhofweg, Laagriebroekseweg, De Locht) wordt geoptimaliseerd; een beperkt deel van de huidige Baggerweg wordt verlengd; de fietstunnel onder de N270 van het Swingerspad wordt meer naar het westen gelegd; de westelijke afrit A73 verschuift verder naar het westen; ten oosten van de Nobelstraat/De Germaan wordt een fietspad met fietstunnel gerealiseerd; ten noorden van, en parallel aan de N270 wordt tussen de Oirloseweg en de Msg. Hanssenstraat een fietspad gerealiseerd; In Figuur 1.2 zijn de beoogde ingrepen op kaart weergegeven.

3

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 1.2. Overzicht beoogde werkzaamheden. Bron ondergrond: Globespotter, 2017.

De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd indien deze niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een Natuurtoets (inclusief een voortoets) is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het projectgebied en de effecten hierop (Antea Group, 2020). Daaruit blijkt dat effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten zijn voor wat betreft de storingsfactoren en - om de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden in beeld te brengen - is geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. Om deze reden zijn AERIUS-berekeningen (op 20 oktober 2020, ReL99tEJzXig, zie bijlage 2 en 5 februari 2021, RfRrdpps5RzS, zie bijlage 1) uitgevoerd. Uit deze AERIUS-berekeningen komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (ruim één jaar) in stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van diverse Natura 2000-gebieden (Boschhuizerbergen, Deurnsche Peel & Mariapeel en Maasduinen) in de realisatiefase. Een aantal van de habitattypen in deze Natura 2000-gebieden zijn wat betreft stikstofdepositie ‘overbelast’, omdat de Kritische Depositie Waarde (KDW) op dit moment wordt overschreden als gevolg van de hoge achtergronddepositie.

In de gebruiksfase is sprake van een zeer lokale toename van 0,01 mol/ha/jr binnen 1 hexagon waar het habitattype H2330 zandverstuivingen aanwezig is in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen.” Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het recent opgestelde ‘Stappenplan Toestemmingsverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ (www.rijksoverheid.nl) dient het risico op aantasting van de natuurlijke kenmerken ecologisch te worden beoordeeld. Daarom is de voorliggende passende beoordeling opgesteld.

1.2

Doel Indien een project significante gevolgen kan hebben voor de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied, kan een Wnb-vergunning uitsluitend worden verleend indien is voldaan aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. In dat geval kan de vergunning alleen worden verleend indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

zekerheid is verkregen dat het project of plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In voorliggende passende beoordeling wordt onderbouwd wat de effecten zijn van de realisatieen gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden. En wordt nagegaan of een aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied met zekerheid kan worden uitgesloten. Deze passende beoordeling wordt opgesteld in het kader van de Wnb-vergunningaanvraag. Uiteindelijk zal de Wnb vergunning 1-1 ingepast worden in het inpassingplan.

1.3

Werkwijze en uitgangspunten Kritische depositie waarde (KDW) Ten gevolge van de activiteit is een toename in stikstofdepositie berekend op diverse Natura 2000-gebieden. In deze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de ruimere omgeving van het projectgebied is in de huidige situatie sprake van een (deels) overbelaste situatie. Dat wil zeggen dat de huidige depositie boven de KDW (kritische depositie waarde) liggen. De kritische depositie waarde wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben et al. 2012). Stikstofdepositie kan daarom voor veel habitattypen een bedreiging vormen voor de kwaliteit. Daarom zijn significant negatieve effecten niet bij voorbaat uit te sluiten en is de voorliggende passende beoordeling opgesteld. Huidige stikstofbelasting In deze passende beoordeling worden de benamingen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ gehanteerd voor habitattypen en leefgebieden. Deze benamingen hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. Afhankelijk van de reeds aanwezige stikstofdepositie (achtergrondwaarde) en de berekende (toegevoegde) depositie wordt vastgesteld of de KDW wordt overschreden.

Van een naderende overbelasting is sprake wanneer de achtergrondwaarde minder dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt. Daar waar de KDW wordt overschreden, wordt gesproken van overbelast gebied. Daar waar de achtergrondwaarde meer dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt, wordt de term ‘niet overbelast’ gehanteerd. Basisinformatie en uitgangspunten Bij de passende beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie. De PASgebiedsanalyses van de Natura 2000-gebieden bevat in veel gevallen de meest recente informatie en dient dan als basis voor de passende beoordeling. De beheerplannen zijn gebruikt als aanvulling op de informatie uit het PAS- gebiedsanalyse. De PAS-gebiedsanalyse maakt onderscheid tussen een ingetekend en een gekarteerd oppervlak van habitattypen en leefgebieden, deze oppervlakken komen niet in alle gevallen overeen. In de AERIUS-calculator wordt uitgegaan van de ingetekende oppervlakken, dit vormt dan ook de input voor de uitgevoerde berekeningen. In voorliggende passende beoordeling wordt, in lijn met de AERIUScalculator, uitgegaan van de ingetekende oppervlakken. Bij het opstellen van de passende beoordeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De passende beoordeling stikstofdepositie is gebaseerd op de uitkomsten van de AERIUS-berekening voor N270 Via Venray (kenmerk: RfRrdpps5RzS, 5 februari 2021).

Voor de uitgangspunten voor deze berekeningen wordt naar deze berekeningen 5

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

•

•

•

1.4

verwezen. Het betreft een tijdelijke toename als gevolg van de omleidingsroutes gedurende de werkzaamheden. Deze werkzaamheden vinden (worst case)plaats gedurende ruim één jaar. De omleidingsroutes zullen er niet constant zijn dus is de berekende stikstoftoename een worst case inschatting van de effecten. De analyse van stikstofgevoelige instandhoudingsdoelstellingen (ISHD) wordt gebaseerd op de PAS-gebiedsanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden. Voor de afbakening van de stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen wordt verwezen naar de PAS-gebiedsanalyses. Er wordt niet gekeken naar ‘typische soorten’. Bij het in beeld brengen van de gevolgen van de stikstofdepositie volstaat de toetsing aan de andere kwaliteitsaspecten (abiotische randvoorwaarden, vegetatietypen, structuur en functie) van de betreffende habitattype omdat deze (samen met het natuurbeheer) bepalend zijn voor de omstandigheden voor typische soorten. In dit geval kan worden volstaan met deze conclusie en heeft er geen afzonderlijke toets voor typische soorten plaatsgevonden. Voor de stikstofgevoelige habitatsoorten wordt het stikstofgevoelige leefgebied getoetst, zoals het begrensd is in AERIUS-calculator en toegeschreven is aan de desbetreffende soort in de PAS-gebiedsanalyse.

Leeswijzer Uit de AERIUS-berekening – als bijlage 1 opgenomen - blijkt een toename in stikstofdepositie op diverse Natura 2000-gebieden te zijn. In hoofdstuk 2 tot en met 4 worden de relevante Natura 2000-gebieden (waarbij sprake is van een toename in stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande rechten) beschreven en vindt de ecologische beoordeling en toetsing van het stikstofeffect aan de instandhoudingsdoelstellingen plaats. Het betreft de Natura 2000-gebieden Boschhuizerbergen, Deurnsche Peel & Mariapeel en Maasduinen. In deze hoofdstukken wordt naar instandhouding, trend, beheer en aanvullend wordt in hoofdstuk 5 toegelicht dat zeer lage tijdelijke toenames ecologisch niet relevant zijn. Hoofdstuk 6 behandelt het cumulatie-onderzoek in het kader van de aanvraag voor de Wnb-vergunning. In hoofdstuk 7 is de conclusie opgenomen.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

2

Boschhuizerbergen

2.1

Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen Het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen is op 23 mei 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het gebied is aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 2.1 weergegeven. In deze tabel vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats.

2.2

Afbakening instandhoudingsdoelen

2.2.1

Habitattypen Tabel 2.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluiten). Hoogste Kritische Hoogste Doel tijdelijke depositiewaarde actuele Habitattype Omvang/ Relevant toename (KDW) depositie2 Kwal 1 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H2310 Stuifzanden met struikhei >> 0,7 1071 2376 Ja, overschrijding KDW en bijdrage H2330 Zandverstuivingen >= 0,96* 714 2367 Ja, overschrijding KDW en bijdrage H3130 Zwakgebufferde vennen == 0,33 571 1718 Ja, overschrijding KDW en bijdrage H5130 Jeneverbesstruwelen => 0,79 1071 2409 Ja, overschrijding KDW en bijdrage

*In de gebruiksfase ondervindt een beperkte oppervlakte (1 hexagon) van dit habitattype een toename van 0,01 mol/ha/jr. Daarom is dit habitattype ook vanuit de gebruiksfase relevant om mee te nemen in de ecologische beoordeling (zie paragraaf 2.3.2) Legenda = >

Behoud Uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit

Voor alle habitattypen is er sprake van een toename aan stikstofdepositie en geldt dat de KDW wordt overschreden. Voor deze habitattypen geldt dat negatieve effecten van de toename niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Alle habitattypen worden dan ook in de ecologische analyse nader beschouwd.

2.3

Ecologische beoordeling Bij de ecologische beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie uit de PAS-gebiedsanalyse (provincie Limburg, 2017a) en het beheerplan (provincie Limburg, 2020a). Aangezien het beheerplan recenter is, is dit document als basis gebruikt en aangevuld met informatie uit de PAS-gebiedsanalyse.

1

Van Dobben et al. (2012).

2

Bron: AERIUS-berekening voor N270 Via Venray (kenmerk: RfRrdpps5RzS, 5 februari 2021).

7

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

2.3.1

H2310 Stuifzanden met struikhei Tabel 2.2: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H2310 Stuifzanden met struikhei, Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage3 bijdrage (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H2310 Stuifzanden met >> 1071 4,8 100 0,45 0,7 struikhei

Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 4,8 ha van H2310 Stuifzanden met struikhei. Het hele oppervlakte H2310 Stuifzanden met struikhei in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen wordt beïnvloed door het project. De Stuifzandheiden met struikhei bevinden zich in het hart van het Natura 2000-gebied ten oosten van de spoorlijn Venlo-Nijmegen. Een klein deel van het habitattype ligt aan de westzijde van het spoor. Een groot deel bevindt zich in het mozaïek met Zandverstuivingen en Jeneverbesstruwelen; hiernaast bevindt er zich ook een geïsoleerd stuk Stuifzandheiden met struikhei ten noorden van dit mozaïek. Het habitattype omvat droge heiden op binnenlandse zandduinen in het Noordwest-Europese laagland. De stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld. Stuifzandheiden zijn in het stuifzandheide systeem een momentopname in de successie. Nadat de natuurlijke dynamiek door korstmossen omlaag gebracht is beginnen de standplaatsfactoren gunstiger te worden voor struikheide die op zijn beurt de weg baant voor bomen zoals de berk en de eik.

In de stuifzandheiden is de overheersende struikvormer doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen. De huidige staat van instandhouding voor het habitattype is matig. Het beheer in dit systeem is vooral gericht op het voedselarm en open houden van de vegetatie. Dit wordt vormgegeven door een combinatie van plaggen, opslag verwijderen en begrazen. Het uiteindelijke doel van dit beheer is om de kieming van de jeneverbessen te stimuleren. Aanvullend hierop is er door het gehele centrale deel van het mozaïek steenmeel uitgereden. Dit steenmeel heeft als doel om de vergaande verzuring van de bodem tegen te gaan. Om de huidige staat van instandhouding te verbeteren is er voor dit habitattype een begin gemaakt met het herstelbeheer. Het herstelbeheer bestaat uit het verwijderen van het bos (met name grove den) op de zandverstuivingen, zodat er een groter areaal en meer dynamiek ontstaat. Aangezien het een voedselarm habitattype betreft, zijn deze gekapte delen aansluitend geplagd. Op basis van het uitgevoerde herstelbeheer in het gebied kan geconstateerd worden dat de kwaliteit van het habitattype zich daardoor tenminste gestabiliseerd heeft. De waarneming van de blauwvleugelsprinkhaan in 2018 zou kunnen duiden op een positieve kentering voor het habitattype. Het habitattype is stikstofgevoelig.

Voor het habitattype van Stuifzanden met struikhei leidt stikstofdepositie zowel tot vermesting als tot verzuring. De kenmerkende vegetatietypen zijn gebonden aan zeer voedselarme omstandigheden. Echter, een depositie van max 0,7 mol N/ha (op een beperkte oppervlakte van het habitattype binnen 1 hexagoon, zie bijlage 3, op de overige 3

Het betreft e laagste en de hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

oppervlakte van het habitattype is de projectbijdrage lager) komt overeen met 9,8 gram N per hectare. Een ecologische verandering daardoor is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Dat is niet het geval bij de omleidingsroutes. Een ander knelpunt voor het behalen van het instandhoudingsdoel ligt in het gegeven dat het habitattype Stuifzandheiden met struikhei omsloten wordt door naaldbossen. Dit heeft geleid tot een gebrek aan winddynamiek en zo – in combinatie met de hoge stikstofdepositie - tot een versnelde vergrassing en verbossing. De huidige oppervlakte aan droge habitattypen is te klein om natuurlijke winddynamiek toe te laten. Ook wordt de verstuiving extra belemmerd door de aanwezigheid van de spoorlijn. De functionele omvang van de Stuifzandheiden met struikhei bedraagt enkele tientallen hectares. Op dit moment is niet meer dan 5 ha van dit habitattype aanwezig. De beperkte oppervlakte van het habitattype is daarmee een sturende factor bij de instandhouding ervan. Conclusie Gezien het belang van andere ecologische sleutelfactoren die bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen en waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met het gegeven dat er sprake is van een tijdelijke toename, is een significant negatief effect uitgesloten.

2.3.2

H2330 Zandverstuivingen Tabel 2.3: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H2330 Zandverstuivingen, Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast tijdelijke tijdelijke Doel KDW Habitattypen habitattype (uitgangsjaar projectprojectOmvang/Kwal (mol/ha/jr) (ha) 2015) bijdrage4 bijdrage (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) 0,46 0,96 Laagste Hoogste H2330 projectproject>= 714 9,6 100 Zandverstuivingen bijdrage5 bijdrage6 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) afnames 0,01

Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 9,6 ha van H2330 Zandverstuivingen. Het hele oppervlakte H2330 Zandverstuivingen wordt tijdelijk beïnvloed door het voornemen. In de gebruiksfase is er enkel sprake van een toename ter plekke van 1 hexagoon. De zandverstuivingen bevinden zich in het hart van het Natura 2000-gebied ten oosten van de spoorlijn Venlo-Nijmegen. Een groot deel bevindt zich in het mozaïek met Stuifzandheiden met struikhei en Jeneverbesstruwelen. Daarnaast bevindt er zich ook een klein areaal met zandverstuivingen ten westen van de spoorlijn. Voor het habitattype Zandverstuivingen in de Boschhuizerbergen geldt dat successie plaatsvindt van kaal zand via een fase met buntgras en ruig haarmos naar een open grasfase (veelal fijn schapengras) met een rijke korstmosflora (Cladonia spec.). Bij bodemverstoring en in gebieden met hoge stikstofdepositie (vanaf 20 kg/ha/jr, 1429 mol N/ha/jr) komt grijs kronkelsteeltje tot dominantie (Provincie Limburg, 2017). 4

Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. De hoogste projectbijdrage van 0,09 mol/ha/jr vindt plaats op niet overbelaste hexagonen. 5 Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. De hoogste projectbijdrage van 0,09 mol/ha/jr vindt plaats op niet overbelaste hexagonen. 6 Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. De hoogste projectbijdrage van 0,09 mol/ha/jr vindt plaats op niet overbelaste hexagonen. 9

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

In de loop van de successie treedt vergrassing op met zandstruisgras en vestigen zich grotere korstmossen (o.a. rendiermossen, Cladonia subgenus Cladina). Vervolgens ontwikkelt zich stuifzandheide met struikhei die bestaat uit een mozaïek van struikhei en grazige vegetatie, inclusief kaal zand en korstmossen. Hierin komt het habitattype Zandverstuiving dus in combinatie met Stuifzandheiden met struikhei voor. Voor de Boschhuizerbergen bestaat de vegetatie vooral uit de gemeenschappen Associatie van Buntgras en Heidespurrie en de bijbehorende rompgemeenschap waarin de mossoort grijs kronkelsteeltje de boventoon voert. Het creëren van open plekken heeft – ondanks het snel dichtgroeien met grijs kronkelsteeltje geleid tot een uitbreiding van het oppervlakte droge habitattypen in het gebied en een geringe toename van het areaal. Hiermee lijkt de huidige kwaliteit van het habitattype stabiel te zijn. Actief beheer is nodig voor de instandhouding van het habitattype. Het beheer in dit systeem is vooral gericht op het voedselarm en open houden van de vegetatie. Dit wordt vormgegeven door een combinatie van plaggen, opslag verwijderen en begrazen. Het uiteindelijke doel van dit beheer is om de kieming van de jeneverbessen te stimuleren. Aanvullend hierop is er door het gehele centrale deel van het mozaïek steenmeel uitgereden.

Dit steenmeel heeft als doel om de vergaande verzuring van de bodem tegen te gaan. Wanneer dit succesvol is dan zal hierdoor de kwaliteit van de habitattypen zich verbeteren. Het habitattype is stikstofgevoelig. Echter, een depositie van max 0,96 mol N/ha (op een beperkte oppervlakte van het habitattype binnen 1 hexagoon, zie bijlage 3, op de overige oppervlakte van het habitattype is de projectbijdrage lager) komt overeen met 13,48 gram N per hectare. Een ecologische verandering daardoor is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem (zie hoofdstuk 5). Dat is niet het geval bij de omleidingsroutes. In de gebruiksfase is sprake van een ecologisch niet relevante toename van 0,01 mol/ha/jr binnen 1 hexagoon (het betreft 1.896 m²). Een ander knelpunt is de beperkte omvang van het habitattype. Bij de ontwikkelingen van zowel de stuifzandheide als de zandverstuivingen is actieve zandverstuiving het sturende landschapsecologische proces. Zandverstuivingen zorgen ervoor dat de zich ontwikkelende successiestadia worden teruggezet. Hierdoor ontstaat er een mozaïek aan kaal zand en een variatie aan successiestadia. Gevolg hiervan is dat de kenmerkende vegetatietypen van zowel Zandverstuivingen en Stuifzandheiden met struikhei zich kunnen verjongen.

De huidige oppervlakte Zandverstuivingen in de Boschhuizerbergen is echter dermate klein dat niet uitgegaan kan worden van de situatie van een zichzelf langdurig instandhoudend stuifzand (hiervoor is minimaal 500 ha nodig). De beperkte oppervlakte van het habitattype is daarmee een sturende factor bij de instandhouding ervan. Conclusie Gezien het belang van andere sturende ecologische sleutelfactoren die bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen en waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met de stabiele kwaliteit en het gegeven dat er sprake is van voornamelijk een tijdelijke projectbijdrage is een significant negatief effect door de realisatiefase uitgesloten. De toename van stikstofdepositie door de gebruiksfase is zeer beperkte en leidt, gezien de stabiele trend in een overbelaste situatie, op zichzelf niet tot een meetbate verandering van kwaliteit of omvang van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn uitgesloten. De instandhoudingsdoelstelling wordt niet belemmerd door het project.

2.3.3

H3130 Zwakgebufferde vennen

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Tabel 2.4: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H3130 Zwakgebufferde vennen, Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3130 Zwakgebufferde == 571 1,4 100 0,2 0,33 vennen

Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 1,4 ha van H3130 Zwakgebufferde vennen. Het hele oppervlakte H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen wordt beïnvloed door het project. Zwakgebufferde vennen die, zoals het ven in de Boschhuizerbergen, afhankelijk zijn van de toestroom van lokaal grondwater, hebben van nature vaak wisselende waterstanden en in de zomer staan vaak grote delen van de oever droog. Dit draagt bij aan een vermindering van de ophoping van organisch materiaal. Deze mate van droogval is kortdurend en gunstig voor het venecosysteem. Bovendien zorgt het (periodiek) droogvallen van de bodem in de zomer voor oxidatie waardoor veel chemische reacties in omgekeerde richting plaatsvinden en de buffercapaciteit wordt hersteld. De instandhouding van dit soort vennen is afhankelijk van periodiek menselijk ingrijpen om aanslibbing met organisch materiaal en verlanding terug te dringen. Het habitattype Zwakgebufferde vennen bevindt zich in het noordoosten van de Boschhuizerbergen. Gelegen in één van de voormalige maasmeanders heeft zich hier na herstelwerkzaamheden in 1999 – ondanks de hogere achtergrondwaarden - een zwakgebufferd ven kunnen ontwikkelen.

Na de maatregelen uit 1999, bestaand uit het verwijderen van de zandlaag en bovenste veraarde veenlaag, zijn soorten van voedselarm, zacht water teruggekeerd. Zo zijn enkele typische soorten verschenen. De aanwezigheid van een rijke pilvarenpopulatie duidt er op dat CO2-rijk grondwater toestroomt of koolstof in de waterlaag aanwezig is door afbraak van organisch materiaal op de waterbodem. De terugkeer van de kenmerkende soorten van dit habitattype geeft aan dat het waterregime en de waterkwaliteit door de herstelmaatregelen weer geschikt zijn gemaakt voor dit habitattype. De vegetatie die voor Boschhuizerbergen van belang zijn voor dit habitattype is de Associatie van Veelstengelige waterbies. Uit bovenstaande kan worden opgemaakt dat de trend van het habitattype stabiel is. Rondom het ven vindt bosopslag plaats, wat leidt tot eutrofiëring (bladval), verdroging en beschaduwing. Het beheer van het ven bestaat uit het periodiek maaien van de venoevers waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Het habitattype is stikstofgevoelig. Echter, een depositie van max 0,33 mol N/ha (op een beperkte oppervlakte van het habitattype binnen 1 hexagoon, zie bijlage 3, op de overige oppervlakte van het habitattype is de projectbijdrage lager) komt overeen met 4,6 gram N per hectare.

Een ecologische verandering daardoor is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem (zie hoofdstuk 5). Dat is niet het geval bij de omleidingsroutes. En het sturende landschapsecologische proces bij dit habitattype is de toestroom van gebufferd grondwater, dat arm is aan voedingsstoffen, met name arm aan fosfaat. Dit is de sturende factor voor het behoud van de omvang en de kwaliteit van het habitattype. Voeding van het habitattype, rechtstreeks door oppervlaktewater of 7

Het betreft e laagste en de hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. 11

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

landbouwgebied, is niet van toepassing. Ook vervuiling van het grondwater vanuit de landbouw is nagenoeg afwezig. Conclusie Gezien het belang van andere sturende ecologische sleutelfactoren die bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen en waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met de stabiele trend, de positieve effecten van eerder uitgevoerde herstelmaatregelen en het gegeven dat er sprake is van een tijdelijke projectbijdrage, is een significant negatief effect uitgesloten.

2.3.4

H5130 Jeneverbesstruwelen Tabel 2.5: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H5130 Jeneverbesstruwelen, Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage8 bijdrage (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H5130 Jeneverbesstruwe => 1071 19,9 100 0,46 0,79 len

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 19,9 ha van H5130 Jeneverbesstruwelen. Het overgrote deel van het oppervlakte H5130 Jeneverbesstruwelen in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen wordt beïnvloed door het project. De Jeneverbesstruwelen bevinden zich in het hart van het Natura 2000 gebied ten oosten van de spoorlijn Venlo-Nijmegen. Een groot deel bevind zich in het mozaïek met Stuifzandheiden met struikhei en Zandverstuivingen. Daarnaast komen er in de directe omgeving van dit kerngebied her en der struwelen met jeneverbessen voor, echter kwalificeren deze locaties niet tot het habitattype. In ons land komen jeneverbesstruwelen alleen nog voor op droge, kalkarme en voedselarme zandgronden van het open heidelandschap. In de stuifzandgebieden, zoals op de Boschhuizerbergen, komen ze vooral voor op de minst uitdrogingsgevoelige plekken. Veel van de huidige Nederlandse Jeneverbestruwelen zijn te vinden op plekken in het heidelandschap die in het verleden een hoge graasdruk kenden en langs voormalige veedriften. Kenmerkend voor dergelijke plekken is dat een periode met veel dynamiek (graasdruk, grondroering, stikstofbemesting) vrij abrupt over is gegaan in een periode met veel minder dynamiek.

Ook op de Boschhuizerbergen blijkt kieming van de jeneverbes hiermee samen te hangen. De verjonging is vooral op de plekken terug te vinden waar de machines bodemverdichting en spoorvorming hebben veroorzaakt. Dit zijn bij uitstek de plekken waar gebufferd zand uit de ondergrond aan de oppervlakte is gekomen en zo voor een geschikt kiembed voor jeneverbes heeft gezorgd. Op de Boschhuizerbergen komt de vegetatie van het habitattype veel voor in een samenstelling uit de Associatie Gaffeltandmos-Jeneverbesstruweel. Deze vegetatieassociatie komt in goede kwaliteit voor op de Boschhuizerbergen. Jeneverbesstruwelen zijn in feite houtige pionierbegroeiingen waarin de hoogste botanische waarden zijn gekoppeld aan de jonge, open stadia. Voor de noodzakelijke verjonging van het 8

Het betreft e laagste en de hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Jeneverbesstruweel is het van belang dat regelmatig enige dynamiek aanwezig is. Daarnaast is het van belang dat er gestabiliseerd stuifzand aanwezig is waar al enige successie heeft plaatsgehad (vorming mycorrhizanetwerk) en de bodem niet te sterk verzuurd is. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat dit habitattype zich bevindt in een complex met de habitattypen Stuifzandheiden met struikhei en Zandverstuiving. Zij vormen immers noodzakelijke stadia in de successiereeks. Het habitattype is stikstofgevoelig. Echter, een depositie van max 0,79 mol N/ha (op een beperkte oppervlakte van het habitattype (0,2 ha) binnen 1 hexagoon, zie bijlage 3, op de overige oppervlakte van het habitattype is de projectbijdrage lager) komt overeen met 11 gram N per hectare. Een ecologische verandering daardoor is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem (zie hoofdstuk 5). Dat is niet het geval bij de omleidingsroutes. Voor deze habitattypen speelt het knelpunt dat momenteel onvoldoende areaal aanwezig is op de Boschhuizerbergen, waardoor de noodzakelijk dynamiek sterk beperkt wordt. Dit is voor de stuifzanden en zandverstuivingen een belangrijke sturende factor die ook doorwerkt voor de jeneverbestruwelen.

Meer recent bleek dat na herstelbeheer (open kappen, 20-40 jaar geleden) en herstellen van de begrazing opnieuw vestiging van jeneverbes plaatsvond op de (iets vochtiger) uitgestoven laagten, maar nauwelijks op de stuifzandgronden zelf. Dit toont aan dat verstuiving op landschapsschaal eveneens mogelijkheden kan bieden voor nieuwe vestiging van jeneverbes. Limburgs Landschap heeft grote stukken terrein behandeld met steenmeel nadat deze geplagd waren. Op dit moment worden er op diverse plekken relatief grote aantallen zaailingen aangetroffen. Conclusie Gezien het belang van andere sturende ecologische sleutelfactoren die bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen en waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met de positieve effecten van eerder uitgevoerde herstelmaatregelen en het gegeven dat er sprake is van een tijdelijke projectbijdrage, is een significant negatief effect uitgesloten.

13

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

3

Deurnsche Peel & Mariapeel Het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is op 30 december 2010 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De Deurnsche Peel & Mariapeel betreft een Vogel- en Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.1 t/m 3.3 weergegeven.

3.1

Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel In de hierna volgende Tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

3.2

Afbakening instandhoudingsdoelen

3.2.1

Habitattypen Tabel 3.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluiten). Tussen de haakjes wordt de bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen vermeld. Habitattypen Doel Hoogste Kritische Hoogste Relevant Omvang/Kwal tijdelijke depositiewaarde actuele toename (KDW) depositie10 9 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H4030 Droge heiden Nee, geen bijdrage == H7110A* Actieve hoogvenen Nee, geen bijdrage >> H7120

Legenda = > = (<) *

Herstellende hoogvenen

= (<) >

0,01

500

2875

Ja, overschrijding KDW en bijdrage

Behoud Uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit Behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde prioritaire habitattype in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn (enkele leefmilieus waarvoor spoedmaatregelen gewenst zijn, zijn in de lijst met te beschermen habitattypen aangewezen als prioritaire habitattypen).

Voor H4030 Droge heiden en H7110A Actieve hoogvenen is er geen sprake van een toename aan stikstofdepositie. Voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten. Voor het habitattype H7120 Herstellende hoogvenen geldt dat er sprake is van een toename en een overschrijding van de KDW. Dit habitattype wordt in de ecologische analyse nader beschouwd.

3.2.2

Broedvogelsoorten Tabel 3.2: Afbakening broedvogels Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PAS-gebiedsanalyse). Doel Habitatsoort Analyse stikstofgevoeligheid Omvang/Kwal/ Pop A004 Dodaars = = 35 Relevant, soort komt in het Natura 2000-gebied voor in H7120 Herstellende hoogvenen en Lg04 Zuur ven. Op zowel het habitattype als het leefgebied is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW.

9

Van Dobben et al. (2012).

10

Bron: AERIUS-berekening voor N270 Via Venray (kenmerk: RfRrdpps5RzS, 5 februari 2021).

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

A224

Nachtzwaluw

Doel Omvang/Kwal/ Pop ==3

A272 A276

Blauwborst Roodborsttapuit

= = 350 = = 120

Habitatsoort

Analyse stikstofgevoeligheid Relevant, soort komt in het Natura 2000-gebied voor H7110A Actieve hoogvenen, H7120 Herstellende hoogvenen en H4030 Droge heiden. Alleen op H7120 Herstellende hoogvenen is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Niet relevant, niet stikstofgevoelig. Niet relevant, soort komt in het Natura 2000-gebied voor in H4030 Droge heiden. Op dit habitattype is geen sprake van een toename.

De blauwborst is geen stikstofgevoelige soort. De roodborsttapuit komt in Deurnsche Peel & Mariapeel voor in H4030 Droge heiden. Voor dit habitattype is een toename niet aan de orde. Negatieve effecten van de stikstofdepositie kunnen voor deze soorten op voorhand worden uitgesloten. Deze broedvogelsoorten worden dan ook niet meegenomen in de ecologische analyse. Voor dodaars en nachtzwaluw is er sprake van een toename op het habitattype of leefgebied. Deze worden dan ook in de ecologische analyse nader beschouwd.

3.2.3

Niet-broedvogelsoorten Tabel 3.3: Afbakening broedvogels Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PAS-gebiedsanalyse). Doel Habitatsoort Analyse stikstofgevoeligheid Omvang/Kwal/ Pop A041 Kolgans == Niet relevant, niet stikstofgevoelig. A127 Kraanvogel == Niet relevant, niet stikstofgevoelig. A702 Toendrarietgans == Niet relevant, niet stikstofgevoelig.

De niet-broedvogelsoorten zijn geen stikstofgevoelige soorten. Negatieve effecten als gevolg van de toename zijn voor deze soorten dan ook uitgesloten. Deze niet-broedvogelsoorten worden dan ook niet meegenomen in de ecologische analyse.

3.3

Ecologische beoordeling Bij de ecologische beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie uit de PAS-gebiedsanalyse (provincie Noord-Brabant, 2017a) en het beheerplan (provincie NoordBrabant, 2017b). De informatie uit de PAS-gebiedsanalyse is aangevuld met de informatie uit het beheerplan.

3.3.1

H7120 Herstellende hoogvenen Tabel 3.4: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H7120 Herstellende hoogvenen, Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage11 bijdrage (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H7120 Herstellende = (<) > 500 1226,3 100 0,01 0,01 hoogvenen

11

Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. 15

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

ZGH7120 Herstellende hoogvenen

500

46,7

100

0,01

0,01

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 256,9 ha van H7120 Herstellende hoogvenen. Verder blijkt op basis van de AERIUS-resultaten dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 13,4 ha van ZGH7120 Herstellende hoogvenen. Het overgrote deel van het oppervlakte (ZG)H7120 Herstellende hoogvenen wordt niet beïnvloed door het project. Voor dit deel zijn negatieve effecten van de toename op voorhand uit te sluiten. De vegetatietypen die voorkomen in de Pelen zijn in vegetatiekundig opzicht een matige vorm van het habitattype herstellend hoogveen. Dat geldt vooral voor geïsoleerd liggende stukken en plekken aan de rand van grote complexen zoals De Bult, Grauwveen, Liesselse Peel, ‘t Zinkske, Heitrakse Peel. In goed ontwikkelde vorm komt het habitattype vrij veel voor in de randzone van het Mariaveen en in de Deurnsche Peel vrij veel in de Vlakte van Minke (centraal deel). Vegetatietypen die hiertoe gerekend worden zijn: • Rompgemeenschap Waterveenmos [Klasse van hoogveenslenken] • Rompgemeenschap Veenpluis-Veenmos [Klasse der kleine Zeggen/Klasse van hoogveenslenken] De kwaliteit van het habitattype herstellende hoogvenen is in de afgelopen jaren verbeterd, maar grote delen van het gebied zijn nog verdroogd.

Het aandeel veenmossen is aanmerkelijk toegenomen. Het betreft vooral Waterveenmos, dat drijvende mostapijten vormt in beschut open water. Binnen deze mostapijten vestigt zich Fraai veenmos. Het areaal van het habitattype is waarschijnlijk ook toegenomen. Dankzij uitgevoerde maatregelen is trend in kwaliteit echter positief en de trend in oppervlak is stabiel. Een maatregel als begrazing is als gevolg van de hoge stikstofdepositie intensiever dan wanneer er geen sprake zou zijn van een overschrijding van de KDW en er regulier onderhoud zou kunnen plaatsvinden. De maatregelen hebben aantoonbaar tot een verbetering in kwaliteit en behoud van areaal geleid. De ecologische vereisten op standplaats- en systeemschaal zijn nog niet gerealiseerd. Ecologische vereisten op standplaatsschaal zijn: • Kernbereik ten behoeve van initiële veenvorming en verlanding op zwartveen gemiddeld waterpeil 30 cm boven maaiveld, aanvullend bereik tot maximaal 50 cm boven maaiveld. • Kernbereik in droge periodes geen droogvallende veenbodem. Seizoensfluctuatie waterstand <30 cm. • Kernbereik zuurgraad pH-H2O <4,5, aanvullend bereik zuurgraad pH-H2O 4,5 5,5. • Voldoende productie van CO2 en methaan in het veen en drijvende veenmosmatten. • Kernbereik voedselrijkdom zeer voedselarm; aanvullend bereik voedselrijkdom matig voedselarm.

Ecologische vereisten op systeemschaal: • Hydrologische voeding voornamelijk door regenwater, plaatselijk door nutriëntenarm en sulfaatarm grondwater. • Ten behoeve van de hoogveenontwikkeling zijn stabiele waterpeilen noodzakelijk en moet de wegzijging < dan 40 mm bedragen. • Bij zwartveen met te lage methaanproductie moet basenhoudend grondwater permanent boven de veenbasis reiken, waardoor de methaanproductie kan worden gestimuleerd voor de drijftilvorming en verlanding met veenmossen.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

• •

Systeemgebonden afvoer voor voedingsstoffen via laterale wegzijging en afvoer van oppervlaktewater. Open wateren moeten klein zijn om golfslag door windwerking klein te houden.

Het habitattype is stikstofgevoelig. Het belangrijkste knelpunt is verdroging. Verdroging wordt veroorzaakt door: • Drainage vanuit de omgeving door te lage waterstand in regionale zandpakket • Drainage vanuit de omgeving door sloten met laag peil • Doorsnijding van lokale ondoorlatende lagen door sloten / wijken • Afvoer van oppervlaktewater • Sterke groei van berken en pijpenstrootje. Daarnaast is de compartimentering niet overal optimaal. Uit de landschapsecologische analyse blijkt dat voldoende water op veel plekken in de Peelgebieden een knelpunt vormt. De waterstanden in het veenpakket fluctueren te veel door te veel afvoer van oppervlaktewater, drainage door sloten met een laag peil en doordat lokale ondoorlatende lagen doorsneden zijn. Bovendien is de grondwaterstand onder het veenpakket te laag. In enkele gevallen zijn de waterpeilen juist te hoog, waardoor vegetaties verdrinken. Knelpunten liggen zowel binnen het gebied als daarbuiten.

Conclusie Gezien het belang van andere sturende ecologische sleutelfactoren die bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen en waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met de positieve effecten van eerder uitgevoerde herstelmaatregelen die geleid hebben tot een verbetering in kwaliteit en behoud en het gegeven dat er sprake is van een geringe tijdelijke projectbijdrage, is een significant negatief effect uitgesloten.

3.3.2

A004 Dodaars Tabel 3.5: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de dodaars,, Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Doel Oppervlak % overbelast Stikstofgevoelig KDW projectprojectOmvang/Kwal/ # leefgebied (uitgangsjaar habitattype/ leefgebied (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 broedparen dodaars (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H7120 Herstellende 500 11226,3 100 0,01 0,01 hoogvenen ZGH7120 Herstellende = = 35 500 46,7 100 0,01 0,01 hoogvenen Lg04 Zuur ven 1214 0,01 0,01

In het Natura 2000 gebied is de dodaars een bewoner van ondiep en beschut water. De dodaars heeft om te broeden ondiepe of dicht begroeide delen van moerassen, plassen en vennen met voldoende ondergedoken vegetatie nodig. De soort tolereert ook vegetatie boven water zolang dit het duiken niet belemmert. In de broedtijd worden grote open watervlakten vermeden, maar buiten de broedtijd maakt de soort ook gebruik van de grotere plassen. De soort leeft vooral van insecten, weekdieren, kreeftachtigen en vis. In de Deurnsche Peel en Mariapeel komt de soort voor in voor in het habitattype H7120 Herstellende hoogvenen en het leefgebied Lg04 Zuur ven. Op zowel het habitattype als het leefgebied is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Daarnaast komt de soort ook voor in voedselrijke, niet stikstofgevoelige zoetwaterplassen die niet behoren tot het hier genoemde habitattype en leefgebied. 17

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Uit de ecologische beoordeling van (ZG)H7120 Herstellende hoogvenen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de dodaars is daarmee geborgd. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 31,8 ha van Lg04 Zuur ven. Er broeden in de laatste jaren enkele tientallen paar in de Deurnsche Peel & Mariapeel. De aantallen liggen daarmee op of boven het gestelde doel van 35 paren ondanks de hoge achtergrondwaarden. De kwaliteit van het leefgebied voor de dodaars is goed. De landschapsopbouw zorgt voor voldoende broed- en foerageermogelijkheden. Stikstofdepositie door het project is van dusdanig beperkte aard, dat dit niet leidt tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang of tot een grotere inspanning voor behoud in het leefgebied van de dodaars. Conclusie Gezien het instandhoudingsdoel niet onder druk staat de kwaliteit van het leefgebied goed is en het feit dat de soort ook gebruik maakt van niet stikstofgevoelig leefgebied is er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project op dodaars.

3.3.3

A224 Nachtzwaluw Tabel 3.6: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de nachtzwaluw,, Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (PASgebiedsanalyse). Doel Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ # Stikstofgevoelig KDW projectprojectleefgebied (uitgangsjaar broedparen habitattype/ leefgebied (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) nachtzwaluw (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H7120 Herstellende 500 11226,3 100 0,01 0,01 hoogvenen ==3 ZGH7120 Herstellende 500 46,7 100 0,01 0,01 hoogvenen

Aangezien de nachtzwaluw meer een broedvogel is van drogere heidevelden is de soort in dit gebied schaars. Jaarlijks broeden hier enkele paren, met als maximum 7 paren in 1996. De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Brabants-Limburgs grensgebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. De trend voor deze soort is positief. De soort komt in het Natura 2000-gebied voor H7110A Actieve hoogvenen, H7120 Herstellende hoogvenen en H4030 Droge heiden. Alleen op H7120 Herstellende hoogvenen is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Uit de ecologische beoordeling van (ZG)H7120 Herstellende hoogvenen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de nachtzwaluw is daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op de nachtzwaluw als gevolg van het project zijn daarmee tevens uitgesloten.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

4

Maasduinen Het Natura 2000-gebied Maasduinen is op 23 mei 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 23 februari 2018 is een wijzigingsbesluit gepubliceerd. Het gebied is aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 4.1 tot en met 4.3 weergegeven.

4.1

Natura 2000-gebied Maasduinen In de hierna volgende Tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

4.2

Afbakening instandhoudingsdoelen

4.2.1

Habitattypen Tabel 4.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluiten). Tussen de haakjes wordt de bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen vermeld. Hoogste Kritische Hoogste Doel tijdelijke depositiewaarde actuele Habitattype Relevant Omvang/Kwal toename (KDW) depositie13 12 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H2310 Stuifzandheiden met >> 0,02 1071 2296 Ja, overschrijding struikhei KDW en toename H2330 Zandverstuivingen >> 0,02 714 2258 Ja, overschrijding KDW en toename H3130 Zwakgebufferde vennen >> 0,02 571 2175 Ja, overschrijding KDW en toename H3160 Zure vennen >> 0,01 714 2097 Ja, overschrijding KDW en toename H4010A Vochtige heiden (hogere >> 0,02 1214 2181 Ja, overschrijding zandgronden) KDW en toename H4030 Droge heiden >> 0,02 1071 2412 Ja, overschrijding KDW en toename H6120 * Stroomdalgraslanden == 0,01 1286 1816 Ja, overschrijding KDW en toename H7110B * Actieve hoogvenen >> 0,01 786 1888 Ja, overschrijding (heideveentjes) KDW en toename H7150 Pioniervegetaties met == 0,01 1429 2104 Ja, overschrijding snavelbiezen KDW en toename H91D0 * Hoogveenbossen => 0,01 1786 2187 Ja, overschrijding KDW en toename H91E0C * Vochtige alluviale bossen == 0,01 1857 2238 Ja, overschrijding (beekbegeleidende KDW en toename bossen) Legenda = > *

Behoud Uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit prioritaire habitattype in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn (enkele leefmilieus waarvoor spoedmaatregelen gewenst zijn, zijn in de lijst met te beschermen habitattypen aangewezen als prioritaire habitattypen).

12

Van Dobben et al. (2012).

13

Bron: AERIUS-berekening voor N270 Via Venray (kenmerk: RfRrdpps5RzS, 5 februari 2021).

19

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Voor alle habitattypen geldt dat er sprake is van een toename en dat de KDW wordt overschreden. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Alle habitattypen zullen in de ecologische analyse nader beschouwd worden.

4.2.2

Habitatsoorten Tabel 44.2: Afbakening Habitatsoorten Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Habitatsoort Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Omvang/Kwal/ Pop H1831 Drijvende waterweegbree === Relevant, de soort komt in de Maasduinen voor in habitattype H3130 Zwakgebufferd ven. Op dit habitattype is een toename aan de orde. H1337 Bever ==> Niet relevant, niet stikstofgevoelig.

Voor de bever is er geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn voor de bever dan ook uit te sluiten. Drijvende waterweegbree komt in de Maasduinen voor in habitattype H3130 Zwakgebufferd ven. Op dit habitattype is sprake van een toename en een overbelaste situatie. Negatieve effecten als gevolg van de toename kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soort wordt daarom in de ecologische analyse nader beschouwd.

4.2.3

Broedvogelsoorten Tabel 4.3: Afbakening broedvogelsoorten Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Broedvogelsoort Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Omvang/Kwal/ Pop A004 Dodaars = = 50 Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H3130 Zwakgebufferde vennen, ZGH3130 Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen en Lg04 Zuur ven. Op H3130 Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen en Lg04 zuur ven is een toename aan de orde. A008 Geoorde fuut ==7 Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H3130 Zwakgebufferde vennen, ZGH3130 Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen en Lg04 Zuur ven. Op H3130 Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen en Lg04 zuur ven is een toename aan de orde. A224 Nachtzwaluw = = 30 Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4010A (Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes), H9190 Oude eikenbossen, ZGH9190 Zoekgebied Oude eikenbossen, Lg4030 Droge heiden, H6230dka Heischrale graslanden (droog kalkarm) en Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. Op al deze habitattypen en leefgebieden is een toename aan de orde (m.u.v. het ZG9190, H6230dka en Lg4030). H9190 Oude eikenbossen is in ontwerp en wordt niet nader beschouwd.

A236 Zwarte specht = = 35 Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H9190 Oude eikenbossen, ZGH9190 Zoekgebied Oude eikenbossen, H9120 Beuken- eikenbossen met hulst, ZGH9120 Zoekgebied Beukeneikenbossen met hulst en LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. H9190 Oude eikenbossen en H9120 Beukeneikenbossen met hulst zijn in ontwerp en worden daarom niet nader beschouwd. Op LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden is een toename aan de orde. A246 Boomleeuwerik = = 100 Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4030 Droge heiden,

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Broedvogelsoort

Doel Omvang/Kwal/ Pop

A249 A276

Oeverzwaluw Roodborsttapuit

= = 120 = = 85

A338

Grauwe klauwier

>>3

Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie H6120 Stroomdalgraslanden, H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm en L4030 Leefgebied Droge heiden. Alleen op de habitattypen is een toename aan de orde (m.u.v. H6230dka). Niet relevant, niet stikstofgevoelig. Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm en L4030 Leefgebied Droge heiden. Alleen op de habitattypen is een toename aan de orde (m.u.v. H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm). Relevant, soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, (ZG)H3130 Zwakgebufferde vennen, ZGH3130 Zoekgebied Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm, , H6120 *Stroomdalgraslanden (droog kalkarm) en Lg10 Kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied. op alle habitattypen en Lg10 is een toename aan de orde (m.u.v. H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm).

De oeverzwaluw heeft geen stikstofgevoelig leefgebied. Voor deze soort is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten. Voor de broedvogels dodaars, geoorde fuut, nachtzwaluw, zwarte specht, boomleeuwerik, roodborsttapuit en grauwe klauwier is er sprake van een toename op (een deel van) hun (naderend) overbelast leefgebied. Negatieve effecten als gevolg van de toename zijn niet op voorhand uit te sluiten. Deze soorten worden dan ook meegenomen in de ecologische analyse.

4.3

Ecologische beoordeling Bij de ecologische beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie uit de PAS-gebiedsanalyse (provincie Limburg, 2017b) en het beheerplan (provincie Limburg, 2020b). Aangezien het beheerplan recenter is, is dit document als basis gebruikt en aangevuld met informatie uit de PAS-gebiedsanalyse.

21

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

4.3.1

H2310 Stuifzandheiden met struikhei Tabel 4.4: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H2310 Stuifzandheiden met struikhei, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H2310 Stuifzandheiden >> 1071 66,3 100 0,01 0,02 met struikhei

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Het door het project beïnvloedde oppervlak van H2310 Stuifzandheiden met struikhei betreft 17,8 ha binnen het Natura-2000 gebied. Dit betreft overbelast gebied. Het overgrote deel van het oppervlakte H2310 Stuifzandheiden met struikhei wordt niet beïnvloed door het project. Op dit deel zijn negatieve effecten van de stikstofdepositie dan ook op voorhand uit te sluiten. Het habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310) bestaat uit binnenlandse zandduinen die vooral begroeid zijn met struikhei. In goed ontwikkelde stuifzandheiden dragen mossen en korstmossen in hoge mate bij aan de biodiversiteit. Het habitattype komt verspreid voor in het Bergerbos en de Leermarksche-, Lommer en Schandelosche heide. Op de Bergerheide komt het habitattype in een groter areaal voor. De staat van instandhouding van bovengenoemd habitattype is dankzij intensief beheer en recente herstelwerkzaamheden van redelijke kwaliteit. Kenmerken van een goede structuur en functie betreffen een dominantie van dwergstruiken (> 25%), een gevarieerde vegetatiestructuur, de aanwezigheid van hoge, oude heidestruiken, een hoge bedekking van mossen en korstmossen (> 30%) en een optimale functionele omvang (vanaf tientallen hectares). Het beheer bestaat uit begrazing door runderen, schapen en geiten.

Verbossing wordt tegen gegaan door het verwijderen van houtopslag. Lokaal vinden plagwerkzaamheden plaats om de dichtgegroeide delen weer open te krijgen. Om de negatieve effecten in de bodem als gevolg van de te hoge stikstofdepositie terug te draaien wordt plaatselijk steenmeel opgebracht. Het habitattype is stikstofgevoelig. Het gebrek aan winddynamiek door omringend bos heeft ook geleid tot versnelde vergrassing en verbossing. De resterende landduinrelicten met psammofiele heide zijn bijna overal te klein geworden om een natuurlijke winddynamiek toe te laten. Een groot deel van de heiden en landduinen is in het verleden verkaveld, actief bebost of is spontaan verbost door gebrek aan beheer. Dit zijn sturende factoren voor het behalen van de instandhoudinsdoelstellingen. Conclusie Gezien het belang van sleutelfactoren waar het project geen invloed op heeft (het kleine oppervlakte van het habitattype en de afwezigheid van stuivend zand), in combinatie met het feit dat de kwaliteit redelijk goed is en het gegeven dat er sprake is van een geringe tijdelijke toename op een deel van het habitattype (het overgrote deel wordt niet belast met de tijdelijke toename) en de positieve effecten van het beheer, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10736264/1