CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Toelichting Bijlage 6 Quickscan flora en fauna St. Leonardsweg 19 en ong te Wanssum

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingplan ‘St. Leonardsweg 19 en ong. te Wanssum’12.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Sint Leonardsweg 19 Wanssum Rapportnummer: 2021-BE-0955 In opdracht van: B. Clevers Sint Leonardsweg 19 5861 BN Wanssum

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2021-BE-0955 Opdrachtgever B. Clevers

Locatie Sint Leonardsweg 19 Wanssum Auteur Frenk van de Wal

Opleverdatum 09 oktober 2021 Uitvoerder

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

Inhoudsopgave SAMENVATTING ............................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................ 4 1.1 Aanleiding......................................................................................................................... 4 1.2 Doelstelling ...................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling ...................................................................................................... 4 1.4 Criteria.............................................................................................................................. 4

2.

BELEIDSKADER .......................................................................................................... 5 2.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden .................................................................................... 7 2.4 Zorgplicht ......................................................................................................................... 7

3.

PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ..................................................................................... 8 3.1 Huidige situatie ................................................................................................................ 8 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................. 9

4.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ....................................................................... 10 4.1 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 10 4.2 Veldonderzoek................................................................................................................ 11 4.3 Beschrijving plangebied ................................................................................................. 11

5.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN ........................................................................... 15 5.1 Gebiedsbescherming ...................................................................................................... 15 5.2 Soortenbescherming ...................................................................................................... 17

6.

RESULTATEN EN ADVIES .......................................................................................... 28 6.1 Voorkomende diersoorten ............................................................................................. 28 6.2 Resultaten ...................................................................................................................... 28 6.3 Advies en aanbevelingen ................................................................................................ 28

7.

BRONNEN ............................................................................................................... 29

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

SAMENVATTING

Opdrachtgever heeft concrete plannen voor de sloop van een gedeelte van de langgevelboerderij aan de Sint Leonardsweg 19 te Wanssum in de gemeente Venray. Het bedrijfsgedeelte zal worden herbouwd naar wooneenheden. Het bestaande woongedeelte in de langgevelboerderij zal behouden blijven. De bestemming zal veranderen van agrarisch naar wonen. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied.

Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen en verbeteren wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco September 2021

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

1. INLEIDING EN ONDERZOEK

1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever de heer B. Clevers zal de stal van de langgevel boerderij aan de Sint Leonardsweg 19 te Wanssum in de gemeente Venray worden verbouwd naar twee wooneenheden. De bestemming wordt gewijzigd van agrarisch naar wonen. Daarnaast zal een houten garage worden gesloopt. De overige stallen en woning blijven onaangetast. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?

1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

2. BELEIDSKADER

De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.

2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.

2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

o

o

Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.

2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).

Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.

2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming

2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.

2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING

3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Sint Leonardsweg 19 ten noordzijde van Wanssum in de gemeente Venray. Venray is een gemeente in het noorden van de provincie Limburg en heeft een totale oppervlakte van 146,03 km2. De gemeente telt 43.913 inwoners (1 juli 2021) en bestaat uit een stedelijke kern met daaromheen dertien dorpskernen. Een van de dertien dorpskernen is Wanssum met op 1 januari 2021 1.875 inwoners. Wanssum is gelegen ten oosten van Venray aan de Maas. De Sint Leonardsweg is een zijstraat van de Pastoorsstraat en loopt in noordelijke richting tot aan Het Zandt. Nummer 19 ligt in de zuidoostelijke hoek van de Sint Leonardsweg en Het Zandt. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische percelen en bedrijfsbestemmingen met burgerbebouwing. Op 200 meter naar het oosten ligt de haven van Wanssum, een uitloper van de Maas met industriehaven en jachthaven.

Wanssum Venray

Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.

Het plangebied bestaat uit voormalig agrarisch bedrijf met diverse opstallen en een langgevelboerderij.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

Globaal omlijnde planlocatie in blauw met de te slopen bebouwing in rood, te herbouwen bebouwing in oranje en de te behouden gebouwen in geel. Bron: Google Earth

3.2 Voorgenomen ontwikkeling De bestaande agrarische bestemming zal gewijzigd worden in wonen. Daarnaast wenst initiatiefnemer het stalgedeelte van de langgevelboerderij (oranje omkaderd in bovenstaande afbeelding) te slopen om op de fundamenten twee nieuwe wooneenheden te bouwen. Een achter op het perceel staande garage, schuurtjes en voedersilo’s zullen ook worden gesloopt en het woongedeelte van de boerderij en de overige opstallen, zijnde een loods, twee voormalige zeugenstallen en een houten kapschuur zullen blijven zoals deze nu zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

9

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN

Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.

Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl (bijlage 1), aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Met quickscanhulp.nl is een actueel overzicht verkregen van waarnemingen van beschermde soorten nabij de locatie uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Dit overzicht is te vinden in bijlage 1.

Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

10

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

4.1.1 Waarnemingen flora en fauna Volgens waarneming.nl zijn er in de 10 dagen voor het veldbezoek 199 waarnemingen van flora en fauna soorten in een straal van vijf kilometer rond het plangebied. Dit betreft voornamelijk algemene flora en fauna soorten, maar ook enkele zeldzamere soorten, waaronder de grijze grootoorvleermuis, neushoornkever en tengere distel. Binnen twee kilometer rond het plangebied zijn er geen waarnemingen en binnen een afstand van 3 kilometer zijn er 7 waarnemingen.

Recente waarnemingen van flora en fauna soorten. Bron: waarneming.nl

4.2 Veldonderzoek Op vrijdag 23 september 2021 in de ochtend heeft ecoloog Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een zuidwestenwind met windkracht 1 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 16 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.

De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht.

4.3 Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding en vegetatie. De bebouwing omvat een woonboerderij met woongedeelte en bedrijfsgedeelte, twee zeugenstallen, een houten garage, houten kaploods en loods.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

11

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Het plangebied is voor een groot deel verhard met gegoten beton en volledig omrasterd met een hek van gaas. De aanwezige vegetatie bestaat uit diverse planten en struiken. De woonboerderij De woonboerderij heeft een totale lengte van ongeveer 37 meter met een breedte van ongeveer 12 meter. Aan de achterzijde is een rundveestal gebouwd met een oppervlakte van ongeveer10 bij 12 meter. In onderstaande afbeelding een tekening van de woonboerderij met aangebouwde koeienstal.

Tekening van het huidige woonhuis met daarnaast het bedrijfsgedeelte. Bron: B. Clevers.

De woonboerderij is gebouwd met muren van rode bakstenen met een besmeerde spouwmuur bij het woongedeelte. Deze spouwmuur is onlangs extra geïsoleerd en de goten zijn vernieuwd. Het woongedeelte, met een lengte van ongeveer 14 meter, is op het moment van veldbezoek volledig bewoond. Aan de achterzijde van het mansarde dak is een plat dak aangebouwd met sanitaire ruimte en aan afdak. De melkkamer en waskeuken zijn ook bij de woning betrokken als berging en opslagruimte. Boven deze ruimte, met aparte trap als opgang is het pannendak niet geïsoleerd. Het pannendak van het woongedeelte is volledig geïsoleerd en onderschoten. Naast de woning ligt een inrit van betonklinkers en rondom de woning is een gecultiveerde tuin met gazon en tuinplanten en -struiken. Aan de voorzijde van de woning zijn 6 huismussen waargenomen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

12

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

Woonboerderij voorzijde

Woonboerderij achterzijde met aangebouwde stal

Aangebouwde rundveestal

Achterzijde woongedeelte

Het bedrijfsgedeelte van de woonboerderij bestaat uit een koestal, kalverenstal en schuur. Op voorgaande afbeeldingen is het bedrijfsgedeelte belegd met rode en het woongedeelte met zwarte pannen. De muren zijn gebouwd met bakstenen welke deels besmeerd zijn aan de binnenzijde. Er bevinden zich geen openingen of stootvoegen in de muren. De schuur is bereikbaar middels twee paar grote schuifdeuren. Boven de koeien- en kalverenstal is een betonnen zolder waar in het verleden hooi werd opgeslagen. De spanten zijn volledig van hout getimmerd en met panlatten worden de dakpannen ondersteund. De ondergrond bestaat uit een betonnen plaat of mestputten met roosters. Door openingen in onder andere de deuren en het dak heeft het bedrijfsgedeelte een tochtige en open structuur. Aan de achterzijde is de koestal uitgebreid met een aanbouw van rode bakstenen en een spouwmuur et aan de binnenzijde kalkzandstenen. Het dak in zadeldakvorm bestaat uit asbesthoudende golfplaten. De muren zijn volledig gesloten en zonder stootvoegen. De ondergolven van de golfplaten zijn aangesmeerd. Het geheel is opgeruimd en wordt bezemschoon gehouden. Er zijn geen aanwijzingen van de aanwezigheid van uilen of marterachtigen in de stallen aangetroffen. Opdrachtgever wenst het bedrijfsgedeelte te slopen om daarna te herbouwen als twee wooneenheden.

Binnenzijde koeienstal

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Binnenzijde bedrijfsgedeelte

13

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Garage en voedersilo’s Achter de aangebouwde koestal tegen een zeugenstal aan staat een vervallen houten garage. Deze bestaat uit een pannendak wat niet onderschoten of geïsoleerd is met muren van houten planken. De garage is bereikbaar via een aan de voorzijde stalen kanteldeur. De garage is volledig leeg en bezemschoon. Opdrachtgever is voornemens om de garage te slopen. Twee voedersilo’s staande achter de zeugenstal zullen worden verwijderd evenals 3 kleine gebouwtjes door de jaren heen gebouwd. De silo’s zijn volledig gesloten van kunststof en werden gebruikt voor de opslag van varkensvoeders. Varkensstallen, kapschuur en loods De overige op het plangebied staande bebouwing zal worden behouden zoals deze nu zijn. Dit betreft twee zeugenstallen met spouwmuren en daken van asbesthoudende golfplaten. Van de stallen is de inrichting volledig verwijderd en deze worden gebruikt voor de opslag van klein materialen en als werkplaats. De kapschuur heeft een pannendak op houten spanten en gordingen en muren van planken op betonstenen van ongeveer 0,5 meter hoog. De voorzijde is volledig open. De loods heeft een halfsteense muur aan drie zijdes met grote schuifdeuren van damwand aan de voorzijde. Het niet geïsoleerde dak is van golfplaten. Tussen de muur en golfplaten is alles afgesloten met vogelschroot.

De loods werd ten tijde van het veldbezoek gebruikt als opslag voor vervoermiddelen. De twee varkenstallen, kapschuur en loods blijven behouden in de voorgenomen ontwikkeling.

Garage met daarachter de kapschuur

Loods

Zeugenstal zijkant

Zeugenstal achterzijde

In stal

In loods

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

14

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN

Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,9 kilometer afstand van gronden die tot het oostelijker gelegen Natura 2000 gebied Maasduinen behoren en op 3,7 kilometer ten zuidoosten van Boschuizerbergen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in geel en groen aangegeven.

Het plangebied ligt op minimaal 2,9 kilometer afstand van gronden behorend tot Natura 2.000 gebieden

Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Atlasleefomgeving.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

15

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 310 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN gebieden zijn grijs gekleurd.

Het plangebied ligt op minimaal 310 meter afstand van gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland

Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.

In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

16

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal 1 kilometer van het plangebied en 11 soorten binnen een straal van 5 kilometer.. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn vermeld in onderstaande tabel. Soort

Afstand plangebied

Habitat

Tengere Distel

1 km

bij voorkeur in de nabijheid van de zeekust op wat ruderale, grazige plekken in de duinen, op zeekliffen, op verstoorde plaatsen in bermen, in kalkrijke ruigten, op bouw- en haventerreinen en op dijken.

Akkerogentroost

5 km

Zonnige, open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond

Dreps

5 km

Zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond

Drijvende waterweegbree

5 km

helder, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur water.

Glad biggenkruid

5 km

Zonnige, warme, open plaatsen op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond

Groot spiegelklokje

5 km

open, zonnige, vochtige, stikstofarme, matig voedselrijke bodems

Grote leeuwenklauw

5 km

Zonnige, open plaatsen op vochtige tot vrij droge, goed gedraineerde, matig voedselrijke tot voedselrijke, kalkhoudende grond

Kartuizer Anjer

5 km

zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond

Korensla

5 km

open, zonnige, droge, stikstofarme, matig voedselrijke, kalkarme, zure zandgrond

Ruw parelzaad

5 km

open, zonnige, matig vochtige, matig voedselrijke, basische en kalkrijke mergel, leem, zand en zavel

Wilde Ridderspoor

5 km

matig voedselrijke kalkhoudende zandige klei

Wilde Weit

5 km

Halfparasiet op grassen en met name op wintergraan

Het plangebied bestaat naast de bebouwing en verharding uit een gecultiveerde tuin en groenstroken en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten waargenomen. Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte habitats is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten. De oppervlakte van de eventueel te verwijderen vegetatie is te klein om te vallen onder houtopstanden. Een nadere toetsing voor houtopstanden is daarom niet nodig.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

17

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum

5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 14 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied en 11 binnen een straal van 5 kilometer. Hiertoe behoren 10 vleermuissoorten, 4 marterachtigen en 11 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer zijn te vinden in de onderstaande tabel. Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en planologie’, (Limpens et al 2014), kan in dit deel van het land ook de Ruige dwergvleermuis voorkomen.

Ook deze is opgenomen in de tabel. Vleermuis soort

Afstand plangebied 5 km 1 km

Habitat en bescherming

1 km

Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd

1 km

Vooral bebouwing, strikt beschermd

Kleine dwergvleermuis

5 km

Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd

Bosvleermuis

5 km

Vooral boombewonend, strikt beschermd

Meervleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis

5 km 1 km nvt

Vooral boombewonend, strikt beschermd Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd

Rosse vleermuis

5 km

Uitgesproken boombewonend, strikt beschermd

Watervleermuis

1 km

Vooral bomen, strikt beschermd

Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis

Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd

Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. Er zijn in het plangebied geen bomen met voldoende omvang of holtes en gaten of loshangende schors welke geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Het te slopen bedrijfsgedeelte van de woonboerderij heeft geen dakbeschot waardoor het voor vleermuizen onmogelijk is om verblijfplaatsen te hebben onder de pannen. Door het zeer open karakter ontstaat er voor vleermuizen teveel tocht. Ook de steense muren zijn volledig gesloten en zonder scheuren en gaten waardoor het te slopen gebouw volledig ongeschikt is als verblijfslocatie voor vleermuizen. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Op de planlocatie zou het onderschoten woongedeelte van de woonboerderij mogelijk de enige plaats kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen aangezien de te behouden gebouwen te gesloten zijn voor

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

18

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum het herbergen van vleermuisverblijfplaatsen. De te slopen garage is met de planken muren en pannendak volledig ongeschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

Niet onderschoten dak

Gesloten varkensstallen

Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens het NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort das Bunzing Steenmarter Wezel

Afstand plangebied 1 km 1 km 5 km 5 km

Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd

Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heide en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

19

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Er zijn geen holen in de grond in het plangebied aanwezig waarin marterachtigen kunnen schuilen. Het bedrijfsgedeelte van de woonboerderij bevat ingangen voor marters om het gebouw te betreden, maar biedt geen schuilmogelijkheden aangezien het gebouw volledig leeg en bezemschoon is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er een steenmarter aanwezig is (geweest), zoals oude prooiresten of uitwerpselen. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor kleine marterachtigen ontbreken geheel. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank.

Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen, maar er zijn geen sporen gevonden. De achter op het terrein misschien aanwezige rustige hoekjes met dekking waar de dieren heen kunnen vluchten zullen tijdens de werkzaamheden en ook in de nieuw te ontstane situatie blijven bestaan. Er zijn daarom geen negatieve effecten op kleine marterachtigen. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten voor knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Limburg tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Overige soort

Bescherming

Bever Eekhoorn Egel Haas Konijn Rosse Woelmuis

Afstand plangebied 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km

Wolf

1 km

Beschermd

Ondergrondse woelmuis

5 km

Vrijgesteld

Tweekleurige bosspitsmuis

5 km

Vrijgesteld

Waterspitsmuis Wild zwijn

5 km 5 km

Vrijgesteld Alleen in natuurgebieden

Beschermd Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld

In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. In 2002 is de bever ook uitgezet in het natuurgebied Leudal. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, Brabant Eco; ecologische dienstverlening

20

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Nederland kent twee "officiële" leefgebieden voor het wild zwijn: het eerste gebied is de Veluwe, waaronder de deelgebieden Nationaal Park De Hoge Veluwe, Kroondomein Het Loo en het Nationaal Park Veluwezoom vallen. Het tweede gebied is Nationaal Park De Meinweg in Limburg. Voor overig Nederland hanteert men een zogenaamd nulstandbeleid - wat wil zeggen dat men ze liever helemaal ziet verdwijnen. Toch weten de wilde zwijnen zich in enkele regio's ver buiten hun officiële leefgebied goed te handhaven en zelfs uit te breiden, mede omdat er veel weerstand vanuit de maatschappij is tegen het afschieten van grote zoogdieren, en jagers niet alle wilde zwijnen afschieten. Wolven leven in heel verschillende leefgebieden, van toendra en steppen tot aan bos- en cultuurlandschap. Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. De soort is echter een ‘cultuurvolger’ en heeft geleerd te overleven in gebieden waar ook mensen wonen. Deze gebieden bieden namelijk vaak veel dekking en er leven veel reeën.

Inmiddels hebben wolven zich in Nederland weer gevestigd en zijn op de Veluwe in 2019 de eerste wolvenpups geboren. Ook vlak over de grens in de landen om ons heen leven inmiddels permanent wolven, zoals in het Belgische Leopoldsburg en het Duitse Meppen, waar ook al jongen geboren zijn. Ook in Limburg is de wolf het laatste jaar gespot. Het plangebied is door de ligging en inrichting geen geschikte verblijfslocatie of essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever, wolf en het wild zwijn. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Limburg tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen.

In de huidige en ook in de beoogde situatie zullen er schuilhoekjes blijven voor marterachtigen. Tijdens de werkzaamheden zijn er altijd rustige hoekjes met dekking aanwezig waar de dieren heen kunnen vluchten. Er zijn daarom geen effecten op kleine marters. Het is uit te sluiten het plangebied onderdeel is van de essentiële leefomgeving van bevers, wolven, wilde zwijnen en eekhoorns. Het is mogelijk dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.

5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

21

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Soort

Bescherming categorie* en habitat

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief

Afstand plangebied 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km

Roek Zwarte wouw

5 km 5 km

2. boom bewonend 4, boom bewonend

4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend 4, boom bewonend

* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Op de planlocatie is geen plaats waar een gierzwaluw zich zou kunnen nestelen. Het plangebied ligt op een vrij afgelegen locatie en is daarom niet geschikt als locatie en geen der daken is geschikt. Theoretisch zou het dak van woongedeelte van de woonboerderij geschikt kunnen zijn. Deze blijft tijdens werkzaamheden en ook erna intact. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied zouden in het bedrijfsgedeelte van de woonboerderij eventueel uilen kunnen nestelen of rusten. De menselijke bewegingen hier zijn echter van dien aard dat er door uilen geen gebruik van wordt gemaakt. Er zijn echter geen sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil aangetroffen, zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Huismus Er zijn tijdens het veldbezoek in de heggen en struiken rondom de woning huismussen gezien.

Het onderschoten pannendak van het woongedeelte van de woonboerderij zou geschikt kunnen zijn als nestgelegenheid voor huismussen. Het dak van het te slopen bedrijfsgedeelte is zeker niet geschikt als nestlocatie voor huismussen omdat het niet onderschoten is. Het gedeelte van de woning tegen de stal aan (berging) is ook niet onderschoten. De huismus, met als Latijnse naam Passer domesticus, is een zogenaamde half-holenbroeder (vogels die wel beschut willen zitten, maar daarnaast ook uitzicht willen hebben). De nesten komen voor in holtes onder dakpannen of gaten en nissen in gebouwen, bomen en aardwallen. Als dergelijke holtes niet aanwezig zijn nestelt de huismus op beschutte plekjes onder afdakjes, in dichte gevelbegroeiing, heggen en struiken. Dergelijke ‘natuurlijke’ nesten zijn nog altijd tamelijk voldoende aanwezig, echter door het sterk verminderde gebruik van dakpannen en het ontbreken van gaten en nissen in gebouwen is het aantal

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

22

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum broedterritoria in steden en dorpen de laatste jaren sterk achteruitgegaan. Om deze reden wordt steeds meer gebruik gemaakt van vogelvides, speciale dakpannen, houten nestkasten of mussenpotten die worden bevestigd aan woningen, gebouwen, stallen of schuren. Volgens de Natuurkalender Broedvogels van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie bevindt de broedperiode (van nestbouw tot en met verzorging vlieg vlugge jongen) van de huismus zich tussen begin maart tot en met begin september. De huismus broedt in losse kolonies van enkele paren tot soms wel 40 exemplaren. Het grootste gedeelte van het jaar verspreidt de huismus zich echter niet verder dan 600 meter van de broedplaats. Van augustus tot oktober kunnen jonge huismussen en een deel van de volwassen vogels zich verspreiden over een groter gebied. Na deze periode keren volwassen mussen terug naar hun eigen broedgebied, terwijl de jonge mussen zich elders vestigen. De huismus komt het liefst voor in een rommelige agrarische omgeving met struikgewas, schuren, weilanden met vee en gemorst graan. Maar ook tuinen en parken zijn favoriete foerageerplekken. Het voedsel van de huismus bestaat uit zaden (met name granen zoals haver, gerst en tarwe), bloemknoppen, brood, fruit, bessen.

Tijdens het broedseizoen vormen insecten (onder meer vliegen en muggen) een cruciale voedselbron. Naast broedplaatsen en voldoende voedselaanbod is in het kleine leefgebied van de huismus ook beschutting een belangrijk onderdeel van het leefgebied. Roofvogels zoals de sperwer, ransuil en kerkuil, kraaiachtigen zoals de ekster, kauw en gaai, spechten en zoogdieren zoals de kat zijn (min of meer) natuurlijke vijanden van de huismus. Beschutting waar de huismus kan schuilen voor zijn predatoren bestaat onder andere uit hagen (liguster, meidoorn, sleedoorn) en een dichte begroeiing van klimplanten tegen muren. Tijdens het veldbezoek is de onderste rij pannen van het dak gelicht om te zien naar nesten van huismussen. Er zijn geen waarnemingen van nesten van huismussen gedaan. Waarschijnlijk maken de waargenomen huismussen deel uit van een grotere populatie in de directe omgeving van het plangebied.

Controle onderste rij pannendak

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

23

Ecologische quickscan Sint Leonardsweg 19 Wanssum Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Geschikt leefgebied van de huismus bevat een combinatie met voldoende voedsel- en schuilplaatsen. Voor het voedselaanbod is het van belang dat er voldoende ruigte en overhoekjes aanwezig zijn, waar zowel zaadplanten als voldoende insectentrekkersaanwezig zijn. Huismussen hebben verblijfplaatsen in woningen en bijgebouwen staande in de directe omgeving van het plangebied. Beschutting bevindt zich vooral aan de overzijde van de weg. De gunstige staat van instandhouding is voor de huismus binnen het project gegarandeerd. Met de sloop van dat deel van de woonboerderij waar geen dakbeschot onder het dak bevestigd is gaan geen jaarrond beschermde nesten van de huismus verloren. Er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Binnen het plangebied zijn geschikte groenstructuren aanwezig en deze worden behouden. Dit zijn voor de huismus noodzakelijke elementen die behoren tot hun functionele leefgebied en te vinden in de directe omgeving van een nestlocatie.

Huismussen

Open dak boven goot bedrijfsgedeelte

De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van het bedrijfsgedeelte van de woonboerderij. Het woonhuis met tuin en hagen zullen immers geschikt blijven voor de huismussen. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van het bedrijfsgedeelte van de woonboerderij. Door de voorgenomen landschappelijke inpassing van het perceel rondom het plangebied zullen foerageer- en schuilmogelijkheden voor huismussen toenemen. Er worden geen nestlocaties van huismussen verwijderd of verstoord. Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig.

Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt echter voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze drie uitgesloten kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14008357/1