CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan “Woningbouw Zompgraaf Oostrum”9.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 3284 Oostrum, Geysterseweg (ong.) Gemeente Venray Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur

M. Sonneveld en T. Nales

Versie

Versie 2.0 definitief

Projectcode

20110066

Datum

01-07-2022

Opdrachtgever

HOEX Onroerende Zaken

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Franklinstraat 1 5807 GJ Oostrum Uitvoerder

Transect Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

4992552100

Bevoegde overheid

Gemeente Venray

Adviseur bevoegde overheid

Gemeente Venray

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (04-03-2021)

Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven (Senior archeoloog)

Datum

Paraaf

01-07-2022

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Samenvatting In opdracht van HOEX Onroerende Zaken heeft Transect in maart 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Geysterseweg in Oostrum (gemeente Venray). Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. •

•

•

Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied deels in de historische kern van Oostrum ligt, in een gebied waar dekzandafzettingen dicht bij het oppervlakte liggen. In het noorden van het plangebied ligt een zone met dekzandwelvingen, terwijl het zuidelijk deel van het plangebied in een laagte ligt, zeer waarschijnlijk onderdeel van het beekdal van de Oostrumse beek. Zoals uit de gemeentelijke verwachtingskaarten en de onderzoeken in de omgeving van het plangebied blijkt, is het lager gelegen zuidelijk deel van het plangebied naar verwachting te nat geweest voor bewoning in de periode Neolithicum-Romeinse tijd. Daarvoor geldt een lage archeologische verwachting. Vanaf de Middeleeuwen verandert dit verwachtingspatroon: de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat vormen oude wegstructuren waarlangs mogelijk in de Late Middeleeuwen gewoond werd. Ook maakte een deel van het plangebied deel uit van de historische dorpskern. Dit gegeven maakt de verwachting op resten in de terreindelen langs deze wegen hoog. Dit geldt eveneens voor de Nieuwe tijd: in Deelgebied 1 is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw reeds bebouwing in het plangebied aanwezig. Mogelijk heeft deze bebouwing voorgangers gehad die teruggaan tot in het begin van de Nieuwe tijd. De verwachting op nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd dus hoog.

Onduidelijk is tot slot de U-vormige watergang ten zuiden van deelgebied 3. Deze bestaat sinds het begin van de 19e eeuw op kaarten is mogelijk ouder. Hoe oud is onbekend: er kan gedacht worden aan een gracht, waarmee de archeologische verwachting voor deelgebied hoog is, anderzijds kan het ook een watervoorziening zijn, hetgeen meer waarschijnlijk lijkt op basis van de omschrijvingen op de Minuutplan, de resultaten van het archeologisch onderzoek ten noorden van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende boerderijen rondom dit water. Binnen het plangebied zijn op basis van het veldonderzoek twee aspecten aan te wijzen die archeologisch relevant of van archeologische waarde kunnen zijn. 1. In deelgebied 1 betreft het het deel van het plangebied rondom de bestaande bebouwing. Omdat hier op historische kaarten sinds het begin van de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan en er tijdens het veldonderzoek boringen gestaakt zijn in bouwpuin geldt hier een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Nieuwe tijd. Dit kunnen bebouwingsresten zijn van de boerderij uit het begin van de 19 e eeuw, maar ouder is ook niet uit te sluiten. Dit is wel goed mogelijk, aangezien steenbouw sinds de Late Middeleeuwen relatief plaatsvast is geweest. 2. Het tweede aspect omvat deelgebied 3 en de ligging van dit gebied te midden van een Uvormig water.

Dit water staat reeds in het begin van de 19e eeuw op de kaart en de aard ervan is niet exact bekend. Paulussen (2012) oppert een gracht (hetgeen zeer goed mogelijk is, maar waarvan het onderzoek van Hos (2013) geen duidelijke aanwijzingen heeft opgeleverd). Ook een drenkkuil is goed mogelijk, maar ook hiervoor bestaan uitsluitend vermoedens. Het veldonderzoek geeft hier geen nader inzicht in. Wel valt er af te leiden dat de ondergrond archeologisch gezien voor resten uit de Late MiddeleeuwenNieuwe tijd intact is. Ook de vondst van bouwpuin in het terrein laat hierdoor een 4

•

•

verwachting bestaan. Doordat versterkingen omwille van strategische redenen altijd in wat nattere delen gesticht werden en de topografie en de aanwezigheid van bouwpuin de aanwezigheid van een versterking niet uitsluiten, blijft een hoge verwachting in dit deelgebied behouden. Voor de perioden Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen blijft de archeologische verwachting in navolging van het bureauonderzoek laag. Dit geldt overigens ook voor het deel van het terrein (het noordelijk deel van deelgebied 1) dat op de geomorfologische kaart als dekzandwelving staat aangeduid. Er is hier geen sprake van een dekzandwelving, maar van een dalflank, die nat is en waarvan de top verstoord is geraakt. Intacte archeologische resten in de periode voor de Late Middeleeuwen zijn er zodoende niet te verwachten. Deelgebied 2 heeft op grond van het onderzoek van Hagens en van der Feest (2016) een lage archeologische verwachting gekregen.

Advies In het plangebied bestaat het voornemen om nieuwe woningen te bouwen en een watergang te leggen/te vergraven. Op basis van het onderzoek is in deelgebied 1 en 3 nog sprake van een hoge archeologische verwachting. De gebieden waarvoor dit geldt is weergegeven in bijlage 6. Het verdient de aanbeveling in deze gebieden een vervolgonderzoek uit te laten voeren (Inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In deelgebied 1 is daarbij de vraagstelling gericht op de aanwezigheid van oudere bebouwingsfasen van de huidige bebouwing in het gebied, in deelgebied 3 is deze gericht op de aanwezigheid van een mogelijke versterking en het vinden van een verklaring van het U-vormig water op kaarten rondom dit deelgebied. Voor dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de onderzoeksopzet en wijze van documentatie staat beschreven. Dit document zal op voorhand van het onderzoek moeten worden beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Venray). Voor de overige gebieden worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan.

Voor die gebieden geldt echter wel dat op het moment tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten gevonden worden, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat ze van waarde zijn, deze gemeld moeten worden bij de gemeente Venray op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Venray) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied. Selectiebesluit gemeente Venray (22-06-2022) Op basis van de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, en dit onderzoek uit 2021, vormen alle onderzoeken samen voldoende aanleiding om het gehele plangebied archeologisch vrij te geven. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een interpretatie van de waterloop als een gracht in deelgebied 3. Ook ontbreekt het aan historische informatie voor een ‘verdwenen’ middeleeuwse (kasteel) boerderij. De historische kaarten laten vooral zien dat de bebouwing in deelgebied 1 uit de 20ste eeuw dateert. In vrijwel het gehele deelgebied heeft in de vorige eeuw bebouwing gestaan. Gezien de dynamische bebouwingsgeschiedenis op het perceel en het ontbreken van duidelijke archeologische indicatoren, is er voldoende aanleiding om ook deelgebied 3 archeologisch vrij te geven.

5

Zoals hierboven beargumenteerd is er voldoende aanleiding om ook het recent onderzochte gebied archeologisch vrij te geven. Dit betekent dat in de verbeelding van het bestemmingsplan Zompgraaf Oostrum geen archeologische dubbelbestemming hoeft te worden opgenomen.

6

Inhoud 1.

Aanleiding

8

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

9

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

10

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

12

5.

Beleidskader

13

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

14

7.

Bekende waarden

16

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

18

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

24

10. Resultaten veldonderzoek

26

11. Beantwoording onderzoeksvragen

29

12. Conclusie en Advies

30

13. Geraadpleegde bronnen

32

Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Venray

34

Bijlage 2: Geologische kaart

35

Bijlage 3: Geomorfologische kaart

36

Bijlage 4: Hoogtekaart

37

Bijlage 5: Bodemkaart

38

Bijlage 6: Archeologische informatie (bron: Archis3)

39

Bijlage 7: Boorpuntenkaart

40

Bijlage 8: Advieskaart

41

Bijlage 9: Foto’s van de boringen

42

Bijlage 10: Boorbeschrijvingen

43

7

1. Aanleiding In opdracht van HOEX Onroerende Zaken heeft Transect1 in maart 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Geysterseweg in Oostrum (gemeente Venray). De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging en de omgevingsvergunningsaanvraag om de nieuwbouw van vijf woningen in heet plangebied mogelijk te maken. In het plangebied geldt in het bestemmingsplan Oostrum een Waarde – Archeologie 2. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 50 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen werkzaamheden in het gebied archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Melman, 2021).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

8

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur en van lokale amateurs of verenigingen.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

9

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Venray

Plaats

Oostrum

Toponiem

Geysterseweg (ong.)

Kaartblad

52B

Centrumcoördinaat

198.817 / 393.839

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een drietal gebieden aan de Geysterseweg ten noorden van de bebouwde kom van Oostrum (gemeente Venray). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied perceel VRY00 - S – 315, 1049, 1824 en een deel van 697. De begrenzingen worden volledig gevormd door de grenzen van de kavels en de omtrek van het gebied waarbinnen de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Deelgebieden 1 en 2, die het westelijk deel van het plangebied vormen, grenzen beide aan de Geysterseweg. Deelgebied 3, het oostelijk deel van het plangebied, grenst aan de Van Broekhuizenstraat. In totaal beslaat het plangebied een oppervlakte van circa 1,6 ha.

10

Oostrum

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.opentopo.nl).

11

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging Aanvraag omgevingsvergunning

Oppervlakte plangebied

1,6 ha

Planvorming

Nieuwbouw van woningen Planten bomen Aanleg waterpartij

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Nog nader te bepalen

In het plangebied bestaat het voornemen om in het plangebied nieuwe woningen te bouwen. Een tekening van de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 2. De nieuwe woningen, verdeeld over zeven bouwwerken, worden verspreid in het gebied geplaatst langs de wegen Geysterseweg en Van Broekhuizenstraat. Ze krijgen naar schatting een omvang van circa 105-300 m2 en zullen niet worden onderkelderd. Onbekend is tot hoe diep er voor de funderingen gegraven zal worden: technische tekeningen van de bouwwerken zijn namelijk nog niet beschikbaar. Ook zullen bomen worden gepland en een watergang worden verlegd en vergraven ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Hoe diep hiertoe gegraven gaat worden is onbekend, maar de verwachting is dat de graafwerkzaamheden in het gebied zodanig zijn dat deze een archeologisch bodemarchief in het plangebied kunnen aantasten.

Figuur 2: Inrichtingstekening van de toekomstige situatie (bron: Wintraeken Advies)

12

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Bestemmingsplan Oostrum

Onderzoeksgrens

250 m2 en 50 cm -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Oostrum” heeft het plangebied een Waarde – Archeologie 2 en 4 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtingskaart (Moonen, 2011; bijlage 1). Hierop heeft het westelijk deel van het plangebied een hoge waarde en het oostelijk deel van het plangebied (grotendeels) een hoge verwachting. Een klein deel heeft een lage archeologische verwachting.

Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 en dieper dan 50 cm -Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek nodig is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

13

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Midden-Nederlands rivierengebied

Geomorfologie

Rivierkom en oeverwal-achtige vlakte

Maaiveld

0,7-1,4 m NAP

Bodem

Poldervaaggronden

Grondwater

II

Landschap Het plangebied ligt in het Limburgse deel van de Peel, in het zuidelijke dekzandlandschap (Stouthamer e.a., 2015). Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.00 –10.000 jaar geleden) zijn hier fluvioperiglaciale sedimenten van de Formatie van Boxtel afgezet. Dit zijn sedimenten van lokale oorsprong die onder periglaciale omstandigheden door wind, water en hellingprocessen zijn afgezet. Tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 –10.000 jaar geleden) zijn eolische dekzanden afgezet, veelal in de vorm van ruggen en kopjes. Deze vormen binnen de Formatie van Boxtel het Laagpakket van Wierden. (Stouthamer e.a., 2015; De Mulder e.a., 2003). In de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf ca. 10.000 jaar geleden), vindt bodemvorming plaats in de pleistocene afzettingen. Op de relatief hoge en mineralogisch arme dekzandruggen ontstaan podzolbodems (haar-en veldpodzolen), terwijl in de lager gelegen vlaktes van fluvioperiglaciale afzettingen goor-en beekeerdgronden ontstaan. Vanaf de Late Middeleeuwen ontstaan in de dekzandgebieden door plagenbemesting ook hoge enkeerdgronden, laarpodzolen en kamppodzolen. Deze bodems kenmerken zich door een matig dikke tot dikke eerdlaag, waaronder vaak nog een restant van een oude bodem aanwezig is. Geologie en lithologie Op de geologische kaart ligt het plangebied in een gebied met dekzand op fluvio-periglaciale afzettingen (kaartcode Tw4).

Het dekzand is hierbij minder dan 2 m dik. De fluvio-periglaciale afzettingen kenmerken zich door een afwisseling van fijn en grof zand met plantenresten en veenlaagjes. Uit het boringenarchief van TNO is 50 ten noorden van het plangebied, geologische boring B52B1256 verricht (bron: www.dinoloket.nl, 199010, 394000 (RD), bron: www.dinoloket.nl). Uit deze boring valt af te leiden dat op een diepte van 1,90 m -Mv afzettingen van de Formatie van Boxtel aanwezig zijn. Deze bestaat uit matig fijn siltig zand en/of leem. Vermoedelijk betreffen het hier fluvio-periglaciale afzettingen. Daarop ligt zand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (dekzand). Dit is zeer tot matig fijn, zwak siltig en tot aan het maaiveld aanwezig. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart komen binnen het plangebied meerdere landschapsvormen voor. Het oosten, deelgebied 3, ligt grotendeels in een zone, waarbinnen een beekdalbodem is gekarteerd (kaartcode 22R42L, bijlage 3). Een klein deel hiervan, evenals deelgebied 2, zijn niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied. Het westelijk deel, deelgebied 1, ligt binnen drie kaartzones, een niet gekarteerd deel in het oosten, een holleweg in het zuiden (kaartcode 0R91) en een zone met dekzandwelvingen in het noorden van dit deelgebied (kaartcode 3L51yc, bijlage 3).

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied varieert tussen 19,0 m NAP in het oosten tot 20,0 in het westen (bron: www.ahn.nl; bijlage 4). Het noordelijk deel van deelgebied 14

1 ligt hierbij het hoogst en komt overeen met het deel waar op grond van de geomorfologische kaart dekzandwelvingen aanwezig zouden moeten zijn. De overige deelgebieden liggen relatief lager. Bodem In het plangebied zijn grotendeels hoge zwarte enkeerdgronden gekarteerd in leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode zEZ23, bijlage 5). In het uiterste oosten van deelgebied 3 liggen vermoedelijk beekeerdgronden (kaartcode pZn23). • Hoge zwarte enkeerdgronden ontstonden doorgaans vanaf de Late Middeleeuwen op veelal middelhoge tot hoge zandgronden aangelegd op de plek waar oorspronkelijk oude bouwlanden lagen (Berendsen, 2005). Door het bemesten van de bouwlanden met aardmest uit de potstallen, vermengd met graszoden en heideplaggen, konden dergelijke enkeerdgronden ontstaan (De Bakker, 1966). Enkeerdgronden kenmerken zich daardoor door een meer dan 50 cm dikke, donkere humeuze bovenlaag (Berendsen, 2000). Archeologisch gezien zijn deze gronden bijzonder, doordat hun aanwezigheid het oude, begraven oppervlak van vóór de Late Middeleeuwen (en daarmee tevens het archeologisch relevante niveau) kan hebben behoed voor tal van verstoringen. Aan de basis van het opgebrachte humeuze dek kunnen in de top van het pleistocene zand sporen van oude bodemvorming aanwezig kunnen zijn (podzolering, interne verwering; B, BC- en Ehorizonten).

De aanwezigheid van dergelijke lagen zijn indicatief voor de mate van intactheid van de bodem. • Beekeerdgronden zijn de meest laag gelegen zandgronden binnen het pleistocene zandlandschap. Ze hebben een zwarte, wat roestige bovengrond, die meestal 25 tot 35 cm dik is. De ondergrond bestaat uit grijs, roestig zand en is dieper zelfs blauwgrijs. Ze worden veelal in beekdalen aangetroffen, vanwaar de bovengrond ook wat kleiig is (De Bakker, 1966). Grondwatertrap en grondwaterstanden De grondwatertrap in het plangebied is gekarteerd als GWT-V. Dit betekent over het algemeen dat er sprake is van relatief vochtige gronden, waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand binnen 40 cm -Mv voorkomt. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand kan zich echter beneden 120 cm -Mv bevinden, waarmee er sprake is van gronden met een sterk wisselend grondwaterniveau. Met dergelijk lage grondwaterstanden en droge omstandigheden zullen in het plangebied alleen anorganische archeologische resten te verwachten zijn. Onverbrande organische resten zullen als gevolg van oxidatie op zijn minst zijn gedegradeerd.

15

7. Bekende waarden Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Ja, AMK terrein 16269

Archeologische waarden en/of informatie

Ja, in en rondom het plangebied

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied bevindt zich deels op een terrein van hoge waarde op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Het staat geregistreerd als AMK terrein 16269 en omvat de historische keren van Oostrum. Hierbinnen zijn resten aanwezig uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart ligt een deel van het plangebied in een zone met een categorie-2. Dit zijn monumenten van zeer hoge archeologische waarde en monumenten die betrekking hebben op historische kernen. De rest van het terrein heeft volgens de beleidskaart een hoge archeologische verwachting voor droge en natte gebieden. De verwachtingen op de beleidskaart hangen direct samen met de vier verschillende archeologische verwachtingenkaarten van de gemeente Venray (niet als kaartbeeld opgenomen): • •

•

•

Op de verwachtingskaart voor jagers-verzamelaars in droge landschappen geldt voor het hele plangebied een lage archeologische verwachting. Op de verwachtingskaart voor jagers-verzamelaars en landbouwers in droge- en natte landschappen geldt voor het plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting. Alleen de meest oostelijke rand van Deelgebied 3 heeft een lage archeologische verwachting. Op de verwachtingskaart voor jager-verzamelaars en landbouwers in natte landschappen geldt voor Deelgebied 3 een onbekende verwachting voor resten van economische en rituele activiteiten. Voor de overige deelgebieden geldt geen verwachting. Volgens de verwachtingskaart voor landbouwers in droge landschappen geldt voor het plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting. De meest oostelijke rand van Deelgebied 3 heeft een lage archeologische verwachting.

Bekende archeologische waarden Een deel van het plangebied is eerder onderzocht, te weten deelgebied 2. Dit onderzoek is in 2016 uitgevoerd in het kader van nieuwbouw in het plangebied (Hagens en Van der Feest, 2016). Uit dit onderzoek bleek uit de boringen dat het plangebied relatief nat geweest is. Er wordt besproken dat het plangebied vermoedelijk in het beekdal van de Oostrumse beek ligt. Tijdens het onderzoek zijn tevens brokken zand en resten veen gevonden, die op een gedeeltelijke omwerking van de ondergrond wijzen. De onderzoekers stellen voor dit deel van het plangebied geen aanvullende maatregelen voor (onderzoeksmelding 3984945100). Ook in de omgeving van het plangebied heeft op verschillende plekken aan de Van Broekhuizenstraat en de Geysterseweg onderzoek plaatsgevonden:

16

•

•

• •

•

Van Broekhuizenstraat/Geysterseweg, onderzoeksmelding 2339712100: In 2011 is in het kader van een bedrijfsbeëindiging van twee varkensboeren in het gebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd om het gebied voor woningbouw te kunnen omvormen. Hiertoe zijn verschillende kavels langs de Van Broekhuizenstraat en Geysterseweg onderzocht. Uit het onderzoek kwam naar voren dat delen volledig waren verstoord, waardoor daar geen vervolgonderzoek nodig was. Ook waren delen van het gebied te nat. Op een aantal andere plekken bestond toch aanleiding tot vervolgmaatregelen, zoals direct ten noorden van deelgebied 3 en twee kleine zones langs de Van Broekhuizenstraat. Direct ten noorden van deelgebied 3 bestond de mogelijkheid op een versterkte boerderij uit de Late Middeleeuwen, zoals in de omgeving vaker is aangetroffen. Op vroeg-19e-eeuws kaartmateriaal staat direct ten noorden van dit gebied nog een oude boerderij afgebeeld. De verwachting van de twee andere locaties zijn gebaseerd op hun ligging direct aan het oude wegennet en ontbreken van moderne verstoringen (Paulussen, 2012). Geysterseweg (ong); onderzoeksmelding 2404730100: Direct ten noorden van deelgebied 3 is in 2013 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Hos, 2013). Aanleiding vormde een middelhoge verwachting op resten uit de periode Late-Middeleeuwen Nieuwe tijd, in het bijzonder op versterkte sites.

Vlakbij is door de onderzoeker immers op historische kaarten een gekromde sloot waargenomen, die mogelijk als oude gracht te karakteriseren is. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is echter alleen een waterput gevonden, die in de Late MiddeleeuwenNieuwe tijd dateert. Andere dateerbare grondsporen zijn niet aanwezig. Van de andere terreinen uit het onderzoek van Paulussen (2012) is niet bekend of daar vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit staat in ieder geval niet in Archis3. De Hork/Wittevrouwenstraat: onderzoeksmelding 2387868100: 200 m ten zuidwesten van het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd in 2012 in het kader van nieuwbouwplannen. Daar is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een beekdal naar een relatief hogere grond zou moeten liggen, waar in principe al vanaf het Laat Paleolithicum gewoond zou kunnen worden. Tijdens het booronderzoek is echter een hoge mate van verstoring vastgesteld; de ondergrond was minimaal tot 1,0 m -Mv reeds vergraven, waarmee naar verwachting archeologische resten verdwenen zullen zijn (Exaltus, 2012). Vondstmelding 2864658100, Spraelandt: Circa 200 m ten noordoosten van het plangebied is een bijl van bruine vuursteen gevonden. Deze dateert in het Vroeg tot Laat Neolithicum. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden op die plaats of de vondst in relatie staat tot een nederzettingsterrein.

Informatie uit overige bronnen Er is geen informatie uit overige bronnen verkregen. Samengevat valt uit de onderzoeken in de omgeving van het plangebied af te leiden dat de archeologische verwachting gebaseerd is op de ligging van het plangebied in of nabij de historische kern van Oostrum en daaromheen voorkomende boerderijen. Hierbinnen vormen de Geysterseweg en de Van Broekhuizenlaan mogelijk laatmiddeleeuwse structuren, aangezien bij alle onderzoeken de verwachting op bewoning langs deze wegen bestaat. Daarvoor schrijven de onderzoekers aan het gebied een lage verwachting toe op grond van een veronderstelde natheid van het landschap. Er is eenmaal gravend onderzoek uitgevoerd, direct ten noorden van deelgebied 3. Daar is uitsluitend een waterput uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd vastgesteld. Dit vormt een aanwijzing dat resten uit deze tijd zich naar verwachting hoofdzakelijk door grondsporen zullen kenmerken. Verdere uitspraken over de te verwachten aard, uiterlijk en complexen van vindplaatsen in het gebied zijn op basis van eerdere onderzoeken niet te doen.

17

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing

Ja

Historisch gebruik

Boerderij (deelgebied 1), rest weiland

Huidig gebruik

Gras, braakliggend

Bodemverstoringen

Ja, bebouwing

Historische achtergronden Historisch gezien ligt het plangebied in de historische dorpskern van Oostrum en daaraan gerelateerde uitvalswegen. Het dorp zelf staat reeds genoemd op een goederenlijst rond 1200, de kerk van het dorp dateert in de 14e eeuw. Ten oosten van het dorp en het plangebied ligt Kasteel Spraeland uit 1257, een verdwenen kasteel aan de Spralandweg. Hiervan is alleen de heuvel nog over; deze wordt door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed beschermd. Het plangebied bevindt zich hierbij tussen de kern en het kasteel. De wegen Van Broekhuizenstraat en de Geysterseweg zijn beide oude wegen, die vermoedelijk zelfs ook teruggaan tot in die tijd (bron: portal.prvlimburg.nl). Beide vormen zodoende historische structuren. Op basis van historisch kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw – de kadastrale Minuut – valt af te leiden dat in nagenoeg het hele plangebied geen bebouwing heeft gestaan. Alleen in Deelgebied 1, direct aan de Geysterseweg, staat op de Minuutplan een boerderij. De rest van het plangebied is dan in gebruik als weiland. Het meest in het oog springt op de kaart een Uvormige water ten zuiden van Deelgebied 3. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels (OAT; een bijlage bij de Kadastrale Minuut) betreft het een “poel als heide”. Het gekromde water staat ook op de Tranchotkaart uit 1804 afgebeeld, maar de exacte betekenis ervan is onduidelijk.

Voor Paulussen (2012) vormt deze vorm aanleiding direct ten noorden ervan een versterkte hoeve of boerderij te verwachten, omdat het water gezien de hoekige vormen mogelijk antropogeen is. Renes (1997) meldt echter dat in het geval van watertekorten ook wel poelen bij boerderijen werden aangelegd. Gezien de verwachte variërende waterstanden en de vondst van een waterput ten noorden van deelgebied 3 tijdens archeologisch onderzoek behoort dit ook tot de mogelijkheden. In de loop van de 19e eeuw verandert er landschappelijk gezien weinig. In het noordwesten van deelgebied 3 verschijnt een woning. Deze situatie blijft hetzelfde tot het midden van de 20e eeuw: vanaf dat moment is de poel gedempt en wijzigt de bebouwing uit de 19e eeuw. In deelgebied 1 verschijnt de thans aanwezige boerderij (rond 1935, bron: bagviewer.kadaster.nl) en rond 1970 verschijnt er in deelgebied 3 een agrarisch bedrijfsterrein. Zowel in deelgebied 1 als 3 breiden de bedrijven zich uit, waarbij in deelgebied 1 de stallen en het erf in de jaren ’90 van de 20 e eeuw circa 80% van het plangebied beslaan. Anno 2021 zijn deze echter grotendeels weer gesloopt. De historische ontwikkeling van het plangebied is weergegeven aan de hand van historischtopografisch kaartmateriaal in figuren 3-11.

18

Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffe.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is hoofdzakelijk in gebruik als weiland. Alleen in Deelgebied 1, in het uiterste westen van het plangebied, staat nog bebouwing. Uit historische kaarten blijkt dat in deelgebieden 1 en 3 tot voor kort bebouwing aanwezig is geweest (stallen, schuren). Deze zijn allemaal gesloopt. De bouw en sloop van de stallen zou tot verstoring van de ondergrond hebben kunnen geleid, zeker als er onder de stallen mestkelders aanwezig waren. Dit is thans niet bekend. Tevens ontbreken oude bouwtekeningen van de panden waar dit uit af te leiden valt. Verdere verstoringen zijn niet bekend. Er zijn geen gegevens omtrent ontgrondingen of saneringen, die geleid hebben tot bodemverstoringen in het plangebied (bron: portal.prvlimburg.nl; www.bodemloket.nl). Of en in hoeverre verstoringen aanwezig zijn, waardoor eventuele archeologische resten in het gebied verstoord of verdwenen zijn, zal door middel van een veldonderzoek moeten worden bepaald.

19

Figuur 3: Uitsnede van de Tranchot-kaart uit 1804 (bron: www.wildernis.eu)

Figuur 4: Uitsnede van de kadastrale Minuut uit 1811-1832. Het plangebied is weergegeven met rode lijnen (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

20

Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

21

Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

22

Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 10: Luchtfoto uit 2020 (bron: www.pdok.nl).

23

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied deels in de historische kern van Oostrum ligt, in een gebied waar dekzandafzettingen dicht bij het oppervlakte liggen. In het noorden van het plangebied ligt een zone met dekzandwelvingen, terwijl het zuidelijk deel van het plangebied in een laagte ligt, zeer waarschijnlijk onderdeel van het beekdal van de Oostrumse beek. Zoals uit de gemeentelijke verwachtingskaarten en de onderzoeken in de omgeving van het plangebied blijkt, is het lager gelegen zuidelijk deel van het plangebied naar verwachting te nat geweest voor bewoning in de periode Neolithicum-Romeinse tijd. Daarvoor geldt een lage archeologische verwachting. Vanaf de Middeleeuwen verandert dit verwachtingspatroon: de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat vormen oude wegstructuren waarlangs mogelijk in de Late Middeleeuwen gewoond werd. Ook maakte een deel van het plangebied deel uit van de historische dorpskern. Dit gegeven maakt de verwachting op resten in de terreindelen langs deze wegen hoog. Dit geldt eveneens voor de Nieuwe tijd: in Deelgebied 1 is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw reeds bebouwing in het plangebied aanwezig. Mogelijk heeft deze bebouwing voorgangers gehad die teruggaan tot in het begin van de Nieuwe tijd. De verwachting op nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd dus hoog.

Onduidelijk is tot slot de U-vormige watergang ten zuiden van deelgebied 3. Deze bestaat sinds het begin van de 19e eeuw op kaarten is mogelijk ouder. Hoe oud is onbekend: er kan gedacht worden aan een gracht, waarmee de archeologische verwachting voor deelgebied hoog is, anderzijds kan het ook een watervoorziening zijn, hetgeen meer waarschijnlijk lijkt op basis van de omschrijvingen op de Minuutplan, de resultaten van het archeologisch onderzoek ten noorden van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende boerderijen rondom dit water. Er zijn tot slot geen aanwijzingen voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor is geen extra verwachting opgesteld. Er kunnen primair resten van nederzettingen aanwezig zijn, maar ook sporen van landgebruik (sporen van beakkering, ontwateringsgreppels e.d.) zijn niet uit te sluiten. In zandgebieden kenmerken nederzettingen zich met name door grondsporen, zoals uit het proefsleuvenonderzoek ten noorden van deelgebied 3 is gebleken (Hos, 2013). Vanwege de natheid van het landschap ter plaatse van het plangebied zijn echter vondsten en cultuurlagen (ontstaan door demping) niet uit te sluiten. Daarbij heeft de natheid naar verwachting voor goede conserveringsomstandigheden gezorgd. De mate van intactheid van de ondergrond in het plangebied is zodoende zeer belangrijk of en in hoeverre er archeologische resten aanwezig zullen zijn.

Er hebben immers in het plangebied in de moderne tijd bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij zelfs mogelijk onderkelderde gebouwen zijn aangelegd en gesloopt. De kans is dus aanwezig, dat de ondergrond in delen van het plangebied vergraven is geraakt. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 1. Prospectiekenmerken en zoekstrategie De mate van intactheid en de bodemopbouw zijn van primair belang of en in hoeverre in het plangebied nog sporen van bewoning aanwezig zullen zijn. Om inzicht hierin te krijgen, is een verkennend booronderzoek nodig, zodat de hierboven beschreven archeologische verwachting kan worden getoetst en vastgesteld.

24

Tabel: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Archeologische verwachting Datering

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Reden Laag-Middelhoog Laat-Paleolithicum-Romeinse tijd Het plangebied bevindt zich in een dalvormige laagte, vermoedelijk onderdeel van het beekdal van de Oostrumse beek. Deze is vermoedelijk te nat geweest voor bewoning. In het uiterste noordwesten van deelgebied 1 zijn volgens de geomorfologische kaart nog dekzandwelvingen aanwezig, hier is theoretisch gezien bewoning mogelijk. Hoog Middeleeuwen-Nieuwe tijd Het plangebied maakt deel uit van de historische kern van Oostrum en er is bebouwing aanwezig. Tevens vormen de wegen waarlangs het plangebied ligt historische structuren waarvan de ouderdom ook tot in de Middeleeuwen teruggaat. Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats/grafveld/algemeen) Top van het dekzand of in humeuze deklagen erboven +/Archeologische resten kunnen deels vergraven zijn en aangetast als gevolg van de aanleg en sloop van bebouwing in delen van het plangebied. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Hoofdzakelijk grondsporen. Vondst- en cultuurlagen zijn echter vanwege de natte landschappelijke ligging van het plangebied niet uit te sluiten. Zie .5

25

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn namelijk gebruikt om de mate van intactheid van de bodem te bepalen, om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de exacte landschappelijke ligging van het plangebied. In deelgebied 1 zijn 6 boringen gezet en in deelgebied 3 13 boringen (boring 1 tot en met 13). Deelgebied 2 is niet onderzocht, aangezien dit in het verleden al gebeurd is. De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 8. De (uiteindelijke) ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 6. De locatie van de boringen is bepaald met behulp van een meetlint aan de hand van de lokale topografische situatie. De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, www.ahn.nl).

Veldwaarnemingen Deelgebied 1 is ten tijde van het veldonderzoek hoofdzakelijk grasland, waar door het midden een sloot met bos staat. Het maaiveld ten noorden van de sloot ligt iets hoger dan het terrein ten zuiden van de sloot. Aangezien sprake is van een abrupt hoogteverschil is dit vermoedelijk antropogeen. In het westen van dit deelgebied staat de huidige bebouwing, die voor tijdelijke huisvesting in gebruik is. Een foto van deelgebied 1 zijn weergegeven in figuur 11 Deelgebied 3 is ten tijde van het veldonderzoek hoofdzakelijk in gebruik als weiland, maar er zijn ook delen dicht begroeid geraakt met bramen en riet. Reliëf is er niet waar te nemen. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 12.

Figuur 3: Foto van deelgebied 1 (03-03-2021).

26

Figuur 12: Foto's van deelgebied 3 ten tijde van het veldonderzoek (04-02-2021).

Bodemopbouw en lithologie Deelgebied 1 Onder in de boringen in deelgebied 3 is vanaf een diepte van 55-105 cm -Mv lichtbruingrijs, matig fijn tot matig grof zand aangetroffen (18,75 tot 19,0 m NAP). Het zand is kalkloos en matig gesorteerd. Vermoedelijk betreft het verspoeld dekzand. In de top van het zand ontbreken sporen van bodemvorming. Wel zijn roestvlekken aanwezig, maar aangezien deze doorlopen de erboven gelegen laag, wijzen deze gley-verschijnselen op relatief hoge grondwaterstanden in het gebied. Op het zand ligt een matig tot sterk siltige, humeuze zandlaag. Deze laag ligt abrupt op het pleistocene zand en is het gevolg van omwerking in het gebied. De laag is donkerbruingrijs en kenmerkt zich door het voorkomen van zandbrokken en relatief bouwpuin. In het oosten van het plangebied, nabij de huidige bebouwing in het terrein, is boring 16 gestaakt in puin. Het is niet uitgesloten dat dit puin samenhangt met de bebouwing die hier in ieder geval sinds het begin van de 19 e eeuw op historische kaarten staat ingetekend. Deelgebied 3 Onder in de boringen is matig siltig zand, soms lemig zand aangetroffen. De top van dit zand bevindt zich op een diepte van 30-115 cm -Mv (18,1-18,4 m NAP). Ook is het zand matig gesorteerd, bruingrijs, lichtgrijsgeel tot grijs van kleur en kalkarm. Hiermee is het geïnterpreteerd als fluvio-glaciale afzettingen.

In de top van het zand zijn geen sporen van bodemvorming aanwezig. Wel valt een grote hoeveelheid wortelresten op, hetgeen wijst op vroegere dichte begroeiing in het gebied. In het zuiden van dit deelgebied liggen op het zand klei (in boring 9) en/of veen (boringen 9, 10). De aanwezigheid hiervan wijst op zeer natte omstandigheden. Waarschijnlijk is de klei afkomstig van overstromingen vanuit de nabijgelegen Oostrumse beek. Mogelijk is ook veen en klei in de overige boringen aanwezig geweest, maar deze zijn vermoedelijk verdwenen. De top van het bodemprofiel wordt gevormd door een humeuze zandlaag, die donkergrijsbruin tot donkerbruingrijs van kleur is. Deze zandlaag kenmerkt zich in het merendeel van het gebied door het voorkomen van bouwpuin, hetgeen wijst op een relatief recente ouderdom. Vermoedelijk heeft dit te maken met historische landbewerking van het terrein. De dikte van de laag is circa 30-50 cm. Alleen in het noordelijk deel van het deelgebied is de laag dikker. In deze boring is sprake van een verstoringslaag met een dikte van 90-115 cm. Dit hangt vermoedelijk samen met de sloop van de voormalige bebouwing in dit deel van het terrein. 27

Archeologische indicatoren Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren gevonden bij het doorzoeken van de grondmonsters. Archeologische interpretatie Binnen het plangebied zijn op basis van het veldonderzoek twee aspecten aan te wijzen die archeologisch relevant of van archeologische waarde kunnen zijn. • In deelgebied 1 betreft het deel van het plangebied rondom de bestaande bebouwing. Omdat hier op historische kaarten sinds het begin van de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan en er tijdens het veldonderzoek boringen gestaakt zijn in bouwpuin geldt hier een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Nieuwe tijd. Dit kunnen bebouwingsresten zijn van de boerderij uit het begin van de 19e eeuw, maar ouder is ook niet uit te sluiten. Dit is wel goed mogelijk, aangezien steenbouw sinds de Late Middeleeuwen relatief plaatsvast is geweest. • Het tweede aspect omvat deelgebied 3 en de ligging van dit gebied te midden van een U-vormig water. Dit water staat reeds in het begin van de 19e eeuw op de kaart en de aard ervan is niet exact bekend. Paulussen (2012) oppert een gracht (hetgeen zeer goed mogelijk is, maar waarvan het onderzoek van Hos (2013) geen duidelijke aanwijzingen heeft opgeleverd). Ook een drenkkuil is goed mogelijk, maar ook hiervoor bestaan uitsluitend vermoedens. Het veldonderzoek geeft hier geen nader inzicht in.

Wel valt er af te leiden dat de ondergrond archeologisch gezien voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd intact is. Ook de vondst van bouwpuin in het terrein laat hierdoor een verwachting bestaan. Doordat versterkingen omwille van strategische redenen altijd in wat nattere delen gesticht werden en de topografie en de aanwezigheid van bouwpuin de aanwezigheid van een versterking niet uitsluiten, blijft een hoge verwachting in dit deelgebied behouden. Voor de perioden Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen blijft de archeologische verwachting in navolging van het bureauonderzoek laag. Dit geldt overigens ook voor het deel van het terrein (het noordelijk deel van deelgebied 1) dat op de geomorfologische kaart als dekzandwelving staat aangeduid. Er is hier geen sprake van een dekzandwelving, maar van een dalflank, die nat is en waarvan de top verstoord is geraakt. Intacte archeologische resten in de periode voor de Late Middeleeuwen zijn er zodoende niet te verwachten. Deelgebied 2 heeft op grond van het onderzoek van Hagens en van der Feest (2016) een lage archeologische verwachting gekregen.

28

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat het plangebied in/langs een beekdal ligt, vermoedelijk die van de Oostrumse beek.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Op twee plekken zijn archeologisch relevante niveaus onderscheiden. Het betreft hier Deelgebied 3 en het gebied rondom de bebouwing in Deelgebied 1. In beide gebieden bestaan historisch/landschappelijk gezien aanwijzingen op de mogelijke aanwezigheid van bebouwingsresten. In Deelgebied 1 van historische bebouwing (getuige de aanwezigheid van vast bouwpuin op de plek waar op historische kaarten gebouwen staan) en in Deelgebied 3 van een mogelijke versterking (vanwege de vondst van bouwpuin en de onduidelijke betekenis van het U-vormig meer op oude kaarten rondom dit deelgebied). De resten kunnen in beide gevallen direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. De ligging van de archeologisch relevante gebieden binnen het plangebied is weergegeven in bijlage 6.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Archeologisch gezien is de bodem binnen de aangewezen gebieden voor wat betreft resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd intact.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Zie het antwoord op voorgaande vragen. De archeologisch relevante gebieden binnen het plangebied in bijlage 6 hebben een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. In de overige gebieden en voor de overige perioden is de verwachting laag.

29

12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied deels in de historische kern van Oostrum ligt, in een gebied waar dekzandafzettingen dicht bij het oppervlakte liggen. In het noorden van het plangebied ligt een zone met dekzandwelvingen, terwijl het zuidelijk deel van het plangebied in een laagte ligt, zeer waarschijnlijk onderdeel van het beekdal van de Oostrumse beek. Zoals uit de gemeentelijke verwachtingskaarten en de onderzoeken in de omgeving van het plangebied blijkt, is het lager gelegen zuidelijk deel van het plangebied naar verwachting te nat geweest voor bewoning in de periode Neolithicum-Romeinse tijd. Daarvoor geldt een lage archeologische verwachting. Vanaf de Middeleeuwen verandert dit verwachtingspatroon: de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat vormen oude wegstructuren waarlangs mogelijk in de Late Middeleeuwen gewoond werd. Ook maakte een deel van het plangebied deel uit van de historische dorpskern. Dit gegeven maakt de verwachting op resten in de terreindelen langs deze wegen hoog. Dit geldt eveneens voor de Nieuwe tijd: in Deelgebied 1 is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw reeds bebouwing in het plangebied aanwezig. Mogelijk heeft deze bebouwing voorgangers gehad die teruggaan tot in het begin van de Nieuwe tijd. De verwachting op nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd dus hoog.

• Onduidelijk is tot slot de U-vormige watergang ten zuiden van deelgebied 3. Deze bestaat sinds het begin van de 19e eeuw op kaarten is mogelijk ouder. Hoe oud is onbekend: er kan gedacht worden aan een gracht, waarmee de archeologische verwachting voor deelgebied hoog is, anderzijds kan het ook een watervoorziening zijn, hetgeen meer waarschijnlijk lijkt op basis van de omschrijvingen op de Minuutplan, de resultaten van het archeologisch onderzoek ten noorden van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende boerderijen rondom dit water. • Binnen het plangebied zijn op basis van het veldonderzoek twee aspecten aan te wijzen die archeologisch relevant of van archeologische waarde kunnen zijn. 1. In deelgebied 1 betreft het deel van het plangebied rondom de bestaande bebouwing. Omdat hier op historische kaarten sinds het begin van de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan en er tijdens het veldonderzoek boringen gestaakt zijn in bouwpuin geldt hier een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Nieuwe tijd. Dit kunnen bebouwingsresten zijn van de boerderij uit het begin van de 19e eeuw, maar ouder is ook niet uit te sluiten. Dit is wel goed mogelijk, aangezien steenbouw sinds de Late Middeleeuwen relatief plaatsvast is geweest. 2. Het tweede aspect omvat deelgebied 3 en de ligging van dit gebied te midden van een Uvormig water.

Dit water staat reeds in het begin van de 19e eeuw op de kaart en de aard ervan is niet exact bekend. Paulussen (2012) oppert een gracht (hetgeen zeer goed mogelijk is, maar waarvan het onderzoek van Hos (2013) geen duidelijke aanwijzingen heeft opgeleverd). Ook een drenkkuil is goed mogelijk, maar ook hiervoor bestaan uitsluitend vermoedens. Het veldonderzoek geeft hier geen nader inzicht in. Wel valt er af te leiden dat de ondergrond archeologisch gezien voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd intact is. Ook de vondst van bouwpuin in het terrein laat hierdoor een verwachting bestaan. Doordat versterkingen omwille van strategische redenen altijd in wat nattere delen gesticht werden en de topografie en de aanwezigheid van bouwpuin de aanwezigheid van een versterking niet uitsluiten, blijft een hoge verwachting in dit deelgebied behouden. • Voor de perioden Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen blijft de archeologische verwachting in navolging van het bureauonderzoek laag. Dit geldt overigens ook voor het deel van het terrein (het noordelijk deel van deelgebied 1) dat op de geomorfologische kaart als dekzandwelving staat aangeduid. Er is hier geen sprake van een dekzandwelving, maar van een dalflank, die nat is en 30

•

waarvan de top verstoord is geraakt. Intacte archeologische resten in de periode voor de Late Middeleeuwen zijn er zodoende niet te verwachten. Deelgebied 2 heeft op grond van het onderzoek van Hagens en van der Feest (2016) een lage archeologische verwachting gekregen.

Advies In het plangebied bestaat het voornemen om nieuwe woningen te bouwen en een watergang te leggen/te vergraven. Op basis van het onderzoek is in deelgebied 1 en 3 nog sprake van een hoge archeologische verwachting. De gebieden waarvoor dit geldt is weergegeven in bijlage 6. Het verdient de aanbeveling in deze gebieden een vervolgonderzoek uit te laten voeren (Inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In deelgebied 1 is daarbij de vraagstelling gericht op de aanwezigheid van oudere bebouwingsfasen van de huidige bebouwing in het gebied, in deelgebied 3 is deze gericht op de aanwezigheid van een mogelijke versterking en het vinden van een verklaring van het U-vormig water op kaarten rondom dit deelgebied. Voor dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de onderzoeksopzet en wijze van documentatie staat beschreven. Dit document zal op voorhand van het onderzoek moeten worden beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Venray). Voor de overige gebieden worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan.

Voor die gebieden geldt echter wel dat op het moment tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten gevonden worden, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat ze van waarde zijn, deze gemeld moeten worden bij de gemeente Venray op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Venray) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied. Selectiebesluit gemeente Venray (22-06-2022) Op basis van de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, en dit onderzoek uit 2021, vormen alle onderzoeken samen voldoende aanleiding om het gehele plangebied archeologisch vrij te geven. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een interpretatie van de waterloop als een gracht in deelgebied 3. Ook ontbreekt het aan historische informatie voor een ‘verdwenen’ middeleeuwse (kasteel) boerderij. De historische kaarten laten vooral zien dat de bebouwing in deelgebied 1 uit de 20ste eeuw dateert. In vrijwel het gehele deelgebied heeft in de vorige eeuw bebouwing gestaan. Gezien de dynamische bebouwingsgeschiedenis op het perceel en het ontbreken van duidelijke archeologische indicatoren, is er voldoende aanleiding om ook deelgebied 3 archeologisch vrij te geven.

Zoals hierboven beargumenteerd is er voldoende aanleiding om ook het recent onderzochte gebied archeologisch vrij te geven. Dit betekent dat in de verbeelding van het bestemmingsplan Zompgraaf Oostrum geen archeologische dubbelbestemming hoeft te worden opgenomen.

31

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Venray • geoloket.odru.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ Afbeeldingenlijst Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.opentopo.nl). ... 11 Figuur 2: Inrichtingstekening van de toekomstige situatie (bron: Wintraeken Advies).......................... 12 Figuur 3: Uitsnede van de Tranchot-kaart uit 1804 (bron: www.wildernis.eu) ...................................... 20 Figuur 4: Uitsnede van de kadastrale Minuut uit 1811-1832.

Het plangebied is weergegeven met rode lijnen (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). ......................................................................................... 20 Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 21 Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 21 Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 22 Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 22 Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 23 Figuur 10: Luchtfoto uit 2020 (bron: www.pdok.nl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13431354/1