CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Quickscan Wet natuurbescherming

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Broekweg ong. (naast Broekweg 40) Venray.10.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING BROEKWEG TE VENRAY

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Broekweg te Venray Opdrachtgever

Kragten Postbus 2309 5231 CH 's-Hertogenbosch

Rapportnummer Versienummer

17829.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

11 januari 2022

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen ......................................................................................................................... 12 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 17829.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Kragten opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Broekweg te Venray. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 1 van 21

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (in totaal ± 2.440 m²) ligt aan de Broekweg, circa 1,2 kilometer ten noordwesten van de kern van Venray. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 194.888, Y = 394.277. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (gele pijl).

De onderzoekslocatie bestaat uit twee braakliggende percelen, gelegen in een nieuwbouw woonwijk. Beide percelen zijn in het verleden gebruikt als paardenweide. Het meest westelijke perceel (perceel 1, kadastraal nummer 12636) is aan de rand begroeid met struweel met soorten als laurierkers, hulst, fluweelboom, vlier en Californische cipres. Het meest oostelijke perceel (perceel 2, kadastraal nummer 12638) bestaat enkel uit grasland. Ten noorden en westen van de woonwijk liggen weilanden en akkers. Ten oosten van de wijk ligt het Sint Annapark en ten zuiden bos en de bebouwde kom van Venray. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 2 van 21

1

2

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.

Figuur 3. Westelijke perceel, kijkrichting noord.

Figuur 4. Westelijke perceel, kijkrichting zuid.

Figuur 5. Struweel op het westelijke perceel.

Figuur 6. Oostelijke perceel, kijkrichting noordwest.

Figuur 7. Oostelijke perceel, kijkrichting zuidoost.

Figuur 8. Oostelijke perceel, kijkrichting zuid.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 3 van 21

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens in totaal 8 woningen te realiseren op de braakliggende percelen. Het struweel op de onderzoekslocatie zal hierbij (grotendeels) verwijderd worden. Op onderstaande tekening is de toekomstige situatie weergegeven (figuur 9).

Figuur 9. Situatietekening inrichtingsplan onderzoekslocatie (Bron: MORE FOR YOU).

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 4 van 21

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 22 december 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 5 van 21

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 6 van 21

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 7 van 21

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteund. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden en bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgrond. Daarnaast komen op bestemmingsplanniveau ook andere bestemmingen en functies voor waaronder infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen.

Het beleid voor de bronsgroene landschapszones is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 8 van 21

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1 t/m 3)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, rode wouw, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk, wespendief. Deze soorten zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF allen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Van deze soorten kunnen de boerenzwaluw, huiszwaluw, gierzwaluw en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden namelijk enkel in/op bebouwing, welke niet aanwezig is op de onderzoekslocatie. Huismus De huismus is een typische gebouwbewonende koloniebroeder. De nesten worden zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen. Gezien de onderzoekslocatie geheel onbebouwd is, kan een nestlocatie worden uitgesloten. Het struweel op het westelijk gelegen perceel (perceel 1) kan echter wel dienen als essentieel schuil- en foerageergebied voor in de omgeving verblijvende huismussen (figuur 10). Negatieve effecten ten aanzien van de huismus kunnen dan ook niet op voorhand worden uitgesloten (paragraaf 6.1.1). Figuur 10. Het struweel op

het westelijk gelegen perceel

Boomvalk, havik, ransuil, rode wouw, torenvalk (perceel 1). en wespendief Boomvalk, havik, ransuil, rode wouw, torenvalk en wespendief zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden. De bomen op en nabij de onderzoekslocatie konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Op en nabij de onderzoekslocatie zijn geen potentiële roofvogelnesten waargenomen. Daarnaast zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren. Voor de torenvalk geldt dat deze tevens in nestkasten en nissen in gebouwen tot broeden komt, deze zijn echter niet op of nabij de onderzoekslocatie waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van potentieel jaarrond beschermde nesten van de boomvalk, havik, ransuil, rode wouw, torenvalk en wespendief zijn dan ook uitgesloten.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 9 van 21

Bosuil, kerkuil en steenuil De bosuil is volgens de NDFF waargenomen op 540 meter van de onderzoekslocatie, de kerkuil op 680 meter en de steenuil op 130 meter afstand. Meestal broeden genoemde soorten in speciale nestkasten, schuren en (soms) in boomholtes. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen boomholtes, nestkasten en geschikte nissen in gebouwen aangetroffen voor de bosuil, kerkuil en/of steenuil op en nabij de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen als braakballen, krijtstrepen of veren aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van desbetreffende soorten. Doordat er rondom de onderzoekslocatie veel verstoring is als gevolg van bouwwerkzaamheden en aangezien er geen zitpaaltjes aanwezig zijn, is niet te verwachten dat de onderzoekslocatie gebruikt wordt als foerageergebied door in de omgeving verblijvende bosuilen, kerkuilen en/of steenuilen. Daarnaast is er in de omgeving voldoende foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden, akkers en bebossing. Verstoring ten aanzien van de bosuil, kerkuil en steenuil is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel aan stilstaand water, bij voorkeur op plekken omzoomd met loofbomen.

De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Dergelijke wateren en elementen zijn niet waargenomen op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie. De grote gele kwikstaart zal zijn leefgebied eerder hebben in de omgeving van beken en rivieren zoals de nabijgelegen Loobeek. Overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, kan derhalve worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten op bomen, daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op en nabij de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. In de bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen (grote) groepen nesten aangetroffen. Een roekenkolonie op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is dan ook uitgesloten. 5.1.2

Overige broedvogels (categorie 4)

De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, winterkoning en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (paragraaf 6.1.2). In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3), en broedvogels die jaarlijks terugkeren naar hetzelfde nest, maar voldoende flexibel worden geacht om elders een nieuw nest te bouwen (categorie 4). Echter zijn deze soorten dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van hun leefgebied niet in geding mag komen. Dit zijn voornamelijk holenbroeders, zoals de zwarte specht, makers van grote nesten, zoals buizerd en sperwer en grondbroeders, zoals grutto en wulp. De soorten die op de onderzoekslocatie te verwachten zijn, zijn algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende leefgebied hebben. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (paragraaf 6.1.2).

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 10 van 21

5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat 'Vleermuizen en Planologie (Limpens et al., 2010) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis en brandt’s vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en de bomen op de onderzoekslocatie bevatten geen holtes, spleten en/of loshangend schors waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De bebouwing grenzend aan de noordoost- en zuidoostkant van perceel 1 en grenzend aan de noord-, oost- en westkant van perceel 2 is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de aard van de ingreep geen negatieve effecten, mits er geen additionele (bouw)verlichting wordt toegepast richting deze potentiële verblijfplaatsen (paragraaf 6.2). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren.

De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft tuinen, groenstructuren, weilanden en bebossing. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het struweel aan de rand van perceel 1 ligt te geïsoleerd om als vliegroute voor vleermuizen te dienen. Door de voorgenomen ingreep worden dan ook geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, eekhoorn en steenmarter. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook dichte struwelen als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De onderzoekslocatie bevat geen geschikt habitat voor de steenmarter. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en het struweel is niet dicht genoeg om als verblijfplaats voor een steenmarter te dienen. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 11 van 21

die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De bomen op en nabij de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das komt voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden echter ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das.

Daarnaast zijn voor de aanleg van een gedeelte van de nieuwbouwwijk in 2017/2018 al mitigerende en compenserende maatregelen ten aanzien van de das getroffen (Adviesbureau Mertens B.V., 2014). Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen agrarische percelen en bossen. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Bever Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Op en nabij de onderzoekslocatie zijn dergelijke waterlichamen niet aanwezig, waardoor de onderzoekslocatie ongeschikt habitat vormt voor de bever. De waarnemingen van de bever hebben naar verwachting betrekking op de omgeving rondom de Loobeek. Negatieve effecten ten aanzien van de bever zijn niet aan de orde. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat deze soorten verstoord worden en kunnen holen en/of schuilplaatsen vernietigd worden (paragraaf 6.3). 5.4

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al. 2015) en de NDFF is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. Tevens wordt de soort waargenomen in open bossen, ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. Op de onderzoekslocatie zijn deze habitattypen niet aanwezig, waardoor het habitat ongeschikt is bevonden voor de levendbarende hagedis. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis, hebben naar verwachting betrekking op het natuurgebied Boschhuizerbergen.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 12 van 21

5.5

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: bastaardkikker, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, alpenwatersalamander, vinpootsalamander, poelkikker en boomkikker. Streng beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor de streng beschermde alpenwatersalamander, vinpootsalamander, poelkikker en boomkikker uitgesloten. Geschikte wateren zijn te vinden op circa 1,2 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. Vanwege de afstand, in combinatie met barrières zoals wegen en gebouwen, is het gebruik van de onderzoekslocatie als essentieel landhabitat door streng beschermde amfibieënsoorten echter uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt matig geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten. Algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen beschutting vinden tussen de begroeiing op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene amfibieënsoorten (paragraaf 6.3). 5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Daarnaast zijn er geen waterlichamen op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving aanwezig. Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF de volgende beschermde vlindersoorten waargenomen: bruine eikenpage, grote vos en iepenpage. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als bruine eikenpage (eik; vooral zomereik), grote vos (vooral iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten) en iepenpage (diversen soorten iep, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 13 van 21

5.8

Vaatplanten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de drijvende waterweegbree recent waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Het voorkomen van deze soort op de onderzoekslocatie is uitgesloten vanwege het gebrek aan water. De meeste beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan de groeiomstandigheden. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Aangezien de locatie grotendeels bestaat uit kort grasland met algemene soorten als biggenkruid, schapenzuring, Canadese fijnstraal en hondsdraf, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn evenmin zeldzame vaatplanten waargenomen en zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep op vaatplanten op voorhand uit te sluiten.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 14 van 21

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Huismus De huismus en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Op basis van onderhavige quickscan kan niet uitgesloten worden dat het struweel op perceel 1 onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de huismus. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Indien in de beoogde toekomstige situatie voorafgaand aan het verwijderen van de groenstructuren op perceel 1 vervangend groen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie wordt geplaatst, is werken volgens een ecologisch werkprotocol voldoende om negatieve effecten ten aanzien van de huismus en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien het niet mogelijk is om groenstructuren terug te plaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is aanvullend ecologisch onderzoek benodigd. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 15 van 21

De bebouwing rondom de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming zijn te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Hiervoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting de bebouwing grenzend aan de noordoost- en zuidoostkant van perceel 1 en grenzend aan de noord, oost- en westkant van perceel 2 tijdens de bouw- en eindfase. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en verblijfplaatsen kunnen worden vernietigd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 16 van 21

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 3 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 11).

Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (gele vlak).

Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de relatief kleine aard van de plannen niet te verwachten. Daarnaast wordt voor de aanlegfase aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, welke per 1 juli 2021 in werking is getreden. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. 7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk (goudgroene natuurzone). De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 660 meter ten westen van de onderzoekslocatie. De bronsgroene landschapszone ligt op circa 450 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de goud- en zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone weergegeven.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 17 van 21

Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van de goud- en zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone.

Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 18 van 21

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Gezien de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom valt, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 19 van 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Kragten een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Broekweg te Venray. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens in totaal 8 woningen te realiseren op de braakliggende percelen. Het struweel op de onderzoekslocatie zal hierbij (grotendeels) verwijderd worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

nee, mits*

nee, mits*

*groenstructuren vervangen en werken volgens ecologisch werkprotocol

in omgeving

nee, mits*

nee, mits*

nee, mits*

*geen verlichtingstoename richting omliggende bebouwing

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als konijn, egel en verschillende soorten muizen

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

3 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

660 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

-

Broedvogels

Vleermuizen

verblijfplaatsen

Gebiedsbescherming

Bijzonderheden / opmerkingen**

** Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 20 van 21

Conclusie Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient in de toekomstige situatie voorafgaand aan het verwijderen van de groenstructuren op perceel 1 vervangend groen in de omgeving te worden geplaatst en dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten ten aanzien van de huismus en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien het niet mogelijk is om groenstructuren terug te plaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is aanvullend ecologisch onderzoek benodigd. Gelet op de bebouwing rondom de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting de bebouwing grenzend aan de noordoost- en zuidoostkant van perceel 1 en grenzend aan de noord, oost- en westkant van perceel 2 tijdens de bouw- en eindfase dient te worden voorkomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het groen te verwijderen buiten het broedseizoen.

Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 11 januari 2022

Rapport 17829.001 versie D1

Pagina 21 van 21

GERAADPLEEGDE BRONNEN Adviesbureau Mertens B.V. (2014). Activiteitenplan das Buitenkamers te Venray. Opgehaald van: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0984.WBP14001va01/b_NL.IMRO.0984.WBP14001-va01_tb2.pdf. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 11 januari 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Venray, periode 2011-2021. NDFF. Geraadpleegd op 11 januari 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 11 januari 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014.

Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 11 januari 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Wet natuurbescherming (2022, 7 januari). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2022-01-07. Zoogdiervereniging (z.d.). Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 7 januari van: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Provinciale bronnen www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)

Rapport 17829.001 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 17829.001 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 17829.001 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13043119/1