09 Toelichting Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 Herziening i.k.v. Stoppers- en Saneringsregeling Ronde 3
NL.IMRO.0984.PHBP23001-va01
Gemeente Venray Postbus 500 5800 AM Venray Samengesteld door Team Ruimtelijke Ontwikkeling
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
1
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
2
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding ....................................................................................................................... 5 1.1
De aanleiding tot deze herziening ....................................................................... 5
1.2
Begrenzing van het plangebied ........................................................................... 6
1.3
Vigerende plannen .............................................................................................. 6
1.4
De opzet van het bestemmingsplan .................................................................... 6
1.5
Planaanpassingen .................................................................................................. 6
1.6
Leeswijzer ............................................................................................................ 7
Beleid........................................................................................................................... 8 2.1 2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ......................................................................... 8
2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) .............................................. 9
2.1.3
Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) ................................................. 9
2.1.4
Stoppersregeling ............................................................................................... 10
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................. 11
2.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg .................................................................... 11
2.2.2
Omgevingsverordening Limburg .......................................................................... 12
2.2.3
Water .............................................................................................................. 12
2.3
Regionaal beleid ................................................................................................... 13
2.3.1
Regionale Visie Land- en Tuinbouw Noord-Limburg ................................................ 13
2.3.2
Regionale Ruimtelijk Kwaliteitskader landelijke gebied Noord-Limburg ..................... 14
2.4
3
Rijksbeleid ............................................................................................................ 8
Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 15
2.4.1
Toekomstvisie Venray 2030 ................................................................................ 15
2.4.2
Omgevingsvisie Venray ...................................................................................... 15
2.4.3
Visie veehouderij Venray 2018 ............................................................................ 15
2.4.4
Gemeentelijk Ruimtelijke kwaliteitskader.............................................................. 16
2.4.5
Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling ................................................... 17
2.4.6
Duurzaamheid .................................................................................................. 17
2.4.7
Toetssteen Openbare Ruimte .............................................................................. 18
2.4.8
Gemeentelijk Rioleringsplan Venray 2022-2025..................................................... 18
2.4.9
Maatwerk deelnemers Saneringsregeling Varkenshouderij ...................................... 19
Milieuaspecten.............................................................................................................. 21 3.1
Inleiding .............................................................................................................. 21
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
3
4
5
3.2
MER-beoordeling .................................................................................................. 21
3.3
Bodem ................................................................................................................ 21
3.4
Geluid ................................................................................................................. 22
3.5
Externe veiligheid ................................................................................................. 22
3.6
Milieuzonering ...................................................................................................... 23
3.7
Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 24
3.8
Geur ................................................................................................................... 24
3.9
Natuur................................................................................................................. 25
3.10
Water .................................................................................................................. 26
3.11
Archeologie .......................................................................................................... 27
3.12
Verkeer en parkeren ............................................................................................. 27
3.13
NGE .................................................................................................................... 27
Juridische aspecten ....................................................................................................... 29 4.1
Verbeelding.......................................................................................................... 29
4.2
Regels ................................................................................................................. 29
Maatschappelijke haalbaarheid ....................................................................................... 30 5.1
Vooroverleg en inspraak ........................................................................................ 30
5.2
Ter inzagelegging en zienswijzen ............................................................................ 30
6
Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 31
7
Handhaving.................................................................................................................. 32
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
4
1
Inleiding
1.1
De aanleiding tot deze herziening De Rijksoverheid richt zich al jaren op maatregelen waarmee de uitstoot van ammoniak en de overlast door geur van veehouderijen nabij woonomgevingen kan worden verlaagt. Deze koers is nogmaals bevestigd in het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’1 waarin door het kabinet maatregelen zijn aangekondigd om gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid te verminderen: “Het laatste decennium zijn we in Nederland geconfronteerd met de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid. Die kunnen en willen we niet negeren. [….] In samenspraak met de provincies wordt bezien hoe een warme sanering van de varkenshouderij in belaste gebieden kan worden vormgegeven”. Veehouderijen hebben te maken gekregen met wet- en regelgeving om de impact van hun activiteiten op de omgeving te beperken. Deze maatregelen hebben ervoor gezorgd dat varkenshouderijen hun bedrijven hebben gemoderniseerd, zich hebben georiënteerd op andere activiteiten of besloten hebben te stoppen met agrarische activiteiten. Voor de overgang naar andere (agrarische) activiteiten konden de veerhouders zich inschrijven voor de stoppersregeling uit het Actieplan ammoniak en veehouderij of de Warme sanering varkenshouderij.
Doel van deze herziening Zowel de stoppersregeling uit het Actieplan ammoniak veehouderij als de Subsidieregeling sanering
varkenshouderijen
(Srv) zien
op
verminderen
van de
geuroverlast
door
varkensbedrijven in veedichte gebieden. Voor alle deelnemers aan een van deze regelingen geldt dat een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voor de deelnemers die stoppen met hun varkensbedrijven geldt dat zij geen veehouderijactiviteiten meer mogen verrichten op de ingeschreven locaties. Daarnaast geldt dat de uitoefening van intensieve veehouderij moet worden voorkomen. Het beperken van de mogelijkheden voor intensieve veehouderij past binnen de Visie veehouderij en kan door de aanduiding ‘iv’ van de verbeelding te verwijderen. Indien de deelnemers besluiten dat ook het agrarisch bedrijf wordt beëindigd, dan is er in overleg met de ondernemer gezocht naar een passende bestemming. Een nadere uiteenzetting over de Stoppersregeling en de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) staat opgenomen in hoofdstuk 2. In de gemeente Venray hebben zich 32 bedrijven aangemeld voor de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). In de zomer van 2020 hebben 26 inschrijvers een positieve beschikking ontvangen. Van degene die een positieve beschikking heeft ontvangen, hebben 19 bedrijven kenbaar gemaakt dat ze daadwerkelijk stoppen met de varkenshouderij.
Gezien het grote aantal locaties dat heeft besloten daadwerkelijk te stoppen, heeft de gemeente Venray besloten om samen met (een aantal van) de deelnemers aan de 1
Kamerstuk 34 700, nr. 34
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
5
Stoppersregeling
en/of
de
Subsidieregeling
sanering
varkenshouderijen
(Srv)
het
bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ te herzien. Omdat er bij de individuele locaties sprake is van verschillende voortgangstermijnen zal deze herziening in verschillende rondes plaatsvinden.
1.2
Begrenzing van het plangebied Deze herziening (3e ronde) heeft betrekking op een beperkt aantal locaties die gelegen zijn binnen het plangebied zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’. Het betreffen locaties van deelnemers aan de Stoppersregeling of de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Ronde 3 omvat enkel deelnemers aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Door
deze
bestemmingsplanherziening
krijgen
deze
locaties
een
nieuwe,
actuele
bestemming. Hierbij is er wel voor gekozen om in de herziening alleen de locaties mee te nemen die passen binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’. Voor wijziging die niet passen binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan zal een separate planprocedure moeten worden gevolgd, aangezien dan meer ruimte is voor maatwerk. Wijzigingen waarvoor het enkel noodzakelijk blijkt dat een extra functieaanduiding op de verbeelding en in de regels wordt opgenomen, vormen de uitzondering en worden wel meegenomen in deze algemene herziening van het bestemmingsplan.
1.3
Vigerende plannen De bestemmingsplannen ‘Buitengebied Venray 2010’ (vastgesteld op 14 december 2010) ‘Buitengebied Venray 2010, herziening locaties’ (vastgesteld op 20 september 2017) en ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ (vastgesteld op 20 september 2017 ) zijn momenteel vigerend voor het plangebied.
1.4
De opzet van het bestemmingsplan Deze herziening van het moederplan ‘Buitengebied Venray 2010’ volgt de lijn zoals deze is neergezet in de eerdere herzieningen:
in de toelichting,
in de regels,
op de verbeelding.
Voor een overzicht van de aanpassingen van de regels en de verbeelding wordt verwezen naar de volgende paragraaf.
1.5
Planaanpassingen Het doel van deze (partiele) herziening is om samen met deelnemers aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) en/of de Stoppersregeling te zorgen voor een actueel bestemmingsplan, waarbij in ieder geval de aanduiding íntensieve veehouderij (‘iv’) van de gronden van de deelnemers wordt verwijdert en daarnaast tevens ruimte wordt geboden om binnen de kader van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ verdergaande wijzigingen aan te brengen zoals de omzetting naar de bestemming ‘Wonen’ of gebruik voor bedrijvigheid.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
6
In de onderstaande paragrafen wordt verduidelijkt welke locaties deelnemen aan deze (partiele) herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’. Deelnemende locaties De volgende locaties worden in deze (partiele) herziening meegenomen: Deellocatie Droesenweg Heide
2
Enge Steeg Leunen
4
Lollebeekweg Castenray
20
Teeuwenhofweg 3 Leunen
Wusterweg Castenray
1.6
1
Bestaande situatie Bestemming agrarisch met waarden met de functieaanduiding ‘iv’ Bestemming agrarisch met waarden met de functieaanduiding ‘iv’ Bestemming agrarisch met waarden met de functieaanduiding ‘iv’ Bestemming agrarisch met waarden met de functieaanduiding ‘iv’ Bestemming agrarisch met functieaanduiding ‘iv’
Nieuwe situatie Bestemming agrarisch met waarden met een agrarisch bouwvlak met de functieaanduiding ‘ab’
Deels bestemming wonen, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning en deels de bestemming agrarisch met waarden zonder bouwvlak. Tevens worden er een nieuwe woning mogelijk gemaakt aan de Steegse Peelweg (tussen nummer 2 en 8). Bestemming agrarisch met waarden met een agrarisch bouwvlak met de functieaanduiding ‘ab’
Bestemming agrarisch met waarden met een agrarisch bouwvlak met de functieaanduiding ‘ab’
Bestemming agrarisch met waarden met een agrarisch bouwvlak met de functieaanduiding ‘ab’
Leeswijzer Met de voorliggende herziening wordt het de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Venray, herziening locaties 2010’ en ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ op onderdelen aangepast. In de toelichting wordt beschreven welke wijzigingen deze herziening omvat en worden deze nader toegelicht. Tevens is aangegeven wat de wijzigingen ten opzichte van deze bestemmingsplannen zijn. Allereerst worden in het algemeen het beleid en de milieuaspecten toegelicht (H 2 en H 3) en vervolgens wordt in hoofdstuk 4 elke locatie specifiek hieraan getoetst.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
7
2
Beleid
Een bestemmingsplan dient te voldoen aan het beleid en regelgeving
van de gemeentelijke,
provinciale en rijksoverheid. Dit beleid dient opgenomen en verantwoord te zijn in de toelichting van een bestemmingsplan. Dit gebeurt in dit hoofdstuk. In paragraaf 2.1 komt het rijksbeleid aan bod, in paragraaf 2.2 het provinciale beleid, in paragraaf 2.3 het regionale beleid en in paragraaf 2.4 het gemeentelijke beleid. De toetsing van de in dit plan opgenomen planvoornemens en de beoordeling of deze ontwikkelingen passen binnen het beleid zal plaatsvinden in hoofdstuk 3.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op het moment dat die wet in werking treedt. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en onder intrekking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het Rijk, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners van ons land. Er zijn 21 nationale belangen beschreven die het lokale en regionale belang overschrijden. Enkele voorbeelden hiervan zijn: •
Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
•
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
•
Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.
•
Beperken van klimaatverandering.
Onderhavig plan heeft echter geen invloed op de beschreven doelen die het Rijk nastreeft. Voor de deelnemende initiatieven is sprake van een functieverandering; de intensieve veehouderijen worden namelijk volledig beëindigd en vervangen door een andere functie zoals een grondgebonden agrarisch bedrijf of een woonfunctie. Dit heeft louter een positieve effecten op het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
8
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Om de 13 nationale belangen door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is de eerste aanvulling bij het Barro vastgesteld. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het
niveau van
bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het saneren van de varkenshouderijen en de daarvoor in de plaats komen functies, werken geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks door. Binnen het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. De functiewijziging van het agrarisch bedrijf is dan ook in lijn met het Barro.
2.1.3 Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) In
delen
van
Nederland
is
sprake
van
een
verhoudingsgewijs
grote
concentratie
van
veehouderijbedrijven en een grote veedichtheid. Deze situatie is in de afgelopen decennia ontstaan en is het gevolg van verplaatsing en concentratie van veehouderijbedrijven en schaalvergroting, met name in de varkenshouderij. Tegelijkertijd is in het landelijk gebied een grotere verwevenheid van de landbouwfunctie met andere functies ontstaan, zoals wonen en natuur. Woonkernen zijn uitgebreid en er zijn meer woonlocaties in het buitengebied ontstaan. Steeds meer bewoners van het buitengebied hebben geen historische binding met de veehouderij en zijn zich tevens meer en meer bewust van de effecten die de veehouderij kan hebben of heeft op hun gezondheid, op het milieu, de omgevingskwaliteit (verrommeling van en ondermijning in het buitengebied) en hun leefklimaat en -genot. Door de concentratie van (intensieve) veehouderijbedrijven is de situatie ontstaan dat de emissies door individuele bedrijven van onder andere geur, fijnstof en ammoniak weliswaar binnen de vergunningsvereisten kunnen vallen, maar dat door de cumulatie van emissies van aan elkaar grenzende bedrijven er in bepaalde gebieden toch sprake kan zijn van overlast.
Daarnaast blijken bepaalde maatregelen die de emissies moeten beperken in de praktijk minder effectief dan gedacht.2 De voornoemde ontwikkelingen hebben geresulteerd in situaties waarbij, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden, sprake kan zijn van een mate van overlast die het leefklimaat en het woongenot kan schaden. Geur van veehouderijen heeft gevolgen voor het leefklimaat en -genot van mensen en voor de inrichting van het landelijk gebied.
2
Zo is uit onderzoek gebleken dat de werking en effectiviteit van in de varkenshouderij veel gebruikte combiluchtwassers in de praktijk aanzienlijk achterbleef bij de prestaties waar in de regelgeving van werd uitgegaan. De gemiddelde geurverwijdering van de combi-luchtwassers bleek in de praktijk 40% te bedragen, de helft van de verwachte gemiddelde reductie van 81%. Voor ammoniakverwijdering was de gemiddeld gemeten reductie 59%, ten opzichte van een verwachte reductie van 85% (Kamerstuk 29 383, nr. 295).
9 Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
Om de meest urgente overlast door varkenshouderijen op korte termijn aan te pakken, heeft het kabinet besloten tot een warme sanering van varkenshouderijlocaties in veedichte gebieden. Het doel van de op 10 oktober 2019 vastgestelde Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is het
terugdringen
van
geuroverlast
door
het
definitief
en
onherroepelijk
sluiten
van
varkenshouderijlocaties. Naast vermindering van geuroverlast heeft de regeling nog andere effecten: •
Krimp van de varkensstapel en het aantal varkenshouderijlocaties, naar verwachting vooral in concentratiegebied Zuid als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet;
•
Afname van de productie van dierlijke mest (stikstof en fosfaat);
•
Afname van de emissies van ammoniak, fijnstof en methaan;
•
Bijdrage aan de ambitie van de veehouderij in het Klimaatakkoord;
•
Verbetering van het algehele leefklimaat in het buitengebied, niet alleen door reductie van emissies, maar ook door afname van het aantal transportbewegingen, tegengaan van verrommeling en voorkomen van ondermijning.
Om het doel van de regeling te borgen dient de deelnemende varkenshouderijlocatie een aantal stappen te zetten. Het betreft deels maatregelen die direct samenhangen met de bedrijfsvoering zoals het afvoeren van de varkens, het leeghalen van de mestkelders, het laten doorhalen van het varkensrecht en het intrekken van de omgevingsvergunning. Andere maatregelen zien op het bestendigen van de bedrijfsbeëindiging door het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan en het slopen van de voor de varkenshouderij gebruikte gebouwen. Varkenshouders kunnen vrijwillig deelnemen aan de regeling als zij voldoen aan een aantal voorwaarden. Indien de varkenshouder al meedoet aan het actieplan ammoniak, dan is deelname aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen niet mogelijk. De varkenshouderij aan de Droesenweg 2, Enge steeg 4 Leunen, Lollebeekweg 20 Castenray, Teeuwenhof 3 Leunen en Wusterweg 1 Castenray hebben zich allen aangemeld voor de Srv. Deze varkenshouderijen worden beëindigd, waarbij de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ van de locaties alsmede de bedrijfsbebouwing worden verwijderd. Het is dan ook niet meer mogelijk deze locaties te gebruiken als een intensieve veehouderij. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde maatregelen.
2.1.4 Stoppersregeling Op grond van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij uit 2005 moesten veehouders op 1 januari 2010 een emissiearme stal hebben. Toen bleek dat veel ondernemers hier niet in slaagden, werd in 2009 het Actieplan Ammoniak in het leven geroepen. Verschillende categorieën veehouderijen kregen uitstel en hoefden pas later te voldoen aan de maximale emissiewaarden. Een van de groepen waarvoor een uitzondering werd gemaakt, waren de stoppers: varkens- en pluimveehouders die van plan waren om hun bedrijf vóór 2016 te beëindigen. Deze groep ondernemers hoefden volgens de ‘Stoppersregeling intensieve veehouderij’ geen emissiearme stal te hebben, maar moesten in plaats daarvan wel (minder kapitaalintensieve) ‘stoppersmaatregelen’ nemen om de ammoniakemissie te beperken. Met het vervangen van het Besluit huisvesting door het Besluit emissiearme huisvesting, werd de termijn opgerekt: de stoppers moeten per 1 januari 2020 daadwerkelijk zijn gestopt of alsnog voldoen aan de maximale emissiewaarden.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
10
De varkenshouderij aan de Droesenweg 2 te Heide is deelnemer aan de stoppersregeling. Deze varkenshouderij is reeds beëindigd en de locatie wordt nu gebruikt als een grondgebonden agrarisch bedrijf. Om te voorkomen dat de locatie in de toekomst als intensieve veehouderij kan worden gebruikt, wordt op deze locatie de functieaanduiding ‘iv’ vervangen door de aanduiding ‘ab’.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (2030-2050) vastgesteld. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1.
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief
(mede)gebruik,
biodiversiteit,
stikstof
en
(grond)waterkwaliteit
belangrijke thema’s. 2.
Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie.
3.
Klimaat
adaptieve
en
energietransitie;
Klimaatverandering
vergroot
de
kans
op
overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid,
gezondheid
en
de
natuur.
Ook
verandert
de
komende
jaren
de
energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. Regio Noord-Limburg Er zijn binnen Limburg belangrijke regionale verschillen. Voor Noord- en Midden-Limburg zijn de belangrijkste uitdagingen en vraagstukken benoemd. Venray is gelegen in de regio Noord-Limburg. Deze regio heeft grote ambities: op termijn (2025-2030) wil de regio optimaal gebruik maken van zijn strategische ligging als logistiek knooppunt tussen de mainports in Nederland en Vlaanderen, en het Duitse achterland. De infrastructurele ontsluiting is op dat moment goed, herbergt diverse topsectoren en combineert dat met een kwalitatief goede omgeving. Zonering plangebied De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden een aantal globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
11
met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Buitengebied Alle locaties zijn gelegen binnen het gebiedstype Buitengebied. Dit zijn gebieden met over het algemeen een agrarisch karakter en met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. In dit gebied ligt het accent op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw, terugdringen van de milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond. Met de voorgenomen functiewijzigingen van de locaties blijft de agrarische bedrijvigheid in grotendeels stand. Doorontwikkeling van agrarische bedrijven past binnen het gebiedstype ‘Buitengebied’. De functiewijziging van de agrarisch bedrijven is daarmee toegestaan op basis van de Omgevingsvisie Limburg.
2.2.2 Omgevingsverordening Limburg De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening,
de
Waterverordening
en
de
Ontgrondingenverordening.
De
Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014, is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. De meest recente versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (GC08) betreft de geconsolideerde versie van 2 november 2019. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten
door
de
gemeentebesturen
in
acht
worden
genomen
bij
het
opstellen
van
bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid. De deelnemende locaties zijn niet gelegen in een van de kwetsbare gebieden die middels de verordening worden beschermd. De planvoornemens worden dan ook niet belemmerd door regelgeving zoals vastgelegd in de verordening.
2.2.3 Water Provinciale Omgevingsvisie Limburg De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
12
problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Waterbeheerplan Limburg Het Waterbeheerplan 2016 – 2021 is een integrale beleids- en uitvoeringsplan waarin de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg wordt uiteengezet. Het is een realisatie van de visie Waterbeheer Limburg in 2020 "Water in beweging" die opgesteld is in december 2012. Uit de visie is naar voren gekomen dat het waterbeheer beleid moet inspelen op verschillende ontwikkelingen, waaronder klimaatverandering, een schaarste aan grondstoffen en energie, een vergrijzende bevolking,
een
afname
in
biodiversiteit,
internationalisering
en
de
groei
van
de
informatiemaatschappij. In het beheerplan wordt onder meer ingezet op hoogwaterbescherming door middel van dijkversterking, het beter reguleren van afvalwater en het ontwikkelen en beschermen van de regionale watersystemen. Voor de regionale watersystemen geldt dat er een Nieuw Limburgs Peil is opgesteld om verdroging tegen de gaan en het grondwater te beschermen. Daarnaast geldt dat het waterschap inzet op bescherming tegen overstroming, door normen per zonering (in het POL2014) op te stellen. Ook de waterkwaliteit en ecologie dienen beschermd te worden. Om de beleidstaken uit te voeren beschikt het waterschap over verschillende instrumenten. De belangrijkste
hiervan
is
de
keur
met
bijbehorende
legger.
In
paragraaf
3.10
zijn
de
waterhuishoudkundige waarden van de deelnemende locaties beschreven.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1 Regionale Visie Land- en Tuinbouw Noord-Limburg De land- en tuinbouw is van oudsher één van de grootste ruimtegebruikers in het landelijk gebied. Niet alleen vanwege de primaire agrarische productie, maar ook voor de aan deze sector verbonden andere bedrijvigheid. De sector kenmerkt zich door een grote dynamiek waardoor de ruimtevraag en de ruimtelijke effecten in de toekomst voortdurend zullen wijzigen. Als gevolg van een aantal bedrijfseconomische ontwikkelingen zien we een steeds breder spectrum aan agrarische bedrijven. Hierdoor is het onmogelijk geworden om de bedrijven te beschrijven door ze in hokjes te stoppen. Ieder bedrijf is uniek. Wel kunnen verschillende trends worden benoemd die zich in de agrarische sector voordoen, zoals intensivering van productie, schaalvergroting, ketenintegratie (verbreden met activiteiten in de productieketen), kennis gedreven ontwikkeling, kringlooplandbouw, verbreden (met andere -agrarische activiteiten) en stoppende agrarisch ondernemers. Ook buiten de sector zijn er een aantal ontwikkelingen gaande die invloed hebben op de land- en tuinbouw. Te denken valt aan de toenemende zorg over gezondheid, de kwaliteit van voedsel, herstel van biodiversiteit en over het belang van een groene leefomgeving.
Ook zien we een toenemende vraag naar lokaal of regionaal geproduceerd voedsel en opgaven zoals klimaatadaptatie, energietransitie en circulaire economie. We zien een toename van niet-agrarische bewoners en intensiever recreatief gebruik in het landelijk gebied welke invloed hebben op de ontwikkelingen in hun omgeving, dus ook op de agrarische sector.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
13
De bedrijfseconomische ontwikkeling van agrarische bedrijven heeft effecten op de leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan:
agrarische bebouwing wordt steeds groter en de verschijningsvorm en architectuur van agrarische bebouwing wordt anders;
er is sprake van intensivering van grondgebruik en er wordt steeds meer gebruik gemaakt van teeltondersteunende voorzieningen;
er is in algemene zin sprake van een toename van zwaar- en vracht- en landbouwverkeer; intensivering
en
schaalvergroting
hebben
ook
effect
op
verschillende
milieu-
en
gezondheidsaspecten;
het proces van schaalvergroting en stoppers leidt tot meer vrijkomende agrarische bebouwing;
de toename van burgerwoningen in het landelijk gebied kan een belemmering zijn voor de ontwikkeling van agrarische bedrijvigheid;
langdurige leegstand kan leiden tot verloedering, gevaarlijke situaties, verrommeling en illegaal gebruik inclusief ondermijning en een achteruitgang van de aantrekkelijkheid van het landelijk gebied voor recreanten.
Door de regionale en lokale verschillen én de dynamiek van een breed pallet aan ontwikkelingen zijn de effecten van agrarische ontwikkelingen op gebieds- en locatieniveau minder goed te voorspellen. Om die reden wordt naast de algemene kaders ook sterk ingezet op het sturen op gebiedskwaliteit als leidend principe. Maatwerkoplossingen komen hieruit voort. Dit vraagt een grotere interactie tussen ondernemer, omgeving en overheid. Voor agrarische bedrijven betekent dit dat ze omgevingsbewust moeten acteren. Niet elke bedrijfslocatie heeft dezelfde ontwikkelingsruimte voor de verschillende agrarische bedrijfsactiviteiten, op de korte dan wel lange termijn. Het toekomstperspectief voor een agrariër wordt dan ook voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de locatie. Met de ondernemer wordt de toekomstbestendigheid van een locatie belicht vanuit een drietal invalshoeken: 1) beleid; 2) gebied, waarbij het regionaal ruimtelijk kwaliteitskader als hulpmiddel en inspiratiebron wordt gebruikt; en 3) locatie.
2.3.2 Regionale Ruimtelijk Kwaliteitskader landelijke gebied Noord-Limburg Op regionaal niveau is bestuurlijk afgesproken om de ruimtelijk kwaliteit te beschouwen als het bindmiddel tussen alle POL thema’s in het landelijk gebied. Het Regionale Ruimtelijk Kwaliteitskader is van toepassing op de thema’s land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en energie. Het Ruimtelijk Kwaliteitskader: 1.
is een instrument om een afweging te maken of een ontwikkeling (energie, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie) een bijdrage kan leveren aan het versterken van de regionale karakteristieken en waarden;
2.
geeft de kaders weer om bij deze afweging op regionaal niveau lokaal dezelfde uitgangspunten te hanteren
3.
wil bewustwording creëren over onze gedeelde kwaliteiten en de kansen voor ontwikkelingen.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
14
Belangrijke opgaves voor het landelijk gebied in de regio Noord-Limburg zijn het behouden en versterken van aantrekkelijke landschappen voor bewoners en toeristen, het bieden van ruimte voor doorontwikkeling in de agrarische en toeristische sector, ruimte voor het opwekken van energie en ruimte voor natuur en de klimaatopgave. Dit vraagt een ruimtelijk kwaliteitskader waarbij de ontwikkelingsbehoefte wordt gewogen zodat het tegelijkertijd kansen biedt om de regionale kwaliteiten en waardes van de regionale landschapsstructuur te versterken.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1 Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. In de visie spreekt de gemeente de ambitie uit om een landelijk gebied te ontwikkelen waar agrarische bedrijven vooroplopen in duurzaamheid en circulair produceren. Agrarische activiteiten die hier niet bij passen, zullen verdwijnen. De sanering van de voormalige varkenshouderij binnen het plangebied past binnen deze ontwikkeling. Dit is bevorderlijk voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de planlocaties. Van duurzame bedrijfsvoering was geen sprake en het milieueffect op de omgeving waren aanzienlijk. Voorliggende initiatieven dragen daarmee bij aan een verduurzaming van het buitengebied. Bij enkele van de initiatieven is tevens sprake van een landschappelijke inpassing van de plangebieden waardoor de kenmerken uit de omgeving blijven behouden en worden versterkt. De initiatieven passen binnen de Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop'.
2.4.2 Omgevingsvisie Venray In de omgevingsvisie Venray (vastgesteld op 2 november 2021) worden de uitdagingen en toekomstbeelden van gemeente Venray beschreven. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke verstaling van de strategische visie: Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. In de omgevingsvisie is per gebied te zien welke thema’s, waarden en ambities er gelden. De planlocatie is gelegen in het gebied ‘Agrarische gebieden’. In het toekomstige agrarische gebied zijn de functies tussen wonen en intensieve veehouderij meer gescheiden. In de kernrandzones en woonclusters is minder geuroverlast. In het overig agrarische gebied ligt de nadruk op landbouw. Deze gebiedsgerichte aanpak zorgt voor een juiste balans tussen wonen, recreatie en veehouderij in het agrarische gebied. De bouw van woningen, de energietransitie en de mogelijkheid tot recreëren is in het agrarisch gebied op de juiste plek ingepast en gaat niet ten koste van het landschap. Er blijft voldoende ontwikkelingsruimte voor de agrarische bedrijven. Voor voormalige agrarische bedrijven wordt afhankelijk van het gebied hergebruik voor andere functies zoals kleinschalige nietagrarische bedrijven en ook recreatieve en maatschappelijke functies toegestaan. Het beoogde initiatief sluit aan bij de visie voor de agrarische gebieden.
2.4.3 Visie veehouderij Venray 2018 Daarnaast heeft de gemeenteraad op 30 januari 2018 de 'Visie Veehouderij Venray 2018' vastgesteld. De visie moet bijdragen aan een goede balans tussen de ontwikkelingsruimte voor de veehouderij en de bescherming van een goed woon- en leefklimaat voor de inwoners. De veehouderij in de gemeente Venray heeft zich in 2030 sterk duurzaam ontwikkeld. Onder duurzaam wordt verstaan: een economisch krachtige veehouderij met veel aandacht voor mens, dier, milieu,
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
15
gezondheid en leefomgeving. Bij het inzetten van deze ontwikkeling dient het accent te liggen op maatwerk, draagvlak, eigen verantwoordelijkheid, innovatie en koersvast. De aanleiding om een visie op te stellen komt voort uit de brede maatschappelijke dialoog veehouderij die in 2015 heeft plaatsgevonden (Dialoog Veehouderij Venray 2015). Bij het opstellen van de visie is tijdens een vijftal ateliers (Ateliers Veehouderij Venray 2017) met een groep ondernemers, burgers, leden van de raadswerkgroep , wethouders en een aantal experts, de input voor de visie opgehaald. Tijdens de ateliers is duidelijk geworden dat er extra inspanningen nodig zijn om het woon- en leefmilieu van omwonenden in Venray te beschermen en te verbeteren. Voor het behoud van het draagvlak bij de inwoners is het van belang dat er bij de ontwikkeling van veehouderijen meer rekening wordt gehouden met de belangen van de omwonenden. Daarbij heerst de breed gedeelde mening dat problemen en sociale polarisatie zoals in Brabantse gemeenten is opgetreden, moet worden voorkomen. De veehouderij is een onlosmakelijk deel van de gemeenschap in Venray. De veehouderij vormt een belangrijke bijdrage aan de economie van Venray. Tegelijkertijd is er de stellige overtuiging dat de economische ontwikkeling van de veehouderij ook gericht moet zijn op een zorgvuldige aandacht voor de leefomgeving.
Vanuit de ondernemers wordt aangegeven dat bedrijfsontwikkelingen noodzakelijk zijn om de effecten op de omgeving verder te verminderen. Bij de duurzame ontwikkeling van de veehouderij staat de gezondheid van de mens centraal. Daarom richt de gemeente zich bij de uitvoering op de volgende doelen: •
Het verbeteren van het woon- en leefmilieu door het verminderen van de emissie bij veehouderijbedrijven;
•
De ontwikkelingen op de juiste plaats door een verdere ruimtelijke scheiding tussen veehouderijbedrijven en bewoners;
•
Het versneld vernieuwen van de oude stallen en intrekken van vergunningen bij stoppende bedrijven.
Het woon- en leefklimaat van de woningen in de directe omgeving van de planlocaties en daarbuiten wordt, in lijn met de doelstellingen uit de 'Visie Veehouderij Venray 2018', door de beëindiging van de varkenshouderijen sterk verbeterd. Voorliggend initiatief vormt de maatwerk oplossing om het plangebied een nieuwe, passende en toekomstbestendige bestemming te geven. De initiatieven passen binnen de 'Visie Veehouderij Venray 2018'.
2.4.4 Gemeentelijk Ruimtelijke kwaliteitskader Kern van het Ruimtelijk Kwaliteitskader is de opvatting dat in het buitengebied zich steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen. Deze dynamiek vraagt enerzijds om een visie waarmee wordt aangegeven welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn. Anderzijds wordt erkend dat een ontwikkeling in het buitengebied de waarden van dit buitengebied kunnen worden aangetast. Een ontwikkeling is dan ook slechts mogelijk als tegelijkertijd deze waarden op een verantwoorde wijze worden behouden of worden omgevormd tot een nieuwe kwaliteit. Bij ontwikkelingen in het buitengebied van gebouwen of andere verstening is onvermijdelijk om te zorgen dat de leefbaarheid blijft behouden. Het gaat om het creëren van economische ontwikkelingen in samenhang met de belangen rondom leefbaarheid en ruimte. In het Ruimtelijk Kwaliteitskader zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor het buitengebied vastgelegd.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
16
2.4.5 Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling De Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 is vastgesteld op 20 december 2011 en op 1 januari 2012 in werking getreden. Het in deze structuurvisie vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Per locatie gebonden onderbouwing zal worden aangegeven dat middels het betreffende planvoornemen een kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd in het gebied. De kwaliteitsverbetering wordt in hoofdstuk 3 beschreven en in de bijbehorende bijlages nader uitgewerkt.
2.4.6 Duurzaamheid In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen. Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen. Naast energieprestatie-eisen voor nieuwbouw gelden er ook eisen bij verbouw en renovatie. Volgens het Bouwbesluit, artikel 5.6 lid 1, geldt voor thermische isolatie het rechtens verkregen niveau, met als ondergrens Rc = 1,4 m2K/W. Voor de luchtvolumestroom geldt het rechtens verkregen niveau..Tevens gelden er voorwaarden voor het toepassen van hernieuwbare energie bij een ingrijpende innovatie (meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil). Bij hernieuwbare energie gaat het om duurzame of groene energie die afkomstig is van natuurlijke bronnen die constant
worden
aangevuld.
Zonnepanelen,
een
warmtepomp
of
warmtenet
zijn
hiervan
voorbeelden. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Tevens zijn op platte daken sedum- of grasdaken mogelijk. Dit is naast wateropvang goed als isolerende maatregel bij extreme temperaturen. Ook overstekken op de juiste plaats kan
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
17
bijdragen aan minder zonnestraling in huis bij hete zomers. Ook kan er gedacht worden aan het hergebruik van materialen of het gebruik van circulaire isolatiematerialen
2.4.7 Toetssteen Openbare Ruimte De definitie van de openbare ruimte kan worden omschreven als; “De ruimte die voor iedereen toegankelijk is”. De Toetssteen Openbare Ruimte (hierna: TOR) heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in: •
technisch-functionele kwaliteit;
•
sociaal-maatschappelijke kwaliteit.
De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen enzovoort, waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen.
2.4.8 Gemeentelijk Rioleringsplan Venray 2022-2025 Op 14 december 2022 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Rioleringsplan Venray (GRP) 20222025 vastgesteld. Met dit gemeentelijk rioleringsplan geeft de gemeente Venray invulling aan haar zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen. Met de indeling van dit GRP is aangesloten bij de nieuwe Omgevingswet. In het GRP zijn actuele ontwikkelingen uit het stedelijk waterbeheer opgenomen en is de visie van de gemeente Venray hierop uiteengezet.
Een belangrijke ontwikkeling binnen de planperiode van dit GRP is de komst van de Omgevingswet, waarin verschillende aspecten van het huidige beleid en regelgeving op het gebied van (afval) water in opgenomen worden. De zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater blijven bestaan met de komst van de Omgevingswet. Verder blijft de verplichting tot onderhoud van kapitaalgoederen bestaan en ook de separate financiële positie voor rioolbeheer in de gemeentelijke begroting blijft van toepassing.
Door klimaatverandering valt neerslag over een jaar genomen steeds ongelijkmatiger. Perioden met extreme droogte nemen toe en ook het aantal en de intensiteit van extreme buien nemen toe. Verdroging zal toenemen door lage grondwaterstanden. Ook de kans op hinder, overlast en schade als gevolg van overtollig hemelwater zal toenemen. Al in het vorige GRP is daarom een apart budget opgenomen voor klimaatadaptatie. De klimaat adaptieve maatregelen in Venray bestaan veelal uit het afkoppelen van verhard oppervlak van de bestaande gemengde riolering. Het GRP van Venray kent tevens een apart budget voor het jaarlijks afkoppelen van verhardingen in de openbare ruimte of gemeentelijke gebouwen. De gemeente Venray heeft de voorkeur voor bovengrondse maatregelen in het kader van klimaatadaptatie. Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht in Venray meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. In het basisrioleringsplan (BRP) 2015 zijn de maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om Venray klimaatproof te maken voor wat betreft neerslag. In het GRP zijn de maatregelen uiteengezet.
Met het in werking treden van het Bestuursakkoord Water ligt de focus op het water(keten)beheer op een doelmatige aanpak: Doen we de goede dingen en doen we die
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
18
dingen vervolgens goed? De omslag van sterk normatief beleid naar een meer effectgerichte benadering van het beleid is al ingezet in de gemeente Venray.
2.4.9 Maatwerk deelnemers Saneringsregeling Varkenshouderij Het Rijk heeft de provincie en gemeente gevraagd om flankerend beleid in te zetten voor het bieden van een passend perspectief op de locatie en vanwege het feit dat de Srv wel de sloop van de stallen verplicht maar daarvoor geen subsidie verstrekt. Tijdens de uitvoering van de Srv zijn een aantal opties voor maatwerk gemaakt. Afhankelijk van de wensen van de ondernemers en de ontwikkelingsmogelijkheden van de locatie wordt dit maatwerk op gelijke wijze toegepast. Bij de bespreking van dit maatwerk is telkens aangegeven dat het verlenen van medewerking onder voorbehoud is van de besluitvorming in de gemeenteraad. Door de sloopverplichting van de regeling Srv is hergebruik van de locatie voor een niet-agrarische activiteit niet mogelijk. Het beleid geeft aan dat hergebruik dient plaats te vinden in een vrijkomend agrarisch bedrijfsgebouw. De mogelijkheid wordt geboden om de locatie door te ontwikkelen naar een niet-agrarisch bedrijf, mits dit passend is op de locatie. Optie 1 De ondernemer die verder wil gaan met een niet-agrarische activiteit dat passend is op de locatie kan een nieuw bedrijfsgebouw oprichten.
Voor het oprichten wordt uitgegaan van de bestaande sloopregeling en de inzet van de sloopkuubs die op de eigen locatie zijn ontstaan: bij oprichting van een landbouwverwant bedrijf of opslag de sloopkuubs van eigen terrein wordt ingezet (1 kuub bouw = 1 kuub sloop) en bij een kleinschalig bedrijf is dit 1:2). De resterende bebouwing kan worden ingezet op basis van het bestaand flankerend beleid. De deelnemer kan via de sloopregeling de sloopkuubs inzetten voor ontwikkelingen bij derden (uitbreiding burgerwoning of een niet-agrarisch bedrijfsgebouw). De vergoeding via deze weg is lager dan de sloopkosten. Degene die de sloop inbrengt is niet verplicht om te slopen en handelt vanuit eigen belang. Het is de verwachting dat deze opbrengst nog verder zal dalen vanwege toenemende omvang aan sloopkuubs die op de markt komen (stoppersregeling/SRV). In de visie Veehouderij Venray en de Omgevingsvisie Venray is het uitgangspunt opgenomen om meer scheiding aan te brengen tussen enerzijds de veehouderij en anderzijds de burgers in de kern en woningen agrarisch gebied. Binnen het flankerend beleid is hiervoor de Ruimte-voor-Ruimteregeling ingesteld. Daarmee heeft de gemeente beleidsmatig uitgesproken er waarde aan te hechten dat de bedrijven stoppen die vallen onder de gemeentelijke RvR regeling.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
19
Vanwege dat belang worden de deelnemers aan de Srv, die binnen het werkingsgebied van de RvRregeling vallen, nog twee extra opties geboden. Optie 2: Een andere optie is het verrekenen van de sloop naar woningbouwtitels. De bepaling van de titels heeft plaatsgevonden op basis van de kengetallen sloopnorm en woningbouwtitel. Daarmee is 1 woningtitel mogelijk op basis van de sloop van 2.500 m2 stallen. Dit kan in combinatie met optie 1 als er nog aanvullend nog sloopmeter beschikbaar. Optie 3: Aanvullend is de afweging om de sloop van stallen die niet onder de saneringsregeling vallen alsnog onder de gemeentelijke RvR te laten vallen. Dit is niet mogelijk op basis van
artikel 2.c van de RvR-regeling, nl. :’als een andere
(subsidie)regeling van toepassing is gericht op de beëindig van het bedrijf of sloop van de gebouwen.' Echter deze bepaling is gericht op het voorkomen van stapeling van subsidies. In het geval van de Srv is hiervan geen sprake omdat er een sloopverplichting voor alle stallen geldt, ook voor de gebouwen die niet in de berekening van de subsidie worden meegenomen. In dat geval wordt op aan de hand van de voor subsidie uitgesloten stallen en de bestaande RvR-regeling het aantal woningbouwtitels berekend. Van de locaties uit dit bestemmingsplan is dit maatwerk van toepassing op de locatie Enge Steeg 4 te Leunen.
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
20
3
Milieuaspecten
3.1
Inleiding
Bij de herziening van een bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die van invloed zijn op het plangebied. Daarnaast kan ook het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden. In de hieronder opgenomen paragrafen zal de toetsing van de in dit plan opgenomen planvoornemens samengevat worden weergegeven. De uitgebreidere uitwerking van de locaties staat opgenomen in de locatie gebonden onderbouwingen. Deze locatie gebonden onderbouwingen zijn als bijlage bijgevoegd bij de toelichting.
3.2
MER-beoordeling
In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of merbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
de kenmerken van de projecten;
de plaats van de projecten;
de kenmerken van de potentiële effecten.
Met de voorliggende initiatieven worden de planologische mogelijkheden voor een intensieve veehouderij wegbestemd. De voorgenomen bestemmingswijzigingen en gebruiksmogelijkheden zijn op grond van het moederplan reeds mogelijk, waardoor er met dit plan geen nieuwe functies en bouwmogelijkheden
aan
het
plangebied
worden
toegevoegd.
De
in
het
kader
van
de
saneringsregeling uit te voeren sloopactiviteiten zijn niet aan te merken als activiteiten zoals bedoeld in bijlagen C en D van artikel 7.4, Besluit milieueffectrapportage. Daarmee kan op voorhand worden gesteld dat de voorliggende initiatieven niet mer-plichtig zijn. In de overige uitvoerbaarheidsparagrafen uit voorliggend document is toegelicht dat het plan ook geen andere negatieve milieueffecten tot gevolg heeft.
3.3
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Hierbij is het uitgangspunt dat er minimaal historisch onderzoek dient plaats te vinden bij nieuwe ontwikkelingen. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Op het moment van schrijven geldt daarvoor de NEN5740. In de regio worden vaak verhoogde gehalten met zware metalen in het grondwater aangetoond zonder direct aanwijsbare bron (Bron: Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg (Provincie Limburg, augustus 2008).
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
21
Deellocatie Droesenweg Heide
2
Enge Steeg Leunen
4
Lollebeekweg Castenray
20
Teeuwenhofweg 3 Leunen Wusterweg Castenray
1
Onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake van een bestemmingswijziging Ja, conform NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707 Nee, geen sprake van een bestemmingswijziging Nee, geen sprake van een bestemmingswijziging Nee, geen sprake van een bestemmingswijziging
Conclusie Niet van toepassing Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de initiatieven.
3.4
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden geluidzones langs onder meer bestaande wegen en rond grote bestaande industrieterreinen. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met geluid. Deellocatie Droesenweg 2 Heide Enge Steeg 4 Leunen
Lollebeekweg 20 Castenray Teeuwenhof 3 Leunen Wusterweg 1 Castenray
3.5
Onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake van nieuwe woningen Ja, voor realisatie van de nieuwe woning is een akoestisch onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake van nieuwe woningen Nee, geen sprake van nieuwe woningen Nee, geen sprake van nieuwe woningen
Conclusie Niet van toepassing De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing.
Externe veiligheid
Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden
Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en Saneringsregeling (ronde 3)
22
blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).