09 Meetprotocol Bodem en biodiversiteit Wusterveld
Tekst van het document
Meetprotocol Bodem en biodiversiteit bij zonnepark Wüsterveld Dit voorlopig meetprotocol is gebaseerd op meetprotocol van: Consortium Zon in Landschap, het DEI innovatietraject ‘SolarEcoPlus’ en een meetprotocol voor vrijwilligers. Dit protocol loopt vooruit op een standaard protocol van LC Energy, en kan dus mogleijk uitgebreid worden. Maar het bevat minimaal de beschreven onderdelen. Vanuit gemeente moet dit voldoen aan de volgende omschrijving: Ervan uitgaande dat een zonnepark voldoet aan ontwerpprincipes, zijn er redenen om een positieve ontwikkeling van de vegetatie te verwachten in termen van biodiversiteit. Omdat nog veel niet bekend is rond de effecten van zonneparken, stellen we voor om een vijfjaarlijkse monitoring op te zetten. Gemeente vraagt initiatiefnemer om een (uniform in opzet) 0-meting van de bodem, wat betreft organisch stofgehalte, bodemleven en bodemstructuur en 0-meting van de biodiversiteit. Dit voor rekening van de initiatiefnemer. (KODE)
Frequentie: nulmeting, 5-jaarlijkse herhaling en een eindopname. Onderdelen 1) Fysische bodemindicatoren Bodemindicatoren zijn organisch stofgehalte, koolstof en stikstof (eventueel ook P, CEC; kationen H, K, Mg en Ca) Deze worden vastgesteld middels Near Infra Red Spectrum spectroscopie (NIRS) techniek. 2) Bodembiodiversiteit Totale biomassa bodemorganismen bovengronds, hoeveelheid bacteriën en schimmels (NIRS) en bodemstructuur. 3) Vegetatie Veldopnamemeting van 3 locaties: onder panelen, tussen panelen en in de landschappelijke inpassing. 4) Fauna Veldopname van vogels, vleermuizen, insecten, dagvlinders en zoogdieren Deze metingen vinden plaats op de volgende momenten: - Nulmeting: Voorafgaand aan de start bouw. Rapportage vindt uiterlijk 3 maanden na start bouw plaats - 5 jaarlijkse frequentie: elk 5e kalenderjaar gerekend vanaf start bouw wordt er een meting verricht. Rapportage hiervan vindt uiterlijk aan het einde van het kalenderjaar plaats. - Eindopname: Deze vind plaats na afronding van het amoveren van de installatie plaats. En dient uiterlijk 6 maanden nadien, maar zeker voorafgaand aan een nieuw gebruik, plaats. De rapportage wordt uiterlijk na 3 maanden opgesteld.