07 Toelichting vastgesteld compleet
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “Oude Heerweg 7-11Blitterswijck” NL.IMRO.0984.BP21011-va01 Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “Oude Heerweg 7-11 Blitterswijck”
IDN:
NL.IMRO.0984.BP21011-va01
Status:
Vastgesteld
Datum:
28 september 2021
Aanvrager:
ReVeJa B.V.
Auteur:
De heer ing. P.W.M. van de Ligt Mevrouw ing. N.A.H. van den Ekker
Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
5
6.
7.
INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3
1.2
Ligging van het plangebied .......................................................................................................................................................................... 4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4
HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................6 2.1
Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6
2.2
Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 6
2.3
Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7
BEOOGDE SITUATIE .......................................................................................................................................8 3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 8
3.2
Beschrijving plan ............................................................................................................................................................................................. 9
3.3
Duurzaamheid .............................................................................................................................................................................................. 11
BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 12 4.1
Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 12
4.2
Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 16
4.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 21
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 25 5.1
Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 25
5.2
Externe veiligheid ........................................................................................................................................................................................ 31
5.3
Water............................................................................................................................................................................................................... 33
5.4
Kabels, leidingen en straalpaden........................................................................................................................................................... 35
5.5
Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 35
5.6
Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 38
5.7
Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 40
5.8
Niet-gesprongen explosieven................................................................................................................................................................ 40
JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 42 6.1
Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 42
6.2
Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 42
UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................................... 44 7.1
Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 44
7.2
Handhaving .................................................................................................................................................................................................... 44
Vastgesteld
1
7.3 8.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 46
PROCEDURE .................................................................................................................................................... 47
BIJLAGEN Bijlage 1: Geurberekening voorgrondbelasting Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 3: AERIUS-berekening bouwfase Bijlage 4: Omgevingsdialoog Separate bijlagen: ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep) ▪ Quickscan flora en fauna (BNL advies)
Vastgesteld
2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
In de kern van Blitterswijck, aan de Oude Heerweg 11, staat een oude en vervallen woning. De woning is in 1920 gebouwd en verkeert momenteel in een achterstallige onderhoudstoestand. Ondanks dat thans ook in Blitterswijck een grote behoefte blijkt aan woningen, stond deze woning al sinds 2018 te koop. Initiatiefnemer heeft de locatie verworven met de intentie om de locatie te herontwikkelen voor woningbouw. Het voornemen bestaat om de bestaande, sterk verouderde woning te slopen en daarvoor in de plaats op de locatie drie nieuwe woningen op te richten. Twee woningen zijn beoogd op de locatie van de huidige woning en één woning is beoogd aan de westelijke zijde van het perceel. De herontwikkeling van de locatie is bedoeld om beter aan te sluiten bij de woonbehoefte in Blitterswijck, maar ook om het bebouwingslint van de Oude Heerweg te versterken en positief bij te dragen aan het straatbeeld.
Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (plangebied rood omcirkeld)
Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Blitterswijck” is de beoogde herontwikkeling van deze locatie niet toegestaan. De locatie is bestemd als ‘Wonen’, maar voorzien van een bouwvlak met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’. Het oprichten van twee woningen binnen dit bouwvlak is derhalve niet toegestaan. Bovendien is de derde woning beoogd buiten het bouwvlak; een woning is echter alleen toegestaan ter plaatse van een bouwvlak. Om de herontwikkeling van de locatie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt voor de locatie de woonbestemming gehandhaafd, maar worden aan de locatie passende bouwvlakken toegekend, waarmee de gewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden voor drie woningen ontstaan. De beoogde herontwikkeling van de locatie wordt daarmee wel mogelijk.
Vastgesteld
3
1.2
Ligging van het plangebied
De locatie ligt in het oostelijk deel van de kern van Blitterswijck, aan de Oude Heerweg. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 605. Dit perceel heeft een oppervlakte van 1.095 m2 en wordt in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”. Het plangebied maakt onderdeel uit van het (historisch) bebouwingslint van de Oude Heerweg waarlangs Blitterswijck is ontstaan. De Oude Heerweg vormt samen met de Ooijenseweg en Blitterswijckseweg de verbinding tussen de kernen Wanssum en Broekhuizenvorst, met daartussen Blitterswijck. De hoofdstructuur van Blitterswijck wordt gevormd door de Oude Heerweg en door de Langstraat, die de verbinding richting de Maas vormt naar het noorden toe en die in het westelijk deel van de kern aansluit op de Oude Heerweg.
Afbeelding 2. Luchtfoto en begrenzing plangebied
In het noorden grenst het plangebied aan de Oude Heerweg, waaraan aan de overzijde woningen zijn gelegen. Zowel in oostelijke als westelijke richting zijn uitsluitend woningen gelegen. Op korte afstand in westelijke richting zijn woonwerkkavels gelegen op de locatie van een voormalige verffabriek. Aan de zuidelijke zijde grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen gelegen aan de Monseigneur Martensstraat.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Blitterswijck” (vastgesteld d.d. 27 juni 2019) en is geheel bestemd als ‘Wonen’. Aan de noordoostzijde (ter plaatse van de huidige woning) is het plangebied voorzien van een bouwvlak. Binnen dit bouwvlak zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ en ‘maximum goothoogte: 5 m’ opgenomen. Voor het gehele plangebied gelden daarnaast de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ of ‘Waarde – Archeologie 4’.
Vastgesteld
4
Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Blitterswijck”
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en woondoeleinden. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Gezien de opgenomen maatvoeringsaanduidingen mag dit bouwvlak worden bebouwd met één hoofdgebouw (zijnde een woning) met een goothoogte van maximaal 5 meter. Tevens zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ of ‘Waarde – Archeologie 4’, welke bedoeld zijn om de archeologische waarden in het gebied te beschermen. Indien de bodem voor een oppervlakte van 250 of respectievelijk 500 m2 en dieper dan 0,5 m wordt verstoord dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden om op voorhand archeologische waarden in de bodem te onderzoeken. Het initiatief voor het herontwikkelen van de locatie past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is weliswaar bestemd als ‘Wonen’ en deels voorzien van een bouwvlak. Echter binnen dit bouwvlak is slechts één woning toegestaan. Dit houdt in dat het momenteel niet mogelijk is om de bestaande woning te vervangen door twee woningen. Daarnaast ontbreek een bouwvlak ter plaatse van de derde woning, aan de westelijke zijde van het perceel. Zonder een bouwvlak is het niet mogelijk om een nieuwe woning te realiseren.
Vastgesteld
5
2.
HUIDIGE SITUATIE
2.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen in kerkdorp Blitterswijck. Blitterswijck is één van de 13 kerkdorpen van de gemeente Venray. Blitterswijck ligt in het oosten van de gemeente Venray, tegen de Maas aan. De Maas vormt hier de natuurlijke grens met de gemeenten Bergen en Venlo. Blitterswijck ligt tussen de kernen Wanssum in het noorden, Broekhuizenvorst in het zuiden en Meerlo in het westen (beide gelegen in de gemeente Horst aan de Maas). In oostelijke richting, aan de overzijde van de Maas, ligt de kern Wellerlooi (gelegen in de gemeente Bergen). Blitterswijck telt ongeveer 1.150 inwoners.
2.2
Ruimtelijke structuur
Blitterswijck is gelegen op korte afstand van de Maas. Het buitengebied rond de kern kenmerkt zich dan ook als een Maasterrassenlandschap.
Afbeelding 4. Historisch monument Sint Annakapel
Blitterswijck bestaat al eeuwen lang en is ontstaan als agrarische nederzetting. De gronden rondom Blitterswijck zijn sinds de 18e eeuw ingericht als cultuurlandschap. Het voormalige kasteel van Blitterswijck maakte onderdeel uit van een lint van kastelen aan de Maas en heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontstaansgeschiedenis van het kerkdorp. Van het kasteel is nu nog slechts een ruïne aanwezig. De kasteelmuren daarentegen zijn deels nog wel aanwezig en vormen hier indirect ook de grens van de bebouwde kom van Blitterswijck. Binnen het kerkdorp zijn nog historische linten herkenbaar in de Oude Heerweg en de Ooijenseweg. Het overgrote deel van het wegenpatroon in het dorp is niet meer gewijzigd sinds 1890. De belangrijkste assen worden gevormd door de doorgaande wegen vanuit het dorp richting Wanssum (Oude Heerweg), Well (Langstraat) en Broekhuizenvorst (Ooijenseweg).
Vastgesteld
6
Historische bebouwing is in Blitterswijck voornamelijk te vinden in de vorm van een aantal kerken, kapelletjes en oude boerderijen. Verder staan in Blitterswijck nog een oude pastorie en enkele oude woonhuizen. De historische bebouwing is te vinden aan de oostkant van de kern, in de buurt van het Plein. Ook op kruispunten van oude wegen is historische bebouwing te vinden, verspreid door bijna de hele kern. De ruimtelijke hoofdstructuur van Blitterswijck wordt in het algemeen gevormd door: ▪ de historische linten ▪ de kasteelmuren ▪ de Maas Het dorpscentrum wordt gevormd door het Plein voor de Onze Lieve Vrouwenkerk. De woningbouw in Blitterswijck heeft in eerste instanties plaatsgevonden aan de linten. Latere uitbreidingen hebben voornamelijk plaatsgevonden ten noordwesten en voor een deel ook ten zuiden en zuidwesten van de kern. De historische linten spelen nog steeds een grote rol in Blitterswijck. Belangrijke historische linten zijn te herkennen in de Oude Heerweg en het verlengde daarvan, genaamd de Ooijenseweg. Deze wegen vormen tevens de hoofdontsluiting van Blitterswijck. Andere beeldbepalende elementen in Blitterswijck zijn vooral de open plekken die her en der verspreid door het dorp liggen. Deze open plekken zijn vaak in gebruik als agrarische grond of grasland.
2.3
Functionele structuur
In de bebouwde kom van Blitterswijck overheerst de woonfunctie, zo ook rond het plangebied. De bebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande, halfvrijstaande en aaneengebouwde woningen. Gestapelde woningen komen in de kern slechts op één locatie voor, aan de Jan Franssenstraat. De beperkte centrumfuncties van Blitterswijck, zijnde de basisschool, de kerk, het gemeenschapshuis en een café bevinden zich ten noorden van het plangebied aan de Kerkstraat en het Plein. In de kern zijn geen (zelfstandige) winkels aanwezig, voor winkelvoorzieningen moeten inwoners van het dorp uitwijken naar de plaatsen Wanssum, Tienray of Venray. Met name Venray vervult voor Blitterswijck een verzorgende regiofunctie.
Afbeelding 5. Impressie toekomstig woningbouwgebied
Afbeelding 6. Impressie Oude Heerweg in oostelijke richting
Rondom de kern is het buitengebied gelegen. Het buitengebied kenmerkt zich door de agrarische functie. In het buitengebied liggen dan ook diverse agrarische bedrijven. Het buitengebied kenmerkt zich niet alleen door de agrarische functie maar ook door de aanwezigheid van veel natuur.
Vastgesteld
7
3.
BEOOGDE SITUATIE
De huidige woning op de locatie Oude Heerweg 11 is gelegen op een riant perceel (oppervlakte bijna 1.100 m2). De woning is sterk verouderd en vervallen en daardoor nauwelijks bewoonbaar. Daarnaast ligt de woning zeer dicht op de weg, wat niet ideaal is voor de verkeersveiligheid. Gelegen in het historische bebouwingslint van de Oude Heerweg vraagt de locatie om een passende herontwikkeling.
Afbeelding 7. en 8. Impressie huidige situatie plangebied met de verouderde woning
In Blitterswijck blijkt een behoefte aan meer senioren- en starterswoningen. Initiatiefnemer heeft daarom het initiatief opgepakt om op betreffende locatie de huidige woning te slopen en daarvoor in de plaats drie woningen te realiseren die voldoen aan de lokale woonvraag; twee halfvrijstaande woningen op de plek van de huidige woning, ideaal voor senioren, en een vrijstaande woning, ideaal voor starters. Alle drie de woningen worden levensloopbestendig ingericht.
3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van in totaliteit drie woningen binnen het plangebied; ▪ De huidige woning zal daarbij volledig worden gesloopt; ▪ Op de plek van de huidige woning worden twee twee-aaneengebouwde woningen opgericht, welke levensloopbestendig worden uitgevoerd; ▪ Het bouwvlak van de huidige woning zal daarbij naar achteren worden geschoven tot op 3 meter afstand van de perceelsgrens. ▪ Naast de twee-aaneengebouwde woningen wordt één vrijstaande levensloopbestendige woning opgericht; ▪ De voorgevel van de vrijstaande woning komt daarbij 2 meter van de perceelsgrens te liggen; ▪ De twee te creëren bouwvlakken krijgen een diepte van 15 meter; ▪ De maximale goothoogte van de woningen blijft gehandhaafd op 5 meter; ▪ Op eigen terrein c.q. binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om de voorzien in de eigen parkeerbehoefte.
Dit wordt vormgegeven door achter de twee-aaneengebouwde woningen een eigen parkeerterrein te realiseren met voldoende parkeerplaatsen; ▪ Het bestemmingsplan dient opnieuw de archeologische verwachtingswaarden te borgen zodat bij bepaalde bodemverstoringen eerst archeologisch onderzoek dient plaats te vinden; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Venray dient onderhavig bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Blitterswijck” zoals dat thans voor het plangebied en voor de rest van de bebouwde kom van Blitterswijck geldt.;
Vastgesteld
8
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op de realisatie van drie woningen op de locatie Oude Heerweg 11 in Blitterswijck. Het bestemmingsplan biedt het planologisch-juridisch kader waar zowel initiatiefnemer als de gemeente zich aan dienen te conformeren ten tijde van vergunningverlening, maar ook tijdens het bouwen en het daadwerkelijk gebruiken van de woningen. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied nog steeds bestemd is als ‘Wonen’. Aan het plangebied zijn echter twee bouwvlakken met een diepte van 15 meter toegekend. De positionering van de voorgevels is zodanig gekozen dat er sprake is van een getrapte verspringing van de voorgevelrooilijn. Binnen het bouwvlak aan de oostelijke zijde van het plangebied zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘twee-aaneen’, ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ en ‘maximum goothoogte: 5 m’ opgenomen, zodat de bouw van de twee twee-aaneengebouwde woningen mogelijk wordt. Binnen het bouwvlak aan de westelijke zijde van het plangebied zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘vrijstaand’, ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ en ‘maximum goothoogte: 5 m’ opgenomen zodat de bouw van één vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt.
Het gehele plangebied is daarnaast nog steeds voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ of ‘Waarde – Archeologie 4’, zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.
3.2
Beschrijving plan
De nieuwe woningen welke zijn beoogd op de plek van de huidige woning zullen worden ontworpen met een verwijzing naar het historisch karakter van de locatie. Als onderdeel van het historisch bebouwingslint is het de bedoeling de twee twee-aaneengebouwde woningen in een boerderijstijl vorm te geven, zoals de huidige, te slopen woning. De hoofdbouw bestaat uit een evenwijdig aan de weg gelegen bouwmassa, bestaande uit één bouwlaag. Hierbij wordt de bouwmassa wel wat verder naar achteren gepositioneerd in vergelijking tot de huidige woning, welke te kort op de weg ligt. Dit zorgt voor een natuurlijk verloop en sluit aan bij het trapsverloop van de voorgevels in oostelijke richting. Het perceelsoppervlakte per woning bedraagt 185 tot 189 m2. Alle voorzieningen in deze twee woningen zijn op de begane grond voorzien, zodat deze woningen met name geschikt zijn als levensloopbestendige woningen en dus voor bewoning door senioren. Direct naast de twee-aaneengebouwde woningen in boerderijstijl wordt een 3,5 meter brede toegang naar het te realiseren parkeerterrein achter deze woningen gerealiseerd. Aan de andere zijde van deze toegang wordt de vrijstaande woning met garage gerealiseerd op een perceel van 400 m2. Gezien de breedte van het plangebied is het genoodzaakt de vrijstaande woning op de perceelsgrens te positioneren.
De afstand tot naastgelegen woning (huisnummer 13) blijft echter voldoende ruim omdat aan deze zijde een garage en achterom ligt. De voorgevel van de naastgelegen woning Oude Heerweg 13 ligt op 1,85 meter van de perceelsgrens, terwijl de voorgevel van de andere naastgelegen woning Oude Heerweg 5 op 4,5 meter van de perceelsgrens ligt; een verspringing van 2,65 meter. Om deze verspringing geleidelijk te laten verlopen is de vrijstaande woning op 2 meter van de perceelsgrens gepositioneerd, een verspringing van slechts 15 cm met de naastgelegen woning. De twee twee-aaneengebouwde woningen zijn 3 meter van de perceelsgrens gepositioneerd, een verspringing van 1 meter met de vrijstaande woning en 1,5 meter met de naastgelegen woning. Met deze getrapte verspringing van de voorgevelrooilijn wordt tevens de vorm van de openbare ruimte c.q. de Oude Heerweg gevolgd. Deze positionering versterkt de verschijning van de openbare ruimte en een te grote sprong in de voorgevelrooilijn wordt voorkomen.
Vastgesteld
9
Afbeelding 9. Situatietekening nieuwe situatie
Uitgangspunt van de herontwikkeling is een verwijzing naar het historisch karakter van de locatie. Als onderdeel van het historisch bebouwingslint is het de bedoeling de vormgeving van de nieuwe woningen dusdanig te realiseren Het historisch karakter van de huidige woning wordt verwerkt in het ontwerp van de nieuwe woningen. De historische aspecten van de locatie gaan hiermee niet verloren maar komen terug in de nieuwe woningen. Hierdoor wordt het historische bebouwingslint van de Oude Heerweg opgevuld en versterkt. Het herontwikkelen van het plangebied draagt dan ook positief bij aan het straatbeeld van de omgeving. Ten aanzien van het stedenbouwkundig en ruimtelijke aspect kan geconcludeerd worden dat sprake is van verbetering.
Vastgesteld
10
Afbeelding 10. Impressie plangebied
3.3
Duurzaamheid
De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie paragraaf 4.3.6). In onderhavig plan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien: ▪ De woningen zullen een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen op de dakvlakken. Bij de twee-aan-een-gebouwde woningen worden minimaal 12 PV-panelen à 325 Wp per woning geplaatst. Bij de vrijstaande woning worden minimaal 14 PV-panelen à 325 Wp geplaatst. ▪ De woningen worden gebouwd met hoog isolerend materiaal waardoor de woningen over een hoge isolatiewaarde beschikken. De woningen zullen daarnaast beschikken over een warmteterugwin unit (WTW). ▪ Door de zonnepanelen, de hoge isolatiewaarde en de WTW zullen de woningen circa 70% energieneutraal zijn. ▪ Bij de bouw van de woningen zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout. ▪ Bij sloop van de bestaande woning zullen de materialen eventueel een herbestemming krijgen. De huidige woning verkeert in een slechts staat waardoor de materialen ook niet allemaal geschikt zijn voor hergebruik. De hardstenen deur- en raamdorpels krijgen in ieder geval een herbestemming elders. De dakpannen en gevelstenen zullen worden aangeboden voor hergebruik. De niet herbruikbare materialen worden bij de sloop gescheiden en aangeboden ter recycling.
▪ Elke woning zal beschikken over een tuin waarin groen kan worden gerealiseerd. Daarnaast wordt per toegevoegde woning een bijdrage aan het fonds ruimtelijke ontwikkeling afgedragen. In het beleidskader van de gemeente Venray is opgenomen dat de bijdrage aan het fonds ruimtelijke ontwikkeling gebruikt worden voor groencompensatie binnen de gemeente.
Vastgesteld
11
4.
BELEIDSKADER
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen.
Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief.
Vastgesteld
12
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.
Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Allereerst dient er sprake te zijn van een ‘stedelijke ontwikkeling’.
Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het oprichten van twee extra woningen in de bebouwde kom van Blitterswijck evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
Vastgesteld
13
4.1.4 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij de algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone ‘Vrijstelling vergunningplicht gebruik waterstaatswerken’. Wat dit betekent wordt hierna nader gespecifieerd.
Afbeelding 11. Uitsnede kaart behorende bij Waterregeling
4.1.5 Beleidslijn grote rivieren De overstromingen van de Maas in december 1993 en januari 1995 hebben duidelijk gemaakt dat de Maas niet altijd binnen het winterbed blijft zoals dit in het Koninklijk Besluit 1916 (op basis van de Rivierenwet 1908) is vastgelegd. Bij (nieuwbouw)plannen in het rivierbed van de Maas dient daarom rekening gehouden te worden met hoge waterstanden. Op 19 september 1997 werd de circulaire “Bouwen langs de Maas” vastgesteld door Provinciale Staten als provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin werd vastgelegd hoe de ministeriële beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (Staatscourant 12 mei 1997) in Limburg zijn doorwerking diende te krijgen, waarbij de bescherming van een deugdelijke stroomvoering en waterberging voorop stonden. Middels deze circulaire werd tevens invulling gegeven aan de afspraken die naar aanleiding van de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” tussen Rijk, provincie en gemeentes waren gemaakt. Mede op basis van de resultaten van een in 2005 verrichte evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” te herzien. De herziening van de beleidslijn draagt, mede als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied en de wens om verwarring met de PKB “Ruimte voor de Rivier” te voorkomen, de naam “Beleidslijn grote rivieren”. Vastgesteld
14
Met de herziening van de beleidslijn wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.
Afbeelding 12. Uitsnede kaart Beleidslijn grote rivieren
Om de doelstellingen te bereiken, wordt via een tweetal sporen gewerkt: de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Een groot deel van Blitterswijck en zo ook het plangebied is gelegen binnen een Artikel 2a Wbr-gebied. De gebieden waarvoor artikel 2a van de Wbr van toepassing is - kortweg de artikel 2a-gebieden - zijn gedeelten van het rivierbed waar op basis van rivierkundige gronden en via een algemene maatregel van bestuur het vergunningenregime van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) niet van toepassing is. De Wbr is opgegaan in de Waterwet. Met ingang van 1 oktober 2012 zijn deze vrijstellingsgebieden beschreven in artikel 6.12 van het Waterbesluit. Deze aanduiding betekent dat het plangebied vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang wordt geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningstelsel is daarmee niet noodzakelijk. De overwegingen die hebben geleid tot het aanwijzen van de artikel 2a-gebieden maken duidelijk dat deze gebieden voor het realiseren van de doelstellingen van deze beleidslijn feitelijk geen rol spelen. Daarom vallen de gebieden waar artikel 2a van toepassing is (ondanks de ligging in het rivierbed) niet onder het toepassingsgebied van de Beleidslijn grote rivieren.
Tevens geldt hier, dat ook al zijn deze gebieden vrijgesteld van de vergunningplicht, ze wel deel uit blijven maken van het rivierbed. Bouwen in dit gebied, is dus net als elders in het rivierbed op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Ook hier is het Rijk niet aansprakelijk voor eventuele schade. Initiatiefnemer is zich hier van bewust en accepteert eventuele schade bij hoogwater. Vastgesteld
15
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in april 2021. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.
De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors.
Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
Vastgesteld
16
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.
Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.
De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een locatie in de bebouwde kom van Blitterswijck. De locatie is reeds bebouwd met een woning die oud en vervallen is. Met het initiatief wordt de oude en vervallen woning gesloopt en hiervoor in de plaats worden twee halfvrijstaande en één vrijstaande woning teruggebouwd. De halfvrijstaande woningen worden daarbij levensloopbestendig opgericht waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie. 4.2.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden.
Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal
Vastgesteld
17
nationale belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren.
De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.
Afbeelding 13. Zonering POL2014
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Vastgesteld
18
Bebouwd gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied
Landelijk gebied
Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone
Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone
Buitengebied
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Het plangebied is gelegen in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ transformatie regionale woningvoorraad ▪ bereikbaarheid ▪ balans voorzieningen en detailhandel ▪ stedelijk groen en water ▪ kwaliteit leefomgeving Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.
De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regiospecifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 4.2.3. Het initiatief voorziet in de herontwikkeling van een reeds met een woning bebouwde locatie, gelegen in de bebouwde kom. Het initiatief heeft betrekking op een vorm van hergebruik van reeds bebouwde gronden en is dus een vorm van herstructurering. Er wordt hierdoor optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom van Blitterswijck. Het initiatief is hierdoor in overeenstemming met de uitgangspunten uit het POL2014.
Vastgesteld
19
4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 4.1.3. Er is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat een toetsing aan de Ladder niet aan de orde is.
In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 4.2.3 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt overigens dat het plangebied niet ligt binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. 4.2.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie.
Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.
Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.
Vastgesteld
20
Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. De herontwikkeling van de locatie voorziet in het vervangen van een bestaande woning door drie woningen, binnen de kern van Blitterswijck. Alle drie de woningen worde levensloopbestendig uitgevoerd waardoor de woningen onder andere zijn voor bewoning door senioren. De twee halfvrijstaande woningen zijn beoogd voor senioren en de vrijstaande woning is beoogd voor starters.
Gezien de situering en aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluiten de nieuwe woningen aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 20202024.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 In 2009 heeft de gemeente Venray een strategische visie vastgesteld met als tijdzone 2020. In 2013 is de Strategische visie ‘Venray, stad in de Peel (2025)’ als een aanvulling op en herijking van de strategische visie 2020, ‘Venray Dorp en Stad’ opgesteld met een doorkijk naar 2025. De nieuwe toekomstvisie Venray 2030, ‘Venray loopt voorop’ is tot stand gekomen in 2019 en geeft een doorkijk naar 2030. De toekomstvisie gaat in op: ▪ De grote ontwikkelingen die op Venray afkomen en aangeven wat dit betekent voor de opgaven op lokaal en regionaal niveau en voor de vraagstukken of agendapunten voor het lokaal bestuur (kompas); ▪ Verbinding en energie opleveren door samen met de Venrayse gemeenschap – inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners – te komen tot een gezamenlijk toekomstbeeld van Venray; ▪ Slim verbinding leggen met andere participatietrajecten, zodat hier op voortgebouwd kan worden onder meer bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het voorliggend project geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen, wordt andermaal onderstreept.
Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad; 2. Venray is kennisintensief; 3. Venray zorgt voor elkaar; 4. Venray is levendig; 5. Venray voorziet in alle woonwensen. De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed.
Vastgesteld
21
Middels onderhavig initiatief wordt het plangebied herontwikkeld. Met de herontwikkeling wordt de oude en vervallen woning gesloopt en hiervoor in de plaats worden moderne, levensloopbestendige woningen opgericht. De woningen voldoen hiermee aan de huidige eisen wat betreft woningbouw en zijn daardoor met name geschikt voor senioren, maar ook voor starters. Met het initiatief wordt dan ook aangesloten bij het streven van gemeente Venray om te voorzien in alle woonwensen. 4.3.2 Woonvisie Venray 2017 Op 16 mei 2017 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Venray 2017 'Transformatie van de woningmarkt' vastgesteld. Belangrijkste doelstelling van deze visie is het aanpassen van de bestaande woningvoorraad aan de veranderende wensen van de woonconsument. Venray is een gemeente die tegen de stroom van krimp in nog groeit. De focus ligt dan ook op het beantwoorden van de groeiende vraag naar woningen voor de komende jaren. Woningen die bovendien moeten aansluiten bij de nieuwe wensen van de woonconsument. De samenstelling van huishoudens verandert. Meer mensen gaan alleen wonen en gezinnen zijn kleiner dan in het verleden. Er wordt dus niet gevraagd om minder woningen, maar wel om kleinere. Voor een belangrijk deel zijn die woningen er al, maar moeten ze worden aangepast en voor een ander deel moeten er nieuwe gebouwd worden.
Bijzondere aandacht vraagt de groeiende groep senioren met een kwalitatieve woningbehoefte en nieuwe en andere woonconcepten (levensloopbestendige woningen al dan niet onder meer gecombineerd met zorg). Hieraan is een groeiend tekort. Om keuzes uit de Woonvisie te monitoren en om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de woningmarkt wordt jaarlijks een monitoringsrapportage woningbouw opgesteld. De monitor vormt de basis waarop ontwikkelingen gedurende een langere periode worden getoetst aan beleidskeuzes uit de woonvisie. Indien noodzakelijk worden ambities bijgesteld, dan wel aangepast. De meest recente is de Woonmonitor 2019 die op 8 juli 2020 is vastgesteld. 4.3.3 Monitor woningbouw 2019 De Woonmonitor 2019 (vastgesteld op 8 juli 2020) blikt terug op de gerealiseerde woningbouw van het afgelopen jaar en kijkt vooruit op basis van de bekende woningbouwplannen op 1 januari 2020. Tot 2036 blijft het aantal huishoudens als gevolg van de huishoudensverdunning groeien tot bijna 133.500 huishoudens. Voor elke gemeente in de regio Noord-Limburg komt er echter een moment dat de groei van het aantal huishoudens eindigt en over gaat in een huishoudensafname. Dit wordt een kantelpunt genoemd. Voor de regio Noord-Limburg als geheel ligt dit kantelpunt rond het jaar 2036. In de gemeente Venray zal naar verwachting het aantal huishoudens in 2038 afnemen.