CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Toelichting bijlage 4 Quickscan flora en fauna Blankenberg 8 Leunen

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Blankenberg 8 Leunen’5.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Flora- en fauna-inspectie aan Blankenberg 8 te Leunen

In opdracht van: V-snaar projecten

10 december 2020 ir. C. de Koning, P.J.C.A. Op het Veld en ir. J.P.M. Hovens

Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl

Flora- en fauna-inspectie aan Blankenberg 8 te Leunen Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:

V-snaar projecten ir. C. de Koning / ir. J.P.M. Hovens ir. C. de Koning en P.J.C.A. Op het Veld

Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet invulling aan de participatiewet.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

1

Inhoud 1.

Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 3 2. De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 3. Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4. Aanwezige beschermde natuurwaarden .......................................................................................... 6 4.1. Beschrijving plangebied ..........................................................................................................

6 4.2 Beschermde planten en dieren ................................................................................................. 6 5. Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 12 6. Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................................... 14 Literatuur ............................................................................................................................................... 16 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 17

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

2

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

V-snaar projecten begeleidt de sanering van een voormalige varkenshouderij aan de Blankenberg 8 te Leunen en heeft aan Faunaconsult B.V. opdracht gegeven daartoe een flora- en fauna-inspectie uit te voeren.

1.2

Doel en status van dit document

De voorgenomen ingreep heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten deze ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de veldinventarisatie weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

3

2.

De Wet natuurbescherming

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) , die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.

De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb) ; - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

4

3.

Werkwijze

3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De voormalige varkensstallen en oude boerderij worden gesloopt en de vegetatie wordt waar nodig verwijderd. Hiervoor worden enkele bomen gekapt, maar de notenboom in het noorden wordt behouden. Er wordt een nieuw schapenstalletje gerealiseerd. De bestaande woning (met aanbouw aan de zuidzijde) wordt behouden. Tijdens het veldbezoek was de eigenaar al bezig de dakisolatie van stal 2 te verwijderen (het grootste deel van de dakisolatie was al verwijderd). Naar eigen zeggen was hij een week eerder met het verwijderen begonnen. De eigenaar gaf tijdens het veldbezoek aan niet te weten dat hij de isolatieplaten niet had mogen verwijderen. Er is geen afbeelding met de voorgestane situatie voorhanden.

3.2

Werkwijze flora- en fauna-inspectie

Op 26 november 2020 heeft Faunaconsult het plangebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantings- en rustplaatsen van beschermde dieren. De stallen werd met behulp van een ladder, zaklamp en boomcamera geïnspecteerd. Ook in een straal van 100 meter rond het plangebied is gezocht naar de aanwezigheid van steenuilennesten, door te speuren naar openingen in gebouwen en steenuilennestkasten. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

5

4.

Aanwezige beschermde natuurwaarden

4.1.

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1) bevindt zich in het oosten van Leunen, buiten de bebouwde kom. De omgeving is agrarisch ingericht met boerderijen, akkers en weilanden. Het plangebied zelf bestaat uit drie voormalige varkensstallen en een oude boerderij. Tussen de stallen en de boerderij is verharding aanwezig en rondom de stallen verruigd grasland, dat deels wordt begraasd door schapen. Ook is er een (niet nader weergegeven) klein tuinderskasje aanwezig. In het plangebied komen soorten voor als witte klaver, smalle weegbree, grote brandnetel, vogelmuur, kaal knopkruid, paardenbloem, zachte ooievaarsbek, kersenboom en appelboom. Omdat de woning wordt behouden, valt deze buiten het feitelijke plangebied.

5 3

4

1

2

Figuur 4.1. Het plangebied (rood omcirkeld). 1 t/m 3 = voormalige varkensstallen; 4 = oude boerderij, 5 = woonhuis (geen plangebied). Bron: Google Maps.

4.2

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren en vogels Varkensstal 1 Deze stal (zie rechts op grote foto voorzijde rapport; 1 in figuur 4.1) heeft deels een dak dat deels is belegd met en deels is het dak bedekt met golfplaten. Onder de dakpannen is geen ruimte voor huismussen. Aan de oostzijde zijn de ruimtes onder de golfplaten dicht, aan de westzijde zijn deze alle open. Aan de binnenzijde van het dak is geen isolatiemateriaal aanwezig. Vogels kunnen hier dus niet het dak in. Aan de binnenzijde van de varkensstal zijn nergens vogelnesten waargenomen. Het noordelijke deel (met dakpannen) heeft geen spouw. Op de oostelijke lange zijde is de spouw van boven dicht. De ruimte onder de golfplaten op de kopse kant is dicht (zie figuur 4.2.1). Hierdoor kunnen vleermuizen op deze plek niet de spouw in. Aan de westzijde is de spouw geheel open. Hier heerst in de spouw een te tochtig klimaat voor vleermuizen.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

6

Figuur 4.2.1. De golfplaten op de kopse kanten van stal 1 zijn bevestigd op een nauw op de gevel aansluitende plaat.

Varkensstal 2 Stal 2 (links op grote foto voorzijde rapport; 2 in figuur 4.1) heeft deels (aan de oostzijde) een enkelwandig dak en wanden. Dit deel is aan beide zijden open en functioneert momenteel als schapenstal. Hierin werd een oud merelnestje gevonden. Het westelijk deel heeft een golfplaten dak en spouwmuren. Een groot deel van de ruimte onder de ‘golven’ van de golfplaten is afgedicht. Het deel dat niet is afgedicht, is geïnspecteerd met een boomcamera op plaatsen waar de isolatieplaten tegen het plafond nog aanwezig waren. Op één plek onder het dak, op de hoek aan de noordwestzijde, werd een oud nest van een kauw waargenomen. Steenuileneierschalen, steenuilenveren, steenuilenbraakballen, etc. waren op de onderliggende vloer afwezig. Het is daarom niet te verwachten dat er een steenuilennest aanwezig was op de verwijderde isolatieplaten. In de gevels zijn geen open stootvoegen of andere openingen aanwezig en de spouwen op de kopse kanten en lange gevels zijn afgedicht door nauw aansluitende platen resp. muurplaten (zie figuur 4.2.2). Vleermuizen kunnen hier dus niet naar binnen.

Figuur 4.2.2. Op enkele plekken waar nog isolatieplaten onder het plafond aanwezig zijn, is de ruimte onder de ‘golven’ open. De spouw is afgedicht met een muurplaat.

Varkensstal 3 De derde varkensstal (3 in figuur 4.1) is qua bouw vergelijkbaar met stal 2 (zie voorgaande paragraaf), alleen iets lager. Aan de lange zijde ontbreekt de muurplaat, waardoor vleermuizen toegang kunnen krijgen tot de spouw. Dit maakt de spouw erg tochtig voor vleermuizen. Ook kieren de boeiboorden op de kopse kanten op enkele plekken. De spouw is echter gevuld met steenwol, waardoor de aanwezigheid van vleermuizen in deze stal erg onwaarschijnlijk is. Aan de binnenzijde zijn geen

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

7

vogelnesten waargenomen. Ook hier waren (resten van) eierschalen, veren, braakballen, etc. afwezig onder het golfplaten dak. Zowel op de hoek aan de noord- als zuidwestzijde was een oud nest van een kauw aanwezig (zie figuur 4.2.3).

Figuur 4.2.3. Tijdens de inspectie van de ruimtes onder de golfplaten met een boomcamera werden er twee kauwennesten waargenomen.

Oude boerderij Op de zolder van de oude boerderij (4 in figuur 4.1; zie ook zie figuur 4.2.3) bevinden zich meerdere braakballen en uitwerpselen van steenuil (zie figuur 4.2.5). De zolder dient duidelijk als roestplaats van een steenuil. Een geschikte nestlocatie is op de zolder echter afwezig. De balken waaronder de braakballen werden waargenomen, hangen vrij in de lucht waardoor eieren er gemakkelijk af rollen. Wanneer de steenuil op de grond zou broeden, zou het nest namelijk makkelijk bereikbaar zijn voor roofdieren (een nestkuil, eierschalen etc. zijn op de zoldervloer dan ook afwezig). De oude boerderij heeft dubbelsteens muren en een pannen dak. Het dak is niet geïsoleerd en dakbeschot is geheel afwezig; hierdoor is er geen broedruimte voor gierzwaluwen en huismussen in dit gebouw. Vanwege het gebrek aan spouw, doordat de zolder erg licht is, en hier geen vleermuizen (of hun uitwerpselen) werden waargenomen, zijn vleermuizenverblijven in de oude boerderij zeker afwezig. De aanwezigheid van een steenuilenroestplaats maakt de zolder voor vleermuizen sowieso ongeschikt.

Figuur 4.2.4. De oude boerderij heeft op beide kopse kanten een opening waar de steenuil door naar binnen kan.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

8

Figuur 4.2.5. Op de zolder van de oude boerderij werden ca. 11 braakballen (met chitinepantsers) en uitwerpselen van steenuil aanwezig. Hier is duidelijk een roestplaats, maar zeker geen nest van steenuil aanwezig.

De tuin rondom het plangebied is erg geschikt als leefgebied voor steenuil (zie figuur 4.2.6). Zowel ten noorden als ten zuiden vindt begrazing plaats met schapen. Omdat de begraasde weilanden direct naast de voormalige varkensstallen liggen, moet worden aangenomen dat deze weilanden fungeren als onderdeel van het leefgebied van (één of meerdere) steenuilen. Aan de noordzijde van stal 3 bevinden zich meerdere hoogstam fruitbomen, die mogelijk als beschutting of uitkijkpost dienen. De eigenaar gaf ook aan af en toe “een heel klein uiltje” te zien. Het is dus duidelijk dat de steenuil een roestplaats in het plangebied heeft en het plangebied als leefgebied van de steenuil functioneert.

Figuur 4.2.6. De noordzijde van de tuin is ideaal ingericht voor de steenuil, met hoogstam fruitbomen, begrazing door schapen en uitkijkposten (weipaaltjes).

Tuinderskasje Het glazen tuinderskasje is geheel enkelwandig met vele kapotte ruiten (zie figuur 4.2.7). De kas is dus toegankelijk voor verschillende diersoorten. Voor vleermuizen is het echter ongeschikt, vanwege het gebrek aan spleetvormige ruimtes. Vogelnesten zijn aan de binnenzijde afwezig.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen

9

Figuur 4.2.7. Het tuinderkasje is enkelwandig en staat vol grote brandnetel.

Holle bomen zijn in het plangebied afwezig. Vleermuisverblijven zijn dus afwezig in het plangebied. Opgaande, lijnvormige begroeiingen zijn in het plangebied afwezig. Er zijn daarom ook geen vliegroutes van vleermuizen in het plangebied aanwezig. Ten westen van stal 2 werden enkele konijnenpijpen waargenomen. Dassenwissels, eekhoornnesten etc. zijn afwezig. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. In en om het plangebied zijn tijdens het veldbezoek de volgende vogelsoorten waargenomen: witte kwikstaart, ekster, koolmees, roodborst, huismus en groene specht. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) waren er in 2014 twee niet nader getoonde steenuilenterritoria aanwezig in het kilometerhok van het plangebied. Uit de veldinspectie blijkt dat deze soort met zekerheid geen nest heeft in het plangebied. Het is wel mogelijk dat algemene vogelsoorten als de holenduif of merel in het broedseizoen in de voormalige varkensstallen (gaan) broeden. Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen planten waargenomen en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). De Provincie Limburg heeft het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt in 2003 geïnventariseerd (zie www.natuurgegevensprovincielimburg.nl).

In het kilometerhok werden echter geen planten waargenomen, die onder de Wnb zijn beschermd. Amfibieën en andere soorten Wateren die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen, zijn in het plangebied afwezig. De met vegetatie begroeide delen dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. De aanwezige biotoop is ongeschikt als habitat voor dergelijke soorten. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen in het plangebied hebben.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 10

Tabel 4.2. (Potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Vogels Internationaal Nederlandse naam en wetenschappelijke naam met jaarrond beschermde beschermd nest soorten X* Steenuil (Athene noctua) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Gewone pad (Bufo bufo) Bruine kikker (Rana temporaria) *

Overige beschermde soorten X X X X X

Van deze soort is geen nest aanwezig in het plangebied, maar wel een roestplaats.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 11

5.

Mogelijke effecten

- Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - Als de sloopwerkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen broedende vogels (zoals merel of holenduif) in en rond het plangebied worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - In de oude boerderij bevindt zich een roestplaats van de steenuil. Door de sloop van dit gebouw zal deze roestplaats verdwijnen. Door de oude boerderij af te breken en te vervangen door weiland, verdwijnt er een roestplaats maar wordt het foerageergebied (ook onderdeel van de functionele leefomgeving) van de steenuil vergroot. Op advies van Faunaconsult wordt er een steenuilennestkast in de notenboom direct ten noorden van stal 1 opgehangen. V-snaarprojecten (contactpersoon John Michels) zal dit realiseren. Hierdoor komt er een (veilige) roestplaats binnen 20 meter van de oorspronkelijke roestplaats terug (de huidige roestplaats is toegankelijk voor steenmarters, maar voorgenoemde steenuilenkast is hiertegen beveiligd). De op te hangen steenuilennestkast kan mogelijk ook als nestlocatie gaan dienen, in tegenstelling tot de huidige roestplaats.

- De begraasde weilanden met deels de hoogstam fruitbomen daar omheen vormen een belangrijk onderdeel van het foerageergebied van de steenuil. Door de kap van enkele fruitbomen nabij stal 3, verdwijnt er een klein deel functioneel leefgebied van de steenuil. Doordat de locatie waar zich nu de voormalige varkensstallen en de oude boerderij zich bevinden ook begraasd weiland wordt, wordt het foerageergebied van de steenuil sterk vergroot. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 12

Tabel 5.1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Soort

Algemene zoogdieren en amfibieën Algemene in het plangebied broedende vogels Steenuil

Beschermingsregime Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. Wnb 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 Overige soorten X Vogels

X

X

Vogels met jaarrond beschermd nest

X

X*

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van soorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van soorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van soorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). * Het betreft hier een roestplaats maar geen nest.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 13

6.

Conclusies en aanbevelingen

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemeen voorkomende vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de bebouwing buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te slopen.

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Steenuil De oude boerderij fungeert als roestplaats voor de steenuil, maar niet als nest. Nesten van steenuil zijn in Limburg jaarrond beschermd, de roestplaatsen echter niet. Roestplekken worden ook volgens BIJ12 (2017) niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdeel van de functionele leefomgeving. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, dient het functioneel leefgebied van de steenuil in stand te worden gehouden. Achteruitgang van de functionele leefomgeving van de steenuil kan worden voorkomen door enkele hoogstam fruitbomen in of rond de schapenweitjes aan te planten, als bescherming tegen predatoren. Ook is het aan te raden om houten weipalen voor de nieuw af te rasteren schapenweitjes te gebruiken, zodat de steenuil deze als uitkijkposten kan gebruiken. Daarnaast dient er, ter vervanging van de verloren roestplaats, een steenuilennestkast van een type als ‘UK ST 01 Nestkast Steenuil’ (te koop bij vivarapro.nl of Vogelbescherming) te worden opgehangen.

Volgens het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017) moet een vervangende verblijfplaats in de directe omgeving (binnen 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats) worden geplaatst, bij voorkeur minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden. Het ophangen van deze nestkast dient daarom te gebeuren in de notenboom, direct ten noorden van het plangebied (zie figuren 6.1 en 6.2), en nog voordat de sloop plaatsvindt. Het ophangen dient onder begeleiding van een deskundige te worden uitgevoerd. Indien er volgens deze aanbevelingen wordt gewerkt, ontstaat er een betere situatie voor steenuilen, en is er geen sprake van een overtreding op de Wnb.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 14

Figuur 6.1. Locatie van de te plaatsen steenuilennestkast (gele ster) ten opzichte van het plangebied. Bron: Google Maps.

Figuur 6.2. De notenboom ten noorden van stal 1 waarin een steenuilennestkast geplaatst wordt.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 15

Literatuur • • • •

BIJ12. 2017. Kennisdocument Steenuil Athene Noctua. Versie 1.0, Juli 2017. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Provincie Limburg. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 16

Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig

de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 17

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).

Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich

te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 18

Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.

Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling

vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 19

-

-

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Flora- en fauna-inspectie Blankenberg 8 te Leunen 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14008567/1