07 Bijlage 5.1.2 M.e.r.-beoordelingsnotitie
Tekst van het document
Plan-mer-beoordelingsnotitie ten behoeve van doorontwikkeling van loonbedrijf aan de Lollebeekweg 30a te Castenray
`
28 oktober 2025
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Opdrachtgever: Bureau Leefomgeving Noorderhof 16 5804 BV Venray
Locatie:
Lollebeekweg 30a Castenray
Rapportnummer Lol.Cas.25-01.MER-versie 1 Status Definitief
Datum 28 oktober 2025 Projectnummer 20250048
Vanwege de AVG-regelgeving worden de namen van de projectleider en auteur(s) niet opgenomen in deze rapportage. Het rapport is tot stand gekomen door middel van het vierogen-principe.
Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: 0475-420191 E-mail: info@embridge.nl KvK: 13036743 IBAN: NL53RABO0303441194
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
Inleiding
1
1.1 1.2
1 1
Inleiding Toetsing Omgevingsbesluit
Plaats van het project
2
2.1 2.2
2 2
Plaats van het project Te beschermen objecten (natuurgebieden)
Kenmerken van het project
4
3.1 Omvang van het project 3.2 Cumulatie met andere projecten 3.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen 3.4 Productie van afvalstoffen 3.5 Geluid 3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Verkeer 3.6.2 Parkeren 3.7 Luchtkwaliteit 3.7.1 NIBM 3.8 Geur 3.9 Omgevingsveiligheid 3.10 Natuur – soortenbescherming 3.11 Natuur – gebiedsbescherming 3.11.1 Natura-2000 gebieden 3.11.2 Natuurnetwerk Nederland 3.12 Spuitzones 3.13 Water 3.14 Archeologie 3.15 Bodem 3.16 Risico van ongevallen 3.17 Effecten op gebieden
4 4 5 5 5 5 5 5 5 6 6 7 9 9 9 9 10 10 11 11 11 11
4.
Kenmerken van het potentiële effect
12
5.
Conclusie
13
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
1. Inleiding 1.1
Inleiding
Het loonbedrijf van initiatiefnemer is sinds 2012 gevestigd op de locatie Lollebeekweg 30a te Castenray. Het bedrijf heeft een uitgebreid dienstenpakket in verschillende (agrarische) sectoren waaronder: veehouderij, akkerbouw, (glas)tuinbouw, stuifbestrijding, bloembollenteelt, grondverzet, transport van agrarische producten, mesttransport, champignonteelt en winterdienst. Voor de verdere ontwikkeling van het bedrijf, als gevolg van groei en door een sterkere behoefte aan ruimte, is het noodzakelijk om een ontwikkelingsslag te maken. De doelstellingen hierbij zijn o.a. het realiseren van een efficiëntere bedrijfsvoering, waarbij onnodige vervoersbewegingen (en dus ook kosten) voorkomen worden. Verder wil initiatiefnemer inspelen op een veranderende markt waarbij een circulaire economie een steeds belangrijkere rol gaat spelen in de samenleving. Initiatiefnemer wil hierbij specifiek onderscheidend zijn in het verduurzamen van de landbouwsector. Het loonbedrijf heeft de focus meer verschoven van de veehouderij naar de glastuinbouw. Voor de glastuinbouwsector verzorgt het bedrijf o.a. het afvoeren van tuinbouwloof. Hiervoor is behoefte aan ruimte om het tuinbouwloof te kunnen op -en overslaan. De behoefte aan ruimte heeft zich geuit door het realiseren van een verharding met keerwand aan de achterzijde van het bedrijf. Op deze verharding worden o.a.
het tuinbouwloof op -en overgeslagen. Een (groot) deel van deze verharding is in strijd met het tijdelijke omgevingsplan gerealiseerd. Initiatiefnemer wil dit nu legaliseren.
1.2
Toetsing Omgevingsbesluit
Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Voor een plan of project is een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk als dit blijkt uit de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit of omdat voor het plan of project een passende beoordeling moet worden gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling komt niet voor op de lijst uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar er moet wel een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan is daarmee in beginsel plan-mer-plichtig, tenzij voldaan wordt aan artikel 16.36 lid 3 Omgevingswet. In dit artikel is bepaald dat eerst in een m.e.r.-beoordeling bepaald kan worden of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn als het gaat om een plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of wanneer het gaat om kleine wijzigingen van een plan. Gelet op het feit dat het onderhavige plan betrekking heeft op een kleine locatie binnen de gemeente Venray, is artikel 16.36 lid 3 van toepassing. Er kan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling.
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
2. Plaats van het project 2.1
Plaats van het project
Het project ziet toe op de uitbreiding van het terrein aan de Lollebeekweg 30a te Castenray. Het plangebied is gelegen aan de zuidwestelijke zijde van de kern van Castenray. Het plangebied is gelegen binnen de percelen welke kadastraal bekend staan als gemeente Venray, sectie P, nummers 681, 1023 en 1024 (figuur 1). De locatie heeft in de bestaande situatie een oppervlakte van 4.590 m 2. Het project betreft de uitbreiding van het terrein met een oppervlakte van 4.140 m2. Na de beoogde uitbreiding betreft het totale oppervlakte van het terrein 7.000 m².
Figuur 1: Luchtfoto van het plangebied (rood omcirkeld) in relatie tot de bebouwde kom van Castenray.
2.2
Te beschermen objecten (natuurgebieden)
De projectlocatie is niet gelegen in de directe nabijheid van Natura 2000 gebieden (figuur 2). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft “Boschhuizerbergen” op een afstand van ca. 6,5 kilometer.
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Figuur 2: Projectlocatie (rood) t.o.v. dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Bron: www.calculator.aerius.nl)
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
3. Kenmerken van het project 3.1
Omvang van het project
Het project betreft de uitbreiding van het terrein aan de Lollebeekweg 30a te Castenray. Achter het bouwvlak is het bedrijfsterrein zonder de daarvoor benodigde papieren uitgebreid en verhard. Hier vindt op- en overslag plaats van hulp-, bouw- en grondstoffen en van reststromen, met name van tuinbouwloof, afkomstig van glastuinbouwbedrijven uit de regio. Deze uitbreiding, met een diepte van 30 m en daarmee een oppervlakte van 4.140 m2, dient als zodanig te worden gelegaliseerd c.q. mogelijk gemaakt te worden. De feitelijke activiteiten van het loonbedrijf, binnen en buiten de inrichting zijn niet of nauwelijks gewijzigd. In figuur 3-a is een overzichtstekening te zien van de beoogde situatie.
Figuur 3 Overzichtstekening van de boogde situatie
3.2
Cumulatie met andere projecten
Het project staat op zichzelf. Er hoeven geen andere projecten uitgevoerd te worden om het project mogelijk te maken. Ook is de financiering van het project niet afhankelijk van andere
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
projecten
3.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Ten behoeve van de uitbreiding worden reguliere materialen en hulpbronnen gebruikt. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen vormt naar aard en omvang derhalve geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
3.4
Productie van afvalstoffen
De productie van afvalstoffen is tijdens de realisatie van onderhavig plan beperkt tot de bouwafvalstoffen. Op het terrein zullen circulaire stromen, zoals tuinbouwloof, bladafval en houtig materiaal, opgeslagen worden. Hierbij gaat het om stromen die afkomstig zijn van locaties van derden. Door de beoogde activiteiten zal geen (significante) toename van de productie van afvalstoffen plaatsvinden. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
3.5
Geluid
In 2008 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M & A Milieuadviesbureau BV (kenmerk 28-CLo-30-il-v1 d.d. 27 maart 2008) voor het loonbedrijf. Hieruit is gebleken dat de normering voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus niet worden overschreden. De feitelijke activiteiten van het loonbedrijf op de locatie worden niet of nauwelijks gewijzigd. Het aspect geluid vormt hierdoor naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
3.6
Verkeer en parkeren
3.6.1 Verkeer De uitbreiding van het loonbedrijf is vooral benodigd om opslagruimte te kunnen realiseren voor goederen die reeds worden overgeslagen en doorgevoerd door het loonbedrijf. Het aantal verkeersbewegingen neemt in de nieuwe situatie dus niet toe. Het loonbedrijf wordt ontsloten door een eigen (overzichtelijke) ontsluiting op de Lollebeekweg. De bedrijfswoning heeft een eigen ontsluiting. In de nieuwe situatie wijzigt hier niets aan. De ontwikkelingen hebben zodoende geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid.
3.6.2 Parkeren Door de uitbreiding aan de achterzijde van het terrein neemt de parkeerbehoefte van het bedrijf niet toe. De uitbreidingsgronden worden namelijk ingericht als opslagterrein. De wegzijde van het terrein is ingericht als parkeerterreinen voor auto’s. Direct naast de centrale loods zijn ook enkele parkeerplaatsen aanwezig, welke vooral gebruikt worden om bedrijfsauto’s te parkeren. Het aspect verkeer en parkeren vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
3.7
Luchtkwaliteit
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) maatgevend voor de luchtkwaliteit bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 2.1 en 2.1a stellen samen met artikel 2.3 t/m 2.8 de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In artikel 5.51-5.53 is de toepassing hiervan uiteengezet. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
c.
een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM 2,5) ter plaatse 8,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 9,1 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
3.7.1 NIBM De onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor een wijziging in het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie wordt uitgegaan van 81 verkeersbewegingen per dag (akoestisch onderzoek, uitgevoerd in het kader van de vrijstellingsprocedure in 2012). Met behulp van de NIBM-tool 2024 is bepaald of dit aantal verkeersbewegingen invloed heeft op de luchtkwaliteit, zelfs als het aantal verkeersbewegingen volledig uit zwaar transport bestaat (worst-case scenario). Uit de NIBM-tool blijkt dat dit verkeer van en naar het loonbedrijf onder NIBM valt. Daarom kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als NIBM en niet bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. In paragraaf 3.11.1 wordt nader ingegaan op het aspect stikstof.
3.8
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen.
In bijlage I van de Bruidsschat is opgenomen dat een gebouw dat mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf moet worden gezien als geurgevoelig. Door Embridge Nederland is een geuronderzoek opgesteld (kenmerk: Lol.Cas.25.GO-01 d.d. 10 januari 2025). Het plangebied valt op basis van de gemeentelijke geurverordening in het type ‘buitengebied’. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object 14,0 Ou/m³ (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m³ (achtergrondbelasting). Op de kaart voorgrondbelasting van 2022 behorende bij de gemeentelijke geurverordening liggen er geen geurcontouren van 14 OU/m3 over de uitbreiding van het bouwvlak. Ook liggen er geen vaste afstandcontouren (van 50 m) over de uitbreiding van het bouwvlak. Er is zodoende binnen de uitbreiding geen sprake van geurhinder, afkomstig van individuele veehouderijen.
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Op de kaart achtergrondbelasting van 2022 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak als matig (13,1 tot 20,0 OU/m3) beoordeeld. Een matig leefklimaat wordt in het buitengebied op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht. Daarnaast wordt ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak geen bebouwing opgericht. Ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak zal uitsluitend opslag plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen geurgevoelig object, er is namelijk geen sprake van een gebouw of van een permanent verblijf. Derhalve is er geen geur onderzoek benodigd en vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling
3.9
Omgevingsveiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Binnen het beleidskader voor activiteiten staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10- 6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: 1. warmtestraling (brand) 2. overdruk (explosie) 3. concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierbij zijn er drie typen aandachtsgebieden: 1. Brandaandachtsgebied; 2. Explosieaandachtsgebied; 3. Gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Het bevoegd gezag bepaalt de benodigde beschermende maatregelen binnen een aandachtsgebied. In het ‘Handboek Omgevingsveiligheid’ van het RIVM staan stappenplannen voor het bepalen van aandachtsgebieden.
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen Overige wet- en regelgeving Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een manier waarop omgegaan kan worden met het groepsrisico. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
In principe dient een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Toetsing initiatief Met behulp van de EV-Signaleringskaart (Figuur 4) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Conform de EV-signaleringskaart ligt de locatie niet in of in de nabijheid van een risicocontour of aandachtsgebied. Daarnaast is er geen sprake van de realisatie van een risicovol bedrijf, wat kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Figuur 4: EV-Signaleringskaart plangebied rood omkaderd (bron: Atlas Veiligheid).
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
3.10
Natuur – soortenbescherming
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna. Toetsing initiatief Om de aanwezige flora en fauna ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak aan te tonen is door Faunaconsult een quickscan flora & fauna uitgevoerd (d.d. 15 oktober 2024). In de te verwijderen vegetaties komen / kwamen mogelijk bewoonde vogelnesten voor. Indien de vegetatie tijdens het broedseizoen is verwijderd, heeft dit mogelijk geleid tot vernietiging van vogelnesten, eieren en (jonge) vogels. Omdat vogels, hun nesten en eieren zijn beschermd is dit een mogelijk overtreding op de wet. In de gras- en opgaande vegetatie in het plangebied komen tijdens het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen.
Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en faunaactiviteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de
3.11 Natuur – gebiedsbescherming 3.11.1 Natura-2000 gebieden Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Boschhuizerbergen op 6,5 kilometer van het plangebied. In het Aanvullingsbesluit natuur is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een vergunning vereist is. Over een afstand van 6,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NO x of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor onderhavige ontwikkeling is door Embridge Nederland (kenmerk: Lol.Cas.25.DO-01) een stikstofdepositieonderzoek en berekeningen met de AERIUS Calculator uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat in de bouwfase en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr ten opzichte van de referentiesituatie in het kader van het planspoor. De referentiesituatie is hierbij hetgeen planologisch legaal aanwezig is.
3.11.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. De afstand van het plangebied tot gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland bedraagt minimaal
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
110 meter. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland kunnen door deze onderlinge afstand worden uitgesloten.
3.12
Spuitzones
Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Onderstaand wordt nader ingegaan op het aspect spuitzones. Spuitzones Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijvoorbeeld appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt (bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goed woon- en leefklimaat afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en agrarische gronden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Toetsing initiatief Rondom het plangebied bevinden zich geen (fruit)boomgaarden. Wel bevinden zich rondom het plangebied landbouwpercelen (in zuidelijke en oostelijke richting).
De percelen hebben allen eenzelfde bestemming, te weten ‘Agrarisch met waarden’ en worden gebruikt voor de teelt van gewassen. Bij de teelt van gewassen kunnen ook gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voorliggende ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de achterzijde. Hier zal opslag gaan plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen milieugevoelig object. Op het opslagterrein zullen dan ook geen mensen voor langere tijd verblijven. Het aspect spuitzones vormt hierdoor naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
3.13
Water
De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Het plangebied ligt binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In dit gebied mogen geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen die een negatief effect kunnen hebben op de kwaliteit van het drinkwater. De producten die op het bedrijfsterrein worden opgeslagen betreffen geen gevaarlijke stoffen, verder wordt het opslagterrein uitgevoerd met een vloeistofkerende vloer. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en er zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Ten zuiden van het plangebied stroomt op een afstand van 105 meter de Lollebeek, de onderhavige ontwikkeling zal hier echter niet van invloed op zijn. Afvalwater Het afvalwater zal middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd worden. De hoeveelheid afvalwater zal door de ontwikkeling niet toenemen aangezien het enkel gaat om een uitbreiding van het opslagterrein. Hemelwater Conform de richtlijnen van het waterschap dient hemelwater op eigen terrein te worden verwerkt. Voor het bergen van hemelwater geldt een norm van 60 mm/uur per m2 aan toename van het verhard oppervlak.
In dit geval neemt het verhard oppervlak met 4.140 m 2 toe. Dit betekent dat in het kader van de uitbreiding minimaal 248 m3 water moet kunnen worden opgevangen. Om aan deze richtlijnen te voldoen wordt direct
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
achter de uitbreiding een wadi/ infiltratievijver gerealiseerd. In deze infiltratievoorziening krijgt het hemelwater de kans te infiltreren in de bodem. Toetsing initiatief Onderhavige ontwikkelingen vormen geen belemmering voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water. Het aspect water vormt naar verwachting dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.14
Archeologie
Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke omgevingsplan van Venray heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In de planregels is opgenomen dat een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarden verplicht is indien de verstoring dieper is dan 50 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 500 m2. Toetsing initiatief Voor de uitbreiding aan de achterzijde hoeft de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd te worden. Voor de weegbrug wordt de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd, maar de oppervlakte van de weegbrug is kleiner dan 500 m². Geconcludeerd kan worden dat de werkzaamheden de ontheffingsvrije waarden niet overschrijden. Het aspect archeologie vormt naar verwachting dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
3.15
Bodem
Om te bepalen of de huidige bodemkwaliteit geschikt is voor de ontwikkelingen aan de achterzijde van het loonbedrijf ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door HMB Groep (kenmerk 24281301A d.d. 12 november 2024). Hieronder worden de bevindingen en conclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen bij de toelichting op het plan Het plangebied is in het onderzoek opgedeeld in twee aparte delen: het deel dat altijd als bouwland is geweest en het deel waar opslag heeft plaatsgevonden. Bij het bouwland zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend. Deze locatie is als ‘onverdacht’ beoordeeld op het voorkomen van bodem verontreiniging. Ter plaatse van het (voormalige) opslagterrein is plaatselijk een verhoogde gehalte minerale olie boven de landbouw/natuurnormen aangetroffen in de bodem. Verwacht wordt dat deze veroorzaakt is door humeuze bijmengingen. De vastgestelde milieu hygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen directe belemmering of beperking voor het gebruik op de onderzoekslocatie. Wel dient er rekening mee gehouden dat eventueel op de onderzoekslocatie vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie niet overal kan/mag worden toegepast.
3.16
Risico van ongevallen
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. In het gebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen, vindt geen risicovol transport plaats, bevinden geen risicovolle inrichtingen en zijn geen buisleidingen aanwezig. De activiteit zelf levert in de aanlegfase en gebruiksfase geen extra risico op milieukundige ongevallen. Er is dus geen sprake van significante effecten.
3.17
Effecten op gebieden
De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het plan ligt in het buitengebied van Castenray. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EURichtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van het plan zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
4. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: • • • • • •
het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de autonome ontwikkelingen.
De mogelijke milieueffecten zijn, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Waar het bij de criteria 'kenmerken van het project' en 'plaats van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven. Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar is er sprake van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden. Bij de optredende effecten zowel in het plangebied (dit is het gebied waar de voorgenomen activiteit in gelegen is) als het studiegebied (dit is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen reiken) moet aangegeven worden wat de duur, frequentie en omkeerbaarheid is. Het doel is uiteindelijk om te bepalen of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. De kenmerken van de potentiële effecten zijn reeds beschouwd in de voorgaande paragrafen van deze notitie. De potentiële effecten zijn bezien in het kader van de kenmerken van het project.
Er zijn geen significante effecten te verwachten. Voor wat betreft de duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect kan gesteld worden dat sprake is van de ontwikkeling van extra bedrijfsterrein. Dit betreft een ontwikkeling buiten de bebouwde kom van de gemeente Venray. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting van milieuaspecten.
Plan-mer-beoordelingsnotitie Lollebeekweg te Castenray
5. Conclusie Bovenstaande effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Het voornemen om het terrein van het loonbedrijf aan de Lollebeekweg 30a te Castenray uit te breiden aan de achterzijde leidt niet of in zeer beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide mer-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.