CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Adviesraad Conceptversie Jeugdzorg in beeld

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Maatregelen Grip op het sociaal domein7.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Jeugdzorg in beeld Handleiding en vragenlijst voor gemeentelijke adviesraden in Noord -Limburg (conceptversie 14 februari 2021)

Inleiding Aanleiding Adviesraden geven gevraagd en ongevraagd advies aan gemeenten met betrekking tot het sociale domein. Binnen het sociale domein is jeugdzorg een belangrijk deelgebied. Waarbij kinderopvang, onderwijs en hulp bij opvoeding nauw gerelateerd zijn. Het terrein van de jeugdzorg is omvangrijk, complex en onoverzichtelijk. In Venray bijvoorbeeld ontvangt 10,9% van alle jongeren tot 18 jaar een vorm van jeugdzorg (maatwerkvoorziening). Het gaat hier om 1164 jongeren (2019). In andere gemeenten in NoordLimburg en in de rest van Nederland is het niet anders. En er is veel gemeenschapsgeld met jeugdzorg gemoeid. De totale begroting van de gemeente Venray is € <getal>. <x> % oftewel € 54 miljoen wordt besteed aan het sociale domein. Binnen het sociale domein wordt naar schatting 25% besteed aan jeugdzorg. De samenstelling van de uitgaven in Venray is als volgt:

Door de oplopende kosten zetten de gemeenten in op het realiseren van bezuinigingen in de jeugdzorg wat op zich zelf weer leidt tot extra aandacht vanuit de adviesraden voor jeugdzorg. Individuele adviesraden worstelen dus met het terrein jeugdzorg. Daarnaast is in het overleg van de adviesraden in Noord-Limburg met betrekking tot jeugdzorg gesproken over hoe we als adviesraden een positieve bijdrage kunnen leveren op het vlak van de jeugdzorg en op welke terreinen en in hoeverre het zinvol is gezamenlijk te adviseren.

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

1

Afgesproken is dat we hierover februari 2021 verder praten en bespreken welke knelpunten en vraagstukken in de jeugdzorg per gemeente spelen en welke onderwerpen zich lenen voor een gemeenschappelijke benadering. Behoefte Als adviesraden hebben we dus behoefte aan een leidraad om goed te kunnen adviseren op het vlak van jeugdzorg en om informatie te verwerven van gemeenten en inwoners t.a.v. de jeugdzorg en deze te structureren. Kader Deze notitie probeert jeugdzorg overzichtelijk in kaart te brengen en een vragenlijst te creëren om in kaart te krijgen hoe de jeugdzorg in onze gemeenten functioneert, waar de knelpunten liggen en waar verbetering mogelijk is. Het uitgangspunt dat hierbij is genomen, is een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat de titel heeft ‘Sociaal domein op koers?’ en als subtitel heeft ‘Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid’. De gesignaleerde knelpunten op het vlak van de jeugdzorg zijn uit dit rapport gefilterd en vertaald in een vragenlijst over jeugdzorg in onze gemeenten. Ook is gebruik gemaakt van een aantal gemeentelijke beleidsrapporten, artikelen van Follow the money over de jeugdzorg en het rapport ‘Voortgangsrapportage kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd | oktober 2020’.

De aanname die dus gemaakt wordt, is dat de landelijke problematiek in de jeugdzorg in meer of mindere mate ook van toepassing is in Noord-Limburg. Dit is geen onlogische aanname omdat de gebruikte documenten duidelijk aangeven dat het gaat om landelijk optredende verschijnselen. Ook wijkt het gebruik van de jeugdhulpvoorzieningen in Noord-Limburg nauwelijks af van de landelijke cijfers. Structuur en definitie van de jeugdzorg De adviezen die wij als adviesraden geven, dienen natuurlijk in voldoende mate specifiek te zijn. Het kan zijn dat onze opmerkingen gaan over het totaal van de jeugdzorg maar vaak hebben onze adviezen betrekking op een specifiek onderdeel van de jeugdzorg. In lijn met de definitie van het CBS hanteren we het begrip jeugdzorg als de verzamelnaam voor Jeugdhulp, Jeugdbescherming en jeugdreclassering. Jeugdhulp is hulp bij psychische problemen, verstandelijke beperking, opvoedproblemen. Uitgevoerd door jeugdhulpaanbieders. En kan onderverdeeld worden in jeugdhulp met of zonder verblijf: - zonder verblijf: o Wijk- of buurtteam o Ambulante hulp op locatie aanbieder o Daghulp op locatie aanbieder o Hulp in netwerk (thuis, op school) -

met verblijf: o Pleeggezin o Gezinsgerichte opvang (logeerhuizen of zorgboerderijen) o Gesloten plaatsing in instelling o Overige jeugdhulp met verblijf

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

2

Jeugdbescherming (door gecertificeerde instellingen) - Onder toezichtstelling (OTS) - Voogdij Jeugdreclassering (door gecertificeerde instellingen) - Toezicht en begeleiding gedwongen - Toezicht en begeleiding vrijwillig - Individuele trajectbegeleiding Er is meer dan jeugdzorg Er gaat veel aandacht uit naar jeugdigen die jeugdzorg nodig hebben. Gelukkig is dit maar een beperkt deel van de jongeren. Uit landelijk onderzoek blijkt: - Minimaal 80% van de jongeren groeit op zoals dat maatschappelijk verwacht wordt - 10-15% worstelt met opgroeien - Voor pakweg 5-10% is maatschappelijke deelname tijdelijk/structureel door omstandigheden geen reëel perspectief. In deze notitie licht het accent op de jeugdzorg. Het volgende plaatje visualiseert de jeugdzorg als onderdeel van het geheel aan voorzieningen en de omgeving van het kind. Op jaarbasis maakt dus 89% van de jongeren geen gebruik van jeugdzorg. Het is hierbij een interessante gedacht nader te kijken naar hoe de omgeving van het kind en voorzieningen die niet vallen onder jeugdzorg, ook wel het vangnet genoemd, beter benut kunnen worden en welk effect zij hebben op een beroep op jeugdzorg.

Wat is optimale jeugdzorg? Als adviesraadleden met als aandachtsgebied jeugdzorg willen wij bijdragen aan een optimale jeugdzorg in onze gemeente. Onze adviezen dienen gericht te zijn op het bereiken van die optimale jeugdzorg. Maar wat is nu optimale jeugdzorg? Hiervoor wordt de volgende criteria gehanteerd: 1. Er wordt zorg geboden 2. De zorg wordt geboden aan wie het nodig heeft 3. Het is noodzakelijk om die zorg te bieden (niet bieden van zorg zou niet goed zijn) 4. De zorg wordt op tijd geboden

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

3

5. 6. 7. 8.

De geboden zorg is passend De geboden zorg leidt tot resultaat De geboden zorg wordt efficiënt geboden (tegen de laagste kosten) Het totaal van de beschikbare hulpgelden is goed verdeeld over de individuele ontvangers van hulp 9. Voor zover zinvol en mogelijk wordt het verstrekken van zorg voorkomen door preventie Op zich geven deze criteria voor optimale jeugdzorg al een raamwerk om de jeugdzorg te evalueren. In het vervolg van deze notitie worden deze criteria verfijnd en vertaald naar de praktijk. Gangbare opvattingen over jeugdzorg Vanuit de ambitie optimale jeugdzorg te bieden worden door gemeenten ambities en doelstellingen geformuleerd met betrekking tot jeugdzorg. Hieronder een achttal voorbeelden: 1. Preventie  voorkomen dat zorg nodig is door bijv. voorlichting en begeleiding 2. Vroegsignalering  op tijd signaleren zodat zwaardere/meer zorg voorkomen wordt en bij gevaar of (ernstige) bedreiging snel en slagvaardig specialistische hulp inzetten 3. Ondersteuning thuis  als er zorg geboden wordt, bij voorkeur thuis of zo thuis mogelijk 4. Ondersteuning uit huis zo kort mogelijk  als hulp thuis niet kan dan uit huis maar met het streven het kind zo snel mogelijk weer terug te laten in de eigen omgeving 5. Vroegtijdige lichte zorg inzetten ter voorkoming zwaardere en duurdere hulp  bijvoorbeeld inzet van het wijkteam i.p.v. specialistische jeugdzorg 6.

Waar mogelijk zorg voorkomen door de inzet van eigen kracht en van het sociaal netwerk van mensen 7. Een integrale benadering hanteren in geval van meervoudige gezinsproblematiek ter voorkoming versnippering 8. Een gezin, één plan, één regisseur in de jeugdhulp  Hulp dichter bij de burger en allemaal in één hand namelijk die van de gemeente Feitelijk zijn dit meer concrete vertalingen van de genoemde kenmerken van optimale hulp. In het SCP-rapport ‘Sociaal domein op koers?’ worden echter de nodige kanttekeningen geplaatst bij deze opvattingen en doelstellingen: - Het is moeilijk te zeggen of de inzet van sociale wijkteams ertoe heeft geleid dat hulp daadwerkelijk vroegtijdiger wordt ingezet dan voor de decentralisaties - Vroegtijdige jeugdzorg lukt regelmatig niet, onder meer door wachtlijsten - Het is niet duidelijk of de verschuiving in de praktijk zich heeft voorgedaan. Dit wordt niet geregistreerd en het stijgend gebruik van de jeugdzorg wijst er niet op - Noch bij de Wmo als de jeugdwet is een verschuiving van zware naar lichte hulp zichtbaar. . Als lichtere hulp verergering van problemen weet te voor komen, dan wordt echter pas op langere termijn een afname van het totale gebruik van zwaardere hulp zichtbaar. Maar evengoed zou kunnen blijken dat lichtere hulp het gebruik van zwaardere hulp niet voorkomt, of zelfs een aanzuigende werking daarop heeft.

Ook zijn de totale kosten van veel relatief lichte hulp niet per definitie lager dan van weinig relatief zware hulp. - Multiproblematiek die over de verschillende sociale domeinen/wetten heen gaat komt slechts in 7% van de gevallen voor. Problemen met opvoeden, werk vinden en maatschappelijke participatie komen niet zo vaak alle drie tegelijk voor. Een combinatie van jeugdhulp en passend onderwijs ligt meer voor de hand - Een beroep op eigen kracht en netwerk blijkt vaak niet mogelijk. De contact ambtenaren die met de cliënt en zijn naasten aan tafel zitten, blijken lang niet altijd mogelijkheden te zien om een beroep te doen op de eigen kracht of het eigen netwerk. Belemmeringen liggen onder andere op het vlak van de toepasbaarheid van het begrip zelfredzaamheid bij bepaalde groepen (bv.

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

4

-

mensen met psychische problematiek of dementie) en de grenzen aan de mogelijkheden van informele hulp. Dit laatste heeft bijvoorbeeld te maken met vraagverlegenheid van mensen die hulp nodig hebben, overbelasting van reeds aanwezige mantelzorgers of het ontbreken van een sociaal netwerk. Ook van belang is dat er een klik moet zij tussen de regisseur/hulpverlener en het gezin. Als die klik er niet is, werkt de zorg niet blijkt uit onderzoek

Als adviesraden kunnen wij de opmerkelijke conclusies van het SCP niet negeren bij het opstellen van regionale adviezen. Landelijk of regionaal Hier boven gaven we al aan dat er vaak sprake is van landelijke problematiek die zich waarschijnlijk ook manifesteert in onze regio. Dat roept gelijk de vraag op of het dan gaat om structurele problemen die vooral op landelijk niveau oplosbaar zijn. In deze notitie richten we ons op de zaken die in zekere mate op regionaal niveau beïnvloedbaar zijn. Helaas zijn veel problemen ingebakken in de historisch gegroeide versnippering in de jeugdzorg en de complexe wet- en regelgeving en vragen om een landelijke oplossing. Verder zien we de in 2015 ingezette decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten als een gegeven evenals de recent ingezette bijsturingen in de richting van een meer regionale aanpak van zwaardere jeugdzorg.

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

5

Vragenlijst met uitgebreide toelichting Aan de hand van de eerder genoemde rapporten is een vragenlijst voor het plaatselijke of regionale jeugdzorgbeleid opgesteld. Per onderwerp of aspect wordt telkens een inleiding gegeven en afgesloten met te stellen vragen. In de bijlage is de volledige vragenlijst van ruim 60 vragen compact en zonder toelichting opgenomen. Functioneren wijkteams en gezinscoaches In de kern van de jeugdzorg spelen gezinscoaches in Noord-Limburg een cruciale rol in het verbeteren van de samenwerking rond gezinnen, het verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp en het terugdringen van maatwerkvoorzieningen. De wijkteams en daarbinnen de gezinscoaches spelen een belangrijke rol in de toegang tot de jeugdzorg en eventuele verwijzing. In het SCP rapport staat vermeld dat de peilingen van Movisie laten zien dat de meeste sociale wijkteams in Nederland inderdaad laagdrempelig zijn, in die zin dat mensen daar zonder verwijzing van een andere instantie terecht kunnen: in 2017 kon in 73% van de responderende gemeenten burgers zelf contact opnemen met het wijkteam; in 2019 is dit gestegen naar 84%. Toch is dit slechts bij 34% respectievelijk 50% van de gemeenten de meest gebruikte toegangsweg tot het wijkteam.

Andere toegangswegen tot het wijkteam die burgers gebruiken, lopen via een gemeentelijk loket (fysiek of digitaal), gemeentelijk telefoonnummer of via andere instanties. Jeugdprofessionals, zoals medewerkers van cjg’s, schoolmaatschappelijk werkers of jeugdzorgmedewerkers, maken in 2019 in 25% à 28% van de gemeenten deel uit van sociale (wijk)teams, en specialistische jeugdprofessionals binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz), en voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (lvb) nog minder vaak (tussen de 16% en 22% in 2019). Wel heeft ongeveer 40% van de responderende gemeenten aparte wijkteams voor jeugd en gezin, vaak naast bredere sociale teams. De verwachting dat wijkteams ook outreachend, anders gezegd ‘proactief’, te werk gaan, lijkt in nog mindere mate uit te komen. In 2017 geeft slechts 39% van de responderende gemeenten aan dat bewoners proactief benaderd worden door het wijkteam en in 2019 is dit aandeel nog verder gedaald naar 28%. Het aandeel dat aangeeft dat het team onvoldoende toekomt aan outreachend werken (bv. het bereiken van zorgmijders) is dan ook gestegen, van 44% in 2017 naar 52% in 2019. Uiteindelijk gaat het om de vraag in hoeverre de wijkteams en gezinscoaches en hun werkwijze een onderdeel vormen van ‘optimale jeugdzorg.

Op grond van verschillende rapporten zijn de volgende deelvragen relevant: Zijn alle wijken en dorpen voldoende afgedekt door wijkteams en gezinscoaches? In welke mate verlenen de wijkteams zelf jeugdhulp of verwijzen ze door? Hoe is de jeugdhulp binnen een wijkteam belegt? Maken jeugdprofessionals deel uit van het wijkteam? Hoeveel jeugdigen en gezinnen worden door het wijkteam/gezinscoaches geholpen? Is er voldoende capaciteit voor jeugdhulp? Zijn de burgers voldoende geïnformeerd over het bestaan van wijkteam/gezincoaches op het vlak van jeugdhulp?

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

6

Hoe en in welke mate wordt het wijkteam als route naar jeugdhulp door de burgers gevonden? Wordt er voldoende snel jeugdhulp geboden? In welke mate is er sprake van proactief/outreachend werken? Wordt er integraal gewerkt/samengewerkt? Dus over de wetten heen en in geval van multiproblematiek Afstemmingsproblemen tussen hulp/zorgverleners Het SCP rapport zegt hierover onder andere: Terwijl het principe van één gezin, één plan, één regisseur vooral in het leven is geroepen voor gevallen van multiproblematiek, blijkt in de praktijk dat dit juist minder goed haalbaar is naarmate de problematiek complexer wordt. De evaluatie van de Jeugdwet laat zien dat de meeste gemeenten (81%) aangeven dat dit bij enkelvoudige problematiek lukt, en bij de meerderheid (86%) ook wanneer de veiligheid van cliënten in het geding is, maar dat het bijna een kwart van de gemeenten niet lukt om bij meervoudige problematiek volgens dit principe te werken). Het is bijvoorbeeld lastig te realiseren wanneer hulpverleners verwijzen naar de tweede lijn en de regie overdragen. Ook uit het cliëntonderzoek komt een soortgelijke conclusie. Naarmate het aantal hulpverleners dat bij een gezin betrokken is groter is, is het voor het gezin minder duidelijk wie de contactpersoon is.

Wel blijkt dat het voor de meeste ouders (82%) duidelijk was wie van de hulpverleners het vaste aanspreekpunt of de contactpersoon was (indien er ten minste twee hulpverleners bij het gezin betrokken waren). De onderlinge samenwerking tussen hulpverleners lijkt volgens ouders een aandachtspunt te zijn. Ongeveer de helft van de ouders vindt dat de hulpverleners goed samenwerken (49%) en dat de hulpverleners goed op de hoogte zijn van elkaars werkzaamheden (45%). Naarmate er meer hulpverleners betrokken zijn, wordt de samenwerking minder positief ervaren/ Ruim vier op de tien (43%) is tevreden met hoe vaak de hulp werd overgedragen van de ene hulpverlener naar de andere hulpverlener, terwijl een vijfde (21%) vindt dat dit te vaak gebeurde. Jongeren geven aan (in interviews) dat zij wisseling van hulpverleners als vervelend ervaren. Dit geldt ook voor ouders. Dit leidt tot de volgende vragen: In welke mate is er sprake van meervoudige problematiek waarvan de jeugdzorg een onderdeel is? Hoe wordt de samenwerking tussen hulpverleners door cliënten ervaren? Zijn cliënten tevreden met hoe en hoe vaak de hulp werd overgedragen? Hoe ervaren jeugdigen en hun begeleiders de wisseling van hulpverleners?

Samenwerking Gemeenten werken bij de uitvoering van het sociaal domein met verschillende andere partijen samen. Die samenwerkingsrelaties zijn verschillend van aard. Het gaat bijvoorbeeld om de samenwerking met andere gemeenten (zoals bij de inkoop bij zorgaanbieders), de afstemming met andere betrokken partijen zoals scholen, het opdrachtgeverschap van gemeenten richting zorgaanbieders en de regierol bij de samenwerking tussen zorgaanbieders. De gedachte achter de decentralisaties is dat samenwerking tussen gemeenten en verschillende partijen in het sociale domein en partijen onderling tot een betere aanpak leidt, met als uiteindelijk doel effectievere en minder kostbare hulp. Een van de aanleidingen voor de Jeugdwet was de tekortschietende samenwerking tussen hulpverlenende instanties rond gezinnen door verschillende wettelijke systemen waarbinnen

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

7

zorgverleners werkten en zou er sprake zijn van verkokering. Dit zou beter moeten worden door de verantwoordelijkheid bij gemeenten te leggen. Uit de evaluatie van de Jeugdwet (op basis van gegevens uit 2017) ontstaat het beeld dat de samenwerking tussen gemeenten en aanbieders en tussen aanbieders onderling is toegenomen sinds de invoering van de Jeugdwet. Vrijwel alle gemeenten (ten minste 95%) zien een toename in de samenwerking van de lokale toegang met Veilig Thuis, het onderwijs, en welzijnsorganisaties. Iets minder gemeenten, maar nog steeds aan aanzienlijk deel, ziet een toename in de samenwerking van lokale teams met (huis)artsen (84%), van generalistische en specialistische hulp (73%) en van specialisten uit diverse sectoren (76%). Ook specialistische aanbieders en lokale teams geven aan dat de verbinding tussen de disciplines binnen de jeugdhulp sinds de invoering van de Jeugdwet meer tot stand komt. De lokale teams zijn hier wat positiever over dan de specialistische aanbieders. Op een schaal van één (helemaal geen toename in de samenwerking) tot tien (heel veel toename) geven lokale teams een 7,7, terwijl de specialistische aanbieders een 6,5 geven.

Sinds de invoering van de Jeugdwet rapporteert bijna de helft van de specialistische aanbieders een toename in de samenwerking met andere jeugdhulpaanbieders, bijna 40% doet dit even vaak en slechts een klein deel minder vaak. Hoe verloopt de samenwerking tussen de gemeente en verschillende instanties? Hoe wordt de samenwerking in de jeugdzorg beoordeeld door huisartsen, generalistische en specialistische jeugdzorgaanbiers beoordeeld? Welke knelpunten en verbeterpunten signaleren ze en wat zijn de gevolgen? Doorverwijzing Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid over de uitvoering van de jeugdhulp, maar hebben weinig grip op directe doorverwijzingen. In de jeugdhulp is de doorverwijzing van (huis)artsen, gecertificeerde instellingen en kinderrechters naar specialistische jeugdhulp een vaak benoemd knelpunt door gemeenten en lokale teams. Een derde van de gemeenten (34%) ervaart dat ze effectieve regie voeren over verwijzing van (huis)artsen. Andersom weten huisartsen ook niet altijd wat er met hun patiënt gebeurt als zij verwijzen naar lokale teams. Zij hebben niet altijd informatie over de samenstelling van het team en het hulpaanbod, bovendien kan dit per wijk verschillen.

Een goede samenwerking tussen gemeenten en huisartsen is van belang, omdat de toegang tot de huisarts voor veel mensen vertrouwd en laagdrempelig is en daardoor een belangrijke rol kan spelen bij signalering van problematiek. Ook in de samenwerking met andere instanties ervaart slechts een deel van de gemeenten dat zij effectief regie voeren, zoals bij de samenwerking tussen jeugdhulpaanbieders (58%), verwijzingen vanuit gecertificeerde Instellingen (37%) en hulp binnen het gedwongen kader (25%). Gemeenten geven aan dat ze het niet voor de hand vinden liggen dat zij contact houden met de cliënt of het gezin wanneer ze, bij verwijzing naar de tweede lijn, de zorg overdragen. De meeste gemeenten (79%) ervaren dat zij effectief regie voeren (altijd, vaak, of soms niet) bij het bevorderen van de veiligheid van jeugdigen, terwijl dit het minst vaak het geval is bij hulp van landelijke specialistische organisaties (24%). Ervaart de gemeente dat zij effectief regie voert t.a.v. - verwijzing van huisartsen? - verwijzingen vanuit gecertificeerde instellingen? - hulp binnen het gedwongen kader? Onderhoudt de gemeente contact en houdt ze zicht op de cliënt of het gezin wanneer de zorg wordt overgedragen naar de tweede lijn?

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

8

Overgang van 18-min jeugdzorg naar 18 plus zorg Een specifiek knelpunt wat betreft de integrale aanpak binnen het sociaal domein is de overgang van de leeftijd van 18-min naar 18-plus, ofwel de overgang van minder- naar meerderjarigheid. Dit was in het oude, centrale systeem al een probleem, en er werd gehoopt dat het gemeenten beter zou lukken om jongeren na hun achttiende verjaardag in het vizier te houden en voor hen een soepele overgang naar zorg en ondersteuning voor volwassenen te realiseren. De Jeugdwet is in principe bestemd voor jeugdigen tot 18 jaar. Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd zijn er een aantal opties: in sommige gevallen doorzetting onder de Jeugdwet (doorloopregeling), overgang naar ondersteuning vanuit de Wmo 2015 of de Zorgverzekeringswet (Zvw; waaronder ggz-zorg, wijkverpleging en zorg voor zintuiglijk gehandicapten), overgang naar ondersteuning vanuit de Wlz, of volledige beëindiging van de hulp. Cijfers van het CBS laten zien dat in 2016 20.000 jongeren een lopend jeugdzorgtraject hadden toen zij 18 jaar werden. Daarvan ontvingen 11.000 jongeren een vorm van jeugdhulp na hun achttiende verjaardag. Van de jongeren met een lopend zorgtraject ontving 15% binnen een maand na hun achttiende verjaardag volwassenenzorg en dit aandeel loopt op naar ruim een kwart binnen zes maanden (Bakker et al. 2019).

Ruim één op de tien stroomde de volwassenen-ggz in en eveneens ruim één op de tien stroomde de Wmo in. Doorstroming naar de Wlz of naar vervolgzorg in de vorm van wijkverpleging en zintuiglijk gehandicaptenzorg kwam veel minder vaak voor (resp. 3% en 1%). Gemeenten besteden in hun beleid vaak wel expliciet aandacht aan de overgang 18-min naar 18-plus maar de werkelijkheid blijkt weerbarstig. De evaluatie van de Jeugdwet concludeert dat de mogelijkheden die de decentralisaties in het sociaal domein bieden om de continuïteit van de zorg voor jongeren na hun achttiende verjaardag te organiseren, lang niet altijd benut worden. Meer dan de helft van de gemeenten (55%) ziet de voorbereiding of de overstap van jeugdhulp naar zorgprogramma’s voor volwassen als een knelpunt. Ook uit het onderzoek onder cliënten (jongeren en hun ouders) ontstaat het beeld dat het niet vaak voorkomt dat kinderen en hun ouders in een vroegtijdig stadium betrokken worden bij de hulp na hun achttiende verjaardag of dat er dan duidelijkheid is over de continuering van deze hulp. Er zijn signalen uit diverse hoeken dat in de praktijk de aansluiting van hulp lang niet altijd goed.

Knelpunten zijn onder andere de complexiteit van de wetgeving in combinatie met onvoldoende kennis hierover bij zorgaanbieders en gemeenten, het ontbreken van een passend hulpverleningsaanbod, partijen die elkaar niet weten te vinden en niet op de hoogte zijn van de routes en mogelijkheden binnen het lokale stelsel (versnippering), het uit beeld raken van jongeren wanneer ze 18 jaar worden en te weinig aanbod van woonvoorzieningen en begeleiding. Daarnaast zijn jongeren zelf soms weinig gemotiveerd om de hulp na hun achttiende verjaardag te continueren. Dit leidt dus tot de volgende vragen: Hoeveel jongeren met jeugdhulp maken op jaarbasis een overgang van 18-min naar 18-plus? Is de uitstroom/instroom volledig in het vizier bij de gemeente? Hoe ziet de uitstroom naar 18-plus er procentueel uit? In welke mate treden er knelpunten op bij de overgang naar 18-plus? Passende hulp wordt geboden Cliënten van de Jeugdwet zijn overwegend positief over het passend zijn van het aanbod. Volgens de evaluatie van de Jeugdwet ervaart 70% van de ouders dat de hulp die zij of hun kind hebben gekregen, aan de behoeften voldoet en passend is. De meeste ouders (77%) vinden dat er bij het gesprek voor de toegang tot hulp genoeg deskundigheid was om de hulp in te schatten. Toch vond 17% de hulp, gezien de problemen, te licht.

De evaluatie van de Jeugdwet concludeert ook dat er soms te lang wordt gewerkt vanuit het eigenkracht-principe en dat er gelijk opgeschaald had moeten worden waar eerst lichte interventies

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

9

worden ingezet. Jongeren zijn wel kritisch over de beperkte inspraak in de keuze van hulp en de manier ze betrokken waren bij de keuze van de hulp. Bij complexe gevallen sluit de hulp niet altijd goed aan bij de behoefte. Kwetsbare gezinnen hebben een andere aanpak nodig dan de wijkteams vaak aanbieden en maatwerk schiet in die gevallen nog tekort, met name omdat de juiste deskundigheid voor deze complexere gevallen ontbreekt en er te lang lichte hulp wordt geboden, waardoor situaties escaleren. Ook zouden er een gebrek aan vertrouwen en communicatie zijn tussen de verschillende organisaties in het nieuwe zorglandschap waardoor tijdig schakelen tussen generalistische en specialistische hulp onvoldoende op gang komt. Lokale teams zijn hierover doorgaans positiever dan de specialistische aanbieders. Overwegend vinden hulpverleners uit de lokale teams dat de hulp die jeugdigen en ouders krijgen, altijd of vaak past bij de problemen die ze hebben, terwijl iets meer dan de helft van de aanbieders van specialistische jeugdhulp dit zo ervaart.

Dit leidt dan tot de volgende vragen die in lijn liggen met de vragen in het cliëntervaringsonderzoek: Hoe wordt de hulp van de zorgaanbieder door cliënten ervaren en beoordeeld? Wordt er voldoende informatie over de hulp verstrekt? Wat is het resultaat van de geboden hulp per zorgverlener (voelt men zich beter of gaat het beter met het gedrag)? Uiteraard uitgesplitst voor de belangrijkste hulpverleners Heeft de gemeente de ‘klantreis’ van de cliënt in beeld en onderzocht en wat zijn de ervaringen van cliënten? Wachttijden Een onderdeel van passende hulp is ook dat er een toereikend en tijdig aanbod is. De wachttijden in de jeugdhulp zijn een aandachtspunt. In 2017 benoemt iets meer dan de helft van de lokale teams (59%) en een derde van de jeugdhulpaanbieders (30%) de wachttijden en wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders als enkele van de belangrijkste knelpunten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (igj) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (ij&v) waarschuwen in hun rapport (igj 2019) en signalement (igj en ij&v 2019) dat kinderen met complexe problematiek in de keten van hulpverlening te lang op wachtlijsten staan bij het wijkteam, Veilig thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en de gespecialiseerde hulp. Voor kwetsbare kinderen die een kinderbeschermingsmaatregel krijgen opgelegd is de situatie vaak urgent.

De inspecties schatten echter in dat 60% van de kinderen met een maatregel niet tijdig door gecertificeerde instellingen wordt gezien. Tevens wijzen ze op de tekortschietende kwaliteit van de ingezette hulp bij met name gezinnen met de meest complexe problematiek en de grootste veiligheidsrisico’s, onder andere door personeelstekorten, onvoldoende direct inzetbare passende hulp, en financiële onzekerheid bij de zorginstellingen. Het nji laat zien dat de problematiek rond wachttijden en wachtlijsten niet alleen van deze tijd is en dat een zekere mate van wachttijd niet altijd nadelig hoeft te zijn en zelfs voordelen kan hebben. Het bieden van een passend en integraal aanbod en maatwerk kost tijd. In hoeverre wachttijden problematisch zijn hangt uiteraard sterk af van de urgentie van de problematiek die aan de zorgvraag ten grondslag ligt). In welke mate zijn er wachttijden voor jeugdbescherming (OTS/Voogdij)? In welke mate zijn er wachttijden voor jeugdreclassering (Toezicht en begeleiding gedwongen/ Toezicht en begeleiding vrijwillig / Individuele trajectbegeleiding)?

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

10

Probleemoplossend vermogen gezin Ook in de jeugdhulp zou er volgens de wetgever meer aandacht moeten komen voor het probleemoplossend vermogen van het gezin. Uit de evaluatie van de jeugdwet blijkt dat dit bij de meeste gezinnen het geval is/ Bijna acht op de tien geeft aan dat er gesproken is over wat het gezin zelf kan doen. De inzet van hulp vanuit het netwerk, zoals familie, vrienden of andere bekenden, geeft een meer gemengd beeld. Ongeveer vier op de tien cliënten geeft aan dat dit in het kader van de hulpverlening besproken is, bij bijna de helft is dat niet het geval. Ook zegt twee derde niet geïnformeerd te zijn over het opstellen van een familiegroepsplan samen met hun netwerk. Uit interviews met jongeren blijkt dat sommigen graag willen dat bijvoorbeeld een mentor of zussen en broers betrokken worden, terwijl anderen terughoudend zijn als het gaat om de betrokkenheid van familie of vrienden. Ze vinden het bijvoorbeeld vervelend als persoonlijke informatie wordt doorgespeeld, willen anderen niet belasten of zijn bang voor hun oordeel. Van de lokale teams en specialistische aanbieders geeft meer dan de helft aan altijd met jeugdigen en ouders te onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om hun problemen aan te pakken en wat de omgeving hierbij kan betekenen. Een derde geeft aan dit vaak te doen.

In welke mate is een beroep op eigen kracht of het sociale netwerk op het vlak van jeugdzorg mogelijk? In welke mate wordt een beroep gedaan op eigen kracht of het sociale netwerk? Op welke wijze is dit beroep op eigen kracht en het sociale netwerk georganiseerd? Schaalnadelen Een risico van de decentralisaties is dat er schaalnadelen kunnen optreden. Elke gemeente, ook de kleinere gemeenten, moeten eigen expertise ontwikkelen, benodigde kennis en capaciteit in huis hebben, financiële risico’s dragen en onderhandelingen voeren voor de inkoop van zorgaanbod bij bijvoorbeeld zorginstellingen. Deze nadelen zijn te ondervangen door intergemeentelijke samenwerking, al komt dit om verschillende redenen niet in alle gevallen goed tot stand. Bovenal deed het risico van schaalnadelen zich de afgelopen jaren het meest pregnant gelden in de jeugdzorg (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering). Met name als het gaat om complexe problematiek van jeugdigen, is specialistische kennis vereist en betreft het vaak langdurige hulptrajecten. Bepaalde problemen komen in een gemeente echter te weinig voor om specialisatie te rechtvaardigen en kostenefficiënt te zijn. De schaal van het opdrachtgeverschap om deze hulp in te kopen is door de decentralisaties verkleind. In de praktijk bleek dit tot grote problemen te leiden, zoals een gebrek aan continuïteit van de zorg en lange wachtlijsten.

Zaken als de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering, gesloten jeugdhulp en vormen van specialistische jeugdhulp kunnen daarom beter op een hoger schaalniveau worden belegd. Verdere verplichting van bovenregionale samenwerking is daar een onderdeel van. Samenwerking is volgens de minister nodig om kwaliteit en ook de continuïteit van de zorg te waarborgen, maar dit kwam de laatste jaren onvoldoende van de grond, waardoor dit nu een meer verplichtend karakter krijgt Welke schaalnadelen t.a.v. jeugdzorg worden door de gemeente op dit moment ervaren? Wat zijn hiervan de gevolgen voor de jeugdzorg in de gemeente? Welke intergemeentelijke samenwerking is erop dit moment ten aanzien van de inkoop van jeugdzorg? Welke verdere intergemeentelijke samenwerking wordt overwogen? Tot welk effect moet verdergaande intergemeentelijke samenwerking leiden? Wildgroei In dat grijze gebied waar lama’s knuffelen óók bij jeugdzorg hoort, is het aantal commerciële zorgaanbieders explosief gegroeid. Waren er twintig jaar geleden in totaal nog zo’n zeventig

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

11

jeugdzorginstellingen actief door het hele land en in 2014 ongeveer honderdtwintig, nu zijn dat er ruim zesduizend. Die explosieve groei heeft alles te maken met de manier waarop gemeenten hun jeugdzorg organiseren en inkopen. Ruim 90 procent doet dat via het open-housemodel. De gemeente bepaalt van tevoren criteria waaraan een zorgaanbieder moet voldoen en sluit contracten af met elke aanbieder die boven de (doorgaans vrij lage) lat uitkomt. Op die manier hebben sommige gemeenten honderden zorgaanbieders onder contract. Daarbij betaalt 64 procent van de gemeenten het afgesproken tarief per uur of per dag zonder garantie op resultaat. Dat is een rijke voedingsbodem voor wildgroei, en dat gebeurt dan ook. Niet alleen het aantal aanbieders dijt uit, dat geldt ook voor de aantallen kinderen. Vorige week nog meldde Unicef na onderzoek in de 41 rijkste landen ter wereld dat Nederlandse kinderen de gelukkigste ter wereld zijn. Paradoxaal genoeg zitten er van die Nederlandse kinderen ook zo'n 443.260 ‘in’ jeugdzorg, ongeveer 10 procent van het totaal.. Ook het Nederlands Jeugdinstituut krijgt regelmatig de vraag waarom zo’n hoog percentage Nederlandse kinderen hulp behoeft.

Het kenniscentrum zoekt het antwoord onder andere in onze ‘hoge geluksnorm’: ‘Gewone obstakels worden benaderd als een probleem, terwijl psychosociale problematiek niet lijkt toe te nemen.’ Terwijl kinderen met lichte problemen een overdosis hulp krijgen, komen kinderen met meervoudige problemen steeds moeilijker aan passende hulp. De situatie in Loon op Zand als voorbeeld (bron Follow the Money) Nergens in Brabant krijgen zoveel kinderen jeugdhulp als in Loon op Zand. Terwijl het tekort oploopt, groeit de plaatselijke jeugdzorgaanbieder BuroJIJ als kool en maakt het tonnen winst. In Loon op Zand krijgt 15,2 procent van de kinderen jeugdhulp, het hoogste percentage van Noord- Brabant. Twee grote stichtingen nemen de meeste jeugdhulp voor hun rekening in Loon op Zand. Op de derde plek staat het commerciële bedrijf BuroJIJ. BuroJIJ is een snelgroeiend bedrijf met inmiddels een omzet van 1 miljoen euro. In 2019 kampt Loon op Zand met een jeugdzorgtekort van 1,9 miljoen euro. In datzelfde jaar keert BuroJIJ een winst uit van 270.000 euro en een managementvergoeding van 174.000 euro.

Maakt de gemeente gebruik van het open-house model? Hoe is de ontwikkeling van het aantal jeugdzorgaanbieders dat onder contract staat? Welke garanties op resultaat worden door de gemeente gevraagd? Worden de beschikbare middelen goed verdeeld tussen lichte en zwaardere gevallen? Is er zicht op het verdienmodel van de gecontracteerde aanbieders? Is er sprake van een stijgend aandeel van de lichtere zorg aanbieders? Welke grenzen worden er gesteld aan de vormen van lichte hulp die vergoed wordt? Zijn er bij de gemeente signalen van wildgroei bij gecontracteerde zorgaanbieders? Monitoring Transparantie is de enige manier om grip te krijgen op de uitgaven en de kwaliteit van de jeugdzorg. Het gaat hierbij om inzicht zowel op geaggregeerd niveau als op individueel niveau (ieder kind in beeld). Middelen hiervoor zijn o.a. - Een dashboard waarop allerlei factoren zoals uitgaven, aantal cliënten, uitgaven per cliënt, kosten per zorginstelling/professional van maand tot maand in de gaten worden gehouden en als basis dienen voor gesprekken met aanbieders. Een voorbeeld hiervan is het dashboard van de gemeente Horst aan de Maas (zie kader)

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

12

-

-

Cliëntervaringsonderzoek dat inzicht geeft in verbeterpunten en (mogelijke) knelpunten en de prestaties per zorgaanbieder Aanvullend kwalitatief onderzoek van voldoende omvang. Dergelijk onderzoek is momenteel schaars, maar is volgens het SCP rapport van belang om lokale mechanismen op het spoor te komen in de relatie tussen verschillende actoren in het sociaal domein en inzicht geven in welke gemeentelijke oplossingen wel en niet werken in welke context. Analyse van de gemeentelijke cijfers over jeugdhulp door deze te vergelijken met de landelijke cijfers die het CBS jaarlijks publiceert (zie CBS rapportage jeugdhulp). Het CBS verzamelt gedetailleerde cijfers over het aantal jongeren met jeugdhulp en jeugdhulptrajecten.

Een paar dagen nadat Follow the Money vroeg of Horst aan de Maas mee wilde doen met ons onderzoek stuurden zij al een (bijna) volledige dataset op hoe Horst aan de Maas dat doet, leggen ze ons uit op het gemeentehuis. Twee beleidsmedewerkers laten een dashboard zien, waarop ze allerlei factoren zoals uitgaven jeugdzorg, specialistische zorg, aantal cliënten en uitgaven per cliënt van maand tot maand in de gaten houden. Op basis van deze analyses gaat de gemeente in gesprek met aanbieders. In sommige gevallen bleek dat Horst aan de Maas onterecht te veel betaalde bijvoorbeeld omdat bij declaratie de verkeerde productcode was gebruikt. Ramon Storer, business analist bij de gemeente, zegt: ‘Op het moment doen we dat alleen nog maar voor de meest complexe en dus duurste casussen. We verwachten bij de overige casussen nog veel meer informatie naar boven te halen. Makkelijk was dat niet, zeggen zij, maar noodzakelijk was het zeker. Op deze manier is de gemeente beter in staat om al vroeg mee te denken over hoe hulp wordt georganiseerd en verantwoord. Zo voorkomt de gemeente dat ze achteraf wordt overvallen door hoge zorguitgaven. ‘In een kleine gemeente als Horst aan de Maas heeft bijvoorbeeld een uithuisplaatsing een groot effect op de begroting,’ legt Storer uit. ‘In die zin is onze begroting ook kwetsbaar.

We doen al het mogelijke om te voorkomen dat een kind uit huis geplaatst wordt. Behalve als het de juiste oplossing is voor het kind, natuurlijk. Ook dan is transparantie in een vroeg stadium van groot belang.’ Doordat Horst aan de Maas scherp is op de cijfers, kan de gemeente inmiddels voor de grootste stijgers een goede verklaring geven. Zo steeg tussen 2017 en 2019 zowel het aantal cliënten als het aantal zorgaanbieders in Horst aan de Maas. ‘We zien een grote toename van zorgbedrijven die lichte zorg leveren,’ antwoordt Storer. ‘Onze hoop was dat hierdoor cliënten in de specialistische zorg naar de lichtere zorg zouden gaan. Maar het aantal cliënten in de specialistische zorg is gelijk gebleven.

Het aantal cliënten in de lichtere zorg is alleen maar toegenomen.’ Beschikt de gemeente over een dashboard waarin van maand tot maand factoren zoals uitgaven, aantal cliënten, uitgaven per cliënt, kosten per zorginstelling/professional van in de gaten worden gehouden? In hoeverre is er volledig inzicht op het niveau van het individuele kind? Geven de cliëntervaringsonderzoeken inzicht in verbeterpunten en mogelijke knelpunten en de prestaties per zorgaanbieder? En is dit inzicht actueel? Welk aanvullend kwalitatief onderzoek wordt er uitgevoerd en tot welke inzichten heeft dit geleid of moet dit leiden? Worden de gemeentelijke cijfers over jongeren met jeugdhulp en jeugdhulptrajecten vergeleken met de landelijke CBS-cijfers en wat valt dan op?

Jeugdbescherming en jeugdreclassering nog niet op orde Mede naar aanleiding van een kritisch rapport, waarin de Inspecties Gezondheidszorg en Jeugd (igj) en Justitie en Veiligheid (ij&v) de noodklok luiden over onder andere lange wachtlijsten en grote financiële tekorten (igj 2019; igj en ij&v 2019), is besloten tot extra maatregelen om de jeugdzorg

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

13

beter te organiseren. Echter in november 2019, ruim een half jaar na het rapport ‘Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’, constateerden de inspecties dat de gecertificeerde instelling nog steeds te maken hadden met wacht- of instroomlijsten en/of dat zij werkten met een minimale variant waarin (in de eerste periode) vooral werd ingezet op wegnemen van acute onveiligheid, maar niet op de uitvoering van een plan van aanpak om de structurele onveiligheid weg te nemen. Op 1 mei 2020 hadden in Nederland bijna 800 kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel geen vaste jeugdbeschermer als gevolg van personeelsproblemen. Naar schatting 40% van de kinderen met een maatregel wordt niet tijdig gezien. Naar schatting 60% heeft niet tijdig een vastgesteld plan van aanpak. Dit alles komt mede doordat (grote) aanbieders hun specialistische jeugdhulp afbouwen terwijl het gewenste kleinschalige aanbod niet elders wordt opgebouwd en sprake is van toenemende financiële problemen bij aanbieders. De verbeterplannen die de gecertificeerde instellingen met de jeugdhulpregio’s in de eerste helft van 2020 hebben opgesteld voorzien slechts beperkt in maatregelen tot verbetering in de jeugdbescherming en jeugdreclassering op korte termijn. Hoe is de situatie t.a.v.

jeugdbescherming en jeugdreclassering in de jeugdhulpregio waarvan de gemeente deel uitmaakt? Om hoeveel kinderen gaat het en welk deel van de kinderen staat op een wachtlijst of krijgt geen volledige hulp ? Welke maatregelen en verbeterplannen zijn in de jeugdhulpregio opgesteld? Wat is er nodig voor een structurele oplossing? Innovatie en ruimte voor professionals Een andere gedachte achter de decentralisaties is dat professionals van uitvoeringsorganisaties (in overleg met gemeenten) meer ruimte zouden moeten krijgen om te experimenten met nieuwe werkwijzen en op basis hiervan de werkwijzen en het zorgaanbod te vernieuwen en te verbeteren. Uit de evaluaties van de Wmo 2015 en de Jeugdwet blijkt dat het vernieuwen van het zorgaanbod in de eerste jaren na de decentralisatie niet duidelijk op gang kwam, mede doordat er veel aandacht uitging naar de transitie (invoeringsperikelen) en doordat uitvoerders vaak voor korte tijd gecontracteerd werden, wat de bereidheid van uitvoerders om te innoveren belemmert. De laatste jaren zijn gemeenten vaker langdurende contracten met zorgaanbieders gaan afsluiten. Verder verhinderen de budgettaire krapte, waar gemeenten en uitvoerders naar eigen zeggen mee kampen, en de kortdurende contractering van uitvoerders de noodzakelijke innovatie en ontwikkeling van het aanbod. Hierdoor blijven de individuele, relatief dure voorzieningen dominant.

Het is opvallend dat ongeveer driekwart van de gemeenten aangeeft dat vernieuwing een speerpunt is in het beleid, terwijl tegelijkertijd de meerderheid zegt dat er weinig is veranderd sinds 2015. Auteurs wijzen erop dat het belangrijk is dat leidinggevenden en bestuurders de uitvoerende professionals steunen in innovatieve handelingen. Wanneer uitvoerenden met hun oplossingen ongebaande paden betreden, maar daarvoor steeds weer op het matje worden geroepen, zullen zij geen nieuwe of innovatieve oplossingen toepassen en zullen zij geen maatwerk durven leveren. De evaluatie van de Jeugdwet geeft een gemengd beeld over de ruimte voor professionals sinds invoering van de wet. De helft van de gemeenten ervaart dat de handelingsvrijheid van professionals in de uitvoering is toegenomen. Toch ervaart bijna een kwart (24%) van de gemeenten dat er voor professionals juist minder ruimte is en het overige kwart ziet hierin nauwelijks ontwikkelingen. Volgens gemeenten komt dit door de bureaucratie die bij de Jeugdwet komt kijken en de noodzaak dat professionals verantwoording afleggen en gecontroleerd worden op wat zij doen. Minder dan de helft van de gemeenten (46%) ervaart dat ze doorgaans effectief regie voeren over het geven van meer ruimte aan professionals.

De evaluatie geeft verder aan dat gemeenten enerzijds proberen om ruimte te geven aan professionals om te bepalen welke hulp nodig is, in plaats van dat beleidsmedewerkers dat doen, maar dat dit anderzijds botst met de noodzaak om binnen de

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

14

jeugdhulp protocollen en indicatoren vast te stellen. Gemeenten ervaren dus een spanningsveld om enerzijds niet te veel vast te leggen, zodat ingespeeld kan worden op de (veranderende) hulpbehoefte van de cliënt, en anderzijds te voldoen aan de eisen van een zorgvuldige besluitvorming en motivering ten behoeve van de rechtsbescherming van de burger. Ook geeft de evaluatie aan dat er in de jeugdhulp weliswaar meer gemeentelijke vrijheid is, maar dat dit er tegelijkertijd toe heeft geleid dat er veel verschillende contract- vormen, toezichts- en verantwoordingskaders zijn, waardoor de administratieve lasten toenemen. Dit geeft professionals juist minder vrijheid. Overigens ervaren de professionals uit de specialistische jeugdhulp niet of nauwelijks meer ruimte sinds invoering van de Jeugdwet. Op een schaal van één (geen toename) tot tien (heel veel toename) geven lokale teams dit een 5,7, jeugd- en opvoedhulpaanbieders een 4, professionals uit de sector jeugdigen met een beperking een 3,4, jeugd-ggz een 2,2 en vrijgevestigden een 2,1. Wat betreft het vernieuwen van het zorgaanbod in de jeugdhulp, geeft de meerderheid (88%) van de gemeenten (in 2017) aan dat zij aanbieders waarmee zij samenwerken betrekken bij het op gang brengen van vernieuwing en verbetering.

Andersom geeft ook de meerderheid van de dienstverleners in de specialistische jeugdhulp aan dat gemeenten waar hun organisatie mee samenwerkt, hun organisatie bij het vernieuwen en verbeteren van het zorgaanbod betrekken. Toch blijkt ook uit de evaluatie van de Jeugdwet dat het vernieuwen van het zorgaanbod (in 2017) in de praktijk onvoldoende op gang komt. De contacten tussen gemeenten en aanbieders richten zich vooral op (kortdurende) contracten, betalingen, budgetplafonds en financiële knelpunten, waarbij een langdurige samenwerkingsrelatie die gericht is op vernieuwing van het zorgaanbod nauwelijks tot stand komt. Om dit te doorbreken is transformationeel leiderschap gevraagd. Welke ruimte is er voor professionals en uitvoeringsorganisaties om te innoveren? Hoe betrekt de gemeente aanbieders bij het verbeteren en vernieuwen van het zorgaanbod? Is er op dit moment sprake van voldoende innovatie? Welke innovaties lopen er op dit moment? Welke innovaties en experimenten zijn er voor de komende tijd gepland?

Jeugdzorg in beeld (conceptversie februari 2021)

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9835125/1