CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting Bestemmingsplan Helling 10-10 a Wanssum

Gemeenteraad 31 januari 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Helling 10-10a Wanssum12.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

Er moet getoetst worden aan het Bevi en het Bevt wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants. Situatie plangebied In dit wijzigingsplan worden geen beperkt kwetsbare objecten toegestaan, een nadere toetsing aan het Bevi en het Bevt is derhalve niet aan de orde. Transportroutes gevaarlijke stoffen Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Binnen deze afstand is er geen transportroute gelegen. Derhalve vormen transportroutes voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. In de omgeving van de plangebied liggen geen risicocontouren 10-6 en zijn geen leidingenstroken met buisleidingen aanwezig, zie onderstaande figuur.

Afbeelding 10: Uitsnede risicokaart

Het planvoornemen bestaat uit een vormverandering met beperkte uitbreiding van een reeds bestaande locatie. Het aantal aanwezige individuen ter plaatse zal niet substantieel toenemen, daar de meeste individuen de locatie voor slechts korte tijd zullen aandoen. De zelfredzaamheid ter plaatse is goed en ook de bereikbaarheid van de locatie voor de hulpdiensten bij een eventuele calamiteit is goed. Als gevolg hiervan kan gesteld worden dat er geen (extra) risico’s ontstaan

26

in het kader van de externe veiligheid. De planontwikkeling is daarmee verantwoord in het kader van de externe veiligheid.

4.1.7.

Cultuurhistorie en Archeologie 4.1.7.1. Archeologie

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. • Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Het archeologisch beleid is middels dubbelbestemmingen opgenomen in het vigerend bestemmingsplan voor het buitengebied. In dit bestemmingsplan is voor het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen om de archeologische waarden te beschermen en te behouden. Binnen de dubbelbestemming mag worden gebouwd waarbij de grond op maaiveldniveau voor maximaal 500 m2 wordt verstoord. Het planvoornemen voorziet niet in bodemverstoringen die groter zijn dan 500 m2 (op oorspronkelijk maaiveldniveau). De locatie waarop de uitbreiding van het bouwvlak plaatsvindt is immers met meer dan 1 m aangevuld door het projectbureau Ooijen-Wanssum.

Nader archeologisch onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is derhalve niet noodzakelijk.

4.1.7.2. Cultuurhistorie Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn in en in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische objecten gelegen die negatief worden beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.8. Verkeer en parkeren Als gevolg van het planvoornemen zal het verkeer van en naar de locatie nauwelijks veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Door het zelf verbouwen en opslaan van voeders hoeft er minder krachtvoer te worden aangevoerd. Daar staat tegenover dat de eigen verbouwde producten worden aangevoerd. De verwachting is dat deze afname en toename elkaar in evenwicht houdt. 27

Op de locatie is voldoende parkeergelegenheid aanwezig om te kunnen blijven voldoen aan de parkeerbehoefte. Zowel o.a. ten oosten als ook ten westen van de bedrijfsgebouwen en bouwwerken zijn ruime stroken aanwezig (> 15 m over een lengte van bijna 100 m) waar geparkeerd kan worden. Dit is ruimschoots toereikend voor het verkeer dat naar de locatie toekomt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen.

4.1.9. Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect.

Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura2000-gebied Maasduinen ligt op ruim 3 kilometer van het plangebied. Het bedrijf beschikt over een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het aantal dieren op de locatie. De onderhavige ontwikkeling leidt niet tot een uitbreiding van het aantal dieren.

Afbeelding 11: ligging t.o.v. Natura 2000

Voor een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient beoordeeld te worden dat de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt, geen significant 28

negatieve gevolgen kan hebben voor Natura2000-gebieden, in vergelijking tot de effecten op deze gebieden in de ‘bestaande planologische legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan’. Dit laatste betreft de zgn. referentiesituatie. De aan het bedrijf verleende Wnb vergunning is in het kader van dit bestemmingsplan de referentiesituatie. Deze referentiesituatie is tevens de maximale planologische mogelijkheid, die dit bestemmingsplan aan de locatie biedt. Voor de locatie is een AERIUS berekening uitgevoerd om te bepalen of de activiteiten binnen het agrarisch bedrijf zorgen voor een stikstofdepositie boven de gestelde norm (verleende vergunning). Uit de resultaten van de AERIUS berekening blijkt dat de geplande wijzigingen op het agrarisch bedrijf ruimschoots plaats kunnen vinden, zonder dat sprake is van negatief effecten op Natura2000 gebieden. De AERIUS berekening is in bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig wijzigingsplan, gezien de aard van de activiteiten en invulling van de locatie, geen negatief effect heeft op de instandhouding van de Natura2000 gebieden.

4.1.10.

Flora en Fauna

De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken en beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of worden beperkt. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd.

Bouwactiviteiten kunnen impact hebben op het leefgebied van planten- en diersoorten. Het planvoornemen betreft een verandering van de bestemming op de locatie Helling 10 – 10a Wanssum. Het plan voorziet in een vormverandering en een beperkte uitbreiding van het bouwvlak. De bouwplannen vinden deels plaats binnen het huidige bouwvlak en deels net buiten het huidige bouwvlak. Te plaatse van de geplande uitbreiding van het bouwvlak is een aantal jaren geleden aangevuld met grond, afkomstig uit het gebied Ooijen-Wanssum. Nadien hebben er enkel landbouwgewassen op deze grond gestaan, waarmee de aanwezigheid van beschermde planten en dieren is uit te sluiten. 29

Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de gunstige instandhouding van (waardevolle) flora- en fauna in de omgeving.

4.2.

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de geplande ontwikkeling is een landschappelijke inpassing opgesteld. Het plangebied is gelegen aan de oostkant van het beekdal van de Grote Molenbeek, ten zuiden van de kern Wanssum. Het plangebied wordt waargenomen vanaf 3 zijden te weten: •

• •

Komend uit het noorden over de weg Helling. Vanaf deze zijde wordt het zicht op de gebouwen en voeropslagen voor een deel afgeschermd door de ten noorden van de locatie gelegen gebouwen. Ter hoogte van het plangebied tonen de bebouwingen de voeropslagen zich gedurende korte tijd aan het verkeer; Komend uit het zuiden over de weg Helling. Vanaf deze zijd toont de aanwezige bebouwing zich langere tijd aan het verkeer; Gezien van uit de west zijde van de locatie (ten westen van de Molenbeek). Vanaf deze plek is de afstand tot het plangebied vrij groot, waardoor de aanwezige bebouwing, door maat, schaal- en kleurstelling van de gebouwen goed in het landschap op genomen.

Het plangebied keert zicht grotendeels open naar het verkeer op de weg Helling en wandelaars ten westen op de Sportlaan. Grote delen van het Beekdal van de Groote Molenbeek zijn in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum heringericht. Hierin is de nadruk gelegd op ecologie, hydrologie en waterveiligheid. In dit verband is te streven naar een gebiedseigen bij de structuur van het gebied passende omzoming van het plangebied aan de straatkant. Aan de westkant is gekozen het beekdal te respecteren en te spiegelen aan de overzijde langs de Sportlaan met het hoge dijktracé ook om het bedrijf te beschermen tegen periodes met hoogwater. Op grond van bovenstaande wordt voorgesteld het plangebied aan de straatkant te omzomen met beukenhagen en knotbomen. De hoogte van de hagen is daarbij te differentiëren en af te stemmen op de betekenis en het gebruik van achterliggende delen van het plangebied. De soortkeuze sluit aan bij de lokale groeiplaatsfactoren en de aangetroffen soorten in de directe omgeving van het plangebied. De knotbomen zijn volgens goed gebruik te snoeien. De hagen zijn aansluitend bij de positie en afschermende betekenis in stand te houden op een hoogte van respectievelijk 150-180, 90-120 en 60-80 cm. Het inpassingsplan is als bijlage 3 bijgevoegd. Bovenstaande ziet er als volgt uit:

30

Afbeelding 12: landschappelijke inpassing

4.3.

Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 4.3.1. Waterwet / Beleidsregels grote rivieren Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet is een achttal wetten samengevoegd tot één wet, waaronder de 'natte' delen van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr). Het op de Wbr gebaseerde Besluit Rijksrivieren is met de wetswijziging opgegaan in het Waterbesluit. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit.

De Waterwet, het Waterbesluit en de Water- regeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving.

31

In artikel 6.12 lid 1 van het Waterbesluit is opgenomen dat het verboden zonder daartoe strekkende vergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: werken te maken of te behouden; b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. a.

In de praktijk betekent dit dat voor activiteiten en/of werkzaamheden in plaats van een Wbr- vergunning een integrale watervergunning dient te worden afgegeven (voor enkele uitzonderingsgevallen dient slechts een melding te worden verricht). Voor de toetsing van het rivierkundig belang wordt vastgehouden aan de criteria zoals neergelegd in de Beleidsregels grote rivieren. Het doel van de Beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming onmogelijk maken.

Geplande ontwikkeling

Afbeelding 13, Uitsnede kaart beleidsregel grote rivieren

Ligging binnen stroomvoerend/waterbergend regime Het plangebied is volgens de kaartbladen van de Beleidsregels grote rivieren deels (de bestaande bebouwing) gelegen binnen het stroomvoerend regime van de Maas. Onder het "stroomvoerend" regime zijn zogenaamde riviergebonden activiteiten toegestaan. De lijst met dit type activiteiten is beperkt en limitatief. Het betreft activiteiten zoals de aanleg van waterstaatkundige kunstwerken of de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart. Tevens zijn hieronder begrepen de bouw van waterkrachtcentrales, de aanleg van scheepswerven, de vestiging/ uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, voor zover de activiteit uitsluitend gekoppeld is aan het vervoer over de rivier. Ten slotte 32

rekent de beleidslijn ook de realisatie van natuur, de uitbreiding van bestaande steenfabrieken, de winning van oppervlaktedelfstoffen en voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden tot de riviergebonden activiteiten. Niet-riviergebonden activiteiten die vallen onder het "stroomvoerend" regime zijn niet toegestaan, tenzij er in het algemeen sprake is van een groot openbaar belang of een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd ("Nee, tenzij-principe"). Ook voor functieveranderingen binnen bestaande gebouwen of voor activiteiten die met rivierverruiming per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie is toestemming mogelijk. Bij alle ontwikkelingen in het stroomvoerend rivierbed zal toestemming gekoppeld zijn aan een aantal rivierkundige voorwaarden. Algemeen geldend zijn de voorwaarden ten aanzien van een zodanige situering en uitvoering dat de veiligheid van de waterstaatswerken is gewaarborgd, dat er geen sprake is van een feitelijke belemmering van toekomstige vergroting van de afvoer- of bergingscapaciteit en de optredende waterstandsverhoging of de afname van de bergingscapaciteit zo gering mogelijk is.

Met uitzondering van de 'riviergebonden' activiteiten geldt verder dat de compensatie van de resterende, blijvende waterstandseffecten of de afname van de bergingscapaciteit duurzaam verzekerd dient te zijn. Ook de tijdige realisatie en de financiering van de compenserende maatregelen zal de initiatiefnemer moeten zekerstellen. Voor de activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier moeten opleveren geldt dat alle overeengekomen rivierverruimende maatregelen gegarandeerd moeten zijn. Toetsing plan aan stroomvoerend regime In het voorliggende geval is sprake van een niet-riviergebonden activiteit in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is. Aan een dergelijke activiteit wordt geen toestemming gegeven, tenzij, sprake is van activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie. Door de rivierverruimende maatregelen die in kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum hebben plaatsgevonden is er extra ontwikkelingsruimte ontstaan voor reeds in het gebied aanwezige bedrijven met uitbreidingsplannen. Om het peil van de nieuwe bebouwing aan te laten sluiten bij het peil van de bestaande gebouwen, is een gedeelte van het perceel, waarop de geplande loods gebouwd zal worden, al aangevuld ten opzichte van het bestaande maaiveld.

Omdat bovenstaande ontwikkeling al voorzienbaar was, hebben initiatiefnemers zich in een vroegtijdig stadium aangemeld voor de regeling ontwikkelingsruimte gebiedsontwikkeling Ooijen- Wanssum. Een gedeelte van de waterstandsverlaging die ontstaat door de ingrepen in het gebied Ooijen Wanssum, is gereserveerd ten behoeve van bedrijfsontwikkeling door bedrijven welke in het gebied gelegen zijn en welke zich hier tijdig voor hebben aangemeld. Initiatiefnemers hebben aangegeven van deze regeling gebruik te 33

willen maken en hebben al geruime tijd geleden bericht ontvangen dat deze ruimte beschikbaar is. De vervangende nieuwbouw van de jongveestal is niet eerder aangemeld voor deze regeling. De vervangende nieuwbouw levert echter, ten opzichte van de reeds voor deze locatie vergunde situatie, een beperkte uitbreiding plaats van minder dan 10% van de reeds vergunde gebouwen. daarmee lijkt ook deze ontwikkeling vergunbaar. Voor de geplande activiteiten is een Waterwetvergunning aangevraagd, waarbij voor een gedeelte van de activiteiten een beroep wordt gedaan op de regeling ontwikkelingsruimte gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Op 25 september 2018 is door de provincie Limburg de Provinciale instemmings- en akkoordverklaring (PIAV) hiervoor verleend. Daarmee wordt aangegeven dat eventuele effecten van de onderhavige ontwikkeling op de waterstand in het winterbed afdoende gecompenseerd zijn middels maatregelen in het gebied en dat de Waterwetvergunning verleend kan worden. Als voor een gedeelte van deze overige plannen (vervangende nieuwbouw) nog een beroep op de ontwikkelruimte nodig is, dan is daar in de aanvraag voor een Waterwetvergunning in voorzien.

4.3.2. Provinciaal waterplan Limburg Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water.

Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële 34

ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

4.3.3. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen.

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.

4.3.4. Hemelwaterinfiltratie Er vindt een uitbreiding plaats van oppervlakteverharding (voornamelijk dakoppervlak) met ca 2.500 m2. Het hemelwater afkomstig van dit dat kan ter plaatse en op het naastgelegen perceel in de bodem infiltreren. De naastgelegen percelen behoren immers ook in eigendom toe aan de initiatiefnemer. Indien de voorkeur wordt gegeven aan een infiltratievoorziening, dan zal deze voorziening een capaciteit van 100 mm per m2 dakoppervlak. Concreet betekent dit een voorziening met een inhoud van 250 m3 (zonder overloop) of kleiner met overloop op het eigen perceel. Op de aangrenzende grond is voldoende ruimte aanwezig om een dergelijke voorziening te realiseren.

35

4.3.5. Afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater dat binnen de locatie wordt gegenereerd, wordt direct aangesloten op de gemeentelijke riolering en via deze weg afgevoerd. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen geen belemmering oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en dat er vanuit de wateraspecten ook geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen wijziging.

4.4.

Explosieven

“Het gehele grondgebied van Venray heeft in de 2e wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Onderhavig plan maakt weliswaar bouwontwikkelingen mogelijk, maar dit betreft bouwmogelijkheden op plekken waar al gebouwen hebben gestaan of waar de grond al is geroerd/opgehoogd. Het aspect “explosieven” behoeft dan ook geen vertaling in de regels of op de verbeelding. Indien er in de toekomst op de locatie gesloopt/gebouwd gaat worden zal het aspect “explosieven” opnieuw beschouwd worden.

36

5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.

Economische haalbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Het vooroverleg is gevoerd. De reacties zijn gebundeld als bijlage 4 aan deze toelichting gevoegd en zijn verwerkt in het voorliggende plan. De opmerkingen van Rijkswaterstaat hebben geleid tot een nieuwe waterwetvergunning, welke verleend is op 07 december 2022 en bekend is onder nummer RWS-2022/37249. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken.

De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Door initiatiefnemer is aan alle direct omwonenden kenbaar gemaakt wat hij van plan is middels een verbeelding van de oude en de gewenste situatie.

37

5.3.

Procedure

Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-bestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. In die zes weken kan eenieder zijn/haar zienswijze(n) kenbaar maken bij de gemeente. Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.4.

Vooroverleg en inzage

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

Er is op het ontwerp-bestemmingsplan geen zienswijze ingediend.

38

6. Juridische planopzet 6.1.

Inleiding

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2.

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).

6.3.

Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

39

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12226938/1