CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlagenboek BP Herontwikkeling Eindstraat Bontekoestraat

Gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling van bestemmingsplan Bontekoestraat Venray18.710 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5

)LJXXULigging goudgroene natuurzone (donkergroen), zilvergroene natuurzone (licht groen), bronsgroene landschapszone (blauw) en Natura 2000-gebieden (paars gearceerd) ten opzichte van perceel plangebied (blauwe pijl)

 7RHWVLQJEHVFKHUPGHKRXWRSVWDQGHQ De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.  

6

7RHWVLQJVRRUWHQEHVFKHUPLQJ De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.

Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten 9RJHOV(artikel 3.1 Wnb)

(XURSHHVEHVFKHUPGHVRRUWHQ

1DWLRQDDOEHVFKHUPGHVRRUWHQ



(artikel 3.5 Wnb)

(artikel 3.10 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen

Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

-

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

-

7

De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincies, eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis vrijgesteld in bepaalde periodes in het jaar in Limburg. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.

Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’). De bebouwing op het terrein bevat geschikte nestlocaties voor huismus, in de ruimte onder de dakpannen welke via de dakgoot en/of de dakkapellen bereikt kunnen worden. Voor soorten als kerkuil,

8

steenuil, huismus, boerenzwaluw en gierzwaluw zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig, onder andere vanwege het ontbreken van sporen, invliegopeningen, en omdat de overhangende dakpannen in het cement liggen. Tevens zijn er geen waarnemingen gedaan van deze soorten tijden het veldbezoek. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij het de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen uit de tuin buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart, laatvlieger, gewone en grijze grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. De te slopen bebouwing bevatten geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort, door een kier onder de dakgoot van het achterste aanbouw met rode dak, welke leidt naar de ruimte tussen en dakpannen en het dakbeschot/isolatiemateriaal. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Bij de sloop van de bebouwing bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd.

Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als konijn, egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door het realiseren van nieuwe tuinen

9

en de omliggende tuinen betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet volledig vrijgestelde soorten steenmarter en eekhoorn voor. Er zijn geen holen of nesten in de bebouwing, grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor een steenmarter. Binnen het plangebied zijn tevens van beide soorten geen nesten of sporen aangetroffen.

De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.

Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten, met uitzondering van een incidenteel individu van een algemene (vrijgestelde) soort vanuit de omliggende tuinen.

10

Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bruine eikenpage, kleine ijsvogelvlinder, spiegeldikkopje en beekrombout. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.

Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als dreps, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwentand, ruw parelzaad en wilde ridderspoor. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. 



11

&RQFOXVLH Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van vleermuizen noodzakelijk geacht. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/vernietigen van nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht.

Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. 9HUYROJWUDMHFWHQDGYLHV De sloop van de bebouwing binnen het plangebied Bontekoestraat te Venray kan negatieve gevolgen hebben voor huismus en vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar huismus loopt van april tot en met half mei, vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunctie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te worden aangeboden die de te verstoren/vernietigen verblijfplaatsen (tijdelijk) kunnen opvangen.

Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden ge-

12

sloopt. Voor een initiatiefnemer is dat vaak een extra jaar tijdverlies. Indien de projectplanning van essentieel belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Daarnaast dient voor het verwijderen van aangetroffen nest- en verblijfplaatsen een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de provincie Limburg. Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De provincie neemt normaliter binnen 20 weken een besluit over de aanvraag.

13

6DPHQYDWWLQJ In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen 6RRUWJURHS

3RWHQWLHHO

6SUDNHYDQ

9HUYROJWUDMHFWPDDWUH

%LM]RQGHUKHGHQRSPHUNLQ

DDQZH]LJ

RYHUWUHGLQJ

JHOHQ

JHQ

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broedAlgemeen

of controle vooraf

Broedvogels Jaarrond beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen

seizoen bouwrijp maken

Foerageerhabi-

Ja

Mogelijk

Ja

Mogelijk

Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus

Vervolgonderzoek naar

Bij aanwezigheid is voor de

huismus

sloop een ontheffing nodig

Vervolgonderzoek naar gebruik van winkel door vleermuizen

Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Reptielen

Nee

Nee

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

$IVWDQGWRW

6SUDNHYDQ

JHELHG

DDQWDVWLQJ

Natura 2000

ca. 2,6 km

Nee

-

Natuurnetwerk Nederland

ca. 1700 m

Nee

-

Houtopstanden

-

Nee

-

tat Vliegroutes

*HELHGVEHVFKHUPLQJ

9HUYROJWUDMHFW

Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

%LM]RQGHUKHGHQRSPHUNLQ JHQ Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing

14

*HUDDGSOHHJGHEURQQHQ  Algemene Literatuur 

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse

Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-

Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. rion Uitgevers, Utrecht.

bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. 

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Algemene websites 

Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)

Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)

Floron.nl (soortgegevens planten)

Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)

Sovon.nl (soortgegevens vogels)

Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)

Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)

Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Bronnen Limburg 

van Buggenum, H.J.M., R.P.G. Geraerds & A.J.W. Lenders (red.) 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.

Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, Gedeputeerde Staten van Limburg, 6 december 2017

Hermans, J.T., R.W. Akkermans, F. Mertens, J. van der Weele & H.W.G. Heijligers 2004. Werkatlas libellen in Limburg. Inventarisatiegegevens periode 1977-2003. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.

Huizinga, C.E., L.S.G.M. Verheggen & R.W. Akkermans 2005. Werkatlas zoogdieren in Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.

Huizinga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen 2010. Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.

Kurstjens, G., B. Peters & K. van Looy 2010. De flora van het Maasdal. Ontwikkelingen van bijzondere soorten sinds de start van natuurontwikkeling vanaf 1994. Deelrapport 7. Kurstjens ecologisch adviesbureau, Beek-Ubbergen / Bureau Drift, Berg en Dal / INBO, Brussel.

Natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)

Polviewer.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg)

15

%LMODJH 6WLNVWRIGHSRVLWLHEHUHNHQLQJD DQOHJIDVH

Bestemmingsplan "Herontwikkeling Eindstraat - Bontekoestraat, Venray" (ontwerp)

75

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl. RvbYMtEdZWdC (22 november 2019) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

BRO

Bontekoestraat 2, 5801 CN Venray

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Realisatie woningen Eindstraat en Bontekoestraat in Venray

RvbYMtEdZWdC

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

22 november 2019, 13:37

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Situatie 1

NOx

46,87 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Bouwfase realisatie woningen aan de Eindstraat en Bontekoestraat in Venray. Voor de mobiele werktuigen is gerekend met: 1) Graafmachine: 200 kW, bouwjaar vanaf 2011, belasting 60%, 64 draaiuren. 2) Trilplaten: 10 kW, bouwjaar vanaf 2002, belasting 40%, 40 draaiuren. 3) Betonstorter: 200 kW, bouwjaar vanaf 2011, belasting 50%, 35 draaiuren. 4) Hijskraan: 200 kW, bouwjaar vanaf 2015, belasting 50%, 144 draaiuren. 5) Kiepwagen: 450 kW, bouwjaar vanaf 2015, belasting 60%, 70 draaiuren. Deze gegevens zijn vertaald naar in Aerius voorziene mobiele werktuigen. Verkeer van en naar de locatie ingevoerd conform paragraaf 2.6.2 van Instructie gegevensinvoer Aerius Calculator 2018. Voor het wegverkeer is gerekend met: 1) Licht verkeer: 320 auto’s, zijnde 640 bewegingen p/j. 2) Zwaar verkeer: 159 vrachtwagens, zijnde 318 bewegingen p/j. De ingevoerde gegevens zijn worstcase.

Resultaten

Situatie 1

RvbYMtEdZWdC (22 november 2019) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Bouwmachines Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

Wegverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

-

46,51 kg/j

< 1 kg/j

< 1 kg/j

RvbYMtEdZWdC (22 november 2019) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx

Voertuig

Omschrijving

AFW

Brandstof verbruik (l/j)

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

Graafmachine

3,0

1,5

0,0 NOx

22,27 kg/j

AFW

Trilplaat

2,0

1,0

0,0 NOx

< 1 kg/j

AFW

Betonstorter

3,0

1,5

0,0 NOx

12,60 kg/j

AFW

Hijskraan

3,0

1,5

0,0 NOx

5,76 kg/j

AFW

Kiepwagen

3,0

1,5

0,0 NOx

5,67 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Bouwmachines 195682, 393386 46,51 kg/j

Soort

Voertuig

Standaard

Standaard

Situatie 1

Wegverkeer 195731, 393493 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Licht verkeer

640,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Zwaar vrachtverkeer

318,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

RvbYMtEdZWdC (22 november 2019) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019_20191018_c53b8fdaa8 Database versie b429880a81 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Resultaten

Situatie 1

RvbYMtEdZWdC (22 november 2019) pagina 5/5

Bijlage 5 Stikstofdepositieberekening gebruiksfase

Bestemmingsplan "Herontwikkeling Eindstraat - Bontekoestraat, Venray" (ontwerp)

81

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl. RsHwaMn6nDFb (22 november 2019) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

BRO

Bontekoestraat 2, 5801 CN Venray

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Gebruiksfase woningen Eindstraat en Bontekoestraat in Venray

RsHwaMn6nDFb

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

22 november 2019, 13:38

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Situatie 1

NOx

1,44 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Gebruik van 16 woningen aan de Eindstraat en Bontekoestraat in Venray conform opgave opdrachtgever en vertaling naar in Aerius voorziene mobiele bronnen. Verkeer van en naar de locatie ingevoerd conform paragraaf 2.6.2 van Instructie gegevensinvoer Aerius Calculator 2018. Ingevoerde transportbewegingen: 1) Licht verkeer: 79 auto's per etmaal, zijnde 158 bewegingen per etmaal. De woningen zijn gasloos. De ingevoerde gegevens zijn worstcase.

Resultaten

Situatie 1

RsHwaMn6nDFb (22 november 2019) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Wegverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

< 1 kg/j

1,44 kg/j

RsHwaMn6nDFb (22 november 2019) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Resultaten

Wegverkeer 195694, 393390 1,44 kg/j < 1 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

158,0 / etmaal NOx NH3

1,44 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

RsHwaMn6nDFb (22 november 2019) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019_20191018_c53b8fdaa8 Database versie b429880a81 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Resultaten

Situatie 1

RsHwaMn6nDFb (22 november 2019) pagina 5/5

Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek incl. asbest

Bestemmingsplan "Herontwikkeling Eindstraat - Bontekoestraat, Venray" (ontwerp)

87

VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN VERKENNEND ONDERZOEK ASBEST IN PUIN/GROND BONTEKOESTRAAT/EINDSTRAAT TE VENRAY

Rapportage verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin/grond Bontekoestraat/Eindstraat te Venray Opdrachtgever

BRO Boxtel Postbus 4 5280 AA Boxtel

Rapportnummer Versienummer

9932.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

17 januari 2020

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

drs. T.E. van den Hemel

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ing. R.T.M. Peeters

Paraaf Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 2

3

VOORONDERZOEK................................................................................................................... 2

4

CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET) ................................................. 2

5

VELDWERK ................................................................................................................................ 3 5.1 5.2

5.3

6

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 6 6.1 6.2 6.3

7

Algemeen.......................................................................................................................... 3 Grondonderzoek ............................................................................................................... 3 5.2.1 Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest ................................................... 3 5.2.2 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 4 5.2.3 Zintuiglijke waarnemingen .................................................................................. 4 Grondwateronderzoek ...................................................................................................... 6 5.3.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 6 5.3.2 Bemonstering ..................................................................................................... 6

Uitvoering analyses .......................................................................................................... 6 Toetsingskader ................................................................................................................. 8 Resultaten grond- en grondwatermonsters ...................................................................... 9

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 12

BIJLAGEN: 1. 2. 3. 3b. 4a. 4b. 5.

- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Boorprofielen - Foto’s asbestinspectiegaten, opgegraven en gezeefd materiaal - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten - Toetsingskader Circulaire bodemsanering

1

INLEIDING

BRO Boxtel heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin/grond op de locatie Bontekoestraat/Eindstraat te Venray. Het bodemonderzoek en onderzoek asbest is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het verkennend bodemonderzoek en het verkennend onderzoek asbest in puin/grond heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een gronden/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest van het terrein terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem en het puin, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond".

Het verkennend onderzoek asbest in bodem en puin is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" en conform de NEN 5897+C1:2016/C2:2017 "Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat". Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001, 2002 en 2018. Voor het veldwerk en bemonstering van asbest in puin is geen certificering van toepassing. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers, die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. De analyseresultaten met betrekking tot de bodem zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). De resultaten met betrekking tot het puin zijn getoetst aan de hergebruikswaarde uit de Regeling Bodemkwaliteit (bijlage A). Voor de specifieke toetsing wordt verwezen naar paragraaf 6.2. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 1 van 13

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE

Het vooronderzoek omvat de onderzoekslocatie en de direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 1.244 m²) is gelegen aan de Bontekoestraat/Eindstraat te Venray (zie bijlage 1). Het noordelijke terreindeel is gelegen ten noorden van de Bontekoestraat en het zuidelijke terreindeel is gelegen te zuiden van de Bontekoestraat. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Venray, sectie C, nummer 7964, 6942 en 7954. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 25,2 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de noordelijke onderzoekslocatie X = 195675.5, Y = 393396.4 en van de zuidelijke onderzoekslocatie X = 195692.9, Y = 393365.9.

3

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek is reeds uitgevoerd door Econsultancy tijdens een historisch bodemonderzoek (rapportnummer: 9932.001, d.d. 6 juni 2019).

4

CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET)

Op basis van het vooronderzoek, welke dus reeds door Econsultancy is uitgevoerd tijdens een historisch bodemonderzoek (rapportnummer: 9932.001, d.d. 6 juni 2019) worden de volgende deellocaties onderscheiden:  Deellocatie A: Winkelpand en tuin  Deellocatie B: Parkeerplaats en omliggend terrein Deellocatie A: Winkelpand en tuin Ter plaatse van deellocatie A zijn bijmengingen met puin waargenomen op het maaiveld. Daarnaast is asbestverdachte dakbedekking waargenomen. De dakbedekking is niet voorzien van een dakgoot en stromen direct af op de onverharde ondergrond. Verwacht wordt daarom, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen kunnen voorkomen in de bodem. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn zware metalen, PAK en asbest. In het kader van de bestemmingsplanwijziging wordt daarom aanbevolen de deellocatie te onderzoeken volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt.

Deellocatie B: Parkeerplaats en omliggend terrein Ter plaatse van deellocatie B is een half-verharding met puin/grind aanwezig. Het materiaal in de halfverharding is van onbekende herkomst en dient daarom als verdacht te worden beschouwd op de aanwezigheid van asbest. Daarnaast kan door mogelijke uitloging van zware metalen de onderliggende bodem verontreinigd zijn geraakt.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 2 van 13

In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient de bodem onder de half-verharding te worden onderzocht volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Omdat bij de herontwikkeling van het terrein ook de half-verharding verwijderd wordt, wordt geadviseerd om ook de half-verharding te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest. In tabel I zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel I.

Onderzoeksstrategie Deellocatie

Oppervlakte

Verwachte stoffen

Onderzoeksstrategie

A1

Winkelpand en tuin

850 m2

zware metalen, PAK, asbest

VED-HE

A2

Inspoelzone opslagschuur

< 100 m2

asbest

VEP

zware metalen

VED-HE

asbest

HALF

2

B1

Parkeerplaats en omliggend terrein

400 m

B2

Half-verharding parkeerterrein

210 m2

Onderzoeksstrategieën: VED-HE-NL : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig (NEN 5740 en NEN 5707) VEP : Verdacht, plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (NEN 5707) HALF : Strategie voor halverhardingslagen (NEN 5897)

5

VELDWERK

5.1

Algemeen

Tijdens het opstellen van het monsternemingsplan en -formulier en het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het vooronderzoek en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2 bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de asbestinspectiegaten, de boorpunten en de peilbuizen. In bijlage 3 zijn de profielen van de asbestinspectiegaten en de boringen opgenomen. Ten behoeve van het onderzoek is de onderzoekslocatie verdeeld in 2 deellocaties. Het totale aantal boringen/gaten is overeenkomstig de betreffende onderzoeksstrategieën verdeeld over beide deellocaties. Deellocatie A omvat het winkelpand en tuin. Deellocatie B betreft de parkeerplaats en omliggend terrein. 5.2 5.2.1

Grondonderzoek Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest

Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In tabel II zijn enkele algemene gegevens met betrekking tot de visuele inspectie van de toplaag opgenomen.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 3 van 13

Tabel II.

Visuele inspectie toplaag Aandachtsgebied

Opmerking

Oppervlakte van geïnspecteerde locatie

1244 m²

Conditie toplaag

vochtig

Beperkingen van de inspectie

Begroeiing en bestrating

Weersomstandigheden

Neerslag < 10 mm/uur Zicht > 50 m

Zand, klei/leem en/of veen

Zand

Los of (deels) vastgereden

vastgereden

Geen/matige vegetatie

matige

Geschatte inspectie-efficiëncy (tabel 2 NEN 5707)

70-90 %

Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?

Nee

5.2.2

Uitvoering veldwerk

Het veldwerk is op 3 december 2019 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer L. Simons. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor de protocollen 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In het totaal zijn er met behulp van een edelmanboor, riversideboor en zuigerboor 13 boringen geplaatst; 2 boringen tot 0,1 m -mv, 3 boringen tot 1,0 m -mv, 2 boringen tot 1,2 m -mv, 1 boring tot 1,5 m -mv, 3 boringen tot 2,0 m -mv, 1 boring tot 4,9 m -mv en 1 boring tot 5,5 m -mv. Deze 2 diepe boringen zijn afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Verder zijn er met behulp van een schep 11 gaten gegraven; 1 gat met een afmeting van 50x50 cm tot een diepte van 0,1 m -mv, 1 gat met een afmeting van 30x30 cm tot een diepte van 0,1 m -mv, 4 gaten met een afmeting van 30x30 cm tot een diepte van 0,5 m -mv, 4 gaten met een afmeting van 30x30 cm tot een diepte van 0,7 m -mv en 1 gat met een afmeting van 30x30 cm tot een diepte van 1,0 m -mv. De boringen zijn gecombineerd met gaten.

Van het opgegraven en opgeboorde materiaal is een (boor)beschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er (grond)monsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij (bodem)lagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest is het opgegraven materiaal gezeefd over een 20 mm zeef en zintuiglijk beoordeeld.. 5.2.3

Zintuiglijke waarnemingen

Deellocatie A: Winkelpand en tuin De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en plaatselijk zwak grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak humeus en zwak tot sterk gleyhoudend. Bovendien is de ondergrond plaatselijk zwak grindig. De bovengrond is plaatselijk zwak puinhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Bovendien zijn er tijdens de werkzaamheden zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel III geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn aangetroffen.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 4 van 13

Tabel III.

Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen

Gat/boring

Einddiepte gat/boring (m -mv)

Traject (m -mv)

Waargenomen verontreinigingen

A02

2,0

0,0-0,7

zwak puinhoudend

A04

1,2

0,0-0,7

zwak puinhoudend

A05

1,5

0,0-1,0

zwak puinhoudend

A06

1,0

0,0-0,5

zwak puinhoudend

A11

0,1

0,0-0,1

zwak puinhoudend

Deellocatie B: Parkeerplaats en omliggend terrein De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en zwak tot sterk grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gleyhoudend. In de bodem tot maximaal 1,5 m -mv van de gehele onderzoekslocatie zijn plaatselijk in verschillende gradaties baksteen- en beton-delen aangetroffen. Bovendien is ter plaatse van boring B03 een volledige baksteenlaag aangetroffen over het traject 0,5-1,2 m -mv. Ter plaatse van boring B03 zijn verder dakpan-delen aangetroffen. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel IV geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgegraven opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel IV.

Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen

Boornummer

Einddiepte boring (m -mv)

Traject (m -mv)

Waargenomen verontreinigingen

B01

5,55

0,2-0,4

matig baksteenhoudend

0,4-1,2

zwak baksteenhoudend

B02

2,0

0,0-0,4

sterk baksteenhoudend

B03

1,2 (gestuit op baksteen)

0,0-0,12

matig baksteenhoudend, zwak betonhoudend

0,12-0,5

matig dakpanhoudend

0,5-1,2

volledig baksteen

B04

1,0

0,0-0,2

sterk betonhoudend

B05

2,0

0,2-0,7

matig baksteenhoudend, zwak betonhoudend

0,7-1,5

matig baksteenhoudend

Tabel V geeft een overzicht van de samenstelling van de in het veld samengestelde asbest(meng)monsters.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 5 van 13

Tabel V.

Overzicht van de samenstelling van de asbest(meng)monsters

(Meng)monster

Monsters (in m -mv)

Bijzonderheden

Deellocatie A: Winkelpand en tuin ASB-MMA

A02 (0,0-0,5), A04 (0,0-0,5), A05 (0,0-0,5), A06 (0,0-0,5)

verdachte laag grond (zwak puinhoudend)

ASB-MMA1

A11 (0,0-0,1)

verdachte laag grond (zwak puinhoudend)

Deellocatie B: Parkeerplaats en omliggend terrein ASB-MMB

B02 (0,0-0,4), B03 (0,0-0,5), B04 (0,0-0,2), B05 (0,2-0,5)

5.3

Grondwateronderzoek

5.3.1

Uitvoering veldwerk

verdachte laag grond (matig tot sterk baksteenhoudend, matig dakpanhoudend, zwak tot sterk betonhoudend)

Centraal op de onderzoekslocatie zijn 2 peilbuizen (filterstelling 3,9-4,9 en 4,55-5,55 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 3 december 2019 is ingeschat. 5.3.2

Bemonstering

De grondwaterbemonstering is op 10 december 2019 uitgevoerd door de heer N.W.M. Snippe. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel VI geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel VI. Peilbuisnummer

6 6.1

Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater Situering peilbuis

Filterstelling (m -mv)

Grondwaterstand (m -mv)

Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

Zuurgraad (pH)

A01

centraal op deellocatie A

3,9-4,9

3,86

353

89,8

4,55

B01

centraal op deellocatie B

4,55-5,55

4,17

523

26,2

6,69

LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 7 grondmengmonsters samengesteld (3 grondmengmonsters van de bovengrond en 4 grondmengmonsters van de ondergrond). De zintuiglijk meest verontreinigde grondmonsters zijn gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters. De 7 grondmengmonsters en de 2 grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten:

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 6 van 13

-

standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;

-

standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie;

Na bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit grondmengmonster MMA1 (bovengrond) is samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameters lood en zink. Tabel VII geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten. Tabel VII.

Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten

Grondmengmonster

Traject (m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

MMA1

A02 (0,0-0,5), A02 (0,5-0,7), A04 (0,0-0,5), A06 (0,0-0,5)

standaardpakket grond

bovengrond (zwak puinhoudend)

A02-1

A02 (0,0-0,5)

lood en zink

bovengrond (zwak puinhoudend)

A02-2

A02 (0,5-0,7)

lood en zink

ondergrond (zwak puinhoudend)

A04-1

A04 (0,0-0,5)

lood en zink

bovengrond (zwak puinhoudend)

A06-1

A06 (0,0-0,5)

lood en zink

bovengrond (zwak puinhoudend)

MMA2

A02 (0,7-1,0), A04 (0,7-1,2), A06 (0,5-1,0)

standaardpakket grond

ondergrond (zintuiglijk schoon)

MMA3

A01 (0,0-0,5), A03 (0,0-0,5)

standaardpakket grond

bovengrond (zintuiglijk schoon)

MMA4

A01 (1,0-1,5), A01 (1,5-2,0), A02 (1,0-1,5), A02 (1,5-2,0), A03 (0,7-1,0)

standaardpakket grond

ondergrond (zintuiglijk schoon)

MMB1

B01 (0,2-0,4), B02 (0,0-0,4), B03 (0,0-0,12), B04 (0,0-0,2)

standaardpakket grond

bovengrond (matig tot sterk baksteenhoudend, zwak tot sterk betonhoudend)

MMB2

B01 (0,5-1,0), B01 (1,0-1,2), B05 (0,7-1,0), B05 (1,0-1,5)

standaardpakket grond

ondergrond (zwak tot matig baksteenhoudend)

MMB3

B01 (1,5-1,7), B01 (1,7-2,0), B02 (0,5-1,0), B02(1,0-1,5), B04 (0,5-0,7), B05 (1,5-2,0)

standaardpakket grond

ondergrond (zintuiglijk schoon)

Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Ten aanzien van de parameter asbest zijn in het laboratorium in totaal 3 (meng)monsters geanalyseerd op het volgende analysepakket: -

asbest (kwantitatief): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel), amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 7 van 13

Tabel VIII geeft een overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters en het analysepakket. Tabel VIII.

Overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters en het analysepakket

(Meng)monster

Monsters (in m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

ASB-MMA

A02 (0,0-0,5), A04 (0,0-0,5), A05 (0,0-0,5), A06 (0,0-0,5)

asbest in bodem (NEN 5898 -2016)

verdachte laag grond (zwak puinhoudend)

ASB-MMB

B02 (0,0-0,4), B03 (0,0-0,5), B04 (0,0-0,2), B05 (0,2-0,5)

asbest in bodem (NEN 5898 -2016)

verdachte laag grond (matig tot sterk baksteenhoudend, matig dakpanhoudend, zwak tot sterk betonhoudend)

ASB-MMA1

A11 (0,0-0,1)

asbest in bodem (NEN 5898 -2016)

verdachte laag grond (zwak puinhoudend)

Aangezien de aangetroffen volledige baksteenlaag door de veldwerkers is beoordeeld als een eenduidige, homogene laag is volgens Econsultancy deze volledige baksteenlaag niet asbest-verdacht en daarom ook niet onderzocht. 6.2

Toetsingskader

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -

achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;

-

streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;

-

tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;

-

interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.

Rapport 9932.002 versie D1

Pagina 8 van 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10146369/1