CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 1.3. Bijlage III Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Janslust 11 Venray, besluitvorming wordt uitgesteld9.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA JANSLUST 11 TE HEIDE

Rapportage quickscan flora en fauna Janslust 11 te Heide Opdrachtgever

Natuurbegraafplaats Weverslo Janslust 11 5812 AT Heide

Rapportnummer Versienummer

11636.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

17 januari 2020

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nlOverijssel

Opsteller

F. Boonk, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ir. F.M. IJdema

ing. R.J. Stoffer

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen ...................................................................................................................... 9 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 10 Reptielen ......................................................................................................................... 11 Amfibieën ........................................................................................................................ 11 Vissen ............................................................................................................................. 12 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 12

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7

Jaarrond beschermde nesten ......................................................................................... 13 Algemene broedvogels ................................................................................................... 13 Boombewonende vleermuizen ....................................................................................... 13 Poelkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander ................ 14 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 14 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 14

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 15 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 15 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 16

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 17

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 18

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 11636.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Natuurbegraafplaats Weverslo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Janslust 11 te Heide. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een interne uitbreiding van het aantal graven. Er worden geen fysieke ingrepen gedaan in het landschap. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 1 van 19

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 5 ha) ligt aan de Janslust 11, te Heide. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend bij de gemeente Venray onder sectie Z nummer 491. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

Op de onderzoekslocatie is een kleinschalig bos gelegen met beperkte ondergroei. Op deze locatie is natuurbegraafplaats Weverslo gelegen. Tevens zijn er twee kleine gebouwen waarvan er één dient als receptie. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 5 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 2 van 19

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Takkenril binnen plangebied.

2.2

Figuur 4. Hoofdweg door plangebied.

Figuur 5. Rand van plangebied met overgang naar weiland.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te legaliseren en de capaciteit te vergroten van 100 graven/ha naar 200 graven/ha op het zuidwestelijke deel van het perceel. Dit betekent dat er geen ruimtelijke uitbreiding zal plaatsvinden maar de dichtheid van het aantal graven binnen de grenzen van de reeds aanwezige begraafplaats wordt vergroot.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 3 van 19

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 9 januari 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 4 van 19

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 5 van 19

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 6 van 19

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 7 van 19

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen ruraal gebied kunnen dit zijn: huismus, steenuil, roek, boomvalk, torenvalk, bosuil, havik, wespendief. Van deze soorten kan de huismus op voorhand worden uitgesloten. Deze soort maakt gebruik van gebouwen met dakpannen om onder te nestelen, in nabijheid van menselijke activiteit. Dergelijke ruimtes zijn in de gebouwen op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Roofvogels Tijdens het veldbezoek hadden de bomen geen bladerdek en konden derhalve goed gecontroleerd worden op grote nesten. Er zijn ten tijde van het veldbezoek geen grote nesten waargenomen die in gebruik kunnen zijn door havik of wespendief. Een middelgroot nest is aangetroffen die mogelijk in gebruik is door een boomvalk of torenvalk en in uitzonderlijke gevallen de bosuil. Het reeds aangetroffen nest bevindt zich buiten de verstoringsafstand (75 meter) van het gedeelte van het perceel waar de graven zich bevinden. Omdat er geen bomen gekapt zullen worden is er geen sprake van het wegnemen van jaarrond beschermde nesten. Met de uitbreiding van het aantal graven is er geen sprake van het wegnemen van foerageergebied. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten zijn met betrekking tot de uitbreiding van het aantal graven niet aan de orde.

Aangaande reguliere beheerwerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de Gedragscode Natuurbeheer (zie hoofdstuk 6). Bosuil De bosuil broedt voornamelijk in holtes in bomen, incidenteel in nestkasten en oude (ekster)nesten. De bosuil heeft een duidelijke voorkeur voor landschappen met veel oude bomen. Op het perceel zijn dergelijke bomen niet aanwezig. Uit te sluiten is ook de aanwezigheid van holtes die groot genoeg zijn om te dienen als nestlocatie voor een bosuil. Evenmin zijn er nestkasten aanwezig. Een aanwezig middelgroot nest dat in uitzonderlijke gevallen in gebruik kan zijn door een bosuil is buiten de verstoringsafstand van de aanwezige graven gelegen. Verstoring ten aanzien van de bosuil is niet aan de orde. Steenuil Steenuilen hebben een voorkeur voor coulisselandschap met veel variatie. Op het perceel is geen geschikt habitat aanwezig voor een steenuil. Evenmin zijn er mogelijkheden om te nestelen in grote holtes in bomen of in nestkasten. Verstoring ten aanzien van de steenuil is niet aan de orde.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 8 van 19

Roek Roeken zijn koloniebroeders en maken nesten in hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Er zijn op het perceel geen nesten aangetroffen in kolonieverband. Verstoring ten aanzien van de roek niet aan de orde. 5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning, roodborst en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals de zwarte specht en draaihals, of makers van grote nesten, zoals buizerd en sperwer. Er zijn op het perceel meerdere spechtenholen aangetroffen. Het gaat hierbij echter om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing ‘het Boshuis’ op de onderzoekslocatie heeft ruimtes achter betimmeringen waar vleermuizen gebruik van zouden kunnen maken. De aanvliegmogelijkheid is echter beperkt vanwege de beperkte hoogte. Daarbij blijft de bebouwing in de huidige staat behouden en is er geen sprake van mogelijke verstoring van aanwezige verblijflocaties. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (figuur 6). Deze zijn op het perceel in ruime mate aanwezig. Verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen zijn derhalve niet uit te sluiten. Omdat er aangaande het uitbreiden van het aantal graven geen bomen verwijderd zullen worden en er geen sprake is van verstorende verlichting is er echter geen sprake van een negatief effect op dergelijke verblijflocaties. Aangaande reguliere beheerwerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de Gedragscode Natuurbeheer (zie hoofdstuk 6).

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Rapport 11636.002 versie D1

Figuur 6. Loshangend schors waarachter vleermuizen zich kunnen ophouden is op het perceel in ruime mate aanwezig.

Pagina 9 van 19

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen hebben geen invloed op het aanwezige foerageergebied. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Gezien de bomen die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, zoals de bosranden, gehandhaafd blijven worden er geen vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, eekhoorn en das. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Op de onderzoekslocatie is er geen bebouwing aanwezig die in gebruik zou kunnen worden genomen door een steenmarter. Evenmin zijn er sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Mogelijk dat een in de omgeving verblijvende steenmarter gebruik maakt van de onderzoekslocatie om te foerageren of te migreren. Daarbij maakt de soort gebruik van schuilplekken die zich ook onder boomwortels of takkenrillen bevinden. Omdat er op het perceel voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn en blijven is er geen sprake van verstoring. Met de uitbreiding van het aantal graven is er evenmin sprake van het wegnemen van foerageergebied. Verstoring van de steenmarter als gevolg van de voorgestelde uitbreiding is niet aan de orde.

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. Das Op de onderzoekslocatie is een burcht aanwezig evenals sporen zoals graafsporen die erop wijzen dat de das gebruik maakt van de onderzoekslocatie als foerageergebied en om zich te verplaatsen (zie figuur 7). Dit is reeds bevestigd in een effectenstudie naar de das (Econsultancy, 2011). Om verstoring van de burcht tegen te gaan is hiervoor een houtwal gerealiseerd (zie figuur 8). In 2011 is reeds door de staatssecretaris van EZ besloten dat er geen sprake is van verstoring van de natuurbegraafplaats, omdat de activiteiten overdag plaatsvinden. Hiertoe heeft de initiatiefnemer een jaarlijkse monitoring bijgehouden (Beusmans & Jansen, 2011). Met de uitbreiding van het aantal graven zal geen sprake zijn van uitbreiding richting de aanwezige burcht. Begrafenissen vinden niet plaats binnen verstoringsafstand tot de burcht, te weten 50 meter (BIJ12, 2017). Bezoeken na zonsondergang zijn niet toegestaan. Verstoring van de das als gevolg van de voorgestelde uitbreiding is derhalve niet aan de orde.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 10 van 19

Figuur 7. Gevonden pijp van de burcht op het perceel.

Figuur 8. Houtwal om eventuele verstoring van begrafenissen te minimaliseren. De burcht ligt hier achter.

Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als kleine marterachtigen, egel, konijn en diverse muizensoorten. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen echter niet aangetast, mits hiermee rekening wordt gehouden tijdens de begrafenissen (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is op circa 2 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen in het daar aanwezige natuurgebied ‘Rouwkuilen’. De levendbarende hagedis komt voor op hoge zandgronden en heiden, en eventueel ook in open bossen. Het is een vochtminnende soort. Dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ongeschiktheid van de onderzoekslocatie en de afstand tot de waarnemingen kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat er zich op de onderzoekslocatie een populatie ophoudt. 5.5

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: alpenwatersalamander, boomkikker, heikikker, kamsalamander, poelkikker en vinpootsalamander. Genoemde soorten zijn op circa 2 kilometer ten westen waargenomen in natuurgebied de ‘Rouwkuilen’. Vanwege de afstand tot de onderzoekslocatie kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat er zich op de onderzoekslocatie een levensvatbare populatie ophoudt. Waarnemingen van de poelkikker en boomkikker zijn tevens gedaan op circa 600 meter ten noorden van de onderzoekslocatie rond de ‘Loobeek’. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Op circa 50 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich echter een wateroppervlak die vanwege de gebrekkige kwaliteit van het water evenmin geschikt lijkt als voortplantingswater. Een volgende waterpartij op circa 350 meter biedt meer kansen voor de poelkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander om mogelijk te gebruiken als voortplantingshabitat. Dat zich incidenteel individuen ophouden tussen de begroeiing op de onderzoekslocatie is vanwege de afstand tot

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 11 van 19

deze waterpartij niet volledig uit te sluiten. Bij begrafenissen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht van deze individuen (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie vormt eveneens geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing (zie hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Vaatplanten

De onderzoekslocatie bestaat uit bosschage, bestaande uit zomereik en grove den. Er is een beperkte onder begroeiing bestaande uit varens en een enkele taxus, evenals braam en hulst. De bodem betreft arme zandgrond. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 12 van 19

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Jaarrond beschermde nesten

Aangaande reguliere beheerwerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de Gedragscode Natuurbeheer (VBNE, 2016). Hierin staan zeer bruikbare werkwijzen met betrekking tot kap- en snoeiwerkzaamheden met als doel natuurbeheer. Dit betekent niet dat de initiatiefnemer gerechtigd is door middel van de gedragscode het wegnemen van jaarrond beschermde nesten uit te voeren zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming, daar de gedragscode bedoeld is voor professionele natuurbeheerorganisaties. In geval er gedurende het gebruik van het perceel als natuurbegraafplaats nieuwe nesten worden aangetroffen dan dient tijdig duidelijk te zijn of deze nesten een jaarronde bescherming genieten. In geval van verwijdering of verstoring zal hiertoe een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn. 6.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.3

Boombewonende vleermuizen

Aangaande reguliere beheerwerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de Gedragscode Natuurbeheer (VBNE, 2016). Dit betekent niet dat de initiatiefnemer gerechtigd is door middel van de gedragscode het wegnemen van jaarrond beschermde verblijfplaatsen uit te voeren zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming, daar de gedragscode bedoeld is voor professionele natuurbeheerorganisaties. In geval van het verwijderen van bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, zal aanvullend onderzoek moeten uitwijzen wat de functie is voor vleermuizen. In geval er sprake blijkt van een verblijfplaats voor vleermuizen zal bij de verwijdering hier van een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 13 van 19

6.4

Poelkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander

De poelkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander zijn beschermd conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn. Bij graafwerkzaamheden kunnen eventuele individuen die zich ophouden tussen de bladeren worden verstoord, verwond of gedood. Dit dient voorkomen te worden middels het opstellen van een ecologisch werkprotocol waarin maatregelen zijn opgenomen om het doden van streng beschermde amfibieën te voorkomen. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat voor graafwerkzaamheden de aanwezige bladeren en houtopslag zorgvuldig wordt verwijderd en elders geplaatst, en het werken in één richting om individuen de kans te geven te vluchten. 6.5

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 14 van 19

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Boschhuizerbergen en Deurnsche Peel & Mariapeel, bevinden zich op circa 6 kilometer afstand ten noordoosten en ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).

Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 6 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (uitbreiding aantal graven) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 15 van 19

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 700 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is op circa 700 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 16 van 19

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming. Er worden echter geen bomen gekapt.

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 17 van 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Natuurbegraafplaats Weverslo een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Janslust 11 te Heide. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een interne uitbreiding van het aantal graven. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te legaliseren en de capaciteit te vergroten van 100 graven/ha naar 200 graven/ha op het zuidwestelijke deel van het perceel. Dit betekent dat er geen ruimtelijke uitbreiding zal plaatsvinden maar de dichtheid van het aantal graven binnen de grenzen van de reeds aanwezige begraafplaats wordt vergroot. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

nee

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

nee

nee

nee

eventuele nestplaatsen van roofvogels worden niet aangetast. reguliere beheerwerkzaamheden volgens gedragscode, rekening houdend met nieuwe jaarronde nestlocaties.

verblijfplaatsen

ja

nee

nee

nee

eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet aangetast. reguliere beheerwerkzaamheden volgens gedragscode, rekening houdend met verblijfplaatsen.

foerageergebied

minimaal

nee

nee

nee

-

nee

nee

nee

nee

-

Algemene grondgebonden zoogdieren

ja

nee

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van wezel, hermelijn, bunzing, egel, konijn en diverse muizensoorten.

Das

ja

nee

nee

nee

verblijfplaats van de das wordt niet aangetast mits minimale verstoringsafstand van 50 meter gehandhaafd blijft

Poelkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander

ja

nee

nee

nee

graafwerkzaamheden uitvoeren middels met een ecologisch werkprotocol

Algemene amfibieën

ja

nee

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van amfibieën die zich ophouden tussen de begroeiing

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

vliegroutes

Rapport 11636.002 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen*

Pagina 18 van 19

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

6 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

700 m

nee

nee

nee

-

ja

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen bij reguliere werkzaamheden als kap- en snoeiwerkzaamheden overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Hiertoe maakt de beheerder gebruik van een Gedragscode Natuurbeheer (VBNE, 2016). In geval van het verwijderen van bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, zal aanvullend onderzoek moeten uitwijzen wat de functie is voor vleermuizen. Inden blijkt dat het inderdaad een verblijfplaats van vleermuizen betreft dan zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn. In geval er gedurende het gebruik van het perceel als natuurbegraafplaats nieuwe vogelnesten worden aangetroffen dan dient tijdig duidelijk te zijn of deze nesten een jaarronde bescherming genieten. In geval van verwijdering zal hiertoe eveneens een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn. Bij graafwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht aangaande streng beschermde amfibieën, algemene zoogdieren en amfibieën. Hiertoe dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld waarin maatregelen zijn opgenomen om schade aan individuen te voorkomen.

De op het terrein aanwezige burcht van de das dient buiten de verstoringsafstand van ten minste 50 meter te blijven ten opzichte van de begrafenissen en hiertoe behorende graafwerkzaamheden. Met de huidige plannen waarbij het aantal graven wordt geïntensifieerd binnen het huidige gebied is er geen sprake van verstoring van de das. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege het uitblijven van ingrijpende werkzaamheden uitgesloten.

Econsultancy Boxmeer, 17 januari 2020

Rapport 11636.002 versie D1

Pagina 19 van 19

GERAADPLEEGDE BRONNEN Beusmans & Jansen, 2011, Ruimtelijke onderbouwing. Natuurbegraafplaats Weverslo. Beusmans & Jansen, Onderzoek & Advies in Ruimtelijke Ordening, Sevenum. BIJ12, Kennisdocument DAS. Meles meles., BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Econsultancy, 2011. Briefrapportage ‘Aanvulling effectenstudie das Landgoed Weverslo’, te vinden via www.ruimtelijkeplannen.venray.nl (13 januari 2020). Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied ‘Heide’, periode 2009-2019. VBNE, 2016, Gedragscode Natuurbeheer. VBNE, Driebergen.

www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Rapport 11636.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 11636.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 11636.002 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, g rote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Planten

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10156640/1