05 Bijlage Document zienswijzen mbt de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
Tekst van het document
Document reactie zienswijzen met betrekking tot de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
datum 10-9-2021
Inleiding Gedeputeerde Staten van Limburg hebben op 10 mei 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen. De aanvraag betreft het veranderen van de inrichting, inhoudende het opschalen van de vergunde mestverwerkingsinstallatie en wijzigingen in huisvestingssystemen en dieraantallen, gelegen aan de Timmermannsweg 110 in Ysselsteyn. De aanvraag en de bijbehorende stukken hebben van 22 juli 2020 tot en met 1 september 2020 voor zienswijzen ter inzage gelegen. Er zijn 4 zienswijzen ingediend. De binnengekomen zienswijzen op het ontwerpbesluit hebben mede betrekking op de ruimtelijke onderbouwing, die onderdeel uit maakt van het ontwerpbesluit en daarmee ook de door de gemeenteraad op 17 december 2019 afgegeven ontwerp verklaring van geen bedenkingen raakt. Gelet op artikel 3:11 lid 3 Wabo en de afgegeven ontwerp verklaring van geen bedenkingen wordt de gemeenteraad verzocht om een oordeel te geven over de ingediende zienswijzen en dit oordeel te betrekken bij het afgeven van de definitieve verklaring van geen bedenkingen. Onderstaand worden de zienswijzen die zien op het afwijken van het bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijk standpunt voorzien. 1. Geur De bestemming staat de opschaling van mestverwerking voor derden niet toe. Voor wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan wordt verwezen naar de bij de aanvraag bijgeleverde ruimtelijke onderbouwing.
In deze ruimtelijke onderbouwing wordt de beoogde geurbelasting vergeleken met de geclaimd vergunde geurbelasting. Er is geen aandacht besteed aan de omstandigheid dat de geclaimd vergunde geurbelasting hoger zal uitvallen dan de feitelijk gerealiseerde geurbelasting, aangezien de vergunde situatie niet is gerealiseerd. Bovendien is geen aandacht besteed aan de omstandigheid dat omwonenden bij het college van Burgemeester en Wethouders van Venray een verzoek hebben neergelegd om de onderliggende vergunning in te trekken, omdat deze niet is gerealiseerd en omdat deze ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu oplevert, nu de geurbelasting vanwege het debacle met de combi- luchtwassers zo veel hoger uitvalt dan destijds is beoogd. De omwonenden worden daardoor geconfronteerd met zeer hoge geurbelastingen en dientengevolge met een zeer slechte milieukwaliteit. In een situatie als de onderhavige wordt door de Raad van State nadrukkelijk verwezen naar de mogelijkheid om een vergunning in dat geval in te trekken. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geurbelasting van 40,4 OU/m3 als referentie wordt gehanteerd, ondanks dat deze nooit is gerealiseerd en niet uitgesloten kan worden dat deze waarde - ook na realisatie - onderschreden had kunnen worden wanneer met de combiluchtwassers toch meer reductie bereikt kan worden.
Bij 6 woningen is sprake is van een extreem slechte milieukwaliteit, bij 6 woningen van een zeer slechte milieukwaliteit en bij 10 woningen van een slechte milieukwaliteit. Er zijn dan ook goede gronden om te oordelen dat een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen dit initiatief. Temeer nu de claim dat de milieukwaliteit bij 8 woningen zou verbeteren en bij geen enkele woning zou verslechteren, ernstig genuanceerd moet worden, gelet op de voornoemde kritiek op de referentie die in de ruimtelijke onderbouwing wordt gehanteerd.
Voor de mestverwerking wordt een geuremissie in rekening gebracht die ongeloofwaardig laag voorkomt. Ongeloofwaardig, temeer nu gerekend wordt met het rendement van een 95 % chemische luchtwasser conform leaflet BWL 2007.05.V7. Dit leaflet heeft echter betrekking op een situatie waar dit type luchtwasser in een huisvestingssysteem met varkens of vleeskalveren wordt geplaatst. Er is geen onderbouwing dat de luchtwasser dezelfde reductie oplevert bij mestverwerking. Dit steekt te meer aangezien inmiddels door deskundigen ernstig getwijfeld wordt aan het geclaimde geurrendement van luchtwassers. In de studie "Verschillen tussen twee studies naar geurbelasting-geurhinderrelaties nader onderzocht", M. Wouters et al., 2015 (Universiteit Utrecht en IRAS) wordt opgemerkt dat bij metingen bij een grote keten van varkensbedrijven in 2006/2007 een maximaal geurverwijderingsrendement werd gemeten van 35 % bij luchtwassers die eigenlijk 70 % reductie zouden moeten opleveren. Verwezen wordt naar de uitspraak ECLI:NL:RVS:2018:3885, r.o. 14.2, waarin de Raad van State geoordeeld heeft dat op basis hiervan getwijfeld moet worden aan geclaimde geurrendementen bij luchtwassers bij mestverwerkingsinstallaties. Er dient daarom ernstig voor gevreesd te worden dat de mestverwerking een meer substantiële additionele geurbron betreft binnen de inrichting.
Een additionele geurbron die hier vanwege de extreem slechte milieukwaliteit, ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Standpunt gemeente Op basis van het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse de uitoefening van een intensieve veehouderij (inclusief het verwerken van eigen mest) toegestaan. Voor de activiteiten die op basis van het bestemmingsplan rechtstreeks zijn toegestaan, is een milieuvergunning verleend die weliswaar niet volledig is uitgevoerd, maar op basis waarvan de geurbelasting aanmerkelijk hoger is, dan wanneer de huidige plannen (met mestverwerking van derden) worden uitgevoerd. Hoewel de geurbelasting ter plaatse te hoog is en ter plaatse van meerdere woningen sprake is van een slechte milieukwaliteit, neemt de belasting ten opzichte van de huidige vergunde situatie af. Het verzoek om gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning is inmiddels afgewezen. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Voor de overwegingen die hieraan ten grondslag liggen wordt verwezen naar het besluit dat als bijlage bij dit document is opgenomen. In de berekening van de geurbelasting van de mestverwerking is gerekend met een geurverwijderingsrendement van 30% conform de leaflet voor de desbetreffende chemische luchtwasser. Hiermee is het risico dat je de geurreductie overschat zeer klein.
Bezwaarmaker noemt hiervoor “Voor de mestverwerking wordt een geuremissie in rekening gebracht die ongeloofwaardig laag voorkomt. Ongeloofwaardig, temeer nu gerekend wordt met het rendement van een 95 % chemische luchtwasser conform leaflet BWL 2007.05.V7”. De reductie van 95% bij de chemische luchtwasser BWL 2007.05V7 geldt echter voor ammoniak en niet voor geur. Zoals hiervoor vermeld is de geurreductie van BWL 2007.05V7 30%. De afwijking van het bestemmingsplan heeft onder andere betrekking op het aanvoeren en verwerken van mest van derden. Deze uitbreiding van de mestverwerking is dan ook beoordeeld op ruimtelijke aanvaardbaarheid. Op basis van de geurberekening is geconcludeerd dat de
uitbreiding niet leidt tot een hogere geurbelasting dan wanneer sprake is van gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan en waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is verleend. De gemeente streeft in haar ruimtelijk beleid naar een afname van de geuremissie. Door het toepassen van een andere techniek van mestverwerking, namelijk ontwateren en hygiëniseren dat in een meer gesloten proces plaatsvindt, neemt de geuremissie flink af ten opzichte van het reeds vergunde proces waarbij mest gecomposteerd wordt. In de Visie veehouderij gemeente Venray 2018 is dit benoemd als een van de doelen: Het verbeteren van het woon- en leefmilieu door het verminderen van de emissie bij veehouderijbedrijven. In de ontwerp Omgevingsvisie gemeente Venray (mei 2021) is het streven opgenomen om de luchtkwaliteit in de agrarische gebieden te verbeteren. Gelet op de afname van de aangevraagde geuremissie ten opzichte van de vergunde situatie is de aanvraag in overeenstemming met het ruimtelijk beleid. 2. POL/Behoefte aan mestverwerking Het toestaan van mestverwerking op deze locatie staat op gespannen voet met de visie ‘Naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw’ en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Het uitgangspunt is dat niet meer ruimte voor mestverwerking wordt geboden dan nodig is.
Dat in een voorschrift is bepaald dat de mest uit Noord-Limburg moet komen, onderbouwt niet dat geen onnodige mestverwerkingscapaciteit wordt geboden. Er ontbreekt onderzoek naar de noodzaak. Dit steekt te meer nu een grootschalige mestverwerkingsinstallatie in dezelfde gemeente niet van de grond is gekomen omdat er onvoldoende aanbod was (Metaalweg Ic Venray). Het POL geeft verder aan dat de beste locaties voor regionale en grootschalige mestverwerkingsinstallaties bedrijventerreinen zijn. Uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met een mestbewerkingsinstallatie op bedrijfsniveau is slechts onder voorwaarden mogelijk. Daarbij dient er aandacht te zijn dat de schaal en locaties passen bij de gebiedskwaliteiten, de ontwikkeling een bijdrage levert aan de verbetering van de leefomgeving en er een dialoog is met belanghebbenden. Gelet op het bovengenoemde levert de ontwikkeling echter geen bijdrage aan de verbetering van de leefomgeving, maar is er sprake van een extreem slechte milieukwaliteit. De schaal en locatie passen verder gezien het grote aantal woningen op korte afstand niet in dit lint en gezien de extreme geuroverbelasting niet bij de gebiedskwaliteit. Daarnaast is er geen sprake van een dialoog met belanghebbenden.
Standpunt gemeente Over mestverwerking wordt in het POL2014 het volgende gezegd: De beste locaties voor regionale en grootschalige mestverwerkingsinstallaties zijn bedrijventerreinen. Deze locaties passen het beste bij het karakter van dergelijke voorzieningen en beschikken over goede ontsluiting. Ook ontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij en grootschalige clusters land- en tuinbouwbedrijven lenen zich voor regionale mestverwerking. De koppeling tussen mestverwerking (als producent van energie) en energievragers biedt kansen en speelt mee bij de locatiekeuze. Hiernaast is uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met een mestbewerkingsinstallatie of een biomassa-installatie (in samenwerkingsverband met andere agrarische bedrijven) op bedrijfsniveau onder voorwaarden mogelijk. Mesttransport- en verwerking vormen een open markt op basis van contracten en er is geen sprake van lokale oriëntatie. Met het begrenzen van het gebied tot de regio Noord-Limburg zijn de
mogelijkheden voor de locatie Timmermannsweg 110 fors beperkt. Dit betekent dat de ondernemer een deel van zijn werkgebied niet kan gebruiken voor de mestverwerking. Daarnaast wordt door middel van een voorschrift verbonden aan de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening geborgd dat maximaal 25.350 m3 drijfmest van derden per jaar verwerkt mag worden. In regionaal verband is onderzocht wat de omvang van mestaanbod en verwerkingscapaciteit is. Daarbij is ook rekening gehouden dat er buiten de regio een tweetal grootschalige mestverwerkingsinitiatieven zijn. Op basis van deze analyse blijkt dat er een balans is tussen de vraag naar mestverwerking en de werkelijke en geplande mestverwerkingslocaties. Door het wegvallen van de verwerkingscapaciteit Metaalweg neemt de verwerkingscapaciteit juist af. Daarnaast is de verwachting dat door precisie bemesting de noodzaak tot mestverwerking blijft, ook al zou de hoeveelheid mest afnemen door stoppende bedrijven. De redenen waarom die locatie niet is gerealiseerd hangt van verschillende factoren. De onzekerheid over de aanvoer van mest is slechts één reden. Het heeft de voorkeur dat grootschalige mestverwerking op een bedrijventerrein gaat plaatsvinden vanwege de logistieke gevolgen. Kleinere initiatieven zijn mogelijk op een locatie in het buitengebied.
In beide gevallen is een beoordeling nodig of de aangewezen locatie geschikt is. Zoals in de procedure al eerder is kenbaar gemaakt is bij de locatie Timmermannsweg sprake van een agrarisch gebied waar rekening moet worden gehouden met het feit dat er ook een aantal burgers wonen. Dat betekent dat de omvang van de mestverwerking beperkt moet blijven en niet mag uitgroeien tot een grootschalige locatie. Als voorwaarde wordt bij de vergunning dan ook gesteld dat alle mest afkomstig moet zijn van bedrijven uit de regio Noord-Limburg. De regio Noord-Limburg bestaat uit de gemeenten Venray, Mook en Middelaar, Gennep, Bergen, Horst aan de Maas, Venlo, Peel en Maas en Beesel. Daarnaast wordt door middel van een voorschrift verbonden aan de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening geborgd dat maximaal 25.350 m3 drijfmest van derden per jaar verwerkt mag worden. 3. Voorzorgbeginsel Mestverwerking zorgt voor een risico voor de volksgezondheid. In het kader van een ruimtelijke toets ten aanzien van uitbreiding met mestverwerking met mest van dieren van derde bedrijven, dient dan ook het voorzorgbeginsel in acht genomen worden. Standpunt gemeente Op dit moment bestaan er nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de verspreiding van zoönosen afkomstig van mestbe- en verwerkingsinstallaties.
In de aanvraag zijn de voorzieningen en beheersmaatregelen genoemd die aanvrager treft om de risico’s voor de volksgezondheid zoveel mogelijk te beperken. Wij zijn van oordeel dat hiermee de gezondheidsrisico’s afdoende worden voorkomen. De verwerking van de mest betreft een grotendeels gesloten proces betreft. De mest en mestproducten worden aan- en afgevoerd via gesloten transporten en de mest en mestproducten worden na bewerking opgeslagen in afgesloten containers. Het betreft een aaneenschakeling aan procesunits die een reducerend effect hebben op micro-organismen (zoals hygiënisatie en omgekeerde osmose). Daarnaast is de installatie opgesteld in een gesloten gebouw waarvan de lucht wordt afgezogen en behandeld met een chemische luchtwasser.
4. Mesttransport Naast een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan voor de mestverwerking, is er ook sprake van een binnenplanse afwijking van de gebruiksregels in art. 4.5 onder r voor een kleinschalig mesttransport. Ten onrechte zijn hierover geen overwegingen opgenomen. Dit steekt te meer nu deze afwijking op gespannen voet staat met art. 4.6 sub j van de planregels. Het gebruik moet volgens deze bepaling plaatsvinden in niet meer in gebruik zijnde agrarische bedrijfsgebouwen. Dit heeft logischerwijs betrekking op een situatie waarin een bedrijf niet meer groeit en een deel van zijn agrarische bedrijfsgebouwen een andere functie geeft. In casu wordt echter een geheel nieuwe varkensstal nog opgericht. Standpunt gemeente: In de ruimtelijke onderbouwing is onderbouwd dat het kleinschalige transportbedrijf ondergeschikt is aan de varkenshouderij. Binnen het gemeentelijk beleid en het vigerende bestemmingsplan is er ruimte voor agrarische bedrijven om nevenactiviteiten te verrichten die niet rechtstreeks noodzakelijk zijn voor het agrarische bedrijf. Verschillende agrarische bedrijven in Venray, ook aan de Timmermannsweg, maken gebruik van deze mogelijkheid (kinderopvang, transport, verwerking en/of verkoop van het product, recreatievoorzieningen etc.).
Dat in dit geval niet volledig aan de voorwaarden van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voldaan wordt, doet niet ter zake. Er is immers sprake van een afwijking op basis van artikel 2. 12 onder a onder 3 van de Wabo. In de toelichting bij het bestemmingsplan is over het uitoefenen van nevenactiviteiten het volgende opgenomen: “Een agrarisch bedrijf kan nevenactiviteiten ontplooien mits deze ondergeschikt blijven aan de agrarische activiteit. De nevenactiviteiten komen overeen met de landbouwverwante functies en kleinschalige bedrijvigheid zoals die bij de bestemming bedrijf mogelijk zijn. Het bieden van mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf vindt in de regel binnen de bestaande gebouwen plaats”. Bepalend is dus het feit dat sprake is van een nevenactiviteit, niet of de activiteit binnen of buiten bestaande bebouwing plaatsvindt. 5. Geluidhinder ‘Cliënten vrezen voorts voor toename van het aantal zware transportbewegingen van en naar de inrichting. In paragraaf 4.13 van de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat de opschaling van de mestverwerking nagenoeg geen toename van verkeersbewegingen met zich mee zal brengen omdat de aanvoer van mest en de afvoer van concentraat en dikke fractie zal plaatsvinden met vrachtauto’s die in de huidige situatie nog leeg aankomen of leeg vertrekken.
Een dergelijke efficiëntieslag is echter alleen onder optimale omstandigheden mogelijk. In de praktijk zijn de omstandigheden zelden of nooit optimaal en zullen vrijwel zeker ook extra verkeersbewegingen gaan plaatsvinden. Ten onrechte heeft u daarmee in uw besluit geen rekening gehouden.’ Standpunt gemeente Aan het besluit worden door Gedeputeerde Staten geluidvoorschriften verbonden die zijn gebaseerd op de aangevraagde transportbewegingen en het akoestisch rapport dat onderdeel uit maakt van de stukken. Bij het constateren van een overtreding van de voorschriften zal een handhavingstraject worden gestart door de provincie. Bijlage: Besluit intrekkingsverzoek milieuvergunning