05 Basisvoorziening accommodatiebeleid
Tekst van het document
Omdat zowel atleten als objecten zich vooral in de ruimte boven het vloeroppervlak ophouden is het verlichtingsniveau in het verticale vlak, de 'verticale verlichtingssterkte (EV )' een zeer belangrijke verlichtingsparameter. In de praktijk blijkt echter dat, indien voldaan is aan een goede E H, de EV meestal ook voldoende is. Echter, bij TV-opnamen is dit in het algemeen niet het geval en zal plaatselijk aanpassing van de verlichtingssterkte nodig zijn. Uit veiligheidsoverwegingen moet men vooral bij de onderdelen polsstokhoogspringen, speerwerpen, discuswerpen of kogelslingeren alert zijn op een juiste E V. Gelijkmatigheid Bij plotselinge veranderingen in de lichtsterkte is het menselijk oog in staat zich aan te passen. Daar deze accommodering van het oog niet momentaan plaats vindt, kunnen er zich situaties voordoen waarbij atleet of official niet optimaal kunnen functioneren. Dit dient voorkomen te worden. De accommodatie moet derhalve uniform verlicht zijn. Hierbij is de verhouding tussen minimale (EH,min) en gemiddelde horizontale verlichtingssterkte (EH,gem) van belang. Milieuvoorschriften 1. Lichthinder Licht afkomstig van de sportaccommodatie (velden, parkeergelegenheid e.d.) kan tot overlast voor omwonenden leiden. Bovendien is overvloedige verlichting van de accommodatie een aanslag op energie en dus ons milieu.
Om lichthinder naar de bebouwde omgeving zoveel mogelijk te voorkomen, zijn er voortbordurend op het in 1998 gepubliceerde Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichting (Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden nummer 322) richtlijnen opgesteld voor toepassing van (buiten)sportverlichting. De huidige richtlijnen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit, Milieubeheer, artikel 3.148: De verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht dient te zijn uitgeschakeld: 1. tussen 23.00 uur en 07.00 uur, en 2. indien er geen sport wordt beoefend noch onderhoud plaatsvindt. Het onder a genoemde voorschrift geldt niet op dagen of dagdelen in verband met: de viering van festiviteiten (bijvoorbeeld Koningsdag) die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt; de viering van andere festiviteiten (bijvoorbeeld toernooi of clubkampioenschap) die plaatsvinden op de accommodatie, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar, of door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten op de accommodatie, anders dan festiviteiten als bedoeld in het voorgaande lid, waarbij het totaal aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per
kalenderjaar. Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag. De Commissie Lichthinder van de NSVV heeft op basis van het eerder genoemde Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen uit 1998, een aanbeveling uitgebracht te weten “Algemene richtlijn betreffende lichthinder, deel 1 Algemeen en grenswaarden voor sportverlichting” (november 1999). Deze is nog steeds actueel.
2. Verblinding Atleten en officials kunnen door een plaatselijk te hoge lichtsterkte hinder ondervinden van verblinding. Voordat een lichtsysteem wordt aangelegd kan voor een outdoor atletiekaccommodatie met behulp van een rekenmethode de mate van verblinding geschat worden. De in deze methode berekende parameter 'Glare Rating (GR)' ligt tussen 0 (geen verblinding) en 100 (volledige verblinding). De mens begint hinder te ondervinden bij GR>50. De GR hangt af van de diffuse reflectie van het oppervlak. Bij gras is deze diffuse reflectie 10-20% en bij een kunststof baan met een ruw oppervlak 5-10%. Speculaire (d.w.z. gerichte) reflecties kunnen optreden indien de baan is voorzien van een spray coating of bij oppervlakken met een regelmatig patroon. Speculaire reflecties storen TV opnames en kunnen atleten en toeschouwers hinderen. Onder droge omstandigheden moet de speculaire reflectie lager zijn dan 10%. Bij grote wedstrijden komt het steeds vaker voor dat een groot videoscherm of grote scoreborden worden geplaatst. Deze schermen kunnen hinderlijke reflecties door licht afkomstig van de lichtmasten veroorzaken. Strooilicht dat buiten het wedstrijdterrein waarneembaar is kan men niet reduceren door de armaturen lager op te hangen.
Het licht moet in dat geval meer in horizontale richting worden afgesteld en zal daarom meer verblinding veroorzaken Figuur E2.2.2.1 Patroon van rekenpunten voor het bepalen van de verlichtingssterkte E H
Vormgeving en schaduwvorming Bij een juist gebruik van licht zullen atleten, objecten en toeschouwers duidelijk herkenbaar zijn in vorm en stofuitdrukking. Dit zal niet het geval zijn indien een onderwerp slechts vanaf één kant belicht wordt. In dit geval zullen harde slagschaduwen optreden en is het verlichte onderwerp alleen optimaal zichtbaar bij waarneming vanuit de richting van de plaats van de lichtbron. Vanuit alle andere richtingen zijn alleen donkere silhouetten te zien. Het verlichtingsontwerp dient derhalve uit te gaan van belichting vanuit zoveel mogelijk richtingen. Lichtkleur en kleurweergave-eigenschappen Hoewel in kunstlicht kleuren niet altijd juist worden weergegeven, is het belangrijk dat verschillende kleuren wel als zodanig worden waargenomen. Wat betreft de kleur van licht zijn de volgende aspecten belangrijk: de door de lampen veroorzaakte kleurimpressie van de totale omgeving; de kleurweergave-eigenschappen van de lamp. Deze bepalen hoe nauwgezet een bepaald kleurenpatroon door de lamp kan worden gegenereerd. Beide aspecten hangen volledig af van de spectrale energie verdeling van het uitgezonden licht. De kleurweergave hangt samen met de 'kleurtemperatuur (Tk)' in graden Kelvin, variërend van 2000K-6500K. Lampen met een lage Tk stralen warme kleuren uit, terwijl koele (blauwe) kleuren worden uitgestraald door lampen met een hoge Tk.
Een andere belangrijke verlichtingsparameter is de 'kleurweergave-index (Ra)' met een waarde tussen 0 en 100. Deze geeft aan in hoeverre de kleur van een lichtbron (bij dezelfde Tk) afwijkt van die van een gloeilamp. De Ra van een gloeilamp is bij definitie 100 (daglicht) en die van een bepaald type fluorescentielamp gelijk aan 50. Ontwerp Bij het ontwerp van een verlichtingsinstallatie dient rekening gehouden te worden met vervuiling en veroudering. De verlichtingssterkte dient bij oplevering van de nieuwe installatie hoger te zijn dan de minimale eisen. Dit wordt bepaald door de 'nieuwwaarde-index'. Deze nieuwwaarde-index wordt, behalve door plaatselijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld vervuiling, bepaald door de eigenschappen van de toegepaste lampen en armaturen en door de lengte van de onderhoudsperiode. De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) adviseert om gegevens van lampen en armaturen bij de leverancier op te vragen voor het vaststellen van de onderhoudscyclus en ter bepaling van de nieuwwaarde-index. Elk verlichtingsontwerp dient in elk geval het volgende te bevatten: de gemiddelde verlichtingssterke; de vereiste gelijkmatigheid; het aantal uren dat verwacht wordt, dat na ingebruikname van de installatie, deze de minimaal aanbevolen verlichtingssterkte zal bereiken.
Verlichtingssterkte en gelijkmatigheid dienen te worden berekend aan de hand van een grid van rekenpunten met een onderlinge afstand van 5 meter (zie figuur E2.2.2.1). Nadrukkelijk wordt hierbij opgemerkt dat voor het waarborgen van de veiligheid van de gebruiker van het middenterrein, ook het middenterrein aan de gestelde veiligheideisen dient te voldoen. Aanbevelingen voor verlichting Aanbevelingen voor verlichting zonder rekening te houden met eventuele televisieopnames Naarmate de afstand van de toeschouwers tot de baan groter is, zal een hoger lichtniveau noodzakelijk zijn om de wedstrijd goed te kunnen volgen. De Europese norm definieert daarom drie categorieën, welke in tabel E2.2.2.1 worden weergegeven. De verlichtingseisen worden weergegeven in tabel E2.2.2.2 Voor het maken van beeldreportages, zijn hogere lichtniveaus vereist.
Benodigde lichtsterkte ten behoeve van het maken van televisieopnames Om goede beelden te kunnen uitzenden is een goede verticale verlichtingssterkte vereist. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat TV-camera's, in tegenstelling tot het menselijk oog, niet zo snel in staat zijn om zich aan te passen aan plotselinge veranderingen van het licht. Indien de lichtsterkte voldoet aan de eisen voor TV-opnames, zal deze in het algemeen ook voldoende zijn voor de vervaardiging van persfoto's. Indien nodig zal de fotograaf aanvullend flitslicht gebruiken. Omdat een TV-camera vooral verticale objecten op een hoogte van ca. 1,5 meter waarneemt, bedoelt men met verticale verlichtingssterkte (E V) de verlichting gemeten in het verticale vlak, gericht naar de camera, op 1,5 meter boven het maaiveld. Met name voor de vlak bij de finish geplaatste vaste camera, die vaak gebruikt wordt om het gehele wedstrijdterrein te bestrijken, is bovenstaande meetmethode van toepassing. Bij gebruik van niet aan plaats gebonden camera's, die slechts een klein deel van het terrein bestrijken, dient plaatselijk de verticale verlichtingssterkte naar de vier zijden van het competitieterrein te worden berekend (zie figuur E2.2.2.3). Voor een goede vormgeving mag EV,min / EV,max in de vier richtingen op dit meetpunt niet kleiner zijn dan 0,3 (i.p.v. 0,4).
Figuur E2.2.2.2 - Voorbeeld van verticale vlakken gericht naar een vaste camera op enkele meetpunten
De verlichtingseisen voor activiteiten in aanwezigheid van TV voor het totale wedstrijdterrein zijn weergegeven in tabel E2.2.2.3. Bij (polsstok)hoogspringen moet ook het gehele verticale vlak, waarin actie kan worden verwacht, voldaan aan de eisen zoals vermeld in tabel E2.2.2.1. Om verzekerd te zijn van een goede helderheid dienen EH en EV elkaar zo dicht mogelijk te benaderen. De verhouding EH : EV moet derhalve liggen tussen 0.5 en 2.0. Figuur E2.2.2.2 - Voorbeeld van verticale vlakken bij gebruik van mobiele camera's op enkele meetpunten
Om reacties van toeschouwers vast te kunnen leggen is het nodig dat niet alleen het wedstrijdterrein goed is verlicht, doch ook het aangrenzende gebied waar de eerste rijen toeschouwers zich bevinden. De EV mag hier niet lager zijn dan 25% van de EV op het competitieterrein. In noodgevallen dient de verticale gelijkmatigheid EV,min / EV,max minimaal op 0.3 gehandhaafd te blijven. De verticale verlichtingssterkte vormt de basis voor het vereiste verlichtingsniveau voor televisie- en filmopnamen. Deze verticale verlichtingssterkte dient te worden bepaald in het patroon van de rekenpunten van de figuren E2.2.2.6 en E2.2.2.7 op 1 meter hoogte.
De oriëntatie van de verticale vlakken voor de verticale verlichtingssterkte is afhankelijk van de camerapositie(s). Wanneer de camera een niet nader gedefinieerde positie heeft, ergens in het gebied grenzend aan een van de lange zijden van de baan, zijn de verticale vlakken georiënteerd parallel aan die lijn (zie figuur E2.2.2.4). Als de cameraposities vrij zijn rondom de baan, moeten de verlichtingssterkten op vier onderling loodrechte verticale vlakken worden genomen. Hierbij is het verstandig de hoofdrichting van de baan als basis te nemen. Wanneer alleen één vaste camerapositie is gedefinieerd, kunnen de verticale vlakken georiënteerd worden loodrecht op de richting naar die camera (zie figuur E2.2.2.5). De vereiste niveaus zijn afhankelijk van de maximale afstand van de camera tot het op te nemen object. Bij een afstand van 75 meter specificeert de norm een gemiddelde verticale verlichtingssterkte EV van 550 lux; bij een afstand van 150 meter is dit 800 lux. In tabel E2.2.2.4 zijn de in de norm gegeven waarden, gelijkmatigheden en verhoudingen voor de verlichtingssterkten voor (kleuren)beeldreportages samen met de eis voor de kleurweergave opgenomen.
De in de tabel genoemde waarde voor de gelijkmatigheid in de verticale verlichtingssterkte in één punt (over de vier onderling loodrechte verticale vlakken) is nodig om een goede schaduwwerking op de atleten te verkrijgen. De verhouding tussen de gemiddelde horizontale en verticale verlichtingssterkte is gespecificeerd omdat het horizontale veld een belangrijk deel van de achtergrond van de camera uitmaakt. Een goede balans tussen de horizontale en de verticale verlichtingssterkte (die voor de verlichting van de atleten en objecten zorgt), is daarom belangrijk. De camera is gevoelig voor te grote verschillen in de helderheid van de achtergrond tijdens het bewegen van de camera om de activiteiten te volgen. Daarom geeft de norm ook een eis voor het maximale verschil tussen de individuele horizontale verlichtingssterkten in het grid (E H,min : EH,max). Daar waar reclameborden van belang zijn, dient bij het ontwerp van de verlichtingsinstallatie hiermee rekening te worden gehouden. Stroboscopische effect Elke hogedrukgasontladingslamp werkend op wisselspanning produceert een wisselende (soms flikkerende) lichtopbrengst. Dit verschijnsel wordt stroboscopisch effect genoemd. Het kan zeer hinderlijk zijn voor TV- en fotofinish camera's.
Door er voor te zorgen dat de lampen op het terrein aangesloten worden op de drie afzonderlijke fases van de stroomvoorziening, kan dit effect goeddeels worden voorkomen. Elektronische tijdwaarneming De fotofinish camera's staan gewoonlijk onder een hoek van 30° tot 40° t.o.v. de baan. Het verlichtingsplan dient zo ontworpen te zijn dat onder deze hoek 1000 lux naar de camera's wordt uitgestraald vanuit het gehele finish terrein. Dit kan bereikt worden door drie lichtbakken, waarvan de lichtbundels elkaar overlappen, over de gehele breedte van de baan te positioneren. Door de lampen over de drie fases te verdelen wordt het stroboscopisch effect vermeden. Installatie aanbevelingen In het verlichtingsontwerp kan worden uitgegaan van een aantal basis concepten. Bij montage van de armaturen kan gebruik worden gemaakt van palen, masten of van de opstallen. Palen of masten dienen aan de buitenzijde van de rondbaan te worden opgesteld op minimaal 2 meter afstand van de rondbaan. De minimale lichtpunthoogte is onder meer afhankelijk van het aantal masten en dient zodanig te zijn, dat de gebieden waar de nummers worden beoefend goed en gelijkmatig kunnen worden verlicht, zonder dat een storende verblinding optreedt en voldoende verticale spreiding ontstaat. In grote stadions bestrijkt een lichtmast bijna altijd de overzijde van het terrein.
Dientengevolge zullen deze masten veel hoger zijn dan gebruikelijk. Voor het afzonderlijk schakelen van de rondbaan, de halve cirkelsectoren, het gebied voor de springnummers en het middenterrein verdient het aanbeveling, teneinde een aanvaardbare gelijkmatigheid te verkrijgen voor elk onderdeel, een groter aantal schijnwerpers te projecteren met desgewenst lampen van een geringer vermogen. Indien het middenterrein ook wordt gebruikt voor b.v. voetbal mogen er, ter voorkoming van verblinding, in een gebied ter hoogte van de doelen geen lichtmasten worden geplaatst. Noodverlichting Ontsnappings- en antipaniekverlichting Voor het veilig verlaten van de accommodatie tijdens een noodgeval, dient er de wettelijk voorgeschreven noodverlichting aanwezig te zijn.
De verlichtingssterkte van de accommodatie tijdens TV-opnamen is hoger dan normaal. Mocht deze verlichting plotseling uitvallen, dan zal het oog langer tijd nodig hebben om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Het is aan te bevelen om de verlichtingssterkte van de noodverlichting tijdens activiteiten bij hoge verlichtingssterktes te verhogen. Noodverlichting tijdens TV-opnamen Bij belangrijke internationale evenementen is het gewenst dat, in geval de stroom uitvalt of er fluctuaties optreden in de stroomvoorziening door bliksem, schakelingen of spanningsfluctuaties in het publieke elektriciteitsnet, de voortgang van TV uitzendingen niet in gevaar komt. Dergelijke storingen zijn niet uit te sluiten daar de veel gebruikte hogedruk gasontladingslampen bij een storing van 1/100 seconde zichzelf uitschakelen. Omdat deze lampen eerst moeten afkoelen duurt het opstarten 5 tot 10 minuten. Er bestaan verlichtingssystemen met een voorziening voor een snelle herontsteking van de lampen, echter in geval van een totale stroomuitval dient een alternatieve noodstroomvoorziening aanwezig te zijn. Gebruik en onderhoud Bij het ontwerpen van een verlichtingsplan zal ook het kostenplaatje betreffende aanschaf (armaturen, lampen, masten en installatiekosten) en onderhoud (vaste lasten, operationele en onderhoudskosten) moeten worden bezien.
Om er zeker van te zijn dat het systeem voldoende lichtopbrengst en uniformiteit bevat is het raadzaam om, voordat het wedstrijdseizoen begint, de verlichtingssterkte op de accommodatie volgens het schema zoals weergegeven in figuur E2.2.2.6 en E2.2.2.7 te meten (omcirkelde punten). Daarbij is het raadzaam om aan het begin van het stroomcircuit of aan de voet van een mast het voltage te meten. Bij een te grote variatie in de spanning zal de lichtopbrengst minder zijn dan verwacht. Men krijgt aldus tevens een indicatie over wanneer een onderhoudsbeurt nodig zal zijn. Men dient zich daarbij niet te beperken tot het vervangen van lampen alleen, doch ook inspectie van elektrische en mechanische componenten en vervanging van versleten of defecte onderdelen behoren daartoe. Naast vervuiling zal een lamp vooral minder opbrengst geven door slijtage of ouderdom. Bij aanschaf van deze lampen wordt vaak een verouderingscurve mee geleverd. De verwachte levensduur van de lamp en de kans op uitval bepalen het verlies van lichtopbrengst. Voor een goede bedrijfsvoering is het van belang om zowel levensduur als prestaties van de lampen afzonderlijk in een logboek bij te houden, zodat met afschrijving en kosten voor onderhoud rekening kan worden gehouden. Figuur E2.2.2.4 Oriëntatie van de verticale vlakken voor een niet vast gedefinieerde camerapositie langs een lange zijde van de baan
Elektronische tijdwaarneming Bij atletiekwedstrijden wordt veelal het gebruik van elektronische tijdwaarneming verplicht gesteld. Het is daarom raadzaam om bij de aanleg of renovatie van een atletiekbaan aandacht te besteden aan een aantal minimale voorzieningen. Onderstaande aanbevelingen zijn gebaseerd op grote nationale en internationale evenementen. Andere typen evenementen kunnen volstaan met een meer beperkte aankleding van de accommodatie. Tijdwaarnemingsysteem Bij grote evenementen dient gebruik te worden gemaakt van twee totaal onafhankelijke tijdwaarnemingsystemen: camera 1 dient zich te bevinden in het verlengde van de finishlijn, trillingvrij op een paal of stellage (hoogte 3 à 3,5 meter) op 5 à 6 meter van de binnenzijde van de baan; camera 2 (meestal voor backup) wordt bevestigd aan de buitenzijde van de baan op een trillingvrije ondergrond (liefst op beton). Voor een correcte uitlijning van de camera ten opzichte van de finishlijn dient er een bevestigings- en verstelmogelijkheid van de standaard camerakop op de paal c.q. stellage aanwezig te zijn. Dit zou een stalen plaat kunnen zijn waarin een groef in de looprichting is gefreesd. De camerakop dient in deze sleuf bevestigd te kunnen worden.
De meetapparatuur van beide systemen worden het liefst dicht bij elkaar binnen 5 meter van de backup-camera, bij voorkeur met uitzicht op de hele baan en in het bijzonder op de finishlijn, opgesteld. De apparatuur dient in de schaduw en afgeschermd van publiek te worden opgesteld. De ruimte waarin zich deze apparatuur bevindt mag niet te warm worden door blootstelling aan direct zonlicht. Daar er in deze ruimte vaak meerdere warmte genererende apparatuur staat opgesteld, kan aanleg van airconditioning in overweging worden genomen. Voor elk tijdwaarnemingsysteem dient een aparte onafhankelijke groep 220 Volt aansluitingen met randaarde (niet zwevend) beschikbaar te zijn. De overige in deze ruimte aanwezige apparatuur, zoals (interne) telefoon, kopieermachine en computer, dienen op andere 220 Volt aansluitingen te worden aangesloten. Aanbevelingen voor extra aanpassingen op de baan De afstand van de camera tot aan de meetapparatuur, meestal gesitueerd aan de buitenkant van de baan, mag maximaal 45 meter zijn. Daartoe dient een droge kabelgoot met vaste trekkabel onder de baan door te worden aangelegd. Let er op dat de kabel niet over een aanloop voor verspringen ligt en dat de kabel niet ligt op een plek die ook voor publiek toegankelijk is.
Bij gebruik van een netwerk van computers op het middenterrein of van audio apparatuur e.d., kan een verzonken kabelgoot met deksels waarover atleten niet kunnen struikelen worden aangelegd. De onder de grond liggende kabels dienen waterbestendig te zijn. De finishlijn dient aan beide zijden van de baan doorgetrokken te worden. De blokjes op de snijpunten van de baanlijnen en de finishlijn moeten dof zwart zijn (camera ziet glanzend zwart als wit). Aan beide kanten van de finishlijn dient een ruimte van 1x1 meter vrijgehouden te worden voor de plaatsing van de meet-ogen. Bij gebruik van baanverlichting dient op de finishlijn een verlichtingssterkte van 1000 lux aanwezig te zijn. De ruimte waarin de meetapparatuur staat opgesteld dient te zijn voorzien van meerdere telefoonlijnen (voor onder meer interne communicatie met het veld en externe communicatie). Geluid Tijdens de meeste atletiekevenementen zullen mededelingen betreffende organisatie en veiligheid, alsmede competitie uitslagen, luid en duidelijk aan deelnemers, juryleden, vrijwilligers en publiek moeten worden doorgegeven. In voorkomende gevallen (zoals pauzes en ceremonies) zal men tevens muziek willen laten horen. Daarom dient er op elke accommodatie een geschikte geluidsinstallatie aanwezig te zijn.
De eisen die aan zo'n geluidsinstallatie worden gesteld zullen sterk afhangen van het type evenement en de accommodatie waarop dit evenement plaats vindt. Bij looponderdelen waarbij van versprongen startlijnen gebruik gemaakt wordt dienen atleten gelijktijdig de bevelen van de starter te kunnen horen. Het is raadzaam om in deze situatie gebruik te maken van een aparte geluidsinstallatie. Hierbij kan men denken aan: een geschikt aantal losse speakers naast de baan in de buurt van de start; losse speakers al dan niet met valsestartdetectie bij elk startblok; permanent aanwezige speakers rondom de baan, waarbij de speakers zo gericht zijn dat elk startgebied goed wordt bestreken. Deze optie heeft als bijkomend voordeel dat op elke plek van de accommodatie de starter goed en op hetzelfde moment (zonder vertraging) is te horen. Geluidsparameters Wat is geluid?
Onder geluid verstaat men die elastische trillingen, normaliter van lucht, die door middel van het gehoororgaan kunnen worden waargenomen. Een enkelvoudige toon, dat wil zeggen een zuiver harmonische trilling met frequentie 'ƒ' (trillingen per seconde), doet het trommelvlies van het oor in dezelfde frequentie meetrillen (eenheid van frequentie is 'Hz = hertz'). Het menselijk oor neemt geluid waar tussen plm. 20 Hz en 20.000 Hz en is het gevoeligst voor geluid tussen 1.000 Hz en 4.000 Hz. Geluidssterkte De sterkte van geluid wordt bepaald door de geluidsstroom per seconde en per m2 door een vlak. Daar de intensiteit van hoorbare trillingen kan variëren met een factor 1012, heeft men een logaritmische schaal ingevoerd. De geluidssterkte wordt gemeten in 'foons' of 'decibels (dB)'. Beide grootheden zijn aan elkaar gerelateerd en bij 1000 Hz zijn ze zelfs identiek. Het bereik van het menselijk oor ligt tussen de geluidsgrens van ongeveer 0 dB(A) en de pijngrens van ongeveer 120 dB(A). Eisen en criteria voor overdracht van gesproken woord en muziek De kwaliteit van de verstaanbaarheid van gesproken teksten is een subjectief begrip. Algemene oproepen en mededelingen behoeven minder verstaanbaarheid dan reclameboodschappen.
Mededelingen betreffende veiligheid daarentegen, vereisen een hogere graad van verstaanbaarheid, welke wordt bepaald door het percentage medeklinkers dat door de luisteraar correct wordt ontvangen. Deze klanken komen voor 90% voor in de range van de hogere frequenties (350 Hz tot 6.000 Hz). Bijna elke beschikbare geluidsinstallatie is hiervoor geschikt. Overdracht van muziek vindt echter plaats in een band van zowel lage als hoge frequenties (50 Hz tot 10.000 Hz). In dit geval zullen hogere eisen aan het luidsprekersysteem worden gesteld. Eisen voor geluidssterkte Bij afwezigheid van achtergrondruis, is zelfs gefluisterde gesproken tekst goed verstaanbaar. Echter, bij aanwezigheid van achtergrondruis zoals wind, verkeer, toeschouwers en dergelijke, zal het geluidsniveau van de mededeling altijd boven deze achtergrondruis moeten blijven. Als algemene regel geldt dat het uitgezonden signaal altijd 10 dB(A) boven het achtergrond geluid dient te zijn. In tabel E2.2.2.5 is een aantal veel voorkomende geluidsniveaus in een met publiek gevulde accommodatie opgenomen. Uit de tabel valt op te maken dat in bij een panieksituatie de geluidssterkte van de installatie 115 dB(A) zou moeten produceren wil men zich aan de 10 dB(A) regel houden. In een groot stadion vereist dat een versterker van meer dan 100 kW (!).
Een dergelijke installatie is zeer kostbaar en weinig accommodaties kunnen zich zo'n installatie veroorloven. Door een attentie signaal uit te zenden en direct daarop de aankondiging te doen kan men toe met ongeveer 100 dB(A). Bovendien zijn er met enkele technische ingrepen nog een paar dB(A) te winnen. Bij gebruik van een kleinere wedstrijd- of trainingsaccommodatie kan worden volstaan met een minder sterke (en dus minder kostbare) versterker. Echter, door de verscheidenheid van zowel accommodaties als versterkersystemen is hierin niet eenvoudig te adviseren. Men wordt aangeraden om in voorkomende gevallen contact op te nemen met de leverancier. Tijdens een atletiekwedstrijd zal op het middenterrein over het algemeen geen hinder worden ondervonden van het geluid dat door de toeschouwers wordt geproduceerd. Hier kan men dan ook volstaan met een geluidssterkte van 75 dB(A) tot 90 dB(A).
Wil men muziek laten horen, dan kan men volstaan met een geluidssterkte gelijk aan of zelfs minder dan het geluidsniveau ter plekke.
Milieuvoorschriften Vanuit de centrale overheid zijn voorschriften opgesteld welke zijn terug te vinden het Activiteitenbesluit Milieubeheer (Overheidsinformatie, Wet- en regelgeving, Activiteitenbesluit milieubeheer). Van hieruit zijn de 'grenswaarden', maximale geluidsniveaus of geluidspieken die zijn toegestaan voor activiteiten in sportaccommodaties af te leiden. Bovendien is het is raadzaam om de plaatselijke autoriteiten te raadplegen over de toegestane sterkte van het te produceren geluid. Geluidshinder In de regel zal een sportaccommodatie in de buurt van woonhuizen gesitueerd zijn. Ter voorkoming van geluidshinder is het daarom van belang om binnen de accommodatie te streven naar een zo optimaal mogelijk geluidsniveau, terwijl buiten de accommodatie de geluidshinder minimaal is. Ofschoon de geluidssterkte kwadratisch met de afstand afneemt, betekent verdubbeling van de afstand slechts een afname van 6 dB(A) (als gevolg van de logaritmische schaal). Het is eventueel mogelijk om de geluidssterkte te controleren door een 'automatische elektronische volume regelaar'. De volgende voorschriften staan in het Besluit: De geluidsproductie van een accommodatie dient aan bepaalde geluidsnormen te voldoen. In tabel E2.2.2.6 zijn de grenswaarden weergegeven.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten waarden: Equivalent geluidsniveau 'Laeq', gemiddeld geluidsniveau gemeten over een bepaalde periode. Piekniveau 'Lmax', gemeten geluidsniveau van zeer korte duur. De grenswaarden overdag zijn hoger dan de grenswaarden 's avonds en 's nachts omdat de omwonenden van de sportaccommodatie het geluid dat ze overdag horen minder snel als hinderlijk ervaren dan 's avonds en 's nachts. Aangetekend wordt dat: het stemgeluid van bezoekers op het onoverdekte terrein van de sportaccommodatie het gemiddelde niveau en het piekniveau mag overschrijden; voor de volgende activiteiten geldt dat hogere pieken dan in de grenswaardentabel aangegeven mogen voorkomen: het komen en gaan van bezoekers (dichtslaan van autoportieren, starten en wegrijden van auto's) sportactiviteiten in de open lucht;
wanneer op de accommodatie festiviteiten plaats vinden op nationale feestdagen zoals Koningsdag (hiervoor geldt een gemeentelijke verordening), het gemiddelde niveau en het piekniveau overschreden mag worden; bij zelfgeorganiseerde festiviteiten of activiteiten (waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aantal aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar (bijvoorbeeld toernooi of clubkampioenschap), het gemiddelde niveau en het piekniveau overschreden mag worden. Trillingen Trillingen kunnen veroorzaakt worden door onder meer compressoren, koelmachines en vrachtwagens die voorraden komen brengen. Trillingen die continue voortduren mogen niet in woningen buiten de sportaccommodatie inrichting gevoeld worden. Trillingen die veroorzaakt worden door (graaf)werkzaamheden of andere activiteiten mogen niet voelbaar zijn in woningen buiten de sportinrichting.
Luidsprekers Geluid dat het oor van voren nadert wordt beter ontvangen dan van opzij of van achteren. Het luidsprekersontwerp dient dus zo ontworpen te zijn dat het meeste geluid de toehoorder van voren of minstens van bovenaf bereikt. Locatie Bij een overdekte tribune zullen de luidsprekers daarom meestal onder de voorkant van het dak en gericht naar het publiek worden opgehangen. Indien geen dakconstructie aanwezig is, kunnen de luidsprekers op palen langs de rondbaan worden opgehangen. Om geluidshinder voor omwonenden te minimaliseren dient gebruik te worden gemaakt van richt-luidsprekers met een zeer smalle bundel breedte. Soort luidsprekers De te installeren luidsprekers dienen altijd waterbestendig te zijn. Er zijn verschillende types in de handel waarvan de volgende de meest voorkomende zijn:
De hoornluidspreker (figuur E2.2.2.8) is tamelijk eenvoudig en niet duur. Bij 4000 Hz hebben ze een stralingshoek van 30° tot 60° en is de luidspreker makkelijk te richten. Ze zijn zeer effectief omdat ze een geschikte geluidssterkte koppelen aan een redelijk lage versterker output. Een nadeel is het beperkte bereik (300 Hz tot 6000 Hz). Daarom zijn ze eigenlijk alleen geschikt voor gesproken teksten (voor het geven van baanindeling, voor wedstrijdresultaten, informatie voor het publiek e.d.). Indien het systeem voor zowel gesproken woord als voor muziek wordt gebruikt, dienen meer geavanceerde luidsprekers met betere lineaire geluidskarakteristieken naast elkaar te worden geïnstalleerd (figuur E2.2.2.9). De specifieke smalle verticale openingshoek wordt bepaald door de lengte van de speaker (voorbeeld: bij een lengte van 1 meter is de hoek 15° bij 4000 Hz). Door kortere of langere systemen te installeren is het mogelijk om zeer gericht een bepaalde gebiedsoppervlakte van geluid te voorzien. De horizontale openingshoek ligt tussen 60° en 90° en bepaalt de optimale afstand tussen twee luidsprekers. Het bereik ligt tussen 100 Hz en 12.000 Hz. Een dergelijk systeem is zeer geschikt om het gewenste geluidsniveau binnen de accommodatie te bewerkstelligen met de minste hinder voor de omgeving eromheen.
Bij nog hogere eisen voor de muziekkwaliteit is het nodig om hoogwaardige meerwegsystemen te installeren (Fig. E2.2.2.10). Hierbij worden verschillende luidsprekers van hoge kwaliteit en verschillende frequenties (woofers en tweeters) in een box samengebracht. Het bereik van dergelijke systemen ligt tussen 50 en 15.000 Hz en ze kunnen een perfecte geluidskwaliteit leveren. Een nadeel is dat de bassen moeilijk te focusseren zijn en “strooi-bassen” in de verre omgeving hoorbaar zullen zijn. Deze systemen zullen met name in afgesloten ruimtes of ver van de bewoonde wereld worden toegepast. Versterker Het benodigde vermogen van de versterker is afhankelijk van de grootte van de accommodatie en het gewenste geluidsniveau. Net zoals geluid wordt waargenomen via een logaritmische schaal, is de gewenste versterker te bepalen met inachtneming van deze logaritmische afhankelijkheid. Bij verdubbeling van het vermogen van 100 W tot 200 W zal de geluidssterkte slechts 3dB stijgen, hetgeen nauwelijks waarneembaar is. Daarentegen, om de geluidssterkte te verdubbelen bijvoorbeeld van 80 dB(A) tot 90 dB(A) dient het vermogen van de versterker te worden vertienvoudigd (!). In het voorbeeld hierboven betekent dat een verhoging van 100 W tot 1000 W. In een sportaccommodatie met 50.000 tot 60.000 toeschouwers is een geluidsniveau van 100 dB(A) gewenst.
Dat betekent een versterker van minstens 10.000 W! In een sportaccommodatie met circa 5.000 toeschouwers kan voor eenzelfde geluidsniveau met een versterker van 1.000 W worden volstaan. Controlevoorzieningen, gebruik en mogelijkheden van het systeem De controlefaciliteiten dienen in een ruime ruimte te worden ondergebracht, waarbij bij een grote sportaccommodatie de volgende eisen worden gesteld: De ruimte voor de microfonist moet gevrijwaard zijn van lawaai van buiten (ongeveer 50 dB(A)) om akoestische achtergrondruis in de microfoon te voorkomen. De microfonist moet achter de microfoon alles op de sportaccommodatie goed kunnen waarnemen. Een dergelijke (of desnoods dezelfde) ruimte dient ook beschikbaar te zijn voor de eventueel aanwezige omroeper van de politie. Het ontwerp van de geluidsinstallatie moet dusdanig zijn dat deze in staat is op ieder moment de stadionomroeper te overrulen. Bovendien dient deze functionaris afzonderlijke gedeelten van de accommodatie te kunnen bereiken. In de eventuele afzonderlijke geluidscontrolekamer geldt dezelfde eis ten aanzien van achtergrondruis. In deze ruimte zijn de geluidscontrole, muziekweergaveapparatuur en een omroepmicrofoon geïnstalleerd. In de ruimte waarin de verschillende versterkers zijn geïnstalleerd dient een goede ventilatie aanwezig te zijn om de door de apparatuur gegenereerde warmte kwijt te raken.
Extra aansluitingen voor microfoons kunnen nodig zijn in VIP-rooms, restaurant en bij de huldigingsceremonie. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van draadloze veldmicrofoons.
Het gehele systeem dient met behulp van een controlepaneel op een dusdanige wijze door een operator te worden bediend dat, onafhankelijk van de geluidsbron, optimaal geluid kan worden uitgezonden naar de deelnemers en/of die ruimtes waar publiek aanwezig is. De kwaliteit van de operator zelf bepaalt mede de kwaliteit van het resultaat. Hij dient alle ins en outs van de apparatuur goed te kennen.
Bij zeer grote evenementen dient een back-up geluidsinstallatie gebruiksgereed te zijn. Voor mogelijke noodsituaties kunnen vooraf mededelingen worden opgenomen, die indien nodig, met een druk op de knop objectief, helder en op goede geluidssterkte kunnen worden uitgezonden. Verenigingsgebouwen Inleiding Een verenigingsgebouw is onlosmakelijk verbonden aan een atletiekaccommodatie en kan diverse activiteiten herbergen. Een verenigingsgebouw vervult in principe drie functies: a. sporttechnische functie: door de aanwezigheid van voorzieningen, die primair voor het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden op de diverse niveaus alsmede trainingen benodigd zijn (wedstrijdsecretariaat, juryruimte, kleed- en doucheruimten, medische ruimte, krachttrainingsruimte, bergingen sportmateriaal, etc);
b. sociale functie: door de aanwezigheid van voorzieningen voor het bijeenkomen van leden en bezoekers, alsmede ten behoeve van toeschouwers (horecaruimte, centrale toiletten, tribunes, etc). De accommodatie dient hierbij tevens goed toegankelijk en bruikbaar te zijn voor mindervalide atleten, bezoekers en toeschouwers; c. bestuurlijke functie: door de aanwezigheid van voorzieningen voor bijeenkomsten van het bestuur van de vereniging en van waaruit het beheer van de accommodatie plaats kan vinden. De aan- dan wel afwezigheid van de in het onderstaande overzicht opgenomen voorzieningen, zijn niet bepalend voor goed- of afkeuring van de atletiekaccommodatie. De aan- of afwezigheid hiervan kan wel een rol spelen in de toewijzing van een (nationaal) evenement. Voor Nederlandse Kampioenschappen, nationale evenementen en evenementen die onder de regelgeving van European Athletics of IAAF vallen, kunnen afwijkende richtlijnen (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een dopingcontroleruimte, VIP ruimte, een media- en persruimte en tribunecapaciteit) van kracht zijn. Details kunnen worden opgevraagd bij de Atletiekunie. Richtlijnen voor de bouw en inrichting zijn van veel (plaatselijke) factoren afhankelijk.
Onder andere de grootte van de vereniging, samenstelling van het ledenbestand, gebruik van de accommodatie door derden (scholen) en ambitieniveau van de vereniging kunnen een rol spelen. Daarnaast is wet- en regelgeving (Bouwbesluit) van kracht. In de navolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de opzet en indeling van een verenigingsgebouw.
Benodigde voorzieningen
Het is uiteraard niet mogelijk om voorschriften voor de bouw en inrichting te geven, die passend zijn voor alle voorkomende situaties. Hiervoor zijn de plaatselijke omstandigheden te verschillend. Deze verschillen ontstaan door grootte van de vereniging, aantal mannelijke, vrouwelijke en jeugdige deelnemers, medegebruik door scholen of sportopleidingsinstituten, niveau van beoefening van de atletieksport, etc. Naast het wedstrijdgebruik dient in ieder geval ook nadrukkelijk aandacht te worden besteed aan het gebruik door grote jeugdgroepen. In de inleiding zijn drie functies voor het verenigingsgebouw genoemd, die het verenigingsgebouw kan vervullen, te weten: een sporttechnische functie, een sociale en een bestuurlijke functie. De sporttechnische functie is terug te voeren op het primaire doel van de accommodatie, te weten het beoefenen van atletiek, hetgeen zich in afgeleide zin vertaalt in het aantal benodigde ruimten in het verenigingsgebouw. Voor het wedstrijdgebeuren zijn dit de kleed- en doucheruimten, de medische ruimte voor onder andere EHBO en massage, de call-room, de jurykamer, het wedstrijdsecretariaat, de microfonistenruimte, de ruimte voor het wegen en meten van materialen, de ruimte voor de dopingcontrole en de berging voor het wedstrijdmateriaal. Voor trainingen komt daar de bergruimte voor trainingsmateriaal en niet te vergeten de krachttrainingsruimte bij.
Ten behoeve van de bestuurlijke functie is één vergaderruimte waar vergaderd kan worden en een stukje administratie kan plaatsvinden afdoende. Voor de sociale functie moeten we den-ken aan die voorzieningen die te maken hebben met het kunnen laten bijeenkomen en bedienen van (mindervalide) clubleden, toeschouwers, atleten die nog moeten of al klaar zijn met sporten, overige bezoekers, etc. In principe hebben we het dan over de kantine met annex, ofwel de horecaruimte, de keuken en het magazijn dat tevens dienst dient te doen als fustruimte. Naast de in het voorzieningenoverzicht genoemde ruimten dient het gebouw ook te beschikken over een aantal facilitaire ruimten die nodig zijn om het gebouw als zodanig bruikbaar te maken. Deze facilitaire ruimten bestaan uit de entree tot het gebouw, de toiletruimten (waaronder een mindervalidentoilet), de werkkast voor het schoonmaakmateriaal, het kalkhok (voor belijning van het middenveld, indien de sectoren voor de werpnummers niet met lijnen worden uitgezet) de technische ruimte voor de installaties en warmwatertoestellen, een ruimte met werkplaats en onderhoudsmateriaal, een containerruimte, de meterkast en een fustruimte ten behoeve van de kantine. Teneinde zo efficiënt mogelijk met de beschikbare ruimte om te gaan, kan het wenselijk zijn om een aantal van de genoemde voorzieningen in één ruimte onder te brengen.
Twee veel voorkomende combinaties zijn een combinatie van de EHBO- met de massageruimte en de krachttrainingruimte met de call-room. Meer combinaties zijn denkbaar. Het wegen en meten van materialen kan eventueel in één van de bergruimten worden ondergebracht. Ook kan bijvoorbeeld het mindervalidentoilet worden gecombineerd met een van de damestoiletten. Bij de grotere wedstrijden kan de dopingcontrole ondergebracht worden in één van de kleedruimtes en kan de vergaderruimte gebruikt worden als VIP ruimte. Bij de normale wedstrijden kan de vergaderruimte gebruikt worden als jurykamer. In situaties waarbij incidenteel extra voorzieningen benodigd zijn, kan worden overwogen deze op tijdelijke basis in te huren. Denk hierbij aan tenten, porto cabins, mobiele toiletten. Richtlijnen per ruimte Situering gebouw Vanuit bouwtechnisch en prijstechnisch opzicht verdient het de voorkeur alle gewenste voorzieningen onder te brengen in één gebouw. Aangezien het voor een aantal voorzieningen noodzakelijk is deze nabij de finishlijn onder te brengen (wedstrijdsecretariaat, elektronische tijdwaarneming, microfonistenruimte), dient het gebouw in dat geval in zijn geheel nabij de finishlijn te worden gesitueerd. Indeling verenigingsgebouw Het centrale gedeelte van het verenigingsgebouw bestaat uit: entree; ontmoetingsruimte;
keuken; magazijn cq. fustruimte; garderobe en tassenberging; centrale toiletgroep. Entree Deze ruimte dient een oppervlakte van afdoende grootte te hebben (nader te bepalen door de architect in overleg met de opdrachtgever). De entree wordt rechtstreeks via het toegangsportaal betreden en biedt zelf rechtstreeks toe-gang tot de horecaruimte. In de entree is de toegang tot de centrale toiletten gesitueerd. Ontmoetingsruimte Uitgaande van een vereniging met ca. 400 leden kan voor het oppervlak van de ontmoetings- en uitgifteruimte (bar) uitgegaan worden van ongeveer 150 m 2. De ontmoetingsruimte wordt bij voorkeur rechtstreeks via het toegangsportaal betreden, maar kan vanaf daar via een trap ook op een verdieping worden gesitueerd. Het is wenselijk dat er vanuit de ontmoetingsruimte direct zicht is op de atletiekbaan en eventuele activiteiten buiten. De uitgifteruimte kan bijvoorbeeld bestaan uit een barvoorziening met een totale lengte van 5 meter. Het verdient aanbeveling deze barvoorziening zodanig te maken dat een scheiding te maken is tussen drankverkoop en verkoop van snoepgoed en andere etenswaren. Deze barvoorziening dient nabij de toegang te worden gesitueerd, maar mag geen obstakel vormen in de loop-route. Er dient voldoende ruimte achter de bar te zijn (± 160 meter) en voldoende passeerruimte vóór de bar.
De ontmoetingsruimte met bijbehorende ruimten dienen verder te voldoen aan landelijke en plaatselijke wet- en regelgeving met betrekking tot onder andere brandpreventie, de Drank- en Horecawet, milieuregels en de Hygiënecode voor de horeca (levensmiddelen). Keuken Voor een gemiddelde keuken kan worden uitgegaan van een oppervlakte van ongeveer 15 m2. Afhankelijk van het voorzieningenniveau dat de vereniging wil bieden kan worden uitgegaan van een groter of kleiner vloeroppervlak. De keuken dient een directe relatie te hebben met de barvoorziening, fustruimte, horecamagazijn en containerruimte. De inrichting van de keuken hangt eveneens af van het gewenste voorzieningenniveau. Magazijn annex fustruimte Ook voor het magazijn annex fustruimte kan worden uitgegaan van een oppervlak van ongeveer 15m 2 (wederom is een afwijking mogelijk, afhankelijk van wensen en behoeften van de vereniging of opdrachtgever). Deze ruimte dient in de nabijheid te worden gesitueerd van de keuken en kan het best worden gesitueerd op de begane grond. Vanuit het magazijn dient een directe verbinding met buiten te zijn door middel van een dubbele deur die goed bereikbaar is voor vrachtverkeer. Dit in verband met een gemakkelijke aanvoer van goederen en voorraad. Indien de horecaruimte en/of de keuken op een verdieping is gesitueerd, wordt de realisatie van een goederenlift aanbevolen.
Voor wat betreft de inrichting van het magazijn kan uitgegaan worden van een uitstortgootsteen met koud water en voldoende planken (bijvoorbeeld 30 meter) op plankdragers of stellingkasten. Garderobe annex tassenberging Uitgaande van een vereniging met ca. 400 leden verdient het aanbeveling om in de ontmoetingsruimte een garderobevoorziening en tassenberging op te nemen met voldoende capaciteit voor 50 jassen en ca. 100 tassen. In verband met toezicht kan overwogen worden om deze ruimte juist niet direct vanaf de toegang toegankelijk te maken. Centrale toiletgroep
Het is noodzakelijk om voor bezoekers en sporters voldoende toiletruimten op te nemen. De centrale toiletgroep kan het best zodanig worden gesitueerd, dat deze direct vanuit de entreeruimte toegankelijk is. De toiletten zijn dan bruikbaar zowel voor bezoekers van de horecaruimte, als voor sporters en bezoekers die buiten vertoeven. Voor sporters dienen ook in de kleedruimten toiletten te worden opgenomen. Uitgaande van een vereniging van 400 leden met een wedstrijdaccommodatie kan uitgegaan worden van minimaal: een privaat met voorportaal met twee herentoiletten en twee urinoirs; een privaat met voorportaal met vier damestoiletten. Indien het een accommodatie betreft voor met name training met waarschijnlijk weinig toeschouwers, kan het aantal toiletten minder bedragen, wederom afhankelijk van het aantal leden. Vanuit het Bouwbesluit is vereist dat minimaal één toilet wordt opgenomen dat geschikt is voor gebruik door mindervalide sporters en bezoekers (mindervalidentoilet). Het verdient aanbeveling om hiervoor één van de damestoiletten als zodanig uit te voeren (denk aan de afwijkende maatvoering van minimaal 1,65 x 2,20 meter en de vereiste inrichting zoals beugels, alarmering, verhoogde toiletpot, wastafel, etc). Wedstrijdsecretariaat Voor de meeste verenigingsaccommodaties is een ruimte van 20 m2 (mini-male diepte van de ruimte 3 meter) afdoende.
Naarmate er grotere en belangrijkere wedstrijden worden gehouden, dient de ruimte ook aangepast te worden in grootte. Het wedstrijdsecretariaat is bij voorkeur gelegen nabij de algemene finish. Voor het wedstrijdsecretariaat is het - gezien de lange duur van wedstrijden -wenselijk om (in de nabijheid) te kunnen beschikken over een ruimte, die voorzien is van toiletten met handenwasgelegenheid. Voor wat betreft de inrichting dient te worden uitgegaan van de volgende voorzieningen: een afsluitbare kast ten behoeve van documentatie, administratie ed; een tafel met zes stoelen; -een telefoon- en internetaansluiting; voldoende wandcontactdozen op verschillende groepen ten behoeve van computers (minimaal 2 stuks), printer en kopieerapparaat; ruim werkblad ten behoeve van opstelling bovengenoemde apparatuur. Microfonistenruimte De microfonistenruimte dient in directe nabijheid het wedstrijdsecretariaat en de finish te worden gesitueerd. Deze voorziening is het liefst hoog gelegen ten behoeve van een goed overzicht met een vrij en onbelemmerd overzicht over de hele accommodatie. Het wedstrijdsecretariaat en de microfonistenruimte kunnen ook goed gecombineerd worden door bijvoorbeeld de microfonistenruimte boven het wedstrijdsecretariaat te plaatsen, zodat de microfonist een goed overzicht over de baan heeft.
Soms wordt de microfonistenruimte en het wedstrijdsecretariaat gecombineerd tot één ruimte van ca. 30 m2, waarbij aandacht voor omgevingslawaai en werkrumoer in de ruimte onontbeerlijk is. Voor wat betreft de inrichting dient van het volgende te worden uitgegaan: een tafel met stoel; een telefoonaansluiting in de nabijheid (kan de telefoon in het wedstrijdsecretariaat zijn); een microfoonaansluiting; afsluitbare kast ten behoeve van de geluidsinstallatie en toebehoren. Kleed-/wasruimten
Voor een wedstrijdaccommodatie dienen minimaal vier kleed-/wasruimten (twee voor dames en twee voor heren) voor de atleten te worden opgenomen. Indien er voornamelijk regionale wedstrijden worden gehouden of bij een accommodatie met alleen trainingsvoorzieningen, kan afhankelijk van de intensiteit van gebruik worden uitgegaan van minimaal twee kleed-/wasruimten. Het vloeroppervlak van één kleed- wasruimte dient minimaal 30 m 2 te bedragen, waarbij voor het vloeroppervlak van het douchegedeelte dient te worden uitgegaan van minimaal 10 m2. In het douchegedeelte dienen minimaal zes douchekoppen te worden opgenomen. Voor de afwerking en inrichting kan het volgende worden aangehouden: een directe relatie tussen het kleed- en douchegedeelte met een goede scheiding (dorpel of roestvrij stalen goot) om wateroverlast in de kleedruimte te voorkomen; minimale breedte van de kleedruimte van 3 meter en minimale hoogte van 2,60 meter; per persoon tenminste 600 mm banklengte (totaal ca.
9 meter) en twee kledinghaken; een toilet dat via een droog vloergedeelte bereikbaar is vanuit de kleedruimte; twee wastafels met spiegel, bereikbaar via een droog vloergedeelte, de wand achter de wastafels moet voorzien zijn van tegelwerk; de vloer in de kleedruimte moet voorzien zijn van een stroef en gemakkelijk reinigbaar materiaal en antisliptegels in de doucheruimte; de kleedruimte moet voorzien zijn van minimaal één schrobput (of een roestvrij stalen goot tussen het kleed- en douchegedeelte) en de doucheruimte van voldoende afvoerputjes; de wanden in de kleedruimte uitgevoerd in gemakkelijk te reinigen materiaal; de wanden in de wasruimten moeten voorzien zijn van tegelwerk tot aan het plafond; toepassing van vandaal- en vochtbestendige plafonds; het vrijhouden van kozijnen van de vloer en toepassing van massieve en stompe deuren, voorzien van een kunststof coating; het afstemmen van de verwarmingscapaciteit op een ruimtetemperatuurvan 18°C; het installeren van vandaal- en vochtbestendige verlichtingsarmaturen; het voorzien in een mechanisch ventilatiesysteem met een minimale capaciteit van zes maal de ruimteinhoud per uur in de kleedruimte en tien maal in de doucheruimte. Luchtsnelheden ten gevolge van de ventilatie mogen niet meer bedragen dan 0,2 m/s.
Kleedruimten moeten bij voorkeur ook van buitenaf toegankelijk en direct visueel waarneembaar zijn vanaf de atletiekbaan. Directe inkijk van buitenaf moet vermeden worden. Ten behoeve van het gebruik door mindervalide sporters dienen minimaal één en bij voorkeur twee kleed-/wasruimten te worden uitgevoerd. Dit houdt in dat er een mindervalidentoilet (afmetingen 1,65 x 2,20 meter) aanwezig dient te zijn en dat er ook in de doucheruimte voorzieningen worden opgenomen (zitdouche met flexibele douchekop). Vergaderkamer cq. bestuurskamer en jurykamer Het kunnen beschikken over een bestuurskamer draagt bij aan het goed functioneren van een vereniging, terwijl bovendien in bepaalde gevallen deze ruimte als ontvangstkamer (VIP ruimte) gebruikt kan worden. Verder is de beschikbaarheid van juryruimte aanbevolen. Deze juryruimte dient in de nabijheid te kunnen beschikken over een toilet en een handenwasgelegenheid. De vergaderkamer kan desgewenst (tijdelijk) worden ingericht als jurykamer. Voor verenigingen met ambities en een focus op de organisatie van (nationale) wedstrijden, wordt de realisatie een aparte jurykamer aanbevolen. De afmeting van de vergader- bestuurs- jurykamer dient minimaal 20m. te bedragen (met een minimale breedte van 4 meter) en dient bij voorkeur in de nabijheid van een toiletgroep en voor de bediening nabij de horecaruimte en de keuken te zijn gesitueerd.
Indien mogelijk kan men deze ruimte zodanig situeren in het gebouw, dat vanuit de ruimte zicht is op de atletiekbaan.
Krachttrainingruimte en call-room De krachttraining is in de atletiek een onmisbaar onderdeel van de training geworden en de aanwezigheid van een krachthonk in een verenigingsgebouw kan dan ook als noodzakelijk worden beschouwd. In verband met de juiste uitvoering van de oefeningen dient één lange ononderbroken zijwand te worden voorzien van een spiegelwand, vanaf 0,50 meter boven de vloer tot ca. 2,20 meter hoogte. De inrichting met trainingstoestellen dient uiteraard naar wens van de opdrachtgever cq. vereniging te worden bepaald. Het krachthonk kan ook gebruikt worden voor de war-ming-up bij wedstrijden en als call-room. Het is in verband met de warming-up van de atleten belangrijk dat de call-room in de nabijheid van de (indien aanwezig) warming-up faciliteit is gelegen. Een krachthonk met een afmeting van ongeveer 100 m2 is geschikt ruimte om tevens te fungeren als call-room, waarbij de in een krachthonk aanwezige apparatuur een hulpmiddel kan zijn bij de warming-up. In verband met het gebruik als call-room dient het krachthonk dan nabij de wedstrijdbaan gesitueerd te worden. Om te voorkomen dat er door een te hoge temperatuur, in combinatie met door de atleten geproduceerde warmte en transpiratievocht, een bedompte en benauwde ruimte ontstaat, dient de ruimte goed te worden geventileerd door middel van mechanische ventilatie.
Voor de capaciteit van deze installatie dient te worden uitgegaan van een minimum van vier keer de ruimte-inhoud per uur in de winterperiode en minimaal zes keer de ruimteinhoud per uur in de zomerperiode. Medische ruimte Voor de behandeling van atleten en voor gebruik van medici en EHBO bij wedstrijden, is het realiseren van (para) medische voorzieningen noodzakelijk. De medische ruimte kan in incidentele gevallen dienen als ruimte voor dopingcontrole. De medische ruimte dient zeer goed bereikbaar en toegankelijk te zijn. Er dient een toegang te zijn met een directe relatie tot de atletiekbaan. Daarnaast dient de ruimte dusdanig gesitueerd te zijn dat een ambulance tot vlak voor de deur gereden kan worden. De toegangsdeur dient voldoende breed te zijn, zodat personen eenvoudig per brancard naar binnen of naar buiten gebracht kunnen worden. Voor de medische ruimte dient te worden uitgegaan van een vloeroppervlak van minimaal 20 m 2. Er dient voldoende daglicht naar binnen te vallen, zonder dat er inkijk mogelijk is. Tevens dient een goede verlichting aangebracht te zijn. De ruimte dient goed geventileerd te worden, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie met een capaciteit van minimaal eenmaal de ruimte-inhoud per uur.
De ruimte dient voorzien te zijn van een telefoonaansluiting en meerdere geaarde stopcontacten voor de aansluiting van medische apparatuur en eventueel een koelkast (verplicht indien de ruimte wordt gebruikt voor dopingcontrole). In verband met de benodigde handhygiëne en wondverzorging dient een wastafel met koud en warm stromend water aangebracht te worden en een voetenbak die tot kniehoogte kan worden gevuld zodat eventueel een onderbeen of enkelwond schoongemaakt en/of gekoeld kan worden. De vloer dient te worden voorzien van gemakkelijk te reinigen vloerbedekking (bijv. linoleum of een gietvloer). In de medische ruimte dient het volgende meubilair geplaatst te worden: telefoon; massagetafel met een opklapbaar hoofdeinde; bureau met schrijfgelegenheid; stoelen; kapstok of kledinghaken aan de muur; pedaalemmer; (afsluitbare) EHBO-kast of -kist; brancard met deken.
Dopingcontrole ruimte In principe kunnen alle atleten van de Atletiekunie voor een (out-of-competition) dopingcontrole worden aangewezen. In de praktijk wordt bij het uitvoeren van deze dopingcontrole het accent gelegd op de finalisten op de Nederlandse kampioenschappen voor senioren. De uitvoering van de (out-of-competition) controles is in handen van de Dopingautoriteit. Concreet betekent dit dat alle organisatoren van kampioenschappen er rekening mee moeten houden dat er dopingcontrole kan plaatsvinden. Dit betekent dat ook alle voorzieningen getroffen moeten worden om een dopingcontrole volgens de regels te laten plaatsvinden. Het meest voor de hand liggend is om voor de uitvoer van deze dopingcontroles gebruik te maken van een kleedkamer of een medische ruimte, mits deze voldoet aan de additionele normen die hieronder worden weergegeven: Er dient een wachtruimte met een vloeroppervlak van ca. 20 m2 aanwezig te zijn voor de atleten die voor een dopingcontrole zijn aangewezen. In deze ruimte dient bij voorkeur een aansluiting voor een TV aanwezig te zijn. In de wachtruimte dienen voor de wachtende atleten met hun begeleiders voldoende stoelen geplaatst te kunnen worden. De eigenlijke werkruimte dient een vloeroppervlak van minimaal 12 m2 te hebben.
Er dienen minimaal één tafel en twee stoelen aanwezig te zijn voor de atleet en zijn begeleider alsmede voor de dopingcontrole officials. Bij meerdaagse wedstrijden zal er in deze ruimte tevens een afsluitbare koelkast aanwezig dienen te zijn. In directe relatie met de werkruimte dient een toiletruimte te worden opgenomen met een toilet en een wastafel met warm en koud water. Deze toiletruimte is noodzakelijk om het nemen van urinemonsters gecontroleerd mogelijk te maken. Materiaalruimte Voor het beoefenen van de atletieksport is veel wedstrijd- en trainingsmateriaal noodzakelijk. Voor het atletiekgedeelte dient een bergruimte van 60 m 2 voor het wedstrijdmateriaal en een bergruimte van 10 m2 voor het klein trainingsmateriaal ed. te worden opgenomen. Deze ruimten kunnen eventueel worden gecombineerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met een goede scheiding en looppaden. In verband met de gewenste scheiding tussen wedstrijd- en trainingsmateriaal wordt een gecombineerde ruimte echter niet geadviseerd. De toegangsdeuren dienen zodanig in een lange wand geprojecteerd te worden, dat ook het volumineuze materiaal (springkussens, polsstokken, polshoogstandaards, hordenwagens, enz) gemakkelijk naar binnen kan worden gebracht. Naast een brede toegangsdeur (bij voorkeur een kanteldeur of horizontale segmentdeur) is het aanbrengen van een smalle (enkele) deur te overwegen.
De materiaalruimte dient tevens als werkruimte (met werkbank, gereedschap, kraan met uitstortgootsteen) voor herstel van klein materiaal dienen en als weeg- en meetruimte. In beide gevallen is daartoe voldoende ruimte noodzakelijk. Facilitaire voorzieningen Werkkast schoonmaak Voor het opbergen van schoonmaakmateriaal dient een werkkast te worden opgenomen met een oppervlakte van minimaal 2,5 m 2 (ca. 1,25 x 2,00 meter). De berging voor het schoonmaakmateriaal dient op een logische plaats binnen de accommodatie te worden gesitueerd en dient voorzien te zijn van een uitstortgootsteen met warm en koud water en voldoende lengte plankdragers. Kalkhok Indien bij wedstrijden voor het uitzetten van sectoren kalk wordt gebruikt, wordt de realisatie van een apart kalkhok geadviseerd. Een bescheiden afmeting volstaat (ca. 1,5m). Het kalkhok dient van buitenaf bereikbaar te zijn, zoveel mogelijk buiten de meest gebruikte loopwegen in of om de accommodatie. Wanneer de sectoren voor de werpnummers met lint worden uitgezet is een kalkhok niet noodzakelijk.
Installatieruimte In de accommodatie dient een installatieruimte met een oppervlakte van ongeveer 8 m. te worden opgenomen. Deze ruimte dient in de nabijheid te worden gesitueerd van de doucheruimten in de accommodatie om de leidingen zo kort mogelijk te houden. De installatieruimte dient een directe toegang naar buiten te hebben door middel van een dubbele deur voor de aan-en afvoer van technische installaties en installatieonderdelen. De verwarmingsinstallatie, ventilatie-installatie en warmwaterinstallatie dienen in deze ruimte ondergebracht te worden. Gekozen dient te worden voor energiezuinige installaties, een en ander in overleg met de opdrachtgever en adviseurs. Wanneer het warme water voor onder andere de douches uit een centrale warmwaterinstallatie afkomstig is dient de temperatuur daarvan boven de 60ºC te zijn, anders bestaat de kans dat deze installatie Legionellabacteriën gaat bevatten. Men heeft dan een verhoogde kans op het krijgen van de, door de bacterie met de naam Legionella pneumophila, veroorzaakte veteranenziekte. Mede hierdoor is het van belang de leidingen regelmatig door te spoelen met water van meer dan 80°C, vooral wanneer de installatie enige tijd buiten gebruik is geweest. Ook dienen dode einden van leidingen voorkomen te worden.