05-06 Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4
Tekst van het document
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
In opdracht van: Bureau Leefomgeving 26 april 2021 R. Rijnders Bsc en ir. J.P.M. Hovens
Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
Bureau Leefomgeving R. Rijnders Bsc / ir. J.P.M. Hovens ir. J.P.M. Hovens en R. Rijnders Bsc
Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en we zijn PSO gecertificeerd.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
1
Inhoud 1. 2. 3.
Inleiding........................................................................................................................................... 3 De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4. Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 6 4.2 Bevindingen............................................................................................................................. 8 5. Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 12 6. Conclusies .....................................................................................................................................
13 Literatuur ............................................................................................................................................... 15 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 16
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
2
1.
Inleiding
Bureau Leefomgeving begeleidt de herontwikkeling aan de Achterstraat 4 te Wanssum. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
3
2.
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
4
3.
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De woning en aangrenzende paardenhouderij worden gesloopt. Hierna worden er acht nieuwe woningen met bijbehorende tuinen en openbare ruimte gerealiseerd (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1. De nieuwe invulling van het plangebied. Bron: Driessen Architectuur.
3.2
Werkwijze flora- en fauna-inspectie
Op 14 april 2021 heeft Faunaconsult B.V. het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren. De te slopen gebouwen werden daarbij van binnen en buiten met behulp van een ladder, boomcamera (RIDGID Tubesnake) en zaklamp geïnspecteerd. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
5
4.
Aanwezige beschermde planten en dieren
4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied ligt in het oosten van Wanssum, binnen de bebouwde kom. Het bestaat uit een voormalige boerderij/paardenhouderij (woning met verschillende bijgebouwen), een tuin, een grasland en een geasfalteerde inrit. Figuur 4.1.1 en de foto’s op de voorzijde geven een indruk van de huidige inrichting van het plangebied. In het plangebied komen algemene plantensoorten voor zoals melkdistel, valse kamille, paarse dovennetel, vingerhoedskruid, klein kruiskruid, Canadese fijnstraal, laurierkers, paardenbloem, rododendron, smalle weegbree, grote brandnetel, jacobskruiskruid, winterpostelein en bijvoet. Het plangebied grenst in het westen aan de Achterstraat, in het noorden aan tuinen van omliggende woningen, in het oosten en zuidoosten aan een doe-het-zelfzaak en in het zuiden aan bijgebouwen van woningen.
Figuur 4.1.1. Het plangebied met de te slopen gebouwen. 1=paardenstal (zie foto linksonder voorzijde), 2=halfopen werktuigstalling (zie figuur 4.1.2), 3=Hoofdgebouw met woongedeelte (zie foto midden voorzijde), 4=extra paardenstal (geel omlijnd) en 5=deels ingestort gebouw (zie figuur 4.1.3). Bron: Google Maps.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
6
Figuur 4.1.2. De halfopen werktuigstalling.
Figuur 4.1.3. Deels ingestort gebouw.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
7
4.2
Bevindingen
Vleermuizen en vogels De gevels en daken van de paardenstal (1 in figuur 4.1.1), de halfopen werktuigstalling (2 in figuur 4.1.1) en het half ingestorte gebouw (5 in figuur 4.1.1) zijn volledig enkelwandig. Vleermuisverblijven en/of vogelnesten zijn hier afwezig. Het hoofdgebouw (3 in figuur 4.1.1) heeft een Engelse kap, waarbij het onderste dakdeel op het woondeel is voorzien van dakbeschot. De rest van het dak op het hoofdgebouw is volledig enkelwandig. Doordat de dakgoten nauw tegen de gevels aansluiten, kunnen vleermuizen niet in de ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen komen. Doordat het dak met platte dakpannen is belegd, is er onder de onderste rijen dakpannen op het woondeel geen ruimte voor vogelnesten. Doordat de gevelpannen in de specie zijn gelegd, is ook hier de aanwezigheid van gierzwaluwnesten en/of huismussennesten uit te sluiten. Het grootste deel van het dak op het hoofdgebouw is (als gezegd) enkelwandig, zodat vogelnesten hier zeker afwezig zijn. Op één plaats, op een balk in het dak (zie figuur 4.2.1), werd tijdens het veldbezoek echter een oud kauwen/holenduivennest aangetroffen. Het is daarom mogelijk dat er tijdens het broedseizoen algemene vogels in het hoofdgebouw gaan broeden. Tussen de binnenmuren en de dakpannen op het hoofdgebouw zijn spleten die zeer geschikt zijn als mogelijk vleermuisverblijf (zie figuur 4.2.2).
Ook via de ventilatie-openingen (in de buitengevels van het woondeel, figuur 4.2.3) kunnen vleermuizen naar binnen. Vanwege de afwezigheid van grote spleetvormige ruimten, valt de aanwezigheid van massa-winterverblijven echter uit te sluiten (Korsten et al., 2016). De gevels van de extra paardenstal (4 in figuur 4.1.1) zijn enkelwandig, maar onder het pannendak is een plafond aangebracht. Doordat de ruimte tussen het plafond en de dakpannen zeer ruim en tochtig is (zie figuur 4.2.4), is deze ongeschikt als vleermuizenverblijf. Tijdens het veldbezoek werd in de ruimte een oud kauwen/holenduivennest aangetroffen en vloog er ook een winterkoning naar binnen. Het is dus mogelijk dat er tijdens het broedseizoen algemene vogels in de extra paardenstal (gaan) nestelen. Tijdens het veldbezoek zijn houtduif, merel, ekster, koolmees, winterkoning, vink, roodborst, kauw, huismus en heggenmus waargenomen. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) waren er in 4 (niet nader getoonde) territoria van kwetsbare soorten (roofvogels/uilen) in het kilometerhok rondom en in het plangebied aanwezig. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn echter zeker afwezig in het plangebied. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels zoals de kauw, holenduif of merel in de bebouwing en/of de opgaande vegetatie nestelen.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
8
Figuur 2.4.1. Een oud kauwen/holenduivennest op een balk in het gebouw.
Figuur 4.2.2. De spleten tussen de dakpannen en de stenen binnenmuren zeer geschikt zijn als mogelijk vleermuisverblijf.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum
9
Figuur 4.2.3. Via ventilatie-openingen kunnen vleermuizen de woning binnen.
Figuur 4.2.4. De ruimte tussen het plafond en de dakpannen van de extra paardenstal is zeer ruim en daardoor te tochtig voor vleermuizen.
Overige zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn in het hoofdgebouw (slechts) twee uitwerpselen van een volwassen steenmarter waargenomen (figuur 4.2.5). Hieruit blijkt dat het hoofdgebouw mogelijk dient als dagrustplaats, maar zeker niet als kraamverblijf, van deze soort. Voor overige kleine marterachtigen biedt het plangebied te weinig dekking en dassenwissels, holen etc. zijn afwezig. Algemene zoogdieren als de veldmuis en bosmuis kunnen eveneens in het plangebied voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 10
Figuur 4.2.5. Uitwerpselen van een steenmarter in het hoofdgebouw.
Planten Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) groeiden er in 2016 in het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt, geen planten die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd (niet volledig onderzocht). In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Amfibieën en andere soorten Reptielen zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen en de aanwezige biotopen zijn ook niet geschikt als habitat voor dergelijke soorten. Amfibieën werden tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Water is aanwezig ten noorden en westen van het plangebied, in de vorm van de Maas de haven en de Groote Molenbeek. Deze wateren bevatten echter vis, waardoor ze ongeschikt zijn als voortplantingswater van strenger beschermde amfibieën. Het is tevens onwaarschijnlijk dat streng beschermde amfibieën (een deel van) het plangebied als landhabitat gebruiken. Het is echter mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten het plangebied als deel van hun landhabitat gebruiken. Tabel 4.2 geeft weer welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen. Tabel 4.2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Vogels Internationaal met jaarrond beschermde Nederlandse naam en wetenschappelijke naam beschermd nest soorten Laatvlieger (Eptesicus serotinus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)
Overige beschermde soorten
X X X X
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 11
5.
Mogelijke effecten
- Het hoofdgebouw bevat mogelijk vleermuisverblijven (m.u.v. massa-winterverblijven) van verschillende soorten vleermuizen. Door de sloop verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. - Als het slopen van de gebouwen en het verwijderen van de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt uitgevoerd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of gedood. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. In tabel 5.1 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In de volgende paragraaf wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Vleermuizen
Vogels
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Internationaal beschermde soorten Overige soorten
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
X
X X
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 12
6.
Conclusies
Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de vegetatie en het slopen van de gebouwen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Het te slopen hoofdgebouw bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken); 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 augustus – 1 oktober (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden.
Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid rondom het plangebied op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten van types als VK WS 02, VK MP 02 of VK WS 07 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl) of VMT1 (te bestellen bij faunaprojecten.nl) en 2 kraamkasten type VMT3 Kraamkast (te bestellen bij Faunaprojecten.nl) op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen of renoveren panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017). Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen woningen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven te worden gerealiseerd.
Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 01 Inbouwsteen, die wordt gekoppeld Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 13
aan een extra compartiment (Vivara IB VL 02). Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 14
Literatuur • • • • • •
BIJ12. 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Korsten, E., H. Bouman en D. Tuitert. 2016. (Massa-)winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen: discussiestuk Vleermuisprotocol 2017. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 15
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 16
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 17
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 18
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum 19
__________________________________________________________________________________ Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 e-mail: info@faunaconsult.nl www.faunaconsult.nl KvK Limburg: 78110750 BTW nummer: NL826249255B01 __________________________________________________________________________________ Bureau Leefomgeving B.V. t.a.v. N. van den Ekker Schoolstraat 7 5961 EE Horst Belfeld, 18 oktober 2021
Vleermuizenonderzoek Achterstraat 4 te Wanssum Door: ir. C. de Koning en ir. J.P.M. Hovens In opdracht van: Bureau Leefomgeving B.V. Inleiding Bureau Leefomgeving B.V. begeleidt de ruimtelijke ontwikkelingen aan de Achterstraat 4 te Wanssum (zie figuur 1). Hier wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden er nieuwe woningen met tuinen gerealiseerd. Vooraf werd mogelijk geacht dat er verblijven van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig konden zijn1. Dit rapport geeft de bevindingen van het aanvullende vogel- en vleermuizenonderzoek weer. Werkwijze Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied is onderzocht met behulp van een heterodyne vleermuisdetector (Pettersson D100). Hierbij werden de duur van het onderzoek, het startmoment en het aantal onderzoeksronden bepaald aan de hand van het vleermuisprotocol2, waarbij werd aangenomen dat er mogelijk verblijven van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger of ruige dwergvleermuis aanwezig waren. Van lastig te determineren soorten zijn met behulp van een time-expansion detector/recorder (Elekon Batlogger M) geluidsopnamen gemaakt, waarvan vervolgens het sonogram is geanalyseerd. Tabel 1 geeft de onderzoeksgegevens tijdens het vleermuizenonderzoek weer.
1 Rijnders, R. en J.P.M. Hovens. 2021. Flora- en fauna-inspectie Achterstraat 4 te Wanssum. In opdracht van:
Bureau Leefomgeving. Faunaconsult B.V., Belfeld. 2 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
1
Tabel 1. Onderzoeksgegevens vleermuizenonderzoek.
Datum 18-06-2021 2 uur voor zonsopkomst – zonsopkomst 23-06-2021 zonsondergang – 2 uur na zonsondergang 15-07-2021 zonsondergang – 2 uur na zonsondergang 30-08-2021 1 uur na zonsondergang – 3 uur na zonsondergang 29-09-2021 1 uur na zonsondergang – 3 uur na zonsondergang
Waarnemers P. Visschers
Min. Temp. 21 °C
Weersomstandigheden Droog, 2 Bft
P. Visschers
17 °C
Droog, 2 Bft
P. Visschers
19 °C
Droog, 3 Bft
P. Visschers
16 °C
Droog, 3 Bft
P. Visschers
11 °C
Lichte regen, 4 Bft
Resultaten Plangebied In het plangebied is 1 zomerverblijf van de laatvlieger gevonden. Op 23 juni 2021 werden twee uitvliegende laatvliegers waargenomen uit het kapotte dakraam. Gedurende enkele onderzoekrondes vlogen er een enkele gewone dwergvleermuizen rond het plangebied kort na/voor zonsondergang. Hieruit valt op te maken dat er in de directe omgeving rond het plangebied meerdere verblijven van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Overige vleermuissoorten werden niet waargenomen.
Figuur 1. Zomerverblijf laatvlieger (oranje stip) in het plangebied (geel gearceerde bebouwing). Bron: OpenStreetMap.
Buiten het plangebied Net buiten het plangebied zijn nergens vleermuisverblijven waargenomen. Wel werden kort na zonsondergang gedurende twee vleermuizenrondes enkele gewone dwergvleermuizen waargenomen.
Vleermuizenonderzoek Achterstraat 4 te Wanssum
2
Deze vlogen niet uit in het plangebied en moeten dus een verblijf net buiten het plangebied hebben, maar in ieder geval in Wanssum. Conclusies In het plangebied bevindt zich 1 zomerverblijf van de laatvlieger. De laatvlieger is streng beschermd onder de Wet natuurbescherming, evenals hun vaste rust- en verblijfplaatsen. Voordat de bebouwing mag worden gesloopt, dient daarom een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Vleermuizenonderzoek Achterstraat 4 te Wanssum
3