CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting Ysselsteynseweg 41

Gemeenteraad 6 februari 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Ysselsteynseweg 41, Ysselsteyn’10.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Ysselsteynseweg 41 Ysselsteyn

Kadastrale gegevens

: : :

Venray N 749

Opgesteld door

:

Arvalis

Referentie

:

220085-001

IMRO-code

:

NL.IMRO.0984.BP22026-on01

: :

Klik of tik om tekst in te voeren. Klik of tik om tekst in te voeren.

Datum

Ontwerp: Vastgesteld:

Gemeente Sectie Nummer

Inhoudsopgave 1.

2.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 6 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 6

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 7

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 8

Planbeschrijving .............................................................................................. 9 2.1.

Huidige situatie ......................................................................................... 9

2.2.

Beoogde situatie ......................................................................................10

2.2.1. 2.3. 3.

Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................10

Beleidskader ..................................................................................................11 3.1.

Inleiding..................................................................................................11

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................11

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................11

3.2.1.

Structuurvisie infrastructuur en ruimte .................................................12

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................12

3.2.1.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................13

3.2.2.

Besluit m.e.r. .....................................................................................14

3.3.

Provinciaal beleid .....................................................................................14

3.3.1.

Provinciale Omgevingsvisie ..................................................................14

3.3.2.

Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” ............................15

3.3.3.

Omgevingsverordening Limburg ...........................................................16

3.4.

4.

Planbeschrijving .................................................................................10

Gemeentelijk beleid ..................................................................................17

3.4.1.

Toekomstvisie Venray 2030 .................................................................17

3.4.2.

Omgevingsvisie Venray .......................................................................18

3.4.3.

Structuurvisie bijdrage ruimtelijke ontwikkeling .....................................18

3.4.4.

Toetssteen openbare ruimte ................................................................19

3.4.1.

Ruimtelijk Kwaliteitskader ...................................................................20

3.4.2.

Beeldkwaliteitsplan .............................................................................20

3.4.3.

Gemeentelijk RioleringsPlan 2022-2025 ................................................21

Omgevingsaspecten ........................................................................................22 4.1.

Bodem ....................................................................................................22

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................22

4.3.

Geur .......................................................................................................24

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................24

4.5.

Geluid .....................................................................................................26

4.6.

Externe veiligheid .....................................................................................26

4.7.

Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................28

4.7.1.

Cultuurhistorie ...................................................................................28

4.7.2.

Archeologie .......................................................................................28

4.8.

4.8.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................29

4.8.2.

Soortenbescherming ...........................................................................29

4.9.

5.

6.

Flora en Fauna .........................................................................................29

Water .....................................................................................................30

4.9.1.

Provinciaal waterplan Limburg .............................................................30

4.9.2.

Watertoets ........................................................................................31

4.10.

Kabels en leidingen ...............................................................................31

4.11.

Niet-Gesprongen Explosieven..................................................................31

4.12.

Mobiliteit en parkeren ............................................................................32

4.13.

Landschappelijke inpassing .....................................................................32

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................33 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................33

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................33

5.3.

Procedure ................................................................................................33

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................33

Juridische planopzet .......................................................................................35 6.1.

Inleiding..................................................................................................35

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................35

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................35

Bijlagen ...............................................................................................................36

Bijlage(n) Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Notie gewijzigd geluidsscherm Bijlage 3: Omgevingsdialoog

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

De voorliggende toelichting bestemmingsplan is opgesteld omdat door initiatiefnemer een omissie is geconstateerd in het bestemmingsplan aan de Ysselsteynseweg 41 (hierna genoemd: plangebied). In het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010” is per abuis de destijds reeds vergunde en aanwezige speelweide niet opgenomen binnen de bedrijfsbestemming. Op het plangebied beschikt de initiatiefnemer over een hondenpension/hondencentrum met hondentraining. Aan het hondenpension/hondencentrum met hondentraining is in 1996 een milieuvergunning toegekend. Daarnaast heeft de gemeente Venray in 1996 een voorbereidingsbesluit genomen waaruit blijkt dat zij voornemens was het gehele perceel de bestemming ‘Bedrijf’ toe te kennen. Bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan, ‘Buitengebied Venray 2010’ is echter alleen het voorste deel van het perceel bestemd tot ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijfoverige niet-agrarische bedrijven’. Het achterste deel van het perceel heeft de bestemming ‘Agrarische’ behouden. Dit betreft een omissie welke pas is geconstateerd in het kader van een aanvraag om een melding activiteitenbesluit Conform de in 1996 toegekende vergunning wordt het achterste deel van het perceel gebruikt voor het laten uitlopen van honden.

Door de wijze waarop de vergunning is overgenomen in het bestemmingsplan is het laten uitlopen van honden op het achterste deel in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De initiatiefnemer wil deze omissie oplossen door de speelweide alsnog conform de feitelijke en vergunde situatie binnen het bestemmingsplan op te nemen. Op 6 juli 2022 heeft gemeente Venray schriftelijk bevestigd medewerking te verlenen aan het herstel van deze omissie.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van gemeente Venray op een afstand van 1.250 meter van de komgrens Ysselsteyn. Het plangebied betreft één perceel welke kadastraal bekend is als gemeente Venray, sectie N, nummer 749. In afbeelding 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1. Topografische kaart

6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6. De gemeenteraad van de gemeente Venray heeft op 14 december 2010 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ en op 20 september 2017 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ vastgesteld. Het plangebied betreft een hondenpension/hondencentrum en is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de volgende bestemmingen, zie afbeelding 2: • • • • • • • • • •

• •

Enkelbestemming: Bedrijf; Enkelbestemming: Agrarisch; Dubbelbestemming: Waard- Houtopstanden en houtwallen; Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie – 2; Bouwvlak Functieaanduiding: bedrijfswoning; Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – overige niet agrarische bedrijven; Maatvoering: maximum bouwhoogte 95 m; Maatvoering: maximum bouwhoogte 100m; Maatvoering: o maximum bouwhoogte 7 m o maximum goothoogte 4,5 m; Gebiedsaanduiding: luchtvaartverkeerzone; Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – verwevingsgebied.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan

7

1.4.

Leeswijzer

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •

• • •

8

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de beoogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1.

Huidige situatie

Binnen het plangebied is een hondencentrum/hondenpension met hondentraining gevestigd. Het plangebied is gedeeltelijk bebouwd. In de bedrijfsbebouwing is huisvesting voor de honden, opslag en een bedrijfswoning aanwezig conform toegekende milieuvergunning en activiteitenbesluit. Daarnaast is aan de achterzijde van het perceel conform de verleende milieuvergunning een speelweide/trainingsveld voor honden gerealiseerd.

Afbeelding 3. Huidige situatie plangebied

9

2.2.

Beoogde situatie

2.2.1. Planbeschrijving De initiatiefnemer heeft het voornemen de omissie in het bestemmingsplan op te lossen door de speelweide te herbestemmen naar bedrijf, conform het voorbereidingsbesluit van 24 september 1996. In onderstaande afbeelding is de beoogde situatie van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4. beoogde situatie plangebied

2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Ter plekke van de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – overige niet agrarische bedrijven’ zijn de gronden bestemd voor overige nietagrarische bedrijven in de bestaande aard, omvang en bijbehorende milieucategorie. Binnen het vigerende bestemmingsplan is een wijzingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders deze bestemming kunnen vergroten. De beoogde ontwikkeling is echter niet passend binnen de bovengenoemde wijzigingsbevoegdheid. Onderhavige situatie betreft een omissie binnen het plangebied dat nu pas is opgemerkt. Initiatiefnemer wenst enkel deze ontstane omissie op te lossen, zodat de huidige feitelijke en vergunde situatie passend is binnen het bestemmingsplan. Om het plan mogelijk te maken is een herziening van het bestemminsplan noodzakelijk.

10

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI.

11

3.2.1. Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).

Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. 12

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In paragraaf 5 van de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Venray, er vindt een herbestemming plaats van de bestemming ‘Agrarisch’ naar bestemming ‘Bedrijf’.

Er wordt geen extra bouwmogelijkheid geboden ten opzichte van de huidige bestemming. De functiewijziging is zo beperkt van aard en omvang dat om die reden er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens betreft het enkel het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. Concluderend, er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor er geen laddertoets hoeft te worden uitgevoerd.

13

3.2.2. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht).

In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. In het Besluit milieueffectrapportage is in de C-lijst en D-lijst de beoogde ontwikkeling niet genoemd, hetgeen betekent dat geen milieueffectrapportage respectievelijk m.e.r beoordeling maar ook geen vorm-vrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is.

3.3.

Provinciaal beleid 3.3.1. Provinciale Omgevingsvisie

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. 2. 3.

14

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied;. b. In landelijk gebied;. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; Klimaatadaptieve en energietransitie;

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • •

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: o o o

Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied 3.3.2. Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte”

Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.

15

Afbeelding 5. Uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening

Er zijn geen aandachtsgebieden gelegen ter plekke van het plangebied. 3.3.3. Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.

16

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. Hierbij moet gedacht worden aan (goede verbindingen naar) brede, maatschappelijke en passende voorzieningen, die met elkaar samenwerken. Hiervoor gebruiken inwoners bijvoorbeeld klimaatneutrale pendelbusjes, veelal met vrijwilligers achter het stuur. Ook moet gedacht worden aan een actief verenigingsleven, waar vrijwilligers van elkaar leren. Hierdoor is er in 2030 voor iedereen een ontmoetingsplek in een gebouw of buiten, hoeft niemand zich meer eenzaam of onveilig te voelen en kan iedereen meedoen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray.

Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Kinderen kunnen naar goede scholen en veilig buiten spelen. Er zijn betaalbare starterswoningen, en lange wachtlijsten voor (sociale) huurwoningen zijn in 2030 verleden tijd. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. Kleinschalige coöperatieve burgerinitiatieven worden gestimuleerd. 4.

stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. Er is flink geïnvesteerd in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. Tweedekansonderwijs helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk. En scholing van arbeidsmigranten, in de vorm van bijvoorbeeld taallessen, heeft de integratie bevorderd en biedt hen een duurzame verbondenheid met Venray. Dit wordt versterkt door echt mee te doen in de samenleving met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt 17

ervoor dat bedrijven en voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën. In 2030 zijn er vormen van deelvervoer (deelauto) geïntroduceerd. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends- en ontwikkeling die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends- en ontwikkeling zijn: - andere invulling van de (schaarse) ruimte; - klimaatverandering en energietransitie; - nieuwe technologie; - langer leven; - nieuwe rolverdeling inwoners en overheid; - toenemende diversiteit; - veranderede economie. Onderhavig planvoornemen sluit onder andere aan bij ambitie één en drie. Tevens betreft het enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. 3.4.2. Omgevingsvisie Venray In de omgevingsvisie Venray (vastgesteld op 2 november 2021) worden de uitdagingen en toekomstbeelden van gemeente Venray beschreven. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke verstaling van de strategische visie: Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’.

In de omgevingsvisie is per gebied te zien welke thema’s, waarden en ambities er gelden. De planlocatie is gelegen in het gebied ‘Agrarische gebieden’. In het toekomstige agrarische gebied zijn de functies tussen wonen en intensieve veehouderij meer gescheiden. In de kernrandzones en woonclusters is minder geuroverlast. In het overig agrarische gebied ligt de nadruk op landbouw. Deze gebiedsgerichte aanpak zorgt voor een juiste balans tussen wonen, recreatie en veehouderij in het agrarische gebied. De bouw van woningen, de energietransitie en de mogelijkheid tot recreëren is in het agrarisch gebied op de juiste plek ingepast en gaat niet ten koste van het landschap. Er blijft voldoende ontwikkelingsruimte voor de agrarische bedrijven. Voor voormalige agrarische bedrijven wordt afhankelijk van het gebied hergebruik voor andere functies zoals kleinschalige niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke functies toegestaan. Het beoogde initiatief sluit aan bij de visie voor de agrarische gebieden. Tevens betreft het enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. 3.4.3.

Structuurvisie bijdrage ruimtelijke ontwikkeling Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. 18

Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor gelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier. Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid. Door nieuwbouw in beperkte mate toe te staan zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast, maar per saldo juist wordt versterkt. Met andere woorden: ‘groen’ staat voorop en ‘rood’ is een middel. De draagkracht van het gebied is bepalend voor de mate waarin nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd. Het ruimtelijk beleid in het stedelijk en het buitengebied is vastgelegd in diverse ruimtelijke visies en bestemmingsplannen. Deze zijn maatgevend voor waar welke ontwikkelingen worden toegestaan. In dit beleid en deze regelgeving wordt ook ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en maatregelen die kunnen worden genomen. In het vigerende bestemmingsplan zijn een tweetal uitgangspunten uitgewerkt die rechtstreeks gericht zijn op behoud van de ruimtelijke kwaliteit: 1.

Hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB): nieuwevestiging van een niet-agrarische bedrijf of recreatiebedrijf is alleen in een VAB toe te staan. 2. Bij uitbreiding van woningen, landbouwverwante en kleinschalige bedrijven (meer dan het maximale bebouwingsvolume) is uitbreiding op basis van een sloopregeling mogelijk. Het beoogde initiatief voorziet niet in uitbreiding van het maximale bebouwingsvolume. Het betreft enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. 3.4.4. Toetssteen openbare ruimte De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray. De Toetssteen Openbare Ruimte heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in: 1. Technisch-functionele kwaliteit; 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit. De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente.

Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelings-traject van een bouwplan efficiënter verlopen. Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten: 1. Aanleveren Toetssteen; 2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen. 19

De toetssteen openbare ruimte wordt in hoofdstuk 4 toegepast en in de bijbehorende bijlages toegepast op de voor de planlocatie relevante aspecten 3.4.1. Ruimtelijk Kwaliteitskader In het Ruimtelijk Kwaliteitskader is de opvatting dat in het buitengebied zich steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen. Deze dynamiek vraagt enerzijds om een visie waarmee wordt aangegeven welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn. Anderzijds wordt erkend dat een ontwikkeling in het buitengebied de waarden van dit buitengebied kunnen worden aangetast. Een ontwikkeling is dan ook slechts mogelijk als tegelijkertijd deze waarden op een verantwoorde wijze worden behouden of worden omgevormd tot een nieuwe kwaliteit. Bij ontwikkelingen in het buitengebied van gebouwen of andere verstening is onvermijdelijk om te zorgen dat de leefbaarheid blijft behouden. Het gaat om het creëren van economische ontwikkelingen in samenhang met de belangen rondom leefbaarheid en ruimte. In het Ruimtelijk Kwaliteitskader zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor het buitengebied vastgelegd. Het plangebied is gelegen in het oosten van deelgebied ‘Ysselsteyn’ met het landschapstype ‘Oud bouwland’. Dit gebied is de overgang naar oud bouwland zichtbaar, de rechtlijnige verkaveling die naar het oosten toe steeds meer de oude wegenpatronen volgt. De structuur wordt benoemd als een mozaïekstructuur.

Het beoogde initiatief voorziet niet in extra verstening in het buitengebied. Het betreft enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. 3.4.2. Beeldkwaliteitsplan De gemeente Venray wil grip houden op de kwaliteit van haar buitengebied. Daarom heeft zij een helder en integraal ontwikkelingsplan opgesteld: het ‘Beeldkwaliteitsplan (2010)’. Het plangebied valt binnen het mozaïeklandschap. Het landschappelijke karakter wordt voornamelijk bepaald door wegen, bebouwingsstructuur en verkavelingspatroon. Schaal en maat lopen sterk uiteen van kleine omsloten gebieden door singels en bosjes tot grotere open gebieden met laanbeplanting als begrenzing. Er zijn diverse voorwaarden opgenomen voor de inrichtingen van erven. De bebouwing volgt de perceelsgrenzen en houdt rekening met aangrenzende percelen om zo een afwisselend beeld te creëren van open en gesloten gebieden. De situering van de bebouwing versterkt het verkavelingspatroon middels aansluiting op hoekverdraaiingen in een formele, functionele opzet. De erfbeplanting wordt aangesloten op de perceelstructuur en het gehele perceel wordt omzoomd door bomen, singels, houtwallen, kruidenrijke stroken en hagen. De bebouwing zal achter de erfbeplanting verdwijnen. Voor de beplantingsstructuur gelden ook enkele uitgangspunten.

Toe te passen soorten dienen een streekeigen karakter te hebben. De toepassing van exoten en bijzondere cultivars heeft in beginsel niet de goedkeuring, omdat zij te zeer een gecultiveerde uitstraling hebben, welke onvoldoende aansluit bij het landschappelijke en natuurlijke karakter dat nagestreefd wordt. De toe te passen soorten dienen verder duurzaam te zijn. De toepassing van soorten die slechts enkele decennia levensvatbaar zijn heeft niet de voorkeur, omdat hiermee niet de landschappelijke inpassing op lange termijn gegarandeerd kan worden. Bomen worden immers waardevoller en karakteristieker naarmate zij in ouderdom toenemen. Door toepassing van streekeigen en/of vruchtdragende soorten kan de landschappelijke inpassing die gerealiseerd wordt tevens een bijdrage leveren aan de biologische diversiteit van het landelijke gebied. Zoogdieren, vogels, insecten en andere fauna profiteren van de bijzondere biotopen die ontwikkeld worden. Bloesem, vruchten en bladeren bieden een voedselbron en de beplanting voorziet in schuil- en 20

broedgelegenheden voor de genoemde fauna. Lijnvormige karaktervolle bomenrijen dragen bij aan de structuur van het landschap en hebben een duurzaam karakter. Afhankelijk van de toe te passen soort en onderlinge afstand kan een gesloten of een meer transparante bomenrij ontstaan. Het assortiment waaruit gekozen kan worden is opgenomen in de bijlage ‘Beplantingsstructuren van het ‘Beeldkwaliteitsplan (2010)’. Het beoogde initiatief voorziet weliswaar in een bestemmingsplanherziening, echter betreft het enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie. 3.4.3. Gemeentelijk RioleringsPlan 2022-2025 In het Gemeentelijk RioleringsPlan 2022-2025 heeft de gemeente Venray het beleid met betrekking tot de riolering en het (hemel)water vastgelegd. Verder wordt aangegeven welke investeringsprojecten en onderhoudsmaatregelen er voor de planperiode noodzakelijk zijn om benoemde doelen te behalen. In dit beleid is onder andere opgenomen dat bij een toename aan verharding een infiltratie- en/of hemelwatervoorziening moet worden aangelegd waarbij een bui van 60 mm kan worden verwerkt. In het voorliggend plan is er geen sprake van nieuwe oppervlakteverharding, waardoor er vanuit het GRP van de gemeente Venray geen noodzaak bestaat om een infiltratievoorziening aan te leggen.

Het beoogde initiatief voorziet niet in uitbreiding van het verhard oppervlak. Het betreft enkel het wegnemen van een omissie en het bestemmen van de feitelijke, reeds vergunde situatie.

21

4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1.

Bodem

De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In de beoogde situatie wordt het achterste deel van het plangebied de bestemming ‘Agrarische’ naar bestemming ‘Bedrijf’ herbestemd. Hierbij wordt geen nieuwe verblijfsfunctie gerealiseerd waardoor een bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde situatie.

4.2.

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. De locatie aan Ysselsteynseweg 41 te Ysselsteyn. wordt ingedeeld in de categorie “Dierenasiels en -pensions”. Per categorie worden de bijbehorende richtafstanden en indices weergegeven. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een 22

matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen onder ander agrarische en bedrijfsmatige functies. Hierdoor is er reeds sprake van verhoogde milieubelasting. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.

Bedrijven en milieuzonering Locatie

Functie

Milieucategorie

Afstanden ‘Gemengd gebied’(m)

Ysselsteynseweg 41

Dierenasiels en pensions

3.2

Geur: 10 Stof: 0 Geluid:50 Gevaar: 0

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 0

Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering beoogde bedrijf

Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof en gevaar. Voor het aspecten geur en geluid wordt gemotiveerd afgeweken, zie paragraven 4.3 en 4.6. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie tabel 2.

Bedrijven en milieuzonering Locatie

Functie

Milieucategorie

Afstanden ‘Gemengd gebied’(m)

Ysselsteynseweg 39 en 39a

Opslaggebouwen

2

Ysselsteynseweg 48

Vleesvarkenshouderij

4.1

Ysselsteynseweg 49a

Pluimveehouderij Opfokkippen en mestkuikens

2

Rouwkuilenweg 11

Akkerbouw

2

Rouwkuilenweg 14

Pluimveehouderij Legkippen

2

Geur:0 Stof: 0 Geluid:10 Gevaar:0 Geur:100 Stof: 10 Geluid:30 Gevaar:0 Geur:100 Stof: 10 Geluid:30 Gevaar:0 Geur:0 Stof: 0 Geluid:10 Gevaar:0 Geur:100 Stof: 10 Geluid:30 Gevaar:0

Tabel 2. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

23

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 0

103

290

4

250

Zoals blijkt uit de tabel is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen voor de aspecten geur, stof en gevaar. Het plangebied ligt binnen de richtafstanden van Rouwkuilenweg 11 en Ysselsteynseweg 39 en 39a met betrekking tot het aspect geluid. In paragraaf 4.6 is onderbouwd hoe wordt voldaan aan de gestelde normen met betrekking tot geluid. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Venray van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden opgenomen in de ‘aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: Wettelijke normen en afstanden Maximale achtergrond belasting in oue/m3

Minimum afstand emissiepunt in meters

Minimum afstand Gevel-totgevel in meters

Gebied Buitengebied

Maximale voorgrond belasting in oue/m3

Locatie Ysselsteynseweg 41

14

30

50

25

Tabel 3. Uitwerking wettelijke normen en afstanden voor de plangebied

De locaties Ysselsteynseweg 39 en de Rouwkuilenweg 11 bevinden zich binnen de richtafstanden zoals opgenomen in ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Echter zijn de geurgevoelige objecten buiten de minimale afstanden gelegen zoals opgenomen in de gebiedsvisie geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4.

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

24

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).

Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen toenemen. Deze bevatten een weekdaggemiddelde van 42 bewegingen. Per dag zullen 20 lichte voertuigen en 1 zware voertuigen van en naar het plangebied komen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

20

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 6.NIBM-tool

Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

25

4.5.

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven ten opzichte van geluidsgevoelige objecten. De onderhavige ontwikkeling maakt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk. Het bedrijf kan echter wel geluidhinder veroorzaken voor andere geluidsgevoelige objecten. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid conform de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’, zie paragraaf 4.1.3. Vandaar dat een nader akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Binnen dit akoestische onderzoek is de geluidsuitstraling van de totale inrichting bepaald aan de hand van de beoogde bedrijfsactiviteiten. De belangrijkste geluidsbronnen van het bedrijf bestaan uit rijbewegingen met auto’s, rijbewegingen met vrachtwagens en het blaffen van honden. Om te kunnen voldoen aan de geluidsnormen uit het activiteitenbesluit is er een geluidsabsorberend geluidscherm geplaatst. Deze is reeds op 2 juni 2022 door gemeente Venray is vergund met het kenmerk HZ-OMV-2022-0118. Onderdeel voor verlening van deze vergunning is de toetsing aan het bestemmingsplan, door de verlening van de vergunning, wordt voldaan aan de eisen van het bestemmingplan.

Met het toepassen van deze maatregel blijkt uit de resultaten van akoestisch onderzoek naar de geluidsuitstraling van het bedrijf dat er voldaan wordt aan de normering ten aanzien van de directe en indirecte hinder. Het volledige akoestisch onderzoek is toegevoegd in de bijlagen. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels voor behoud van het geluidsscherm. Daarnaast is de bedrijfswoning op het plangebied buiten de richtafstanden gelegen van de locatie Rouwkuilenweg 11 en Ysselsteynseweg 39. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.

26

Afbeelding 7. Uitsnede risicokaart

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten is het Bevi niet van toepassing. Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen opgenomen op de risicokaart. Het beoogde plan ligt buiten de invloedssfeer van de in het Bevi opgenomen inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen opgenomen op de risicokaart. Het beoogde plan ligt buiten de invloedssfeer van de in het Bevt opgenomen transportroutes. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Er zijn in de nabijheid van het plangebied drie buisleidingen opgenomen op de risicokaart. Op de risicokaart is het plaatsgebonden risico (10-6 contour) van deze buisleidingen opgenomen. Het plangebied is buiten de zone gelegen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

27

4.7.

Cultuurhistorie en archeologie

4.7.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Het plangebied ligt niet in een landschap dat vanuit het aspect cultuurhistorie een beschermde status kent. Ook liggen er binnen en in de nabije omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen of objecten. 4.7.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden.

Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13705356/1