04 Toelichting Woningbouw Zompgraaf
Tekst van het document
De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmingsplan)plan.
4.2.4 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.
28
Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen inbreiding is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder ligt het plangebied niet in de nabijheid van een 150 kV hoogspanningslijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
4.2.5 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1.
het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.
29
In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de realisatie van 11 wooneenheden (netto: 10) mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.
30
Een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. is iets anders is dan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, alsmede dat de aard en omvang van een stedelijke ontwikkeling op zichzelf dienen te worden bezien voor het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Vanwege het gegeven dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt in een stedelijke zone en een reeds voor wonen bestemde locatie, met de aanwezigheid van ontsluitingswegen, zijn de milieugevolgen van het project beperkt zijn, wordt de aard en de omvang van de voorziene (wijziging van de) stedelijke ontwikkeling als beperkt aangemerkt, zodat géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Conclusie Het realiseren van de woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Echter, gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Onderliggend plan wordt derhalve niet gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie D.11.2) en daarmee is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk.
4.2.6 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door Lankelma een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. De samenvatting luidt (letterlijk) als volgt:
Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve mogelijk belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op een deel van de onderzochte locatie.
Conclusie In de artikelen 5.3.2 en 7.5.3 van de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorschrijft dat het is verboden de gronden en bouwwerken als bedoeld in de artikelen 5.1.1 en 7.1.1 te gebruiken zonder dat de bodemsanering overeenkomstig een, door het bevoegde gezag, goedgekeurd saneringsplan volledig is uitgevoerd. Hierbij
31
wordt verwezen naar het als bijlage 1 bijgevoegde verkennend bodem- en asbestonderzoek (Lankelma, rapportnummer: 2003048, 07-01-2022).
4.2.7 Water Toetsingskader Algemeen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen de bouwlocatie een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits infiltratie-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan. De overkoepelende ambitie die de gemeente Venray hanteert, is het verbeteren van de omgang met het water. Daartoe wordt onder meer integraal waterbeheer voorgestaan. Integraal waterbeheer richt zich op het verminderen van watergebruik, een goede ontwatering en voldoende berging van afstromend water, het vasthouden van gebiedseigen water, het terugdringen van afvoerpieken en het afkoppelen van hemelwater.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2025 In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2025 is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan bevat een beschrijving van de huidige situatie, een evaluatie van de aan het plan voorafgaande periode en een beschrijving van de te verwachten toekomstige ontwikkelingen. In het GRP wordt onder andere ingegaan op hemelwater- en oppervlaktewaterafvoer. In het kader van het GRP is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van het uitvoeren van afkoppelprojecten binnen de gemeente. Op basis van de bodemgesteldheid, de hoogte van de grondwaterstand en de aanwezigheid van oppervlaktewater is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor afkoppeling: uit het onderzoek blijkt dat in het overgrote deel van de gemeente Venray voldoende mogelijkheden voor afkoppeling aanwezig zijn. Bij afkoppelprojecten wordt in de eerste plaats gekeken naar openbare verharde oppervlakken. Daarbij wordt opgemerkt dat afkoppelen als maatregel slechts wordt uitgevoerd in combinatie met wegwerkzaamheden (onder andere reconstructies van wegen) of rioolvervangingen, dit gezien de kosten die dergelijke ingrepen met zich meebrengen. Het afkoppelen van particuliere oppervlakten wordt slechts in uitzonderlijke situaties meegenomen.
Bij particuliere duurzame waterhuishoudkundige systemen, zoals bergings- en infiltratievoorzieningen, hanteert de gemeente Venray de volgende voorwaarden: • infiltratievoorziening dient een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken (Toetssteen Openbare Ruimte (TOR 2022)) bijvoorbeeld door de hemelwaterbuffer langs de Zompgraaf of via kratten op het eigenperceel; • infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder; • noodoverloop gaat via maaiveld – en niet via ondergrondse buizen of leidingen – naar de openbare riolering.
32
De nadere uitwerking is afhankelijk van definitieve bouwplan (dakvlak), aanvullende verharding op het terrein (inrit, terras), keuze in soort infiltratievoorziening (wadi, kratten o.i.d.) gemiddelde hoogste grondwaterstand en gewenste leeglooptijd. Een en ander is ook opgenomen in de eerder genoemde TOR 2022. Watertoets Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Het watertoetsproces is één van de instrumenten om dit te bereiken. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan zijn door H2Opinion inundatieberekeningen uitgevoerd. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen. De conclusie luidt (letterlijk) als volgt:
Op basis van het voorliggende ontwerp en de samenhangende hydrologische wijzigingen in het profiel en verlegging van de Zompgraaf binnen het uitbreidingsplan Zompgraaf Oost kan geconcludeerd worden dat er geen norm overschrijdende overlast optreedt en dat er ook geen sprake is van afwenteling van de overlast. Het voorliggende ontwerp is norm onderschrijdend en voldoet daarmee.
Ook met het Waterschap Limburg is overleg gevoerd. Onderdeel van het bestemmingsplan is namelijk, naast het treffen van een juridisch-planologische regeling ten behoeve van de realisatie van 11 woningen, een herinrichting van de in het gebied aanwezig beek Zompgraaf en aangrenzende (groen)zones. Op het traject van deze beek, welke een leggerwatergang is, spelen zowel binnen als buiten het plangebied meerdere aspecten. Om deze reden is het Waterschap Limburg al in een zeer vroegtijdig stadium betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling. Door de opgaven in het gebied integraal te bekijken kan voor alle partijen winst worden behaald. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt en worden verder opgepakt in de uitvoeringsfase en waar nodig privaatrechtelijk afgestemd. Voor een nadere uiteenzetting van het overleg met het waterschap wordt verwezen naar hoofdstuk 8. Uitgangspunt van het watersysteem is een maximale afkoppeling en infiltratie van schoon regenwater. De bodemopbouw ter plaatse van de bouwlocatie biedt daarvoor goede mogelijkheden. Uit bijgevoegde rapportage blijkt onder meer dat er binnen deze ontwikkeling in totaliteit 136 m3 aan berging wordt gerealiseerd.
33
Figuur: hoogte bouwkavels zoals toegepast in modellering De afbeelding heeft alleen betrekking op de hoogtes van de bouwpercelen. De inrichting van de beekzone komt niet overeen met het uiteindelijke ontwerp. De afvoer van afvalwater van de woningen geschiedt via de vrijverval riool/drukriolering. Conclusie Conclusie is dat er vanuit het aspect hydrologie geen belemmeringen zijn voor de verdere planontwikkeling.
4.2.8 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
34
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken).
De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien.
35
Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg.
Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen Venray ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO2/m3). Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Uit de gegevens blijkt dat voor Venray het volgende geldt: • het aantal dagen dat overschrijding van het daggemiddelde concentratie fijnstof plaatsvindt is minder dan 25. De norm van 35 dagen of meer wordt niet overschreden; • het jaargemiddelde fijnstofconcentratie bedraagt 25-30 µg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 10-30 µg NO2/m3.
Deze blijft beneden de norm van 40. De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Venray ook geen negatieve invloed op het plangebied.
36
Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.2.9 Flora en fauna en stikstof Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Doorwerking plan(gebied) Flora en fauna Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door Buro Maerlant een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen. De conclusie en het advies luiden (letterlijk) als volgt:
Conclusie In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële en actuele natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: » Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). » Mogelijk deel van het leefgebied van de levendbarende hagedis. Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, relatief beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Op basis van het advies zijn de ingrepen zonder meer mogelijk. De aanleg van nieuwe natuur biedt voor veel soorten kansen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt gedeeltelijk in het Natuurnetwerk. Er is géén sprake van aantasting van wezenlijke waarden of kenmerken. Het ruimtebeslag wordt in het plan gecompenseerd en de kwaliteit van het NNN wordt verbeterd door aanleg van nieuwe natuur. Van een negatief effect op het natuurnetwerk is dan ook geen sprake. Effecten op Natura 2000-gebieden worden niet verwacht of kunnen (inzake stikstof) naar verwachting worden voorkomen. Voor het plan is een AERIUS berekening benodigd.
Advies Broedvogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in of nabij het plangebied aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen de werkzaamheden als het verwijderen van beplantingen, sloop en grondwerk nabij beplantingen uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli
37
en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels, wat leidt tot het definitief verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Levendbarende hagedis en fauna algemeen (verruigd perceel omgeving deelgebied 4) Naast bovengenoemd aandachtpunt inzake broedvogels algemeen wordt aanbevolen ervan uit te gaan dat het verruigde perceel leefgebied is van de levendbarende hagedis en preventief ingrepen aan de ruigte (door grondwerk of maaien) uit te voeren buiten de kwetsbare periode van de levendbarende hagedis: buiten de winterrust en de voortplantingperiode (september tot uiterlijk half oktober). Tevens dient te werken in één richting zodat individuen de kans krijgen werkvakken zelfstandig te verlaten. Voor overige mogelijk aanwezige fauna is dit ook de juiste methode en periode. Oostrum Geysterseweg Ecologische quickscan 13 Doordat voldoende potentieel leefgebied aanwezig blijft is geen nader onderzoek naar de levendbarende hagedis benodigd. Indien men bij de toekomstige totaalinrichting minder ruige natuur wenst is het aan te bevelen het definitieve plan te laten beoordelen door een ecoloog.
Stikstof Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door MILON een stikstofdepositieberekening (Aerius) gemaakt. De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat in de aanlegfase,- en gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekeningen dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (alle door het wijzigingsbesluit toegevoegde hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW) niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.2.10 Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ook in Venray hebben delen van het gemeentelijke grondgebied in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden in het besluitgebied ter plaatse van gronden die sinds de Tweede Wereldoorlog niet geroerd zijn, dient uit oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid, onderzoek verricht te worden naar NGE. Explosievenonderzoek brengt de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart. Indien noodzakelijk worden deze explosieven vervolgens verwijderd en onschadelijk gemaakt. De gronden van het plangebied zijn echter sinds de Tweede Wereldoorlog veel veelvuldig geroerd c.q. verstoord. Een nader detectieonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
4.3 Historische kwaliteit 4.3.1 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het
38
voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd.
Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de provincie Limburg dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuur-historische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied)
39
Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door Transect een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. De integrale rapportage is als bijlage 6 opgenomen. Het advies van Transect en het selectiebesluit van de gemeente luiden (letterlijk) als volgt:
Advies In het plangebied bestaat het voornemen om nieuwe woningen te bouwen en een watergang te leggen/te vergraven. Op basis van het onderzoek is in deelgebied 1 en 3 nog sprake van een hoge archeologische verwachting. De gebieden waarvoor dit geldt is weergegeven in bijlage 6. Het verdient de aanbeveling in deze gebieden een vervolgonderzoek uit te laten voeren (Inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In deelgebied 1 is daarbij de vraagstelling gericht op de aanwezigheid van oudere bebouwingsfasen van de huidige bebouwing in het gebied, in deelgebied 3 is deze gericht op de aanwezigheid van een mogelijke versterking en het vinden van een verklaring van het U-vormig water op kaarten rondom dit deelgebied. Voor dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de onderzoeksopzet en wijze van documentatie staat beschreven. Dit document zal op voorhand van het onderzoek moeten worden beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Venray). Voor de overige gebieden worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan.
Voor die gebieden geldt echter wel dat op het moment tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten gevonden worden, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat ze van waarde zijn, deze gemeld moeten worden bij de gemeente Venray op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Venray) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied. Selectiebesluit gemeente Venray (22-06-2022) Op basis van de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, en dit onderzoek uit 2021, vormen alle onderzoeken samen voldoende aanleiding om het gehele plangebied archeologisch vrij te geven. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een interpretatie van de waterloop als een gracht in deelgebied 3. Ook ontbreekt het aan historische informatie voor een ‘verdwenen’ middeleeuwse (kasteel) boerderij. De historische kaarten laten vooral zien dat de bebouwing in deelgebied 1 uit de 20ste eeuw dateert. In vrijwel het gehele deelgebied heeft in de vorige eeuw bebouwing gestaan. Gezien de dynamische bebouwingsgeschiedenis op het perceel en het ontbreken van duidelijke archeologische indicatoren, is er voldoende aanleiding om ook deelgebied 3 archeologisch vrij te geven.
Zoals hierboven beargumenteerd is er voldoende aanleiding om ook het recent onderzochte gebied archeologisch vrij te geven. Dit betekent dat in de verbeelding van het bestemmingsplan Zompgraaf Oostrum geen archeologische dubbelbestemming hoeft te worden opgenomen.
In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staan. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
40
4.3.2 Monumenten Het plangebied bezit geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit.
41
5. Planbeschrijving 5.1 Stedenbouwkundige inpassing en beeldkwaliteit Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op de gronden gelegen aan de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat te Oostrum. De gronden liggen momenteel braak. Slechts voor één van de geplande woningen geldt dat deze reeds is toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan (“Oostrum” – zie de rood omcirkelde woning op onderstaande verkaveling). Voor de overige voorziene woningen geldt dat deze nog niet mogelijke zijn conform de geldende bestemmingsplanregels. De voorgenomen ontwikkeling betreft het oprichten van in totaal 11 woningen (netto: 10). Dat is inclusief de reeds positief bestemde woning. De woningen worden op zo’n manier ingepast dat deze passend zijn bij de woningen en de ruimtelijke structuur in de omgeving. De beoogde ruimtelijke ingreep voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Echter tonen onderstaande schetsen aan dat de woningen in het ritme van de bestaande woonpercelen worden opgericht en dat groen en natuur een belangrijke plek innemen bij de voorgestane ontwikkeling. Onderstaande schetsen zijn omwille van de overzichtelijkheid integraal als bijlage 7 opgenomen.
42
De toelichting op de beide schetsen wordt gegeven in het landschappelijke inpassingsplan welke als bijlage 8 bij deze plantoelichting is opgenomen. Voorliggend initiatief ziet op herstructurering van een bestaande locatie. Het bouwplan streeft zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Een gepaste uitbreiding van het aantal woningen in de kernrandzone, welke de plek van (voormalige) agrarische ondernemingen inneemt en gepaard gaat met een landschappelijke inpassing. Geconcludeerd kan worden dat het oprichten van de wooneenheden bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
5.2 Verkeer en parkeren De verkeersdruk op de Geysterseweg, Zuiderbergweg en de Van Broekhuizenstraat zal minimaal wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Aandachtspunt is wel dat het nieuwe weggedeelte (woningen westzijde) middels een gelijkwaardige kruising aangesloten moet worden op de Geysterseweg. De gemeente Venray streeft naar een goede ontsluiting, maar ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van de diverse woningen afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn. Ten aanzien van de op te richten woningen geldt een parkeernorm van minimaal 2,0 parkeerplaats per wooneenheid. Er worden per wooneenheid minimaal 2 parkeerplekken gerealiseerd. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte.
43
5.3 Duurzaamheid De gemeente Venray verlangt van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord c.q. energieneutraal bouwen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Met het realiseren van onderhavig plan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woonen leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie.
44
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische uitvoerbaarheid Met dit bouwplan wordt de realisatie mogelijk gemaakt van 11 wooneenheden (netto: 10). Daarom is sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Omdat het een ontwikkeling betreft die wordt gerealiseerd door een private partij is de gemeente wettelijk verplicht om kostenverhaal toe te passen. In beginsel dient dat te geschieden op basis van een exploitatieplan zoals bedoeld in afdeling 6.4 van de Wro. Van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien met de ontwikkelende partij (exploitant) een anterieure overeenkomst is gesloten in de zin van artikel 6.12 lid 2a jo 6.24 Wro. Omdat in onderhavige situatie niet hoeft te worden overgegaan tot een fasering c.q. koppeling noodzakelijk is (art. 6.11 lid 1b Wro) of het stellen van eisen, regels of de uitwerking van regels (art. 6.12 lid 2c Wro), is met het aangaan van de anterieure overeenkomst en een planschadeverhaalsovereenkomst het wettelijk kostenverhaal in voldoende mate geborgd. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren.
De verwachte opbrengsten, zowel financieel als anderszins, wegen voor de initiatiefnemer op tegen de verwachte kosten. Alle kosten en opbrengsten zijn naar de huidige inzichten zo correct mogelijk geraamd. De exploitatie van het te realiseren plan, de anterieure overeenkomst en planschadeverhaalsovereenkomst met de gemeente zijn onderdeel van deze afweging geweest. Het te realiseren plan is specifiek geschikt voor de initiatiefnemer, waarmee de behoefte aan woningbouw afdoende is aangetoond. De economische uitvoerbaarheid is op basis van hiervoor genoemde feiten in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Met de naastgelegen/direct aangrenzende buren zijn persoonlijke gesprekken gevoerd. Met enkelen van hen zijn specifieke afspraken gemaakt over plandeelneming of hebben de mogelijkheid grond aan te kopen gekregen. Waar nodig is het plan in detail toegespitst op wensen of aangepast. Er is niet gebleken dat er vanuit de directe omgeving van het plangebied een negatieve grondhouding heerst ten opzichte van de planontwikkeling. Voor de gehouden presentatie tijdens de informatieavond wordt verwezen naar bijlagen 9, 9.1 en 9.2.
45
7. Juridische toelichting 7.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten bestemmingsplannen ook digitaal beschikbaar zijn en volledig voldoen aan een aantal standaardeisen die zijn opgenomen in de ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012’. Zo dient het bestemmingsplan, behalve aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), te voldoen aan de standaarden die zijn ontwikkeld voor DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen): • • •
IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012), SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012), STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012).
Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.
7.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • • •
de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: • • • •
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • • •
de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; bestemmings- en bouwvlakken; de grens van het plangebied;
46
•
aanduidingen.
7.3 Bebouwing algemeen Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen gebouwen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen dienen binnen de bouwvlakken opgericht te worden.
7.4 Toelichting bestemmingen Voor een goed begrip van de regelingen dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.
47
8. Overleg, inspraak en zienswijze De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is voor vooroverleg aangeboden. Voor de inhoudelijke reactie van de provincie Limburg van 25 februari 2022 wordt verwezen naar bijlage 10. De beleidsmatige opmerkingen van de provincie zijn verwerkt in de plantoelichting. Vanaf het voorjaar van 2022 is er regelmatig overleg gevoerd met het Waterschap Limburg. Onderdeel van het bestemmingsplan is namelijk, naast het treffen van een juridisch-planologische regeling ten behoeve van de realisatie van 11 woningen, een herinrichting van de in het gebied aanwezig beek Zompgraaf en aangrenzende (groen)zones. Op het traject van deze beek, welke een leggerwatergang is, spelen zowel binnen als buiten het plangebied meerdere aspecten. Om deze reden is het Waterschap Limburg al in een zeer vroegtijdig stadium betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling.
Door de opgaven in het gebied integraal te bekijken kan voor alle partijen winst worden behaald. Waterschap Limburg heeft aangeven dat bovenstrooms rond de Zompgraaf knelpunten worden ervaren met betrekking tot wateroverlast . De focus in het gebied rondom Zompgraaf ligt op het verbeteren van omgevingskwaliteit, het wegnemen van zo veel mogelijk onderhoudsknelpunten en het bergen van water. Eén van de deelgebieden waar specifiek, door middel van samenwerking, kansen liggen is het plangebied Zompgraaf direct ten oosten en westen van de Geysterseweg. De opgave voor dit betreffende deelgebied is de ruimtelijke kwaliteit en de doorstroming van de Zompgraaf verbeteren in combinatie met een waterbergingsopgave en het verhogen van de kwaliteit en belevingswaarde van de beek. Om dit te kunnen bereiken is er vanaf het voorjaar van 2022 voor dit deelgebied veelvuldig overleg gevoerd met Waterschap, gemeente, initiatiefnemers en aangrenzende grondeigenaren. In dat verband zijn onder meer inundatieberekeningen gemaakt die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd en die door het Waterschap zijn beoordeeld en akkoord bevonden. Daarnaast is uitdrukkelijk gesproken over een aantal praktische zaken rondom beheer en onderhoud van de watergang en omliggende zone.
De gecontroleerde inundatieberekening, gemaakte inrichtingsschetsen en overige afspraken hebben als basis gediend voor het opstellen van een tweetal inrichtingsplannen voor de herinrichting van de beek (zowel ten westen als ten oosten van de Geysterseweg) en de omliggende groenzones. Uiteindelijk hebben deze inrichtingsplannen gediend als onderlegger voor de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan. Op het ontwerpbestemmingsplan is een zienswijze ingebracht. De zienswijze was gegrond en leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Ook zijn er nog ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Voor de behandeling van de zienswijze en de ambtshave wijzigingen wordt verwezen naar bijlage 11. Verder is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn.
48