04 Toelichting Spralandweg 5
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Spralandweg 3 en 5 Oostrum” Gemeente Venray Concept
Bestemmingsplan “Spralandweg 3 en 5 Oostrum” Gemeente Venray Concept
Rapportnummer BRO:
P01693
Identificatienummer:
NL.IMRO.094.BP21016
Datum:
5 oktober 2021
Contactpersoon opdrachtgever:
Bouwbedrijf Eijssen
Projectleider BRO:
SSh en LNi
Concept:
10 mei 2021
Ontwerp: Vaststelling: Trefwoorden:
Woningbouw, Spralandweg, Oostrum, gemeente Venray
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van een woning aan de Spralandweg 5 in Oostrum in de gemeente Venray. Teven functiewijziging bedrijfswoning naar reguliere burgerwoning en positief bestemmen groepsaccommodatie.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING
3
2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
5
3. PLANBESCHRIJVING
6
4. UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
9 9 12 19 21
5. ONDERZOEK 5.1 Milieuaspecten
27 27
5.1.1 Bodem 5.1.2 Geluid 5.1.3 Luchtkwaliteit 5.1.4 Externe veiligheid 5.1.5 Milieuzonering 5.1.6 Geur 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Leidingen en infrastructuur 5.5 Verkeerskundige aspecten 5.6 Duurzaamheid 5.7 Waterparagraaf 5.8 M.e.r.-beoordeling 5.9 Onderzoek niet gesprongen explosieven
27 27 28 29 31 32 33 35 42 43 43 44 48 48
6. PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken 6.2 Toelichting op de analoge verbeelding 6.3 Toelichting op de regels
Inhoudsopgave
49 49 49 49
1
7. HANDHAVING
53
8. HAALBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
54 54 54
9. PROCEDURE
57
SEPARATE BIJLAGEN Aeres Milieu, Historisch bodemonderzoek, projectnummer.: AM19123, d.d. 26 april 2019 M- Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Spralandweg te Oostrum, rapportnummer.: Spr.Oos.19.AO BP-01, d.d. 29 maart 2019. BRO, Notitie AERIUS-berekening Spralandweg 5, Oostrum, projectnr.: P01693, d.d. 1 oktober 2021. Verslaglegging omgevingsdialoog, d.d. 21 april 2021.
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van één woning aan de Spralandweg 5 te Oostrum in de gemeente Venray. Het perceel waarop de woning is voorzien, is kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie S, nummer 1699. De naastgelegen groepsaccommodatie op hetzelfde perceel en de bedrijfswoning op perceel 1698 maken ook onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Hier vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats, maar zal slechts de feitelijke situatie juridisch-planologisch in overeenstemming gebracht worden met het functioneel gebruik. De reeds bestaande groepsaccommodatie wordt voorzien van de bestemming ‘Recreatie’ en de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning en krijgt hiermee de bestemming ‘Wonen’.
Topografische kaart plangebied en omgeving, met globale ligging plangebied (rode pijl)
Conform het vigerend bestemmingsplan zijn de beoogde ontwikkelingen (twee reguliere woonfuncties en een recreatieve functie) ter plaatse van het plangebied niet rechtstreeks toegestaan. Ter plaatse
Hoofdstuk 1
3
van het plangebied geldt immers de bestemming ‘Agrarisch’, waardoor de gronden hoofdzakelijk bestemd zijn voor agrarisch grondgebruik. De gemeente Venray wil echter medewerking verlenen aan het initiatief middels een herziening van het vigerend bestemmingsplan. Voor de planlocatie is in 2011 een bouwvergunning verleend voor de realisatie van twee groepsaccommodaties aan de Spralandweg 5. Een van deze twee groepsaccommodaties is reeds gerealiseerd aan de oostzijde van onderhavig plangebied. Echter de tweede geprojecteerde groepsaccommodatie is tot op heden niet gerealiseerd en zal ook in de toekomst niet gerealiseerd worden op de beoogde locatie. Het perceel ligt aan de rand van het stedelijk gebied en er is sprake van een bestaand lint nabij de kern Oostrum. De woning komt in plaats van de tweede groepsaccommodatie. Er wordt middels onderhavig bestemmingsplan derhalve niet voorzien in de toevoeging van bebouwing. Het ruimtebeslag zal daarnaast kleiner zijn ten opzichte van de reeds vergunde groepsaccommodatie. Ook zal de woning bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Door in het plangebied een woning te realiseren, wordt een open plek in de bebouwingsstructuur van de Spralandweg opgevuld en wordt de bebouwingsstructuur in de omgeving versterkt. De woning wordt stedenbouwkundig ingepast in de omgeving.
Qua maat en schaal wordt met de ontwikkeling aangesloten op de reeds bestaande woningen in de omgeving. Doel van dit bestemmingsplan is om te beschikken over een actueel bestemmingsplan voor het gewenste gebruik, waarin: (1) ontwikkelingsmogelijkheden worden vastgesteld, (2) een juridisch systeem wordt gekozen, dat past bij deze tijd, (3) passende zorg wordt gegeven aan milieucomponenten en (4) beschikt kan worden over een digitale verbeelding, conform IMRO-model, waardoor het plan ook digitaal geraadpleegd kan worden. Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens het bouwplan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 7 is weergegeven hoe de gemeente Venray omgaat met handhaving van de regels in dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 8 is de haalbaarheid vanuit economisch en maatschappelijk perspectief beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
4
2.
BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE Het plangebied is gelegen aan de zuidoostkant van de Spralandweg, in het buitengebied van de gemeente Venray. Ten westen van het plangebied ligt de woonkern van Oostrum. Op het naastgelegen perceel aan de linkerzijde vanuit de Spralandweg bekeken is een groepsaccommodatie aanwezig. Aan de andere kant wordt het perceel ontsloten door de bedrijfswoning (Spralandweg 3). In de huidige situatie is het perceel voorzien van een agrarische bestemming en bestaat de locatie uit braakliggende gronden (grasvelden). Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Spralandweg. Aan de overzijde van deze weg liggen agrarische percelen en bospercelen. De verdere omgeving rond het plangebied bestaat uit een afwisseling van agrarische gronden, bospercelen en verspreid gelegen woningen.
Uitsnede luchtfoto met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
5
3.
PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. De ontwikkeling Op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie S, nummer 1699, wordt één woonkavel mogelijk gemaakt met een oppervlakte van circa 800 m². Het functionele gebruik binnen het nieuwe beoogde woonperceel en de dimensionering van het perceel is weergegeven op de onderstaande afbeelding.
Verkavelingsschets nieuwe woonperceel
Hoofdstuk 3
6
De rooilijn van de beoogde woning is gesitueerd tussen de rooilijn van de buurpercelen, hetgeen zorgt voor een verspringend staatbeeld. Het hoofdgebouw is op 3 meter vanuit de zijdelingse perceelsgrens gelegen, alsmede bedraagt de afstand van het hoofdgebouw tot de straatzijde 8 meter. Het hoofdgebouw zal haaks op de Spralandweg gerealiseerd worden. Aan de oostzijde van het woonperceel is de inrit voorzien. Ten aanzien van het parkeren wordt voorzien in twee parkeerplaatsen op het eigen terrein. Ten aanzien van de planregels voor dit woonperceel wordt aangesloten op de regels, zoals deze gelden voor woonpercelen die zijn gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’. In paragraaf 6.3 vindt een verdere toelichting plaats ten aanzien van de planregels voor het woonperceel. Het overige deel van het plangebied wordt conform het huidige gebruik van de groepsaccommodatie bestemd tot ‘Recreatie’ en zal ook als zodanig in gebruik blijven. Er vinden hier dan ook géén bouwkundige werkzaamheden plaats. Daarnaast wordt de naastgelegen bedrijfswoning op kadastraal perceel gemeente Venray, sectie S, nummer 1698, bestemd tot ‘Wonen’. Er worden hierbij géén bouwkundige werkzaamheden uitgevoerd. Onderstaand volgt een verbeelding van de toekomstige situatie binnen het plangebied.
Verbeelding toekomstige situatie plangebied
Hoofdstuk 3
7
Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten Aangezien het plangebied nabij een bestaande cluster van burgerwoningen is gelegen, past de nieuw te bouwen woning vanuit stedenbouwkundig en functioneel oogpunt in de omgeving. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat aan de oost- en westzijde van de beoogde woning reeds bebouwing is gesitueerd. Er is feitelijk sprake van een invulling van een open plek aan de rand van het bestaande cluster van woningen die zijn gelegen aan de Geysterseweg, van Broekhuizenstraat en Spralandweg. De nieuwe woning zal qua vormgeving, situering en maatvoering aansluiten bij de huidige woningen in het cluster. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat er reeds een vergunning (2011) is verleend voor het bouwen van een tweede groepsaccommodatie binnen het plangebied. Dit betroffen twee relatief grote gebouwen, welke dicht aan de weg gelegen zouden zijn. Aan de oostzijde van het plangebied is reeds één groepsaccommodatie gerealiseerd. Echter ter plaatse van de 2 de groepsaccommodatie wordt nu voorzien in het beoogde woonperceel. De bouw van één woning op deze locatie is stedenbouwkundig voorstelbaar, omdat hier feitelijk dus al voorzien is in een gebouw. Echter dit gebouw heeft wel een wezenlijk andere omvang. Middels de realisatie van één woning is sprake van een kleiner ruimtebeslag en wordt aangesloten op het naastgelegen voorziene woonperceel.
Binnen onderhavig bestemmingsplan vallen tevens de bedrijfswoning aan de Spralandweg 3 en de groepsaccommodatie aan de Spralandweg 5. Aan deze gebouwen wordt bouwkundig niets gewijzigd. Onderhavig bestemmingsplan voorziet ten aanzien van deze twee gebouwen slechts in het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning en het opnemen van een recreatieve bestemming voor de groepsaccommodatie. Zodoende is er hierbij dan ook geen sprake van negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten. Aangezien de te realiseren woning stedenbouwkundig wordt ingepast in de omgeving en er geen bouwkundige werkzaamheden zullen plaatsvinden voor de bestaande woning en groepsaccommodatie, zijn er geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en ook wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.
Hoofdstuk 3
8
4.
UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 4.1, § 4.2, § 4.3 en § 4.4). Ten aanzien van de afweging omtrent beleidsmatige kaders wordt hoofdzakelijk ingegaan op de realisatie van de beoogde nieuwe woonkavel. Immers betreft de bedrijfswoning een reeds bestaande woning, welke niet zorgt voor een kwantitatieve toename van het aantal woningen. Daarnaast betreft de groepsaccommodatie een bestaande en vergunde functie.
4.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.
Hoofdstuk 4
9
3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19.
Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Hoofdstuk 4
10
Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor onderhavig plan. Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging In het voorliggende geval wordt de realisatie van één woning mogelijk gemaakt (de omzetting van de bedrijfswoning zorgt niet voor een feitelijke kwantitatieve toename en de groepsaccommodatie betreft reeds bestaande bebouwing).
Het toevoegen van één woning is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het beoogde initiatief vereist zodoende geen toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Hoofdstuk 4
11
4.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met ligging plangebied (blauw omlijnd)
De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De groei eindigt, maar niet in de hele provincie gelijktijdig en op dezelfde manier: de top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg vanaf 2017 al daalt, wat in delen van het gebied nu al volop waarneembaar is. Binnen de gemeente Venray is er naar schatting een woningbehoefte tot 2034.
Hoofdstuk 4
12
Overal moet de programmering ‘over de top heen kijken’, ook in de regio’s Noord en Midden, waar de woningbehoefte nog toeneemt. Dat vergt andere benaderingen, als inbreiding in plaats van uitleglocaties, planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q. maken) van het aanbod aan huurwoningen en het planologisch niet meer uitbreiden van woonmilieus die er al in overvloed zijn. Naast de kwantitatieve uitdaging is er nog een kwalitatieve uitdaging. Deze kwalitatieve uitdaging vraagt om een andere manier van denken. Het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad is dan ook een aanzienlijke opgave. De Limburgse woningmarkt heeft belang bij de ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Deze toekomstbestendigheid omvat meerdere aspecten: duurzaamheid (energieprestatie en-gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen); flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies; levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers); als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn.
Maatschappelijke en demografische trends leveren een vraag naar een ander type woningen op dan de voorraad nu biedt. Er komt bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen. De Limburgse woningmarkt kent hierdoor een paradox. Er ontstaat namelijk (nu of op termijn) een overschot aan woningen (vooral particulier eigendom, waaronder incourant bezit), terwijl er tegelijk een impuls in de vorm van nieuwbouw nodig is (vooral huurwoningen) om ook op de langere termijn de gevraagde kwaliteiten te kunnen bieden. Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat. Afweging In het POL2014 ligt het plangebied in de ‘bronsgroene landschapszone’. De bronsgroene landschapszone omvat de rivier- en beekdalen en de steilere hellingen, voor zover die niet reeds onderdeel uitmaken van de goudgroene of zilvergroene natuurzones, én de relatieve rijkdom aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
Het betreft overwegend landbouwgronden, maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing kunnen voorkomen. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem; Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving; Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie; Recreatief medegebruik.
Hoofdstuk 4
13
Het beleid binnen de ‘bronsgroene landschapszone’ is erop gericht om de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’). Ten aanzien van de doorwerking van de ligging van het plangebied binnen de ‘bronsgroene landschapszone’ wordt verwezen naar de afweging in de paragraaf omtrent de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’. Daarnaast is het plangebied volgens het POL2014 gelegen binnen een Beekdal. De benodigde ruimte voor water is aanwezig in beekdalen die een open en natuurlijk karakter hebben. De provincie heeft er derhalve voor gekozen aan deze beekdalen de functie strategische waterberging toe te kennen. De functie strategische waterberging betekent dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand moet blijven en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt. Onderhavige ontwikkeling zal geen afbreuk doen aan het waterbergend vermogen binnen het beekdal. Tot slot ligt het plangebied binnen een extensiveringsgebied voor intensieve veehouderij. Het voorliggende initiatief voorziet niet in de ontwikkeling van een intensieve veehouderij.
De ligging in het extensiveringsgebied vormt dan ook geen belemmering. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan functioneel en beleidsmatig inpasbaar wordt geacht. Op basis van het POL2014 stuit het initiatief kortom niet op bezwaren. Ontwerp Provinciale omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022.
Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;
Hoofdstuk 4
14
een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s. Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.
Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt.
Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.
Hoofdstuk 4
15
Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 4.3 en 4.4). Ten aanzien van de recreatieve activiteiten aan de oostzijde van het plangebied geldt dat enkel sprake zal zijn van het in overeenstemming brengen van deze activiteiten met de daartoe behorende bestemming (deze activiteiten zijn reeds middels een vergunning toegestaan).
Na vaststelling van de ontwerp-Omgevingsvisie wordt, op basis van die inhoud, ook de volgende stap voor de Omgevingsverordening gezet. Tervisielegging en vaststelling zullen medio 2021 plaatsvinden. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Middels onderhavig initiatief wordt één kwalitatieve hoogwaardige woning toegevoegd aan de woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de kwalitatieve transformatie van de woningvoorraad. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Ontwerp Provinciale omgevingsvisie’. Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone. Volgens artikel 2.7.2 dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene landschapszone, een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
De kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Voor de kernkwaliteiten in de regio Midden-Limburg wordt verwezen naar het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg.
Hoofdstuk 4
16
Volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (kaart 4, Kwaliteitskaart landschap, zie de navolgende afbeelding) ligt het plangebied binnen het landschapstype ‘Beekdal’.
Uitsnede kaart 4 'Kwaliteitskaart landschap' bij het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Algemene kenschets Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen. Landschapskenmerken Reliëfvorm Water
Bodem Wegenpatroon
Hoofdstuk 4
Langgerekte laagtes Min of meer centrale bredere waterloop en relatief hoge grondwaterstanden Kleiig materiaal afgezet door de beek Wegen parallel aan het beekdal op de hogere drogere zandgrond
17
Verkavelingspatroon
Landbouwkundig gebruik Beplanting
Bebouwing
Kleinschalig: Onregelmatig of strokenverkaveling loodrecht op de beek Oorspronkelijk: hooiland of weide; tegenwoordig: rundveehouderij Kleine landschapselementen (houtsingels, heggen beekbegeleidende beplanting, knotbomen etc.); bosjes en populieropstanden. Geen of incidenteel bebouwing, wel langs de wegen op de rand van het beekdal op de hogere gronden.
Kernkwaliteiten Natuur Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Hier treffen we hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen aan. Cultuurhistorie De delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout (hout voor gebruik als brandstof of bouwmateriaal) voorkomen zijn zeer waardevol. Op dit moment komt relatief veel grasland voor. De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische zeer waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch zeer waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren.
Visueel-ruimtelijk De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. Afweging Het plangebied bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit reeds bestaande bebouwing en een grasveld. Ter plaatse zijn geen bijzondere landschapselementen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is een bestaande houtsingel gelegen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze houtsingel. Gezien het huidige gebruik van het perceel en feit dat de nieuwe woning deel uitmaakt van
Hoofdstuk 4
18
een bebouwingscluster, zullen de hierboven beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. De ligging binnen de bronsgroene landschapszone vormt daarom geen belemmering. Ten aanzien van het omzetten van de bedrijfswoning tot reguliere burgerwoning en de recreatieve bestemming voor de groepsaccommodatie geldt dat hierbij géén bouwkundige werkzaamheden plaatsvinden. Zodoende zullen ook deze ontwikkelingen geen afbreuk doen aan de beschreven kernkwaliteiten voor het Beekdal. Daarnaast ligt het plangebied binnen een extensiveringsgebied voor intensieve veehouderij. Aangezien het voorliggende initiatief geen betrekking heeft op een veehouderij, vormt deze ligging geen belemmering. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. De ontwikkeling past dan ook binnen het provinciaal beleid.
4.3 Regionaal beleid Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen. Gekeken dient te worden naar koppelkansen. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte.
De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na. Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte
Hoofdstuk 4
19
woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad.
Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft het overzicht met theoretische tekorten en overschotten een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.
Hoofdstuk 4
20
Figuur 8: Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
Afweging Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning (de omzetting van de bedrijfswoning zorgt niet voor een kwantitatieve toename in het aantal woningen). Het toevoegen van deze woning zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Gemeentelijk beleid Woonvisie Venray 2017 Op 16 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Venray de ‘Woonvisie Venray 2017’ vastgesteld. De woonvisie geeft op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende jaren, met een focus op de rol van het wonen in de algehele ambitie om Venray sterker en aantrekkelijker te maken. Uit de in het kader van de woonvisie verrichte onderzoeken is gebleken dat in Limburg, dat wordt aangeduid als een anticipeergebied, er tegen de stroom in nog drie plaatsen zijn die groeien; één daarvan is de gemeente Venray. De kwaliteit van het wonen speelt een grote rol voor de tevredenheid, identiteit, zelfredzaamheid en participatie van Venraynaren en is ook van belang voor de economische ontwikkeling van Venray. Als gevolg van veranderingen in de bevolkingssamenstelling (vergrijzing) en actuele vraagpatronen in de markt, constateert de gemeente Venray een verschuiving in de woningbehoefte. Er is een toename
Hoofdstuk 4
21
van de vraag naar huur eengezinswoningen en huur appartementen. De aanvullende behoefte aan eengezins koopwoningen is beperkt; er is sprake van een kwalitatieve behoefte in dit segment (tekort aan vrijstaand/tweekappers, overschot aan rijwoningen). Daarnaast is er een grote vraag naar woningen in een dorps milieu en in de laagbouwwijk. De woonvoorkeuren wijzen evenwel op een dreigend overschot aan deze woonmilieus. Dit is sterk afhankelijk van de toekomstige verhuismobiliteit van de oudere bevolking. Wanneer wordt gekeken naar de vraag naar woonmilieus wordt het volgende geconstateerd: 50% Dorps en landelijk; 15% Stedelijk milieu; 35% Suburbane woonwijken. Nieuwe inwoners van de gemeente Venray gaan zorgen voor een belangrijke vraag naar nieuwe woningen. Deze vraag is een kans voor de gemeente om haar woningvoorraad toekomstbestendig te maken. Een deel van de toekomstbestendigheid wordt gezocht in de verbetering van de kwaliteit van de bestaande woningen. Het andere deel wordt gezocht in de vergroting van de woningdifferentiatie door de nieuwbouw van andere woningtypes. Afweging Voorliggende plan voorziet in de realisatie van een kwalitatief hoogwaardige vrijstaande woning in een dorps woonmilieu. Hetgeen aansluit op de geconstateerde vraag naar dit woningtype en woonmilieu.
Onderhavig plan sluit hierdoor aan op de Woonvisie Venray 2017 en de toekomstige woonwensen van de Venrayse bevolking. Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden: Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. Hierbij moet gedacht worden aan (goede verbindingen naar) brede, maatschappelijke en passende voorzieningen, die met elkaar samenwerken. Hiervoor gebruiken inwoners bijvoorbeeld klimaatneutrale pendelbusjes, veelal met vrijwilligers achter het stuur. Ook moet gedacht worden aan een actief verenigingsleven, waar vrijwilligers van elkaar leren. Hierdoor is er in 2030 voor iedereen een ontmoetingsplek in een gebouw of buiten, hoeft niemand zich meer eenzaam of onveilig te voelen en kan iedereen meedoen. 2.
woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning
Hoofdstuk 4
22
vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Kinderen kunnen naar goede scholen en veilig buiten spelen. Er zijn betaalbare starterswoningen, en lange wachtlijsten voor (sociale) huurwoningen zijn in 2030 verleden tijd. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. Kleinschalige coöperatieve burgerinitiatieven worden gestimuleerd. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden.
In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. Er is flink geïnvesteerd in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. Tweedekansonderwijs helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk. En scholing van arbeidsmigranten, in de vorm van bijvoorbeeld taallessen, heeft de integratie bevorderd en biedt hen een duurzame verbondenheid met Venray. Dit wordt versterkt door echt mee te doen in de samenleving met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat bedrijven en voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën. In 2030 zijn er vormen van deelvervoer (deelauto) geïntroduceerd.
De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends- en ontwikkeling die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends- en ontwikkeling zijn: andere invulling van de (schaarse) ruimte; klimaatverandering en energietransitie; nieuwe technologie; langer leven; nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; toenemende diversiteit; veranderede economie.
Hoofdstuk 4
23
Afweging Wanneer gekeken wordt naar onderhavig planvoornemen is hoofdzakelijk de ambitie ‘woon je groen en sociaal’ van belang. Doelstelling is dat er tot 2030 voor elke levensfase een passende woning te vinden is binnen de gemeente Venray. Daarnaast moet er geen sprake meer zijn van een mismatch tussen inwoners en het woningaanbod. Er dient een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus te zijn. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Het beoogde planvoornemen voorziet in de realisatie van één kwalitatief hoogwaardige vrijstaande woning (en de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning). Voorliggend initiatief (realisatie van één woning) voorziet strikt gezien in een rode ontwikkeling in het buitengebied. Zodoende dient een aanvullende tegenprestatie plaats te vinden. Grondslag hiervoor betreft het feit dat ter plaatse van de beoogde woning tot op heden geen woningbouw is toegestaan. Er ligt echt wel een bouwmogelijkheid voor een groepsaccommodatie (de gronden zijn zodoende reeds al geschikt bevonden voor bebouwingsmogelijkheden). In relatie tot de beoogde woningbouw en voorziene bouw dient aangesloten te worden bij de ‘Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011’.
Hiermee is het mogelijk om een bouwmogelijkheid toe te kennen ter plaatse van het plangebied door een afdracht van een bedrag als tegenprestatie. Deze tegenprestatie kan vervolgens door de gemeente Venray ingezet worden voor projecten in het kader van natuur-, reactie en waterprojecten. Zie hiertoe de toelichting in de paragraaf ‘Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011’. Voorliggend initiatief past binnen de Toekomstvisie 'Venray loopt voorop'. Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 Op 20 december 2011 heeft de gemeente Venray de 'Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011' vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangegrepen om de ruimtelijke kwaliteit van een gebied te verbeteren. Het doel daarbij is om bestaande (groene) kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te verbeteren, zowel in het buitengebied als in het stedelijk gebied. Limburgs Kwaliteitsmenu Onderdeel van onderhavige structuurvisie is ook de implementatie van het Limburgse Kwaliteitsmenu. Het Limburgs kwaliteitsmenu (verder te noemen LKM) is door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010 vastgesteld. Vanaf 1 januari 2012 zijn Limburgse gemeenten zelf verantwoordelijk voor de advisering over plannen binnen de werkingssfeer van het LKM.
Grondprincipe van dit kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Deze bijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken. Afweging Uitgangspunt voor de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling is dat de bouw van een solitaire woning (hiervan is sprake in het kader van onderhavig plan) plaatsvindt op onbebouwde grond op locaties waar de ontsluiting reeds aanwezig is en de kosten van bouw- en woonrijp maken hierdoor relatief laag zijn. Conform het provinciale beleidskader LKM wordt een bijdrage gevraagd van € 100,- per m2 kavel. In
Hoofdstuk 4
24
het kader van onderhavig plan wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Venray, waarin de ‘bijdrage ruimtelijke ontwikkeling’ wordt gewaarborgd. Het initiatief past hiermee binnen de 'Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011'. Vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’, dat op 14 december 2010 door de gemeenteraad van Venray is vastgesteld. Voor het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ en ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’. Daarnaast is voor een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ opgenomen. Tot slot geldt voor het gehele plangebied de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ en voor de woning ten westen de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Afweging De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen alleen hoofdzakelijk gebruikt worden voor agrarisch gebruik met bijbehorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen en in- en uitritten, tuinen. De realisatie van een reguliere burgerwoning (en het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning) en het recreatief gebruik van de loods is zodoende niet toegestaan.
De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd, mits de verstoring van de bodem maximaal 500 m 2 bedraagt en niet dieper dan 50 cm, danwel nadat de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in bodemwerkzaamheden op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’. De gronden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’ zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de nabij gelegen waterloop. Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.
Er wordt binnen onderhavig plan niet gebouwd op de gronden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ zijn de gronden bedoeld voor het weergeven van de Extensiveringsgebieden, zoals bedoeld in de Reconstructiewet. Deze aanduiding vormt geen directe belemmering voor onderhavig plan.
Hoofdstuk 4
25
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010’ met ligging plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 4
26
5.
ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied geen bedrijfsbedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Uit resultaten van eerdere uitgevoerde bodemonderzoeken op de locatie blijkt dat de bovengrond en het grondwater licht verhoogde gehalten (zware metalen en/of bestrijdingsmiddelen) voorkomen. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. Het plangebied kan zodoende als “onverdacht” worden beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Conclusie De verwachte bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Gezien het plangebied als “onverdacht” kan worden beschouwd kan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 achterwege blijven. Ten aanzien van hergebruik van grond elders binnen het plangebied is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.
5.1.2 Geluid Omdat het plangebied binnen de geluidzone van de Spralandweg en Geijsterseweg is gelegen, is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 2 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport.
1 2
Aeres Milieu, Historisch bodemonderzoek, projectnummer.: AM19123, d.d.26 april 2019 M- Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Spralandweg te Oostrum, rapportnummer.: Spr.Oos.19.AO BP-01, d.d. 29 maart 2019.
Hoofdstuk 5
27
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van de Spralandweg ten hoogste 36 dB bedraagt. De geluidbelasting van de Geijsterseweg bedraagt ten hoogste 27 dB. De cumulatieve geluidbelasting zonder 110g-correctie bedraagt ten hoogste 42 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende geluidgezoneerde wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Een hogere waarde procedure is derhalve niet nodig. Conclusie Onderhavig plan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde, waardoor er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de realisatie van de woning. 5.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.