04 Toelichting Kiekweg 10
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN KIEKWEG 10 VENRAY VASTGESTELD 02 maart 2022
Document:
Bestemmingsplan “Kiekweg 10 Venray”
IDN-code:
NL.IMRO.0984.BP21028-va01
Status:
Vastgesteld
Datum:
02 maart 2022
Auteur:
ing. M.A.A. Thomassen
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.......................................................................................................................................................1 1 INLEIDING ...................................................................................................................................................................2 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan .................................................................................................2 1.2 Ligging van het plangebied ................................................................................................................................3 1.3 Het vigerende bestemmingsplan .......................................................................................................................3 2 BESCHRIJVING PLAN .............................................................................................................................................5 2.1 Beschrijving huidige en beoogde situatie .........................................................................................................5 2.2 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ...............................................................................................6 2.3 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
......................................................................................................6 3 BELEIDSKADER .......................................................................................................................................................7 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................................................................7 3.2 Provinciaal beleid.................................................................................................................................................8 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 10 4 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN.......................................................................... 12 4.1 Milieuaspecten .................................................................................................................................................. 12 4.2 Water ................................................................................................................................................................. 16 4.3 Kabels, leidingen en straalpaden....................................................................................................................
18 4.4 Natuur ................................................................................................................................................................ 18 4.5 Archeologie en cultuurhistorie ......................................................................................................................... 19 4.6 Verkeer en parkeren ........................................................................................................................................ 20 4.7 Niet-gesprongen explosieven ......................................................................................................................... 21 5 JURIDISCHE TOELICHTING ................................................................................................................................ 22 5.1 Planstukken....................................................................................................................................................... 22 5.2 Toelichting op de verbeelding ......................................................................................................................... 22 5.3 Toelichting op de planregels ...........................................................................................................................
22 6 UITVOERBAARHEID ............................................................................................................................................. 24 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................ 24 6.2 Handhaving ....................................................................................................................................................... 24 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................. 26 7 PROCEDURE .......................................................................................................................................................... 27
BIJLAGEN 1. Verkennend bodemonderzoek (M&A) 2. QuickScan flora en fauna (M&A) 3. Beoordeling stikstofdepositie (Pijnenburg Advies)
1
1 INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Initiatiefnemer is woonachtig op de locatie Kiekweg 10 te Venray. Op deze locatie is thans een woonhuis met bijgebouw aanwezig. Dit bijgebouw, zijnde een oude schuur, bestaat uit een nagenoeg volledig houten constructie. Deze houten constructie is door de jaren heen erg versleten en aan vervanging toe. Initiatiefnemer is voornemens om de oude schuur dan ook te slopen en ter vervanging een nieuw bijgebouw terug te bouwen. De woning heeft een woonbestemming, maar het achterste gedeelte van de tuin is voorzien van een agrarische bestemming zonder bouwvlak. De schuur is gelegen ter plaatse van de agrarische bestemming. Het huidige gebruik van de schuur ten behoeve van de woonfunctie is dus niet opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Venray’. Vanwege het ontbreken van het bouwvlak mag er op de locatie van de oude schuur nu geen nieuw gebouw c.q. bouwwerk opgericht worden. Om de bouw van een nieuw bijgebouw toch mogelijk te maken dient de agrarische bestemming omgevormd te worden naar een woonbestemming zodat het nieuwe gebouw als bijgebouw bij de woning beschouwd kan worden. Daarbij dient tevens vermeld te worden dat het huidige en toekomstige gebruik van het perceel, zijnde het gebruik als tuin, thans ook al beter overeenkomstig is met het gebruik behorende bij een woonbestemming dan met een agrarische bestemming.
Om voornoemde planvoornemen uit te kunnen voeren dient een bestemmingsplanherziening plaats te vinden om de wijzigingen ook juridisch-planologisch vast te leggen. Onderhavige toelichting maakt onderdeel uit van deze vereiste bestemmingsplanherziening.
Afbeelding 1. Ligging plangebied (rood omlijnd)
2
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Kiekweg 10 te Venray aan de rand van de bebouwde kom van Venray. De Kiekweg is een relatief rustige weg gelegen op de grens van het buitengebied en de bebouwde kom van Venray. De Kiekweg komt in zuidelijke richting uit op de N270 en in noordelijke richting, via de Handrik en de Pas, in de kern van Merselo. Zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied is een burgerwoning van derden gelegen. Aan oostelijke zijde grenst het plangebied aan een klein bosgebied. Ten westen, aan de overzijde van de Kiekweg, zijn cultuurgronden gelegen.
1.3 Het vigerende bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Venray’ zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 september 2017.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van de woning geldt de bestemming ‘Wonen’, met een bouwvlak van circa 335 m2. Het noordwestelijke deel van het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’ zonder bouwvlak. Verder gelden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, de maatvoeringen ‘maximum aantal wooneenheden: 1’, ‘maximum bouwhoogte: 145 m’, ‘maximum bouwhoogte: 150 m’ en ‘maximum goothoogte: 5 m’ en de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone’, ‘overige zone – boringsvrije zone’ en ‘overige zone – radarverstoringsgebied’.
3
De bouw van een nieuw bijgebouw ter plaatse van een agrarische bestemming zonder bouwvlak is niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. Derhalve dient de agrarische bestemming gewijzigd te worden in een woonbestemming.
4
2 BESCHRIJVING PLAN
2.1 Beschrijving huidige en beoogde situatie In de huidige situatie is binnen het plangebied één woning aanwezig met daarachter gelegen een oude schuur die functioneel gebruikt wordt als bijgebouw bij de woning. De afmetingen van deze schuur zijn circa 21 bij 10 meter, zijnde circa 210 m2. In de beoogde situatie is de enige wijziging die plaatsvindt dat de oude versleten schuur gesloopt wordt en op dezelfde locatie een nieuw gebouw teruggebouwd wordt. Dit nieuwe gebouw zal qua oppervlakte even groot worden als de bestaande schuur. Enkel zal de goot- en nokhoogte van het nieuwe gebouw hoger worden dan van de bestaande schuur. Daardoor kan initiatiefnemer bijvoorbeeld zijn werkbus en aanhanger in dit nieuwe bijgebouw plaatsen in plaats van buiten op het erf c.q. tuin. Ook tuinmachines voor het eigen tuinonderhoud zijn door de hogere bouwhoogte veel makkelijker binnen te stallen. De hoogte van de huidige schuur vormt hiervoor vaak een beperking.
Afbeelding 3. Luchtfoto huidige situatie, de te vervangen oude schuur is rood omlijnd weergegeven.
5
2.2 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate, duidelijke en flexibele regeling te bevatten voor het wonen in een burgerwoning en het mogen oprichten en gebruiken van een bijgebouw van circa 230 m2 bij deze woning op de locatie Kiekweg 10 te Venray. ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Venray dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Venray”. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het wijzigen van de agrarische bestemming binnen het plangebied naar de bestemming ‘Wonen’. Daarmee wordt het mogelijk gemaakt om de oude schuur te herbouwen, doordat deze dan gezien kan worden als een bijgebouw bij de woning. Dit is ook overeenkomstig het huidige feitelijke gebruik van de schuur. Om te borgen dat de volledige oppervlakte van de schuur na sloop teruggebouwd mag worden, wordt een maatvoering opgenomen ten aanzien van de maximum oppervlakte van het nieuwe bijgebouw. Deze maatvoering bedraagt maximaal 230 m2 bijgebouw bij de woning. Gezien de omvang van het woonperceel van circa 6.000 m2 is deze oppervlakte ook als passend te beschouwen.
2.3 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Op basis van stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten treden er nauwelijks wijzigingen op. De bestaande schuur is vanaf de Kiekweg nauwelijks zichtbaar door de ligging achter de woning. Het nieuwe gebouw zal op dezelfde locatie teruggebouwd worden, waardoor ook dit gebouw vanaf de Kiekweg nauwelijks zichtbaar zal zijn. De maximale goot- en bouwhoogte van het nieuwe bijgebouw zullen aansluiten bij de maximum hoogtes zoals deze zijn opgenomen in de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Venray’. Daarmee wordt geborgd dat omwonenden ook niet onevenredig benadeeld worden.
6
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.3 volgt het van toepassing zijnde gemeentelijke beleid.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Onderhavig initiatief is dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor relevante nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe
7
dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van de genoemde rijksbelangen van toepassing. Het Barro vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initiatief. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Sinds invoering van de “ladder” is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Onderhavig planvoornemen behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming zonder bouwvlak naar een woonbestemming zonder bouwvlak om de herbouw van een schuur c.q. bijgebouw mogelijk te maken. De herbouw van een schuur c.q. bijgebouw bij een woning is geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initiatief.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Limburg Per 25 oktober 2021 is de ‘Omgevingsvisie Limburg’ in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma’s.
8
In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: ▪
▪ ▪
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: • • •
Landelijke gebieden; o Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden; o Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties; Infrastructuren; o (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook.
Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en MiddenLimburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Onderhavig planvoornemen behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming zonder bouwvlak naar een woonbestemming zonder bouwvlak. Vanwege de ligging aan de rand van de bebouwde kom is deze bestemmingswijziging als passend te noemen. Verder is het plan dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen beperkingen oplevert voor provinciale belangen. Het plan is dan ook passend binnen de kaders van de provinciale omgevingsvisie. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden.
In hoofdstuk 2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling). Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan, zie hiervoor paragraaf 3.1. Voor het overige wordt er niets specifieks voorgeschreven in de omgevingsverordening ten aanzien van het planvoornemen.
9
3.3 Gemeentelijk beleid De Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’ In het coalitieakkoord 2018-2022 ‘Een gezonde toekomst voor Venray’ is opgenomen dat een nieuwe strategische visie met een horizon tot 2030 moet worden vastgesteld. Met de vaststelling van de Toekomstvisie 2030 is de richting aangegeven aan de vraag waarin de gemeente zich komende jaren wil ontwikkelen. De 5 centrale ambities uit de Toekomstvisie voor 2030 zijn: 1. Inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen zijn met elkaar verbonden, zodat iedereen kan meedoen en er in Venray altijd wat te beleven valt. 2. In Venray woon je groen en sociaal. Alle inwoners beschikken in elke levensfase over een passende woonvorm die bijdraagt aan een sociaal krachtige naaste omgeving. 3. Ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu zorgt voor nieuwe economische kansen. Agro, zorg, maakindustrie en logistiek innoveren en genereren banen voor toekomstige generaties. 4. Kennis, creativiteit en vernieuwing stroomt in Venray. We hebben netwerken gecreëerd en versterkt die leiden tot kennisdeling, creativiteit en vernieuwing tussen bedrijven, (onderwijs)instellingen, inwoners en overheid. 5. Iedereen is mobiel in Venray. Een verbeterde ruimtelijk economische bereikbaarheid vergroot de energietransitie, vergroot de verkeersveiligheid en stimuleert tot meer fietsgebruik.
Onderhavig planvoornemen behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming zonder bouwvlak naar een woonbestemming zonder bouwvlak. Vanwege de ligging aan de rand van de bebouwde kom is deze bestemmingswijziging als passend te noemen, daar het potentiële overlast van agrarische activiteiten ter plaatse van de bebouwde kom definitief wegneemt. Het project past dan ook binnen de Toekomstvisie 2030. Omgevingsvisie Venray Voortbordurend op de Toekomstvisie 2030 wil de gemeente Venray samen met inwoners, ondernemers en verenigingen een toekomstbeeld schetsen en hen inspireren om onze gemeente nog mooier te maken om in te wonen, werken en verblijven. Binnen de omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt in 5 gebieden. De activiteit die in een gebied plaatsvindt, bepaalt in grote mate wat we in een gebied belangrijk vinden en wat we met een gebied willen in de toekomst. Onderhavige planlocatie is gelegen binnen de zogenaamde ‘woongebieden’. Binnen de woongebieden staat een fijn woonklimaat voorop. Onderhavig planvoornemen behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming zonder bouwvlak naar een woonbestemming zonder bouwvlak. Vanwege de ligging aan de rand van de bebouwde kom is deze bestemmingswijziging als passend te noemen, daar het potentiële overlast van agrarische activiteiten ter plaatse van de bebouwde kom definitief wegneemt.
Het project past dan ook binnen de Omgevingsvisie Venray. Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor tegelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier.
10
Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid. Door nieuwbouw in beperkte mate toe te staan zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast, maar per saldo juist wordt versterkt. Met andere woorden: ‘groen’ staat voorop en ‘rood’ is een middel. De draagkracht van het gebied is bepalend voor de mate waarin nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd. In dit geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van de Grondexploitatiewet. Een extra bijdrage ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling is dan ook niet aan de orde.
11
4 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij het wijzigen van de bestemming dient rekening gehouden te worden met (milieu-) aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieuaspecten Milieu is een aspect dat in belangrijke mate bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Dit is in relatie tot het toekennen van functies aan een gebied van belang. Door een goede ordening van verschillende functies en voldoende ruimtelijke scheiding tussen functies met verschillende kwaliteiten wordt een belangrijk basisniveau voor een goed en geordend leefklimaat gegeven. 4.1.1 M.e.r.-beoordeling Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.beoordeling is het “nee, tenzij” -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De verplichting tot het toepassen van een m.e.r.-procedure ontstaat als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage én een omvang heeft boven de vermelde richtwaarden én voor die activiteit de aangewezen besluiten genomen moeten worden en/of plannen worden vastgesteld. Het Besluit m.e.r. maakt onderscheid naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Het Besluit bevat daartoe twee lijsten van activiteiten, respectievelijk onderdeel C en D. Beide onderdelen bestaan uit vier kolommen.
De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele richtwaarden. Kolom 3 geeft aan voor welke plannen de plan-m.e.r.-plicht geldt. Kolom 4 benoemd voor welke besluiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen, danwel een m.e.r.-plichtig plan mag worden vastgesteld. De activiteit is dan direct m.e.r.-plichtig. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is voor het betreffende besluit en/of plan. In dit geval is de ontwikkeling niet m.e.r.-plichtig. Het wijzigen van een agrarische bestemming naar een woonbestemming ten behoeve van de herbouw van een bijgebouw bij een burgerwoning staat niet op de C of D lijst van het Bestluit m.e.r. 4.1.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.
Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden.
12
Derhalve is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de voorgenomen bestemmingswijziging en de daarop volgende herbouw van een bijgebouw. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek en vormen derhalve geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 4.1.3 Geluid In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh is een onderdeel van de Geluidwetgeving Nederland. De Wgh gaat over geluid dat veroorzaakt wordt door wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Met onderhavig planvoornemen wordt geen nieuwe geluidgevoelige bebouwing opgericht. De woning wordt onveranderd in stand gehouden en het bouwvlak ter plaatse van de woning wijzigt niet. Een onderzoek naar geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer, railverkeer en/of gezoneerde industrieterreinen is dan ook niet aan de orde. Het aspect geluid vormt geen beperking voor onderhavig initiatief. 4.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit.
Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties Voor woningbouwlocaties is een NIBM-grens vastgesteld. Het 3% criterium wordt niet overschreden bij nieuwbouw van 1.500 of minder woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en bij nieuwbouw van 3.000 of minder woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Onderhavig initiatief behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming naar een woonbestemming ten behoeve van de herbouw van een bijgebouw. Het project is dan ook vele malen kleiner dan een woningbouwproject van 1500 of minder woningen. Derhalve kan er van uitgegaan dat onderhavig planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
13
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 11,0 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 18 µg/m³ en de concentratie NO2 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 4.1.5 Geur Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De Wgv beschermt geurgevoelige objecten, zoals woningen, tegen geurhinder uit veehouderijen.
Gemeenten mogen van de wettelijke normen en vastgestelde afstanden afwijken binnen een in de wet vastgelegde bandbreedte. De afwijkende normen moeten in een geurverordening worden opgenomen. De gemeenteraad van Venray heeft op 1 november 2011 de vigerende geurverordening voor Venray vastgesteld. Als er sprake is van een oprichting of wijziging van geurgevoelige objecten in de omgeving van een veehouderij moet onderzocht worden of ter plaatse van het geurgevoelige object voldaan kan worden aan de geurnormen. Onderhavig initiatief behelst enkel het wijzigen van een agrarische bestemming naar een woonbestemming ten behoeve van de herbouw van een bijgebouw bij de woning. Een bijgebouw bij een woning is geen geurgevoelig object. Een onderzoek naar de geurhinder ter plaatse van het bijgebouw is dan ook niet aan de orde. Het aspect geur vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initiatief. 4.1.6 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied.
14
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand rustige woonwijk 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
Richtafstand gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn drie bedrijven gelegen te weten een grondgebonden agrarisch bedrijf (met vleesvarkens) aan de locatie Janslust 2, een zeugenhouderij aan de Kiekweg 21 en een manege aan de Hardeweg 36. Op basis van de richtafstandenlijst geldt voor een zeugenhouderij een grootste richtafstand van 200 meter ten aanzien van het aspect geur en voor een paardenhouderij c.q. manege een grootste richtafstand ten aanzien van het aspect geur van 50 meter.
De werkelijke afstand, gemeten vanaf het bouwvlak van het bedrijf tot aan de grens van het plangebied bedraagt voor het bedrijf aan de Janslust 2 circa 240 meter, voor het bedrijf aan de Kiekweg 21 circa 215 meter en voor het bedrijf aan de Hardeweg 36 circa 370 meter. Daarmee worden de richtafstanden niet overschreden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dat ook geen beperking voor onderhavig initiatief. 4.1.7 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet.
Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of
15
toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld.
Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Plaatsgebonden risico Bij het inventariseren van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied is, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens deze risicokaart liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Voor wat betreft het plaatsgebonden risico bestaan dus geen beperkingen. Groepsrisico Op onderhavige locatie is reeds de bewoning van een burgerwoning toegestaan. Daar veranderd met onderhavig planvoornemen niets aan. Het aantal woonachtige personen binnen het plangebied wijzigt dan ook niet. Een verantwoording in het kader van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.
4.2 Water In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze
16
beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een ‘boringsvrije zone’. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met onderhavig planvoornemen zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied ligt tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt circa 24,9 tot 25,4 meter +NAP.
De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland ter plaatse van het plangebied uit veldpodzolgronden en duinvaaggronden bestaande uit respectievelijk zwaklemig zand en stuifzand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,5 m/dag. Ter plaatse van het plangebied en omgeving bedraagt de grondwatertrap VII waarbij de hoogste grondwaterstand zich bevindt op een hoogte van 80-140 cm beneden maaiveld en de laagste grondwaterstand zich bevindt op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater In of in de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Afvalwater Het plangebied is reeds aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Water in relatie tot ontwikkeling Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap en gemeente hanteren hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Feitelijk gezien leidt onderhavig planvoornemen niet tot een toename van
17
verhard oppervlak daar de bestaande schuur gesloopt wordt en het nieuwe bijgebouw dezelfde oppervlakte krijgt als deze schuur. Daarmee blijft de oppervlakte verharding binnen het plangebied per saldo gelijk. De huidige schuur is niet voorzien van dakgoten. Het water loopt dus automatisch uit op omliggende gronden c.q. tuin en kan aldaar infiltreren. Initiatiefnemer wil aan het nieuwe bijgebouw wel dakgoten bevestigen, om het water wat meer te kunnen ‘sturen’. De afvoer van de dakgoot zal echter net als in de bestaande situatie uitlopen op de ter plaatse omliggende gronden c.q. tuin. De omliggende tuin is van een dusdanige omvang (perceel is ruim 6.000 m2 groot) dat het hemelwater van het nieuwe bijgebouw hier volledig kan infiltreren. Daardoor hoeft automatisch de tuin ook minder beregend te worden. Mocht het meer ‘geconcentreerd’ lozen op de bodem via de dakgoten toch tot overlast zorgen op naastgelegen percelen, dan zal initiatiefnemer alsnog een infiltratievoorziening aanleggen in de vorm van een sloot, greppel en/of andersoortige infiltratievoorziening. Op die manier wordt te allen tijde voorkomen dat hemelwater afgewenteld wordt op de omgeving. Aangezien onderhavig planvoornemen niet leidt tot een toename van verhard oppervlak is het plan verder in beginsel vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant.
Op basis daarvan hoeft dan ook geen vooroverleg met het Waterschap Limburg plaats te vinden. Duurzaamheid De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen en tevens in het gemeentelijk beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie bij nieuwbouw. Van de initiatiefnemer wordt daarom gevraagd geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen.
4.3 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
4.4 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Ten behoeve van onderhavig plan heeft 5 juli 2021 een flora- en faunainspectie plaatsgevonden, zie bijlage 2. Uit dit rapport blijkt dat met onderhavig planvoornemen geen nadelige gevolgen voor beschermde dier- en/of plantensoort plaatsvinden.
18
Natura2000-gebieden Binnen een straal van 10 km rondom het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen, te weten: ▪ Boschhuizerbergen (afstand 4,7 km) ▪ Deurnsche Peel & Mariapeel (afstand 6,7 km) De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft de ontwikkeling geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor de Natura2000-gebieden. Wel kan het planvoornemen gevolgen hebben voor Natura2000-gebieden door stikstofdepositie. Gevolgen ten aanzien van stikstofdepositie zijn beoordeeld en in kaart gebracht, zie bijlage 3. Hieruit blijkt dat het planvoornemen ter plaatse van Natura2000-gebieden niet leidt tot (een toename van) stikstofdepositie. Conclusie Het aspect natuur vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.
4.5 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in 2013 vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen binnen een Categorie 4 gebied. Dit zijn droge en natte gebieden met een hoge verwachting.
In het vigerende en ook in onderhavig bestemmingsplan is de hoge archeologische verwachtingswaarde planologisch-juridisch verankerd door het toekennen van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ aan het gehele plangebied. Zodra bodemingrepen plaatsvinden die de gestelde ondergrenzen overschrijden is een archeologisch onderzoek op voorhand verplicht gesteld. Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is een ondergrens van 500 m2 en dieper dan 50 centimeter opgenomen. Onderhavig planvoornemen ziet toe op sloop van een schuur en herbouw van een nieuw bijgebouw van maximaal 230 m2 op dezelfde locatie. Daarmee wordt de ondergrens van 500 m2 dus niet overschreden.
19
Afbeelding 4. Uitsnede archeologische advieskaart
Voor wat betreft het aspect cultuurhistorie geldt dat zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden gelegen zijn. Nadelige gevolgen voor cultuurhistorische waarden en/of gebouwen door onderhavig planvoornemen zijn dan ook uit te sluiten. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
4.6 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via de Kiekweg. De Kiekweg komt in zuidelijke richting uit op de N270 en in noordelijke richting, via de Handrik en de Pas, in de kern van Merselo. De ontsluiting is daarmee goed te noemen. Parkeren Parkeren vindt volledig op eigen terrein plaats. Dat gebeurt in de huidige situatie ook al en daarin zullen geen wijzigingen optreden. Op het eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig voor het realiseren van parkeerplaatsen.
20
4.7 Niet-gesprongen explosieven In de gemeente Venray zijn gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) diverse bombardementen uitgevoerd en hebben veel oorlogshandelingen plaatsgevonden. De mogelijkheid is dan ook aanwezig dat in het plangebied niet gesprongen explosieven aanwezig zijn. Dergelijke explosieven zijn logischerwijs een gevaar voor de omgeving en vormen een risicobron wanneer de grond verstoord wordt (bv door bouwactiviteiten). Onderhavig planvoornemen behelst de sloop van een schuur en de herbouw van een nieuw bijgebouw op dezelfde locatie. De omliggende gronden zijn van vroeger uit als landbouwgrond in gebruik geweest en heden ten dage in gebruik als tuin bij de woning. De woning en bestaande schuur zijn tussen 1985 en 1990 gebouwd. Met het voornoemde historische en huidige gebruik is over het hele perceel een laag tot circa 50 cm blootgesteld aan grondroering. Er zijn hierbij nimmer explosieven aangetroffen. Verder onderzoek naar niet gesprongen explosieven is dan ook niet noodzakelijk. Toch bestaat er te allen tijde een kleine kans op het voorkomen van explosieven. De eigenaar van het perceel is verantwoordelijk voor het opruimen, indien niet gesprongen explosieven worden aangetroffen.
21
5 JURIDISCHE TOELICHTING
5.1 Planstukken Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. Het plangebied is bestemd tot ‘Wonen’ en deels voorzien van een bouwvlak. Binnen de woonbestemming zijn enkele algemene gebiedsaanduidingen opgenomen, te weten ‘luchtvaartverkeerzone’, ‘overige zone – boringsvrije zone’ en ‘overige zone – radarverstoringsgebied’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen om andere waarden te waarborgen. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen ook opgenomen voor het plangebied. Tot slot zijn nog enkele maatvoeringen opgenomen ten behoeve van het aantal toegestane woningen binnen het plangebied, de maximum goot- en bouwhoogtes en de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000.
De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda.
5.3 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan
22
om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan.
Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. De bestemming en regels gelden voor 10 jaren te rekenen vanaf het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Venray”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen.
Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
23
6 UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. In dit geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van de Grondexploitatiewet. Het afsluiten van een exploitatieplan of anterieure overeenkomst is dan ook niet benodigd. Voor de gemeente Venray zal het project kostenneutraal verlopen. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planologische maatregel een overeenkomst te sluiten voor planschade. Gemeente Venray heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten omtrent planschade.