CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting bp Loobeek 2 Smakt

Gemeenteraad 26 september 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Loobeek 2 Smakt.11.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Daarnaast dient gekeken te worden naar de effecten van het toevoegen van een woning op geluidsruimte van omliggende bedrijven. Als laatste dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor is een akoestisch rapport opgesteld. Hieronder de conclusie van dit onderzoek, het volledige onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. Wet Geluidhinder Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (wegen buiten bebouwde kom) mogelijk. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Rekenen meetvoorschrift geluidhinder 2012.

Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van de wegen met zone de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB, ter plaatse van de nieuwe geluidgevoelige bestemming ‘woning 2' aan de Loobeek, niet overschreden wordt. De geluidbelastingen blijven dus ook overal onder de wettelijke maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De nieuwe geluidgevoelige bestemming ‘woning 2' aan de Loobeek 2 is geluidonbelast. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Rekenen meetvoorschrift geluidhinder 2012. Ruimtelijke ordening Voor de ‘woning 1' (omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning) is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Wel dient, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Beide woningen hebben aan de achterzijde/ oostzijde, waar ook de buitenruimte /tuin is, een geluidluwe zijde. Dit draagt bij aan een goed woon- en leefklimaat, ook buiten de woningen. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de zuidgevel van ‘woning 1‘ bedraagt 54 dB. En de hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de westgevel van ‘woning 2‘ bedraagt 47 dB De binnenwaarde in de verblijfsruimten wordt getoetst / gewaarborgd door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB.

Om deze binnenwaarde te halen, moet bij deze woning een minimale geluidsisolatie worden bereikt van: - woning 1: (54-33=) 21 dB. - woning 2: (47-33=) 14 dB, maar dit dient conform Bouwbesluit minimaal 20 dB te bedragen. Dit zal, aangetoond worden middels een karakteristieke geluidwering berekening (G ) conform Bouwbesluit. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ook in de woning gegarandeerd. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.

Ruimtelijke aspecten

4.2.1. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in

30

inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.

Afbeelding 10. Uitsnede risicokaar t

Binnen de inrichting is een propaantank aanwezig voor de verwarming van de bedrijfswoning op Loobeek 2. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, het omzetten van de bestemming ‘Agrarisch’ naar bestemming ‘Wonen’ is het Bevi niet van toepassing.

31

Uit de risicokaart blijkt dat er een propaantank is gelegen binnen de inrichting ten behoeve van het verwarmen van de woning op Lookbeek 2 te Smakt. In de omgeving van het plangebied, op Loobeek 1, Loobeek 3, Loobeek 3a en Loobeek 3b bevinden zich tevens een propaantank met een veiligheidsafstand van 20 meter. Aangezien het plangebied niet binnen de veiligheidsafstand van 20 meter ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het plangebied is op ongeveer 300 meter afstand gelegen van de Rijksweg A73 en op ongeveer 270 meter van de spoorlijn traject Nijmegen Venlo. Tussen afrit 7 en 9 is de A73 opgenomen in de Regeling basisnet. Hiervoor is een risicocontour van 1 meter opgenomen, er is geen GR plafond opgenomen. Wel geldt er een plasbrandaandachtsgebied voor de A73. Het plangebied is buiten de risicocontour van 1 meter gelegen en er is geen contour opgenomen voor het groepsrisico. Hierdoor kan op grond van artikel 7 van het Bevt volstaan worden met een beperkte groepsrisico verantwoording. Verantwoording groepsrisico, artikel 7 De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg en; De opkomsttijd bedraagt ongeveer 8 minuten.

Er is geen sprake van een zorgfunctie en/of zeer kwetsbare objecten; Het plangebied is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. Het plangebied ligt binnen de cirkel van goede hoorbaarheid van de waarschuwings- en alameringsinstallatie; Het plangebied valt binnen het dekkingsgebied van NL-alert; Er zijn voldoende vluchtwegen. Er is geen sprake van (structurele) aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen opgenomen op de risicokaart. Het beoogde plan ligt buiten de invloedssfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Gezien het bovenstaande zijn er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2. Archeologie Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg, een wijziging van de Monumentenwet 1988, op 1 september 2007 is het Verdrag van Malta geïmplementeerd in het cultuurhistorische beleid van Nederland. Met deze wetswijziging heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het ruimtelijke ordeningsproces en ruimtelijke planvorming. Gemeenten zijn verplicht bij vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met de bekende als te verwachten archeologische waarden.

De te verwachten archeologische waarden worden in de gemeente Venray beschermd door middel van een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’. Voor het plangebied betreft dit waarde van Archeologie – 2 en waarde van Archeologie 3. Op de gronden met de dubbelbestemming Archeologie 3 mag worden gebouwd, mits de verstoring van de bodem maximaal 100 m2 bedraagt én niet dieper dan 50 cm, danwel nadat de aanvrager 32

een rapport (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek of verder) overlegt waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig kunnen worden geschaad als gevolg van de werkzaamheden. De beoogde ontwikkeling ziet niet op een bouwplan dat conflicterend is met de bovengenoemde uitgangspunten. Er worden geen bouwwerken opgericht welke de archeologische waarde in het gebied kunnen aantasten. Er worden wel een bestaand gebouw en erfverhardingen gesloopt, maar de grond daaronder is bij de bouwactiviteiten al verstoord, er wordt niet meer oppervlakte verstoord. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling 4.2.3. Mobiliteit en parkeren Het verkeer van en naar het plangebied zal door de bestemmingswijziging wijzigen van verkeer gerelateerd aan een agrarisch bedrijf, naar verkeer gerelateerd aan het wonen. Er zal dan ook een verschuiving plaatsvinden van (agrarisch) vrachtverkeer naar verkeer met enkel personenauto’s. Voor de omgeving levert een dergelijke verandering alleen maar voordelen op. Daarnaast dient op basis van de gemeentelijke Beleidsnota Parkeernormen Venray voldoende parkeervoorzieningen op eigen grond ten behoeve van de woningen gerealiseerd te worden. Per vrijstaande woning dienen, in het buitengebied, tenminste 2 parkeerplaatsen, met een afmeting van 2,5 * 5 m per parkeerplaats, aanwezig te zijn.

Op beide erven is voldoende ruimte aanwezig om aan deze norm te voldoen. Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan derhalve ruimschoots gerealiseerd worden. Vanuit het aspect Mobiliteit en parkeren zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling

4.3.

Flora en Fauna

4.3.1. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuidoosten van het plangebied is het Natura2000 gebied Boschhuizerbergen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 1,04 kilometer. Per 1 juli 2021 geldt een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten (aanlegfase) waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Hierdoor is een berekening met AERIUS CALCULATOR 2020 voor de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op de Natura2000-gebieden voor de bouw- aanleg- en sloopactiviteiten met betrekking tot onderhavig plan niet van toepassing. Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In dit kader is stikstofberekening gemaakt met het rekenprogramma Aerius. Voor de uitkomsten zie bijlage 5. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast en wordt een tegenprestatie in het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap gedaan waardoor de aanwezig natuur- en landschapswaarden altijd worden verbeterd, zie bijlage 6.

33

4.3.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • •

•

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een wijzigingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Hiervoor is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 7 voor de gehele quickscan. Uit deze quickscan volgt de volgende conclusie: Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in december 2021 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuisssoorten). Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 16 december 2021, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten.

Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporenzijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De kieren en openingen in de te slopen bebouwing zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op deze gebieden.

34

Door de sloop van de rundveestal en de verbouwing van een stal en de woonboerderij op het perceel, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.4.

Landschappelijke inpassing

Voor de landschappelijke inpassing in de omgeving van het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering. In afbeelding 14 is het beplantingsplan weergeven, voor het volledige landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 6.

Afbeelding 14. Het landsc hapsinp assings - en belevingsplan

4.5.

Waterparagraaf

Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De 35

inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen. Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Toetsing Het onderhavige plan leidt niet tot nieuwe bouwmogelijkheden. De bestaande bebouwing wordt verbouwd naar twee woningen met bijgebouwen. Daarnaast wordt er een melkrundveestal gesloopt dit leidt tot een afname van verhard oppervlak. Het afvalwater zal via het bestaande rioolstelsel worden afgevoerd. Het hemelwater zal op eigen gronden worden verwerkt.

De waterhuishouding wordt niet gewijzigd of anderszins beïnvloed. Een nader onderzoek is niet nodig.

4.6.

Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven. Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

4.7.

Niet-gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

36

5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.

Economische haalbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving.

5.3.

Procedure

Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het vastgestelde bestemmingsplan treedt daags na het aflopen van de beroepstermijn in werking.

37

5.4.

Vooroverleg en inzage

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan bij de provincie aangemeld. Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Hiermee is het bestuurlijke vooroverleg met de provincie afgerond. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan bij het waterschap aangemeld. In de reactie heeft het waterschap aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Hiermee is het bestuurlijke vooroverleg met het waterschap afgerond. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 21 januari 2023 tot en met 3 maart 2023. In deze periode was het voor eenieder mogelijk om zienswijzen in te dienen tegen het plan. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.

38

6. Juridische planopzet 6.1.

Inleiding

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2.

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).

6.3.

Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Hoofdstuk 2: Wijzigingsregels.; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

39

Bijlagen

40

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

Roba Advies Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13040492/1