04 Toelichting
Tekst van het document
De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het beoogde nieuwbouwplan.
4
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Patersstraat 1-3 te Venray, projectnr.: AM20467, d.d. 22 december 2021.
Hoofdstuk 4
29
Na sloop van het postkantoor en ambtswoning wordt geadviseerd om onder het gebouw een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren. De kans is aanwezig dat door sloopwerkzaamheden een nieuwe bodemverontreiniging ontstaat, of dat na sloop sloopafval achterblijft in de bovengrond. Asbest is hierbij een aandachtspunt. Het voorliggende onderzoek doet namelijk geen uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Indien voor de nieuwbouw een grondwateronttrekking nodig is dan dient men rekening te houden met de nabijgelegen ernstige grondwaterverontreiniging met VOCl. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.2
Geluidhinder
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidsgevoelig object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de woning. Onderhavig planvoornemen is niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Toetsing Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Julianasingel en Paterslaan/Oostrumseweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Poststraat en Paterstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek.
Door K+ is derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd. Het rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hier wordt uitsluitend een samenvatting en de conclusie van het rapport weergegeven.
5
K+ Adviesgroep, AO voormalig postkantoor Venray P03507 Geluidsbelasting en geluidwerende voorzieningen, Rapportnr.: Rm210826aaA0, d.d. 16 december 2021.
Hoofdstuk 4
30
Julianasingel - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 42 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. - De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Paterslaan - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 39 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. - De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Patersstraat - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. - In waarneempunt 1 tot en met 3 zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 53 dB, inclusief aftrek artikel 110g. Zou worden getoetst aan de Wet geluidhinder, dan wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd.
- Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Poststraat - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. - In waarneempunt 4 tot en met 9 zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 55 dB, inclusief aftrek artikel 110g. Zou worden getoetst aan de Wet geluidhinder, dan wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. - Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen.
Hoofdstuk 4
31
In het geluidsrapport staat weergegeven welke geluidsisolerende materialen toegepast kunnen worden in de beoogde appartementen. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het initiatief. Om te borgen dat het binnenniveau van 33 dB wordt gegarandeerd, is in de regels een regel opgenomen die de uitvoering hiervan borgt. 4.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Hoofdstuk 4
32
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van 24 wooneenheden, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse onder de 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 onder de 10 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 4
33
Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Toetsing Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst.
Hoofdstuk 4
34
Uitsnede risicokaart met aanduiding besluitgebied (rood omcirkeld)
Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in en in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de inrichtingen in de omgeving weergeven inclusief afstanden tot aan het onderhavige plangebied. Kortom, gelet op de afstanden in de tabel liggen risicovolle inrichtingen op dusdanige afstand dat het invloedsgebied niet tot het plangebied reikt. Derhalve vormt de ligging ten opzichte van de risicovolle activiteiten geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor Uit de risicokaart blijkt dat er binnen een straal van 1.000 meter van het besluitgebied geen transport van gevaarlijke stoffen over het water, het spoor en de wegen voorkomt, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Buisleidingen In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen buisleidingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
35
4.1.5
Milieuzonering
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in
Richtafstand tot gevoelige
een rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden – hier aangeduid als gebieden met functiemenging – heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
Hoofdstuk 4
36
Categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; Categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Naast bovengenoemde 4 randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' de volgende criteria gehanteerd: voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1; voor categorie B betreft het activiteiten: 1. in categorie 1 voor het aspect gevaar; 2. in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; 3. in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; 4. met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen); voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen). Toetsing Het plangebied is gelegen in het centrum van Venray. Het plangebied ligt daardoor in een gebied met functiemenging. Binnen de omliggende bestemmingen ‘Centrum-Kernwinkelgebied’, ‘Gemengd-Aanloopstraten’ en ‘Gemengd-Transformatiegebied wordt namelijk expliciet functiemenging nagestreefd.
Dit blijkt eveneens uit de aanwezigheid van diverse functies die reeds in de omgeving zijn gelegen. Aangrenzend aan het appartementencomplex, aan de Paterstraat 5, is een bloemenwinkel gelegen. Daarnaast is in de nabijheid van het plangebied, aan de Grotestraat 105-107, Henseniusplein 1A en aan Henseniusplein 2 respectievelijk een café-restaurant, cafetaria en een kapperszaak gelegen. Op grond van ‘Omgevingsplan Centrum Venray’ hebben deze locatie de bestemming ‘Centrum-Kernwinkelgebied’. Binnen deze bestemming zijn de volgende activiteiten toegestaan: De activiteiten die conform het Omgevingsplan Centrum Venray maximaal zijn toegestaan, vallen volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor een gebied met functiemenging onder activiteiten van categorie A. Dit type activiteit is zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen uitgevoerd kan worden. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. De aanwezigheid van de bloemenwinkel en de planologisch toegestane bedrijvigheid vormen hierdoor geen belemmering voor het planvoornemen. In de directe omgeving van het plangebied zijn aan de Poststraat 1, Poststraat 2 en Poststraat 4 respectievelijk een winkel, een stichting en een kapperszaak gelegen. Deze panden zijn op grond van
Hoofdstuk 4
37
‘Omgevingsplan Centrum Venray’ bestemd als ‘Gemengd – Transformatiegebied’. Binnen deze bestemming zijn meerdere detailhandels-, horeca- en bedrijfsfuncties mogelijk. De activiteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan vallen onder zowel categorie A en B. Voor activiteiten die vallen onder categorie B dienen bouwkundig afgescheiden van woningen plaats te vinden. Aangezien de dichtstbijzijnd gelegen panden zich bevinden op minimaal 5 meter afstand van de beoogde bebouwing wordt hieraan voldaan. Tot slot is in de omgeving van het plangebied de bestemming ‘Gemengd – Aanloopstraten’ gelegen. De dichtstbijzijnd gelegen panden met deze bestemming zijn gelegen aan de Patersstraat 4 en de Patersstraat 5a. Binnen de bestemming ‘Gemengd – Aanloopstraten’ zijn conform ‘Omgevingsplan Centrum Venray’ eveneens diverse detailhandels- en horecafuncties toegestaan. De activiteiten die conform het Omgevingsplan Centrum Venray maximaal zijn toegestaan, vallen volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor een gebied met functiemenging onder activiteiten van categorie A. Dit type activiteit is zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen uitgevoerd kan worden. De panden met deze bestemming liggen op minimaal 10 meter. De planologisch toegestane bedrijvigheid vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Evenementen Het plangebied is gelegen binnen het centrumgebied. In het centrum van Venray worden met enige regelmaat evenementen en festiviteiten gehouden. In het vigerende bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Centrum Venray’ zijn derhalve grenzen gesteld aan het aspect geluid. Daarmee is een betere afstemming tussen de belangen van de organisatoren van evenementen en horeca enerzijds en de omwonenden anderzijds mogelijk. In het centrum zijn daarnaast reeds woningen toegestaan. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.6
M.e.r.-plicht
Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt.
Hoofdstuk 4
38
Aanmeldingsnotitie Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke als bijlage is opgenomen. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1
Archeologie
Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Archeologische beleidskaart Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Venray deels de aanduiding “categorie 2”. Deze categorie omvat droge en natte gebieden met een hoge verwachting. Voor dit categorie 4-gebied geldt dat deze in het vigerende bestemmingsplan is vertaald naar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksverplichting ingeval de te verstoren oppervlakte groter is dan 500 m2 én de verstoringsdiepte dieper is dan 50 cm onder het maaiveld. Toetsing Het totale plangebied betreft een oppervlakte van circa 2700 m 2. In het kader van het planvoornemen wordt de bestaande bebouwing gesloopt en een appartementencomplex met een parkeerkelder en 24
Hoofdstuk 4
39
appartementen gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling wordt in de bodem geroerd. Derhalve wordt momenteel een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. In de bijlage is het programma van eisen6 opgenomen. Dit programma is goedgekeurd door de gemeente. 4.2.2
Cultuurhistorie
In de 17e eeuw heeft Venray als rijkste dorp van de regio kloosters, gilden, schutterijen en een Latijnse school. De Peel (een uitgestrekt gebied van heidevelden en vennen) wordt gebruikt om turf te steken en om schapen en bijen te houden. In de 19e eeuw krijgt de economische ontwikkeling een impuls door de aanleg van de spoorlijn Venlo-Nijmegen (1883). Vanaf 1900 begint de grootschalige ontginning van de Peel. De gemeente legt bossen aan en stimuleert omzetting van woeste grond in cultuurland. Dit is nog altijd terug te vinden in het landschap in het buitengebied en de verschillende heldere structuren die aanwezig zijn in Venray. Zo zijn de noord-zuid georiënteerde linten terug te vinden in samenhang met oost-west gerichte landschapssystemen (water, groen en beekdalen). Na de oorlog ontwikkelt Venray zich tot een stad met een binnenring en buitenwijken. De singels zijn grotendeels wel aangelegd maar pas in de 80-er jaren is met de aanleg van de Zuidsingel de buitenring afgerond tot een sluitend verkeerssysteem. Deze verkeers-ring doorkruist op regelmatige afstand de historische radialen die vanuit het centrum naar de omliggende dorpen lopen. Deze radialen nemen tevens een bijzondere positie in ten aanzien van de verdere ontwikkeling van Venray, zowel ruimtelijk als functioneel. Mede door de aanleg van de Rijksweg A73 krijgt de economische ontwikkeling opnieuw een impuls.
De heldere singelstructuur binnen Venray is aangetakt op deze rijksweg door middel van gemeentelijke gebiedsontsluitingswegen en provinciale stroomwegen. Zoals uit de ontstaansgeschiedenis naar voren komt is Venray vanuit een compact dorpscentrum uitgegroeid naar een stad met grootschalige buitenwijken en bijzondere gebieden. Er is dus sprake van dorp én stad in Venray; het historische centrum en de binnenring met de kenmerkende linten geven nog altijd het dorpse en kleinschalige karakter weer. Hier zijn de relatief kleine massa’s en fijnmazige structuren terug te vinden. De singels geven met name een stedelijke uitstraling aan de stad Venray. Dit komt mede door het brede profiel, de aanliggende grootschalig opgezette wijken en groengebieden maar ook door de stedelijke bebouwing met een grove korrel. De bestaande bebouwing in het plangebied heeft geen monumentale of beeldbepalende status. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden, aangezien deze volgens de provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart niet aanwezig zijn Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
6
Aeres Milieu, Programma van Eisen Paterstraat 1-3 te Venray, projectnr.: AM20467, d.d. 22 december 2021.
Hoofdstuk 4
40
4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.
4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Boschhuizerbergen’ is gelegen op circa 2,4 kilometer noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van circa 24 appartementen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd.
In juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Op basis van voorgaande gaat voorliggende notitie uitsluitend in op de gebruiksfase van de appartementen. Door BRO is een stikstofberekening7 voor de gebruiksfase uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die is als bijlage aan onderhavige toelichting is toegevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
7
BRO, AERIUS-berekening Patersstraat 1-3, projectnr.: P03507, d.d. 21 december 2021.
Hoofdstuk 4
41
Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 1,4 km ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Het plangebied bestaat momenteel uit het voormalige postkantoor en de parkeerplaats ten oosten hiervan. De bebouwing betreft een oud pand met pannen dak en een torentje. Deze bebouwing wordt ten behoeve van het initiatief gesloot. Derhalve is een quickscan flora en fauna8 uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting en de conclusie van de quickscan. Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.
Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien de sloop van de bebouwing buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het gebouw bevat geen geschikte doorgangen naar potentiele verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren.
Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van
8
BRO, Quickscan flora en fauna Patersstraat 1-3 te Venray, projectnr. P03508, d.d. 29 november 2021.
Hoofdstuk 4
42
de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, de sloop van de bebouwing buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.
Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het te slopen gebouw biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen.
Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochureverschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
Hoofdstuk 4
43
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer De wooneenheden worden geheel ontsloten door de Patersstraat en de Poststraat. Beide wegen betreffen 30 km/uur-wegen. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer. Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van 12 dure koopappartementen en 12 middeldure koopappartementen in het gebiedstype ‘centrum’ in de gemeente Venray (matig stedelijk). In totaal worden gemiddeld 152,4 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling (7,2 x 12 + 5,5 x 12). Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Ten behoeve van de parkeerbehoefte van de woningen wordt een parkeerkelder gerealiseerd. De parkeerkelder is middels een elektronische toegangspoort met in-/uitverkeerslicht afgesloten. De parkeerkelder is enkel toegankelijk voor de bewoners.
Daarnaast zullen verkeerslichten worden geplaatst voor verkeer dat vanuit de parkeerkelder de Poststraat oprijden of vanuit het achterliggend terrein naar de Poststraat rijden. Parkeren De gemeente Venray hanteert met betrekking tot parkeerbeleid de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray’. Binnen de beoogde ontwikkeling worden maximaal 24 wooneenheden gerealiseerd bestaande uit koopappartementen in het centrum van Venray. Op grond van de parkeernota geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per appartement. In totaal zijn er 31 parkeerplaatsen benodigd (1,3 x 24 = 31,2). In de parkeerkelder worden 31 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er worden derhalve voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd op grond van de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray’. Conclusie Vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ bestaan geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.6 Waterhuishouding Beleidskader In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.
Hoofdstuk 4
44
Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel.
Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Watertoets Door Aeres Milieu is een watertoets9 uitgevoerd. Het rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Op de locatie van het voormalige postkantoor van Venray wil men een nieuw appartementencomplex bouwen. Het complex wordt voorzien van 24 appartementen, bergingen en een ondergrondse parkeerkelder.
Momenteel is het plangebied volledig verhard (bebouwd en bestraat) en aangesloten op het omliggend gemengd rioolstelsel. Binnen het plangebied is ruim voldoende drooglegging aanwezig waardoor er geen grondwateroverlast te verwachten is. Onder de nieuwbouw wil men een parkeerkelder aanleggen. Deze dient volledig
9
Aeres Milieu, Onderbouwing wateraspect paterstraat 1-3 te Venray, projectnr.: AM20467, d.d. 2 maart 2022.
Hoofdstuk 4
45
waterdicht gebouwd te worden en instroom vanaf de openbare weg dient vermeden te worden. Geadviseerd wordt om een drempel of vloerpeil voor het pand van circa 20 centimeter boven de kruin van de nabijgelegen weg aan te houden om instroom bij hevige neerslag te vermijden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de bouw van 24 appartementen zal de toekomstige afvalwaterstroom circa 0,72 m 3/u bedragen. Hierbij dient bij het inpandige stelsel tevens rekening gehouden te worden met piekmomenten in de ochtend en avond. Voor de wijziging aan de afvoer van de nieuwbouw op het gemeentelijk rioolstelsel dient bij de gemeente Venray te zijner tijd een aansluiting aangevraagd te worden. Het hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Vanuit het gemeentelijk beleid dient er bij afkoppeling waar mogelijk minimaal 40 mm op eigen terrein verwerkt te worden. Voor het geheel plangebied van ca. 1.235 m 2 staat dit gelijk aan ca. 50 m 3 hemelwater. Door de voorgenomen aanleg van een parkeerkelder is infiltratie ter plaatse slechts heel beperkt toepasbaar. De enige mogelijkheid is om hemelwater op te vangen en te infiltreren onder de toerit naar de parkeerkelder. Aanvullend kan ter plaatse van de toekomstige binnentuin op het parkeerdek of op het plat dak onder/naast de technische installaties water vastgehouden worden (groendak/daktuin).
Een bergingsvoorziening dient uitgerust te worden met een vertraagde leegloop. Hierdoor wordt de hemelwaterafvoer vertraagd binnen het plangebied. Gezien de ligging in het stedelijk gebied en de bestaande aanlevering naar het gemeentelijk rioolstelsel wordt geadviseerd om de eventuele hemelwatercompensatie nader met de gemeente af te stemmen. Vanuit het waterschap is voor de planontwikkeling geen hemelwaterretentie vereist. Dit omdat ter plaatse beperkte mogelijkheden inpasbaar zijn. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de lichte afname in verhard oppervlak, de eventueel aanvullende opvang op het parkeerdek en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water oppervlakkig kan afstromen naar het omliggend openbaar gebied (zoals bestaand). Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn.
Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de
Hoofdstuk 4
46
afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve van het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton, keramisch materiaal of bekleed met EPDM rubber of vergelijkbaar; Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur ook geen gecoate materialen i.v.m. verwering. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet te allen tijde worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen.
Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden.
Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen. Conclusie In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag zal nader worden uitgewerkt op welke wijze het hemelwater zal worden geïnfiltreerd. Dit is vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
Hoofdstuk 4
47
4.7 Onderzoek niet gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. Op het plangebied staat momenteel het oude postkantoor. Op deze locatie is de grond derhalve al flink geroerd. Om toch de veiligheid te kunnen garanderen, zal tijdens toekomstige grondwerkzaamheden een detectieonderzoek plaatsvinden.
4.8 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De beoogde woning dient te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag geldig is. De beoogde woningen dienen te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag van toepassing is. Voor woningen geldt momenteel een EPC-waarde van 0,4. Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.
Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren appartementen niet zullen worden aangesloten op het gasnet. In de anterieure overeenkomst wordt een regeling opgenomen waardoor de exploitant de te realiseren woningen duurzaam realiseert, waarbij deze zullen voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Daarnaast zal op het dak van het appartementencomplex zonnepanelen worden
Hoofdstuk 4
48
gerealiseerd ten behoeve van onder andere warmtepompen, warm tapwater en het opladen van elektrische auto’s. Eveneens zal worden gezorgd voor optimale isolatie, luchtdichting, warmte terugwinning en zal passieve zonne-energie worden doorgevoerd. Onderdeel van het (gebouw)ontwerp is de groeninrichting aan / op de gevels en balkons, op het binnenterrein en de dakoppervlakken. De gemeente dient het definitieve ontwerp goed te keuren. Het beoogde groen dient gerealiseerd te worden en in stand worden gehouden. Dit is eveneens in de anterieure overeenkomst geborgd. Een deel van het dak kan niet met groen worden bedekt, omdat er op het dak zonnepanelen worden geplaatst met bijbehorende buitenunits. Daarnaast kan het hemelwater op eigen terrein worden opgevangen. Gezien de aanleg van inrit naar de parkeerkelder is het mogelijk om hieronder hemelwater middels infiltratieputten te verwerken. Het hieronder opgevangen hemelwater kan eveneens hergebruikt worden middels een grijswatercircuit. Aanvullend kan ter plaatse van de toekomstige binnentuin op het parkeerdek of op het plat dak naast de technische installaties water vastgehouden worden (groendak/daktuin). Hiervoor wordt het hemelwater tijdelijk geborgen alvorens het vertraagd afvoert uit het plangebied. De infiltratie en opvang (hergebruik) van hemelwater heeft tevens een positief effect op het verminderen van hittestress.
Hoofdstuk 4
49
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van het ontwerpbestemmingsplan voor het centrum van Venray.
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1: 500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe wooneenheden. Door middel van aanduidingen zijn aanvullende (bouw)regels, waaronder het maximum aantal woningen en de bouwhoogte.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 5
50
Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
5.3.1
Inleidende regels
De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.
Hoofdstuk 5
51
De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, een ondergrondse parkeergarage ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’, voorzieningen van openbaar nut, een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder waterhuishoudkundige en parkeervoorzieningen, paden en verhardingen, in- en uitritten en tuinen en erven. ‘Waarde – Archeologie 2’ De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende (enkel) bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij verstoringen met een oppervlakte van meer dan 250 m² per bouwperceel en een diepte van meer dan 50 cm. 5.3.3
Algemene regels
In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot infiltratie en parkeergelegenheid. Algemene gebruiksregels In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijvingen uit de afzonderlijke bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10% en kan middels een omgevingsvergunning het bouwvlak worden uitgebreid.
Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden.
Hoofdstuk 5
52
Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen. Overige regels In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op de consequenties van een overtreding van de gebruiksregels en wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
53
6.
HANDHAVING Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.