CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Overloonseweg 67 Venray16.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Vastgesteld

23

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de bestemmingswijziging en het mogelijk maken een extra woning te realiseren dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: § een bedrijf van milieucategorie 1 of 2 op de locatie Overloonseweg 71, afstand tot het plangebied 50 meter; § zorgwoningen op de locatie Overloonseweg 6, afstand tot het plangebied 110 meter.

Vastgesteld

24

Bedrijven met milieucategorie 1 en 2 passen binnen een rustige woonwijk, zonder dat deze milieubelastende functies een aantasting van het woon- en leefklimaat betekenen. Daarnaast bedraagt de richtafstand voor een bedrijf uit milieucategorie 2 maximaal 30 meter. Aan deze richtafstand wordt in dit geval voldaan. Voor de zorgwoningen geldt dat deze ook tot de woonfunctie kunnen worden geschaard. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. In de nieuwe woningen kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Voor het initiatief is een verkennend bodemonderzoek1 conform NEN 5740 uitgevoerd. Na uitvoering van het vooronderzoek kon de hypothese “onverdachte locatie” worden gesteld.

Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 8 boringen op het perceel verricht. Hiervan zijn monsters van de bovengrond genomen. Twee van de boringen zijn doorgezet tot 2,0 m-mv. Zintuiglijk werden geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen in de bodem. Er zijn geen afwijkingen in geur en / of kleur geconstateerd in de grondmonsters. Vervolgens zijn twee mengmonsters samengesteld, te weten één van de bovengrond en één van de ondergrond. Ook is een week eerder een peilbuis geplaatst, waaruit watermonsters werden genomen. De grondwaterspiegel werd op circa 3,43 m-mv aangetroffen. Na analyse van de grondmonsters en de grondwatermonsters bleek dat: § in de bovengrond de achtergrondwaarden (AW) voor de onderzoeksparameters niet worden overschreden; § in de ondergrond de AW voor de onderzoeksparameters niet worden overschreden; § het grondwater licht verontreinigd is met barium en cadmium, alsmede sterk verontreinigd is met zink. De verhogingen met zware metalen in het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot. zware metalen in de bodem. Formeel gezien is een nader onderzoek noodzakelijk naar de verspreiding van zink in het grondwater. Gezien de grootte van de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem, zal een nader onderzoek geen nieuwe relevante informatie opleveren.

Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Venray. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de voorgenomen realisatie van de woningbouw op het perceel uit oogpunt van de bodemkwaliteit. 5.1.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering 1 M & A Bodem & Asbest BV, Verkennend bodemonderzoek Overloonseweg 67 Venray, 1 februari 2022, rapportnummer: 221-VOv67-vo-

v1

Vastgesteld

25

instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Venray. Voor de wegen in de omgeving geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. Voor de Nieuwe Overloonseweg en Broekweg geldt echter (deels) een maximumsnelheid van 50 km/u. Afstand van het plangebied tot de Nieuwe Overloonseweg en Broekweg bedraagt circa 180 meter. Het plangebied ligt derhalve binnen de geluidszone van deze wegen. Om de geluidbelasting van het wegverkeer van de Nieuwe Overloonseweg en Broekweg op het plangebied te achterhalen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai2 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Nieuwe Overloonseweg en Broekweg niet wordt overschreden op de nieuwe woningen.

De hoogste cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen bedraagt 52 dB. De binnenwaarde in de verblijfsruimten worden getoetst / gewaarborgd door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB. Om deze binnenwaarde te halen, moet met deze geluidbelasting op de gevels een minimale geluidsisolatie van 19 dB worden bereikt. Deze waarde is lager dan de minimumeis van 20 dB volgens het Bouwbesluit. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd. 5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; M & A Omgeving BV, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai realisatie woningen Overloonseweg 67 Venray, 23 december 2021, rapportnummer: 221-VOv67-wl-v1

2

Vastgesteld

26

c. d.

een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig initiatief wordt per saldo slechts één woning toegevoegd. Met het initiatief wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Vastgesteld

27

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,9 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal ook nagenoeg geen extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid.

Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woningen betreffen zodoende geurgevoelige objecten. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor de bebouwde kom, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 13,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Vanwege de ligging in de bebouwde kom van Venray liggen er in de directe omgeving van het plangebied (afstand < 500 meter) geen veehouderijen. Om de effecten van verder weg gelegen veehouderijen in beeld te krijgen is de kaart ‘Individuele contouren 2018’ van de gemeente Venray geraadpleegd. Hieruit blijkt dat geen enkele veehouderij een geurcontour heeft van 3,0 Ou/m3 of hoger die tot aan het plangebied reikt. Dit betekent dat voor het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de norm.

Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting.

Vastgesteld

28

Afbeelding 14. Uitsnede kaart ‘Individuele contouren 2018’ (plangebied rood omcirkeld)

Op de kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ van de gemeente Venray wordt de indicatieve achtergrondbelasting als zeer goed (0 tot 3,0 OU/m3) beoordeeld. Daarmee kan tevens gesteld worden dat veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting.

Vastgesteld

29

Afbeelding 15. Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ (plangebied rood omcirkeld)

5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: § Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); § Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); § Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen

Vastgesteld

30

het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan.

Vastgesteld

31

5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt ongeveer 23,5 m +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden, welke ter plaatse bestaan uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,5 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de hoogte van het grondwater grondwatertrap VIII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper ligt dan 200 cm-mv. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater De huidige woning is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief wordt de huidige woning vervangen door een nieuw pand met daarin twee woningen. Hierdoor neemt het bebouwd c.q. verhard oppervlak toe ten opzichte van de huidige situatie.

Het hemelwater dat valt op de totale verharding zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van de gemeente dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 60 mm neerslag valt. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal initiatiefnemer moeten aantonen dat de te realiseren infiltratievoorziening voldoende water kan bergen. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van initiatiefnemers wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Vastgesteld

32

Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m boven NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Op grond van het bestemmingsplan is het niet mogelijk objecten op te richten die hoger rijken dan 65 m boven NAP. In het vigerende bestemmingsplan “Venray” is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – radarverstoringsgebied’ opgenomen om dit planologisch te borgen. Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan “Venray” is deze gebiedsaanduiding (opnieuw) van toepassing verklaard voor het plangebied.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de herontwikkeling en de daarmee gepaard gaande sloop van bebouwing hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna3 uitgevoerd. Door het literatuuronderzoek van de quickscan is aangetoond dat het mogelijk is dat in het plangebied en omgeving beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen. In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek in december 2021 echter geen waarnemingen gedaan van beschermde flora en fauna. Ook rondom het plangebied zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde flora en fauna (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuisssoorten). Het veldbezoek is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten.

Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldbezoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De kieren en openingen in de te slopen bebouwing zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van vleermuizen of andere fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de herontwikkeling een negatieve invloed zal hebben op deze gebieden. Door de sloop van de bebouwing en de realisatie van nieuwe woningen, wordt het karakter van het gebied niet beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Flora en fauna vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.

3 M & A Omgeving BV, Quickscan flora en fauna Overloonseweg 67 Venray, 23 december 2021, rapportnummer: 221-VOv67-nw-v1

Vastgesteld

33

Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 2,6 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden.

In de Wsn is een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om in de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) de uitstoot van NOx te bepalen. De nieuwe situatie als zijnde twee twee-aaneengebouwde woningen is afgezet tegen de huidige situatie als zijnde een vrijstaande woning. Volgens AERIUS Calculator neemt de ammoniakemissie op de Natura 2000-gebieden niet toe (zie bijlage 1).

Volgens AERIUS Calculator leiden een vrijstaande woningen tot een emissie NOx van 3,0 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: § Functie: vrijstaande koopwoning § Gebiedstype: rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de woning dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Overloonseweg naar de Noordsingel rijdt, alweer het verkeer op zal gaan in huidige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,2 kg/jaar bedraagt.

Vastgesteld

34

Volgens AERIUS Calculator leiden twee twee-aaneengebouwde woningen tot een emissie NOx van 4,3 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: § Functie: 1x koopwoning, twee-onder-een-kap en 1x huurwoning, vrije sector § Gebiedstype: rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een koopwoning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen en een huurwoning minimaal 6,7 en maximaal 7,5 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering generen de twee woningen dagelijks 15,7 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 7,9 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Overloonseweg naar de Noordsingel rijdt, alweer het verkeer op zal gaan in huidige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,3 kg/jaar bedraagt.

Afbeelding 16. Uitsnede archeologische beleidskaart

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet

Vastgesteld

35

die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied voor het overgrote deel gelegen in een gebied met een lage verwachting. Een klein gedeelte ter plaatse van de Overloonseweg is aangewezen als een gebied met een middelhoge verwachting. Gezien de vorm en de geïsoleerde situering van dit kleine gebied met een middelhoge verwachting binnen een groter gebied met een lage verwachting moet het om een technische “fout” gaan bij de vervaardiging van de beleidskaart.

De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, zoals die thans voor een klein deel van het plangebied geldt, is daarom een omissie en kan in de nieuwe situatie van het plangebied worden verwijderd. 5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop het initiatief een negatieve invloed kan hebben.

5.7 Verkeer en parkeren Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Verkeer Het plangebied is gelegen in de oksel van de Overloonseweg en Laagheidseweg. De Overloonseweg staat in directe verbinding met de Noordsingel. Via de Noordsingel kan het verkeer alle richtingen op. De komende tijd zal de Overloonseweg worden heringericht. Het initiatief heeft daar geen effect op; het initiatief vindt volledig plaats op eigen grond. De huidige inrit naar de Overloonseweg zal daarbij in zuidelijke richting worden verplaatst en aan de huidige oprit worden gekoppeld van de naastgelegen woning (met huisnummer 65d) en de tweede woning wordt ontsloten via de Laagheidseweg. Deze inrit wordt bij voorkeur zo ver mogelijk van het kruisingsvlak gerealiseerd. Dit is veiliger en zorgt voor betere rijbeweging richting kruising. Met de gemeente Venray zullen nadere afspraken gemaakt worden over de exacte locaties van de twee inritten vanwege de aanwezigheid van bomen, nutsvoorzieningen, etc.. Bestaande bomen op grond van de gemeente moeten daarbij gespaard blijven. De nieuwe woningen zorgen wel voor andere verkeersbewegingen van en naar de locatie.

Op basis van CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is de verkeersgeneratie van de huidige en nieuwe functie in beeld gebracht.

Vastgesteld

36

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: § Functie: vrijstaande koopwoning § Gebiedstype: rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de woning dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: § Functie: 1x koopwoning, twee-onder-een-kap en 1x huurwoning, vrije sector § Gebiedstype: rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een koopwoning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen en een huurwoning minimaal 6,7 en maximaal 7,5 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering generen de twee woningen dagelijks 15,7 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 7,9 voertuigen. Het initiatief leidt derhalve tot een toename van 7,1 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 3,6 voertuigen. Deze zeer beperkte toename is goed op te vangen en vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid in de omgeving. Deze toename past binnen de dynamiek van Venray.

De omliggende infrastructuur is voldoende robuust om deze zeer beperkte toename op te vangen en past binnen de geprognosticeerde verkeersgroei. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). Uit deze gegevens blijkt dat voor een woning in de rest bebouwde kom in totaal twee parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de realisatie van de twee woningen zijn derhalve in totaal vier parkeerplaatsen benodigd, op eigen terrein. Bij elke woning worden derhalve twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd.

5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

Vastgesteld

37

5.9 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie paragraaf 4.3.4). Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen. De binnen het plangebied te realiseren woningen zullen in ieder geval energieneutraal zijn. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray zal daarom het aspect 'duurzaamheid' en 'energieneutraalheid', maar ook 'levensloopbestendigheid' opnemen in de met initiatiefnemer overeen te komen anterieure overeenkomst. Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q.

daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: § de woningen worden niet aangesloten op gas; § de woningen zullen zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; § de woningen worden zeer goed geïsoleerd en hebben daardoor een zeer lage warmtevraag; § bij de bouw van de woningen zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout; § bij sloop van de bestaande woning zullen de materialen eventueel een herbestemming krijgen. De huidige woning verkeert in een slechte staat waardoor de materialen niet allemaal geschikt zullen zijn voor hergebruik. Waar mogelijk zullen materialen worden aangeboden voor hergebruik. De niet herbruikbare materialen worden bij de sloop gescheiden en aangeboden ter recycling. § elke woning zal beschikken over een (klimaatadaptieve) tuin waarin groen kan worden gerealiseerd, met zo min mogelijk verharding zodat hemelwater hier kan infiltreren. Daarnaast wordt voor de extra woning een bijdrage aan het fonds ruimtelijke ontwikkeling afgedragen. In het beleidskader van de gemeente Venray is opgenomen dat de bijdrage aan het fonds ruimtelijke ontwikkeling gebruikt worden voor groencompensatie binnen de gemeente.

Vastgesteld

38

6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het gehele plangebied blijft bestemd als ‘Wonen’. In plaats van één bouwvlak voor de woningen Overloonseweg 65c, 65d en 67 is het bouwvlak echter opgedeeld in twee delen; een bouwvlak voor de woningen Overloonseweg 65c en 65d en een bouwvlak voor de woning Overloonseweg 67. Voor beide bouwvlakken geldt nog steeds een maximale goothoogte van 6 meter. Het aantal woningen bedraagt per bouwvlak twee stuks (daarmee bedraagt het totale aantal woningen niet drie maar vier en is er dus één extra woning mogelijk ter plaatse van de woning Overloonseweg 67).

Door de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneengebouwd’ op de plek van de woning Overloonseweg 67 zijn op dit bouwvlak alleen twee-aaneengebouwde woningen toegestaan. Het nieuwe bouwvlak voor de woning Overloonseweg 67 is nagenoeg gelijk aan het huidige bouwvlak, alleen de voorgevelrooilijn is gewijzigd. De verspringing van de voorgevel van het nieuwe pand is daarmee geborgd. De gebiedsaanduiding (‘overige zone – radarverstoringsgebied’) die reeds voor het plangebied gold zijn opnieuw van toepassing verklaard en daarmee niet gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.

6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming

Vastgesteld

39

en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Venray”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: § Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; § Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; § Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; § Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.

Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.

Vastgesteld

40

7 UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Het initiatief geschiedt volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin naast verhaal van de ambtelijke kosten ook de bijdrage bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke ontwikkeling worden meegenomen. Na ondertekening van de anterieure overeenkomst door beide partijen is het gemeentelijk kostenverhaal afdoende verzekerd. Hierdoor is dit plan economisch uitvoerbaar. Tenslotte wordt in een overeenkomst het planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van initiatiefnemer.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure, samen met de architect, op 15 maart 2022 een informatieavond georganiseerd voor de directe betrokken omwonenden, met als doel de buurt te informeren over het initiatief en de in dat kader in voorbereiding zijnde bestemmingswijziging. De omwonenden hebben het verhaal tot zich kunnen nemen en hierop kunnen reageren. In het algemeen hebben de omwonenden aangegeven op het eerste gezicht geen bezwaren te hebben tegen de gepresenteerde wijzigingen van het bestemmingsplan en kunnen zich positief vinden in het initiatief. Het ontwerp is een passende oplossing voor de hoeksituatie en is een kwaliteitsverbetering voor de omgeving. Het bouwvolume en de moderne architectuur past mooi in het straatbeeld. Ook de verspringing in de voorgevel wordt goed ontvangen.

Er zijn wel vragen over het zicht vanuit het dakterras van woning 1 naar de omliggende tuinen. Door middel van groen zou dit probleem verholpen kunnen worden. Daarnaast zorgt de verhoogde borstwering/daktrim van het plat dak voor minder inkijk. De omwonenden vinden het fijn om op locatie de zichtlijnen te controleren. Op 16 maart 2022 heeft de architect met een van de omwonenden nader overleg gevoerd. Deze omwonende had namelijk nog vragen gesteld over de positionering van het bijgebouw op de erfgrens. Tijdens het overleg is een aangepast ontwerp gepresenteerd waarbij het bijbehorende bouwwerk (berging/garage) van woning 2 circa 60 cm van de erfgrens is verschoven. Hierdoor is er meer ruimte ontstaan en een visuele ontkoppeling tussen beide bijgebouwen. Daarnaast is de voorgevel van het bijbehorend bouwwerk naar achteren verschoven zodat deze in dezelfde lijn ligt met de voorgevel van het bestaande bijbehorend bouwwerk.

Vastgesteld

41

De linker-zijgevel van het hoofdgebouw bij woning 2 heeft een raam op de begane grond die zicht geeft naar de buren. Om het zicht te verbreken zal er gedeeltelijk op de erfscheiding een haag komen van circa 1,8-2,0 meter hoog. Deze omwonende is met de aanpassingen akkoord; het is een prettige tegemoetkoming en een mooie oplossing voor beide partijen. Er zal wel nog een overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en deze omwonende met betrekking tot de invulling van de erfafscheiding en het groenplan. Tevens zal er bekeken moeten worden of de kleine boom op de erfgrens bij de opritten wel/niet behouden wordt. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en Waterschap Limburg. Van beide is een reactie ontvangen. Provincie is akkoord. Wel vraagt de provincie aandacht voor de verwerking van het initiatief in de Plancapaciteitsmonitor. Hier zal de gemeente Venray zorg voor dragen. Het waterschap is ook akkoord. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 juni tot en met 14 juli 2022 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.

Vastgesteld

42

8 PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: § Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; § Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; § Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; § Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; § Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; § Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; § Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien beroep wordt ingediend, dat kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden ingediend.

Vastgesteld

43

1SPKFDUCFSFLFOJOH

1SPKFDUCFSFLFOJOH

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

Ó

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

Ó

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3WJTQWZ#%.LX NFJ



1SPKFDUCFSFLFOJOH

3WJTQWZ#%.LX NFJ



De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11728654/1