03 Toelichting bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Tekst van het document
Maatregelen (bron of overdracht) zijn onvoldoende doeltreffend; De maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard; Een hogere waarde boven de maximale ontheffingswaarde is niet toelaatbaar.
Maatregelen zijn onvoldoende doeltreffend: De stedenbouwkundige situatie leent zich niet voor het plaatsen van schermen of wallen langs de Noordsingel in verband met de geringe afstand tot het appartementengebouw. Afscherming van de bovenste verdiepingen is hierdoor uit praktische overwegingen niet of slechts met extreem hoge schermen mogelijk. Er kan worden gesteld dat maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. De maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard: Nader onderzoek naar bronmaatregelen is niet zinvol vanuit de hierboven reeds genoemde financiële en praktische overweging. Nader onderzoek in de overdrachtssfeer zoals een geluidsscherm is ook niet zinvol om de geluidbelasting op het appartementengebouw naar beneden te krijgen. Langs de Noordsingel is het oprichten van een geluidswal
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
29
vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst. Een hogere waarde boven de maximale ontheffingswaarde is niet toelaatbaar: Er is geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. Daarnaast mag de vaststelling van een hogere waarde conform het gemeentelijk beleid niet leiden tot een onaanvaardbare cumulatieve geluidbelasting (alle geluidbronnen opgeteld). Daarom beoordeelt de gemeente Venray verzoeken om hogere waarden op basis van de cumulatieve geluidsbelasting. De gemeente Venray heeft zich op het standpunt gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting acceptabel is als deze ten hoogste 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB. De maximale gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee is ook gecumuleerd geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde en kan worden voldaan aan deze voorwaarde van het gemeentelijk hogere waardenbeleid. 5.3.3 Dimensionering van het bouwplan Door de nabijheid van de Noordsingel is sprake van een hoge geluidbelasting op de geplande woningen. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Het is belangrijk voor de toekomstige bewoners dat een goed woon- en leefklimaat is geborgd. Hierbij hoort een akoestisch aanvaardbare situatie.
Die kan - ondanks de hogere geluidsbelasting - op diverse manieren worden geborgd bij de uitvoering van het bouwplan. De details van het bouwplan zijn momenteel echter nog niet bekend. Als binnen een plan de details omtrent woningen nog niet bekend zijn kunnen maatregelen aangaande de gevelwering, een gespecificeerde woningindeling, eventuele maatregelen en extra bouwkundige voorzieningen om het binnenniveau te reduceren nog niet in detail gedimensioneerd worden. Omdat de gemeente Venray waarde hecht aan een goed woon- en leefklimaat voor haar inwoners, wordt in het bestemmingsplan geborgd dat een bouwplan voldoet aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Voor de woningen waar een hogere waarde voor wordt aangevraagd, moet daarom specifiek worden ingegaan op de doorwerking van het geluidbeleid in het bouwplan. Bij het verzoek tot vaststelling van een hogere geluidsgrenswaarde wordt, conform paragraaf 3.6 van het beleid hogere waarden, een intentieverklaring gevoegd met de toezegging dat de noodzakelijke voorzieningen getroffen zullen worden en dat een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd naar het binnenniveau. Om te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid, zijn maatregelen nodig, die zijn vertaald in de bouwregels in artikel 5.2.2 van de regels van dit bestemmingsplan.
In 5.2.2 lid l zijn voorwaarden opgenomen voor de woningen waarvoor een hogere waarde wordt aangevraagd. Deze woningen krijgen op de verbeelding de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hogere geluidsgrenswaarde'. Een bouwplan voor deze woningen dient rekening te houden met het realiseren van een geluidluwe gevel, een buitenruimte aan de geluidluwe zijde van het gebouw en een slaapvertrek aan de geluidluwe zijde van het gebouw. Wanneer een goede motivatie kan worden gegeven om de buitenruimte niet aan de geluidluwe zijde te realiseren, kan daarvoor gebruik worden gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid, die is opgenomen in artikel 5.4.2. De definitieve maatregelen zullen verder worden gedimensioneerd en worden vastgelegd in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. 5.3.4 Conclusie Er wordt onderbouwd verzocht om een hogere waarde te verlenen. Deze hogerewaardeprocedure loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure en vormt een separaat besluit op basis van de Wet geluidhinder. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt te zijner tijd een aanvullend onderzoek verricht naar de karakteristieke gevelwering van de woongebouwen. Met het verlenen van de hogere waarde, vormt het aspect geluid geen belemmering voor het voorliggend plan.
30
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
5.4
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Ter plaatse van geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.
De gemeente Venray heeft in 2011 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray vastgesteld waarin de gemeente voor enkele specifieke gebieden normen heeft opgesteld voor de geurbelasting. Voor de overige gebieden gelden de waarden zoals opgenomen in artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het plangebied geldt de geurnorm voor het bestaand bebouwd gebied van 3,0 ouE/m³. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met betrekking tot geurgevoelige objecten dient de geurbelasting lager te zijn dan 3,0 ouE/m3 .
Uitsnede kaart geurverordening met ligging planlocatie
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
31
De locatie is gelegen binnen de kern van Venray. Er is geen sprake van veehouderijen op een korte afstand van de planlocatie. De voorgrondbelasting vormt daarom geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen. Wel zijn op korte afstand van de kern van Venray veel veehouderijen gelegen. Om een goed woon- en leefklimaat te verzekeren is getoetst op de achtergrondbelasting. Uit de onderstaande geurkaart kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat op de planlocatie volgens de RIVM-richtlijn kan worden gekenmerkt als 'zeer goed'. Hierbij behoort een achtergrondbelasting tussen 0,0 en 3,0 ouE/m³. Hieruit blijkt dat ter plekke van de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke geurnormen.
Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting met ligging planlocatie (bron: Visie Veehouderij Venray 2018) Hiermee kan worden geconcludeerd dat op basis van voor- en achtergrondbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en kan worden gesteld dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.5
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Op de planlocatie is sprake van een voormalige industriële locatie. Op de locatie was sprake van een verontreiniging met voornamelijk zware metalen, PAK en cyanide, gerelateerd aan de voormalige gasfabriek. Om de locatie geschikt te maken voor het oprichten van woningen heeft een uitgebreide bodemsanering plaatsgevonden. Het evaluatieverslag van deze sanering en de beschikking van de provincie Limburg zijn respectievelijk opgenomen als Bijlage 3 en Bijlage 4 bij de toelichting. De bodemsanering betreft een zogenoemde functiegerichte bodemsanering, gericht om de bodem geschikt te maken voor de nieuwe functie wonen. De bovenste meter van de bodem moet na sanering minimaal voldoen aan de maximale waarde wonen. Daartoe is de bovenste meter ontgraven voor zover de maximale waarde wonen werd overschreden. De bodem is op deze plaatsen aangevuld met schone grond. Dieper dan 1,0 meter onder het maaiveld zijn alle verontreinigingen boven de interventiewaarde verwijderd, met een maximale ontgravingsdiepte van 2,5 meter. Deze laag is aangevuld met grond die voldoet aan de maximale waarde industrie. Bovendien is de asbest die tijdens de sanering in de bodem is aangetroffen verwijderd.
32
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
De bodemsanering is uitgevoerd in de periode van januari tot en met maart 2016. Bij de sanering is alle matige en sterk verontreinigde grond in de boven- en ondergrond verwijderd. In de putwanden van CW12 op de perceelsgrens blijft nog ernstig verontreinigde grond achter, ter plaatse is signaaldoek aangebracht. Op de putbodem is tot 1,0 m-mv aangevuld met maximaal klasse industrie grond en van 1,0 m-mv is schone grond aangebracht. In het evaluatieverslag zijn de certificaten van de aangebrachte grond bijgevoegd. Bij de sanering is voldaan aan de saneringsdoelstelling. De Provincie Limburg oordeelt in haar beschikking (2016/39194, dd. 23 mei 2016) dat een aanvullende sanering nodig kan zijn bij een wijziging van de bestemming naar gevoeliger gebruik. In dat geval is er een nieuwe situatie ontstaan waarbij de gesaneerde situatie niet meer voldoet aan het gestelde bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming, en is er opnieuw sprake van een verplichting tot sanering. De bodem is conform het saneringsplan tenminste geschikt gemaakt voor de toekomstige functie wonen. Dit betekent dat – wanneer een bestemmingswijziging naar wonen plaatsvindt – kan worden voldaan aan artikel 38 van de Wet bodembescherming. Met de uitgebreide en zorgvuldige bodemsanering is de planlocatie geschikt gemaakt voor de functie wonen.
Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen verdere belemmeringen vormt voor het planvoornemen.
5.6
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM (niet in betekenende mate) wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Onderhavige planontwikkeling is aan te merken als NIBM.
Uitgaande van de achtergrondconcentraties die gelden binnen de gemeente en het feit dat de ontwikkeling niet is gelegen bij knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit, kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de normen die gesteld zijn in de Wm. De Wm staat derhalve de realisatie van het voornemen niet in de weg. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.7
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
33
5.7.1 Beschermde gebieden Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura2000: De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, is een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Op ca. 2,1 kilometer afstand vanaf de projectlocatie ligt het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge de ontwikkeling, zijn gezien de ruime afstand, op dit Natura 2000-gebied uit te sluiten.
Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied Voor de nieuwe ontwikkeling, die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, is beoordeeld of sprake is van effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor het bouwplan is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage Bijlage 6 bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
34
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet stikstofreductie en natuurherstel (Wsn). Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden. In de wet is een partiële vrijstelling opgenomen voor tijdelijke emissies bij bouwplannen (bouwactiviteiten). Deze partiële vrijstelling is opgenomen in artikel 2.9a Wnb. Voor de voorliggende casus geldt daarmee dat, indien er geen significante effecten ten aanzien van de emissie van stikstof zijn te verwachten in de gebruiksfase, de bouwfase buiten beschouwing kan worden gelaten (vrijgesteld) en dat een vergunning op basis van de Wnb voor het project niet aan de orde is. Uit de berekening in het stikstofonderzoek blijkt dat geen effect in de gebruiksfase is te verwachten. Daarmee kan de bouwfase worden vrijgesteld op basis van de Wet stikstofreductie en natuurherstel. Aangezien de berekening is uitgevoerd vóór de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurherstel is wel een berekening uitgevoerd voor de bouwfase, waaruit blijkt dat geen sprake is van een effect.
De conclusie blijft ongewijzigd. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Natuurnetwerk Nederland: De projectlocatie is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (eveneens ca. 2 km afstand). De dichtstbijzijnde natuurzone uit het POL is gelegen op een afstand van 1,8 km. Door de kleinschaligheid van het project in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en kwaliteiten van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten. 5.7.2 Beschermde soorten Ter plekke van de op te richten woningen zijn recent bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Vervolgens is een asfaltgranulaat aangebracht. Er is geen bebouwing aanwezig, het terrein is volledig open en er is geen beplanting aanwezig. Wanneer het terrein open wordt gehouden tot het moment waarop de bouw van de woningen aanvangt, kan worden gesteld dat met het voornemen geen beschermde soorten worden aangetast. 5.7.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Waterhuishouding
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivering van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Onderstaand is voor de verschillende wateraspecten uitgewerkt wat de gevolgen van het plan zijn: Grondwater: het grondwater ligt op circa 3,0 m beneden maaiveld. Er is sprake van voldoende ontwateringsdiepte c.q. drooglegging voor de realisatie van het planvoornemen. Oppervlaktewater: Er is geen sprake van oppervlaktewater in en om het plangebied. Het plan heeft geen gevolgen voor het oppervlaktewater. Hemelwater: De voormalige bedrijfslocatie kan worden gezien als een terrein waarop sprake is geweest van volledige verharding. Bij het oprichten van nieuwe woningen is daarom geen sprake van extra mogelijkheden om oppervlakteverharding aan te brengen. Derhalve is compensatie niet noodzakelijk. Wel moet binnen het plangebied zorgvuldig worden omgegaan met hemelwater. In het voorliggend plan is gekozen voor infiltratie
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
35
van het hemelwater binnen het plangebied. Aangezien er geen open water in de directe nabijheid aanwezig is en een overstort naar waterschapswater daarmee niet mogelijk is, zijn de gemeentelijke eisen (statische berging met een minimale norm van 40 mm) leidend. In het kader van het bestemmingsplan is een volledige uitwerking van de waterbergingsvoorzieningen niet noodzakelijk, maar dient wel aangetoond te worden dat sprake is van een uitvoerbaar plan. In Bijlage 7 is de nieuwe waterhuishoudkundige inrichting opgenomen inclusief HWA en DWA, waarbij voor elk woongebouw een infiltratievoorziening is opgenomen in de vorm van infiltratiekratten. Onder de ontsluitingsweg wordt een infiltratieriool aangelegd voor het hemelwater. In de onderstaande tabel is weergegeven op welke wijze voor de woongebouwen wordt voldaan aan de vereiste om een regenbui van 40 mm te kunnen bergen binnen het plangebied. De totale oppervlakte aan verharding van 1.540 m2 (daken + terrassen) brengt een bergingsvereiste van 61,6 m3 met zich mee. Deze wordt gerealiseerd door infiltratiekratten aan te leggen met een inhoud van 61,9 m3 .
Tabel: Infiltratievoorzieningen woongebouwen In de onderstaande tabel is weergegeven op welke wijze voor het openbaar terrein en inritten wordt voldaan aan de vereiste om een regenbui van 40 mm te kunnen bergen binnen het plangebied. De totale oppervlakte aan verharding van 1.589 m2 brengt een bergingsvereiste van 63,6 m3 met zich mee. Deze wordt gerealiseerd door onder de ontsluitingsroute een infiltratieriool met zandomhulling aan te leggen met een bergingsvermogen van 83,4 m3 . Daarbij is gerekend met 23% holle ruimte in het drainzand.
Tabel: Infiltratievoorzieningen openbaar gebied en inritten Het infiltratieriool is ruim toereikend om een bui van 40 mm op te vangen. Bij hevige regenval kan het infiltratieriool overlopen naar een wadi, die wordt gerealiseerd aan de noordkant van het
36
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
appartementengebouw in de groensingel. De overloop van de wadi wordt gerealiseerd op 23,50 m +NAP. De putdeksels van het infiltratieriool liggen allen boven 24,30 m +NAP en daarmee ruim boven het peil waarop afstroming naar de wadi plaatsvindt. Vuil water: Onder de nieuwe ontsluitingsroute wordt een riolering/droogweerafvoer aangelegd. Daarmee is de vuilwaterstroom gescheiden van het hemelwater. De riolering van de nieuwe woningen en appartementen worden onder de nieuwe kruising met de Gasstraat aangesloten op de bestaande riolering. Hiermee kan worden gesteld dat het aspect waterhuishouding geen belemmeringen vormt voor het planvoornemen. Conclusie: Binnen het plangebied is voldoende ruimte om bergingsvoorzieningen te realiseren. De doorlatendheid van de ondergrond is voldoende om het hemelwater binnen het plangebied te infiltreren. Er is sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan.
5.9
Verkeer en parkeren
Voor de ontwikkeling van zeven woningen en een appartementengebouw dienen de eventuele gevolgen voor de verkeersstructuur en de parkeervoorziening inzichtelijk te worden gemaakt. De inrichting van de openbare ruimte is weergegeven in Bijlage 2 bij de toelichting. In navolgende paragrafen zijn de verkeersstructuur en de parkeervoorzieningen nader toegelicht. 5.9.1 Verkeer De nieuwe woongebied zal worden ontsloten met twee ontsluitingen op de Gasstraat. Deze toegangsweg zal worden ingericht als woonerf c.q. 30 km/u-zone. In de nieuwe situatie kan men vanuit de Gasstraat rondrijden door het plangebied, zodat verkeer niet hoeft te keren binnen het plangebied. Eén van de twee aansluitingen op de Gasstraat zal worden gerealiseerd in de vorm van een inrit ter plekke van de voormalige inrit van het fabrieksterrein en sluit aan op de Gasstraat tussen Gasstraat 4 en Gasstraat 8. De tweede ontsluiting vindt plaats achter de woningen van de Raadhuisstraat. De ontsluiting sluit aan op de Gasstraat tussen Gasstraat 2 en Gasstraat 4. Voor de ontsluiting van de nieuwe woningen zal over het plangebied een nieuwe toegangsweg worden aangelegd. Het voornemen heeft geen significant negatieve effecten op de verkeersstructuur, verkeersafhandeling en verkeersveiligheid.
Het bestaande 'achterom' tussen Gasstraat 2 en 4, dat momenteel wordt gebruikt als ontsluiting voor de achterzijden van de woningen aan de Raadhuisstraat blijft met het voornemen gehandhaafd. In de huidige situatie is sprake van een doodlopende weg. In de nieuwe situatie kan over de nieuwe ontsluiting een ronde gereden worden, waardoor de achterzijden van de woningen aan de Raadhuisstraat gemakkelijker te bereiken zijn. Hiermee wordt tevens voldaan aan de wensen van omwonenden, die zijn omschreven in het verslag van de omgevingsdialoog (zie paragraaf 8.1 Omgevingsdialoog en Bijlage 8). In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft de verkeerskundige de situatie ter plaatse van de oostelijke ontsluiting beoordeeld. Er is een oplossing gevonden door het trottoir aan te passen, zodat voetgangers en uitrijdend verkeer ter plaatse verder van elkaar af worden geleid. Dit door de inpassing van groen. Deze oplossing is technisch haalbaar gebleken en zal door de initiatiefnemer worden uitgevoerd. De verkeerssituatie ter plekke van de oostelijke ontsluiting wordt daarmee in afwijking van Bijlage 2 gerealiseerd. De verkeersgeneratie van de nieuwe woningen in het plangebied betreft maximaal 116 motorvoertuigen per etmaal.
Dit is gebaseerd op de CROW Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie; matig stedelijk gebied / schil centrum) op basis van 1 vrijstaande woning (koop), 6 tussen- en hoekwoningen (koop) en 11 appartementen (koop – midden segment). Uit verkeerskundig oogpunt is zodoende sprake van een zeer geringe toename van het verkeer. Dit verkeer is zowel binnen het plangebied als de aanliggende Gasstraat goed en veilig af te wikkelen. Een groot gedeelte van de nieuwe woningen zal daarbij de nieuwe in-/uitgang aan de Gasstraat gebruiken gelet op de inrichting, de ligging van de woningen en de logische rijroute.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
37
Het is een woongebied waar maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Gelet op de inrichting van het plangebied en de verwachte geringe verkeerstoename zullen de effecten van het verkeer op de huidige weg minimaal zijn. Het ontwerp gaat uit van een inrichting als woonstraat. Een woonstraat kenmerkt zich door het karakter van een verblijfsgebied, waar de straten niet breed zijn en de snelheid laag is. De verkeersveiligheid komt hierbij niet in het geding.
Inrichting openbare ruimte 5.9.2 Parkeren De gemeente Venray hanteert de gemeentelijke 'Beleidsnota Parkeernormen' (vastgesteld, december 2013). Hierin geeft de gemeente aan dat voor ieder ruimtelijk initiatief een parkeerbalans opgesteld dient te worden op basis van CROW-normen. In de beleidsnota wordt beschreven op welke wijze de CROW-normen toegepast moeten worden. De planlocatie is ingedeeld in het gebied 'schil centrum'. Parkeerbehoefte: Grondgebonden woningen: Binnen het gebied 'schil centrum' geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woonhuis. Voor de grondgebonden woningen is sprake van een parkeerbehoefte van 7 * 2,0 = 14 parkeerplaatsen. Appartementengebouw: Binnen het gebied 'schil centrum' geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per appartement. Er worden 11 appartementen gerealiseerd. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen bedraagt daarmee 11 * 1,5 = 16,5 parkeerplaatsen. Totaalontwikkeling: De totaalontwikkeling heeft een parkeerbehoefte van 14 + 16,5 = 31 parkeerplaatsen.
38
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Parkeervoorzieningen: Op de onderstaande afbeelding zijn de parkeervoorzieningen weergegeven: Bij elke woning worden op eigen terrein twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor woningen met een dubbele oprit mag conform de beleidsnota worden gerekend met 2,0 parkeerplaatsen. Eén van de grondgebonden woningen ligt in de binnenbocht van de erfontsluiting, waardoor op eigen terrein plaats is voor één parkeerplaats. Op eigen terrein wordt daarom voorzien in 13 parkeerplaatsen (parkeerplaats 1 t/m 13). In de woonstraat worden drie parkeerplaatsen aangelegd op openbaar terrein (parkeerplaats 14, 15 en 16). Op de begane grond van het appartementengebouw worden elf parkeerplaatsen aangelegd met inpandige garage (parkeerplaats 17 t/m 27). Ten oosten van het appartementencomplex, nabij de ingang van het gebouw, worden 5 parkeerplaatsen aangelgegd (parkeerplaats 28 t/m 32). In totaal wordt voorzien in 32 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen en het nieuwe appartementengebouw. Er is sprake van een onafhankelijke, sluitende parkeerbalans binnen het plangebied.
Nieuwe parkeervoorzieningen
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
39
5.9.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.10
Leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Er is sprake van een voormalige nutsvoorziening op het naastgelegen perceel. De nutsvoorziening is momenteel al buiten gebruik; de aanwezigheid van de voormalige nutsvoorziening heeft geen gevolgen voor het planvoornemen. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.11
Archeologie
In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente Venray een gemeentelijk archeologiebeleid opgesteld. Dit beleid wordt doorvertaald in de nieuwe bestemmingsplannen. Hiertoe zijn in het voorontwerpbestemmingsplan 'Centrum Venray' voor de planlocatie de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 2' en 'Waarde – Archeologie 5' opgenomen. Op de planlocatie heeft echter uitgebreide bodemsanering plaatsgevonden (zie hiervoor paragraaf 5.5 Bodem), waarbij de gronden binnen het plangebied tot minimaal 1,0 meter diepte zijn vergraven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen sprake meer is van archeologische verwachting. Derhalve is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd en zijn de dubbelbestemmingen niet overgenomen.
De ontsluiting tussen de Gasstraat 2 en de Gasstraat 4 maakt eveneens deel uit van het plangebied. Dit gedeelte van het plangebied is in het 'Omgevingsplan Centrum Venray' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor de gronden die zijn voorzien van deze dubbelbestemming geldt dat, bij een verstoring van meer dan 250 m2 met een diepte van meer dan 50 cm, zorgvuldig moet worden gekeken naar de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden. Voor het aanleggen van het wegprofiel en infiltratiebed zullen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. De bodem ter plekke van de te verrichten bodemingrepen is echter naar verwachting reeds verstoord. Het gaat om een relatief klein perceel, waar archeologisch onderzoek uitsluitend zinvol is, wanneer sprake is van een bekende en waardevolle vindplaats. De archeologische verwachting kan naar beneden bijgesteld worden. De archeologische dubbelbestemming wordt niet overgenomen en het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de aanleg van het wegprofiel met infiltratiebed. Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
40
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
5.12
Cultuurhistorie
Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische landschapsstructuren en monumenten aanwezig. De kavelstructuur in de omgeving wordt niet significant gewijzigd en er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden. Hiermee kan worden gesteld dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.13
Niet-gesprongen explosieven
Op veel locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Een groot deel van het terrein is tijdens de uitgevoerde bodemsanering tussen de 0,5 m en 2,0 m ontgraven en aangevuld met schone grond. Voor deze gronden worden geen niet-gesprongen explosieven verwacht. Voor het overige gedeelte van de bodem, dat destijds niet geroerd is, geldt het advies van de gemeente. Een detectieonderzoek onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving. Het is te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Voordat de (graaf)werkzaamheden worden uitgevoerd zal hiervoor zorg worden gedragen.
5.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 Wet milieubeheer (Wm). Naast de Wet milieubeheer is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. reeds aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient hiervoor per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
41
De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese-richtlijn milieueffectbeoordeling.
In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is een dergelijke ontwikkeling aangemerkt als nr. D11 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in lijst D van het Besluit m.e.r. op betreft gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. In hoofdstuk 3 zijn de kenmerken van het project beschreven. Daaruit is gebleken dat de drempelwaarde uit lijst D van het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden. Verder zijn in de voorgaande paragrafen van Hoofdstuk 5 van deze toelichting de verschillende milieuaspecten behandeld. Een m.e.r.-beoordeling voor dit project is daarom niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en er geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor het project.
42
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Algemeen
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. 6.1.1 Vergelijkbare bestemmingsplannen SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers - strikt juridisch gezien geen deel uit van het bestemmingsplan. De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. 6.1.2 Bestemmingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming.
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Dit bestemmingsplan bevat ook dubbelbestemmingen. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. 6.1.3 Verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het buitengebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter. Deze gegevens zijn een hulpmiddel voor het bepalen van bestemmingsvlakken en bouwvlakken.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
43
6.2
Opbouw regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid (niet van toepassing op dit plan).
6.3
Bestemmingen
Groen: Een strook langs de openbare weg wordt bestemd als 'Groen'. Wonen: De gronden, waarop de nieuwe grondgebonden woningen en het appartementengebouw worden opgericht, worden bestemd als 'Wonen'. De maximale goot- en bouwhoogten zijn opgenomen als maatvoering op de verbeelding. Verkeer: De openbare verkeersruimte wordt bestemd als 'Verkeer'.
6.4
Algemene regels
De algemene regels zijn gebaseerd op de regels uit het voorontwerp-bestemmingsplan 'Centrum Venray'.
44
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzocht worden of het plan economisch uitvoerbaar is. In een aantal gevallen moet een exploitatieplan worden vastgesteld. De kosten voor deze ruimtelijke procedure komen voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Venray sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af waarin wordt vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten betreffende exploitatiekosten en eventuele planschade bij de initiatiefnemer ligt. Het plan bestaat uit zes grondgebonden, geschakelde woningen, één vrijstaande woning en elf appartementen. Voor deze woningen wordt anterieur per wooneenheid een bijdrage voor bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke ontwikkeling vastgelegd. Daarnaast liggen de kosten voor de aanleg van infrastructurele werken bij initiatiefnemer. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
45
46
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
Hoofdstuk 8 8.1
Overleg, inspraak en procedure
Omgevingsdialoog
In de voorbereidingsfase van het voorliggend bestemmingsplan zijn de bewoners geïnformeerd over de plannen en zijn individueel in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven. Het verslag van deze omgevingsdialoog bestaat uit een notitie van gesprekken die zijn gevoerd in januari en februari 2019 en twee bewonersavonden die zijn gehouden op 15 juni en 19 oktober 2021. Het verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. Na het voeren van de omgevingsdialoog zijn de opmerkingen meegenomen in de planvorming.
8.2
Vooroverleg
In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende partijen: Provincie Limburg: De provincie heeft op 9 april 2021 een vooroverlegreactie toegezonden. De provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Waterschap Limburg: Het waterschap heeft op 30 maart 2021 een vooroverlegreactie toegezonden. Het waterschap vraagt om de nadere toelichting voor de gehanteerde norm voor waterberging. Daarnaast wordt om een nadere toelichting gevraagd met betrekking tot de toegevoegde oppervlakteverharding en de inhoudsmaten van de wadi en het hemelwaterinfiltratieriool. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie is deze informatie toegevoegd aan paragraaf 5.8 Waterhuishouding. Veiligheidsregio Limburg-Noord: De veiligheidsregio heeft op 1 september 2020 en 1 april 2020 een vooroverlegreactie ingediend. Het advies van september 2021 is toegevoegd als Bijlage 9 bij de toelichting.
In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid 'Bluswater en Bereikbaarheid'. In het kader van het bestemmingsplan adviseert de veiligheidsregio positief. Het advies van april 2021 sluit hierbij aan.
8.3
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan is op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van de zienswijzen gedurende 6 weken voor een ieder ter visie gelegd van 3 juni tot en met 14 juli 2022. In deze periode is één zienswijze ingediend. De ingediende zienswijze is bij de besluitvorming betrokken. De nota van zienswijzen is toegevoegd als Bijlage 10 bij de toelichting.
bestemmingsplan Gasstraat 6 Venray
47