CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Rector Cremersstraat 21 t/m 29, 26 en 28 Smakt en grondexploitatie Smakt24.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze worden samengevat aan de hand van vijf inhoudelijke thema’s, die in het omgevingsprogramma verder zijn uitgewerkt in zo concreet mogelijke aanpak, acties en maatregelen: 1.

Snel voldoende woningen bouwen

2.

Gevarieerd aanbod

3.

Duurzame woningvoorraad

4.

Wonen en zorg

5.

Vitale wijken en kernen

Het initiatief voorziet in het realiseren van maximaal zeven woningen in Smakt. Tot op heden is nog niet voorzien in de behoefte aan starters- en senioren woningen binnen de kern Smakt. Om te voorzien in deze woonbehoefte is onderhavig woningbouwplan ontwikkeld waarbij maximaal zeven woningen worden opgericht. De woningen zijn beoogd voor de behoefte op korte en lange termijn. Het initiatief draagt bij aan een gevarieerd woonaanbod. Daarnaast wordt met het initiatief ingespeeld op het dringende woningtekort. Het initiatief sluit derhalve uitstekend aan het omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 van de gemeente Venray. 4.3.4

Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011

Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Woningbouw dient in principe plaats te vinden binnen de contouren van de dorpen en de grens stedelijke dynamiek. Daarnaast kan het in bepaalde gevallen toch wenselijk zijn om ook in het buitengebied op beperkte schaal incidentele woningbouw toe te staan. In dit geval is het plangebied gelegen in de bebouwde kom van Smakt, derhalve binnen de contour.

Vastgesteld

24

Voor alle woningbouwontwikkelingen geldt dat alleen kan worden gebouwd bij aantoonbare vraag. Daarnaast is levensloopbestendig en flexibel bouwen het uitgangspunt voor elk nieuw woningbouwplan. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3.3 is behoefte aan levensloopbestendige woningen voor onder andere senioren en geschikte woningen voor starters. Het toevoegen van levensloopvriendelijke woningen die geschikt zijn voor zowel starters als voor senioren voldoet derhalve aan de vraag. Twee van de woningen zijn beoogd binnen het stedelijk gebied. De andere woningen zijn beoogd op onbebouwde grond dat tegen de kern van Smakt aan ligt. Dit deel van het plangebied is gelegen in het buitengebied. Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling wordt aangesloten bij de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zoals vastgelegd in de nota grondbeleid 2011. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds stedelijk gebied. 4.3.5 Speelruimteplan 2017-2026 De gemeente Venray heeft in april 2017 het speelruimteplan 2017-2026, spelen en bewegen in Venray vastgesteld. Dit speelruimteplan gaat over het spelen in de openbare ruimte (het buiten spelen).

Spelen is een belangrijke manier om de wereld te ontdekken en spel en sport zijn onderdeel van een gezonde levensstijl voor kinderen en volwassenen. Kinderen leren spelenderwijs de wereld kennen. Kinderen moeten veilig in de openbare ruimte kunnen spelen; ze moeten zich vertrouwd voelen op een speelplek. Het gaat hier zowel om veilige speeltoestellen (fysieke veiligheid), als om een veilige speelomgeving (sociale veiligheid en verkeersveiligheid). Als basis voor het nieuwe speelbeleid hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: ▪

Kinderen en jongeren stimuleren om in de openbare ruimte te bewegen en te sporten en zich spelenderwijs en op een sportieve manier te ontwikkelen tot gezonde inwoners, die hun leven lang blijven bewegen;

▪

Kwaliteit gaat boven kwantiteit; niet automatisch kiezen voor vervanging van een speeltoestel één op één, maar ook kijken naar omliggende plekken en in overleg met bewoners aanbod per wijk/buurt afstemmen op doelgroep van een plek;

▪

Een aantrekkelijke bespeelbare openbare ruimte bieden (informele speelruimte); denk bijvoorbeeld aan voldoende open ruimte en objecten om de fantasie van kinderen een podium te bieden/te prikkelen;

▪

Formeel spelen bevindt zich op centrale plekken in de wijk waarbij voor elke specifieke doelgroep een speelplek op de voor hun bereikbare afstand ligt;

▪

Breedtesport wordt gefaciliteerd in passende voorzieningen; in elke wijk of dorp is minstens één voorziening waar ruimte is om te sporten op een (kunst)grasveld.

▪

Voorzieningen zorgen voor ontmoeting; door ontmoeting verbetert de speelwaarde voor de kinderen én wordt sociale veiligheid en cohesie bevorderd.

▪

Voorzieningen zijn zichtbaar, uitnodigend en bereikbaar, ook voor minder validen.

▪

Voorzieningen zijn schoon, heel en veilig.

Smakt is een kleine kern met een beperkt aantal inwoners. In de kern zijn reeds een speeltuin en een trapveldje aanwezig. Uit overleggen met onder andere de dorpsraad van Smakt blijkt dat er geen behoefte is aan het trapveldje. Aangezien geen behoefte is aan het trapveldje wordt deze aanwezige ruimte gebruikt voor het realiseren van twee woningen, in aansluiting op het bestaande lint. Indien op termijn blijkt dat toch behoefte ontstaat aan een extra speelvoorziening zal de gemeente, in overleg met de inwoners, de mogelijkheden bekijken.

Vastgesteld

25

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de realisatie van de woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1

M.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied worden maximaal zeven woningen gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1.

Een oppervlakte van 100 hectare of meer,

2.

Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of

3.

Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

1

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)

Vastgesteld

26

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op zeven woningen valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1.

De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld;

2.

De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden;

3.

Omdat de activiteit wel wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd;

4.

Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

2

Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

27

5.1.2

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1.

de richtafstandenlijst;

2.

twee omgevingstypen;

3.

een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de bebouwde kom van Smakt bevinden zich immers rondom het plangebied uitsluitend woningen. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving.

Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪

Een melkveehouderij op de locatie Carmelietenstraat 2, afstand tot het plangebied 60 meter;

▪

Een begraafplaats op de locatie Pelgrimslaan ong., afstand tot het plangebied 92 meter;

▪

Een agrarisch bedrijf op de locatie Pelgrimslaan 6, afstand tot het plangebied 114 meter;

▪

Een horeca aangelegenheid op de locatie Sint Jozeflaan 52, afstand tot het plangebied 154 meter;

▪

Een landbouwverwant bedrijf op de locatie Carmelietenstraat 4, afstand tot het plangebied 156 meter;

▪

Een zorghuis, op de locatie Sint Jozeflaan 56, afstand tot het plangebied 175 meter.

De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 2).

Vastgesteld

28

Tabel 2. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

SBI-2008

Aan

te

houden

afstanden Melkveehouderij

Begraafplaats

Agrarisch bedrijf

Horeca

Carmelietenstraat 2

Pelgrimslaan ong.

Pelgrimslaan 6

Sint Jozeflaan 52

0141, 0142

96031

011, 012, 013

561

aangelegenheid

Landbouwverwant

Carmelietenstraat 4

016

bedrijf

Zorghuis

Sint Jozeflaan 56

871

Afstand

tot

plangebied

▪

Geur

100 meter

▪

Stof

30 meter

▪

Geluid

30 meter

▪

Gevaar

0 meter

▪

Geur

0 meter

▪

Stof

0 meter

▪

Geluid

10 meter

▪

Gevaar

0 meter

▪

Geur

10 meter

▪

Stof

10 meter

▪

Geluid

30 meter

▪

Gevaar

10 meter

▪

Geur

10 meter

▪

Stof

0 meter

▪

Geluid

10 meter

▪

Gevaar

10 meter

▪

Geur

30 meter

▪

Stof

10 meter

▪

Geluid

50 meter

▪

Gevaar

10 meter

▪

Geur

10 meter

▪

Stof

0 meter

▪

Geluid

30 meter

▪

Gevaar

0 meter

60 meter

92 meter

114 meter

154 meter

156 meter

175 meter

Aan alle richtafstanden van de functies in de omgeving wordt ruimschoots voldaan, behalve aan de richtafstand van het aspect geur ter plaatse van de melkveehouderij Carmelietenstraat 2. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv). In het kader van de Wgv geldt een minimale afstand van 100 meter van een (nieuw) dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object in de bebouwde kom. Los van het feit dat andere woningen reeds dichterbij het bouwvlak van Carmelietenstraat 2 zijn gelegen en daarmee bepalend zijn voor de bedrijfsvoering van deze melkveehouderij is het bouwvlak van Carmelietenstraat 2 opgedeeld in twee delen. Het deel van het bouwvlak waar de daadwerkelijke melkveehouderij is gevestigd bevindt zich op een afstand van 149 meter van het plangebied. Aan de minimale afstand voor geur wordt dan ook voldaan. Aan de overzijde van Carmelietenstraat ligt echter een tweede bouwvlak, de grens van dit bouwvlak ligt op een afstand van 60 meter van het plangebied. Op dit bouwvlak vinden echter geen agrarische activiteiten meer plaats. Dit bouwvlak ligt aangrenzend aan andere woningen, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat in de toekomst nog agrarische activiteiten hier zullen worden ontplooid.

Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat in de op te richten woningen.

Vastgesteld

29

Conclusie Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd omdat andere bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. 5.1.3

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Vanwege de bestemmingswijziging is een vooronderzoek bodem3 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Daarom wordt, conform het gemeentelijk beleid - het meersporenbeleid -, de uitvoering van een bodemonderzoek in verband met de verlening van een omgevingsvergunning niet noodzakelijk geacht. 5.1.4

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen voor de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Voor 30 km/uur wegen geldt dat in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Gezien de ligging van het plangebied is zowel een akoestisch onderzoek naar weg- als railverkeerslawaai4 uitgevoerd (zie separate bijlagen), rekening houdend met de maximale planologische bouwmogelijkheden. Uit de conclusies van dit onderzoek blijkt het volgende: Railverkeer Voor nieuw te realiseren woningen binnen de zone van een spoorweg geldt op grond van art. 4.9 en 4.10 uit het Besluit geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 55 dB en een maximale ontheffingswaarde van 68 dB. De omvang van de zone langs een op de geluidplafondkaart aangegeven spoorweg is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond ter plaatse. In onderhavige situatie bedraagt het maatgevende geluidproductieplafond 57 dB, waaruit op grond van art. 1.4a lid 1 uit het Besluit geluidhinder een zonebreedte geldt van 200 meter. Voor railverkeer wordt een waarde berekend van ten hoogste 49 dB. Hiermee wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. Wegverkeer Alle omliggende wegen maken deel uit van een 30 km-zone.

De onderzoekslocaties liggen dan ook niet binnen de zone van enige relevante weg. Het plangebied bevindt zich wel binnen de invloedsfeer van enkele (niet-zoneplichtige) wegen; de St. Jozeflaan en de Rector Cremersstraat.

3 HMB Groep, vooronderzoek, Rector Cremersstaat Smakt, 22 september 2020, kenmerk 20297401H 4 HMB Groep, Akoestisch onderzoek, Rector Cremersstaat Smakt, 1 september 2020, kenmerk 20297402N

Vastgesteld

30

Uit de berekeningen blijkt dat de totale geluidbelasting als gevolg van wegverkeer ten hoogste 51 dB bedraagt. Omdat het geen zoneplichtige wegen betreft, is toetsing aan de normen voor de Wgh niet aan de orde. Conclusie De gecumuleerde geluidbelasting (weg + rail, ongecorrigeerd) bedraagt ten hoogste 52 dB. Uit het onderzoek volgt dan ook: ▪

dat voor alle omliggende (spoor)wegen voldaan wordt aan de eisen uit de Wgh;

▪

dat de nieuw beoogde woonbestemmingen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen;

▪

dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd is.

Herbestemming kan vanuit akoestisch oogpunt gezien plaatsvinden. 5.1.5

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit.

Deze

kwaliteitseisen

zijn

door

middel

van

grenswaarden

voor

de

diverse

luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig project worden er veel minder woningen gerealiseerd. Met het project wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van zeven woningen. Gesteld kan worden dat dit initiatief ruimschoots onder de norm van 1.500 woningen blijft. Het initiatief is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de realisatie van de nieuwe woningen.

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten.

Vastgesteld

31

De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,4 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 19,7 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. 5.1.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het ‘veldje’ valt onder het bestaande woongebied en het zuidelijke woningbouwgebied valt onder het zoekgebied voor woningbouw. In de verordening is bepaald dat voor het bestaand woongebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 6,5 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 13,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting).

Voor zoekgebieden woningbouw geldt een maximale waarde van 8,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting De nieuwe woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren: ▪

Carmelietenstraat 2, afstand tot het plangebied bedraagt 149 meter;

▪

Pelgrimslaan 15, afstand tot het plangebied bedraagt 310 meter;

▪

Loobeek 2, afstand tot het plangebied bedraagt 340 meter;

▪

Loobeek 3-3b, afstand tot het plangebied bedraagt 410 meter;

▪

Loobeek 3c, afstand tot het plangebied bedraagt 460 meter;

▪

Pelgrimslaan 2, afstand tot het plangebied bedraagt 500 meter;

De locaties Carmelietenstraat 2 en Loobeek 2 betreffen beiden een melkveehouderij en de locatie Pelgrimslaan 15 betreft een paardenhouderij. Voor deze veehouderijen geldt volgens de Wgv een vaste afstandsnorm van 100 meter tussen emissiepunten en gevoelige objecten en een afstand van 25 meter tussen dierenverblijven en gevoelige objecten. Aan deze afstandsnormen wordt voor beide veehouderijen ruimschoots voldaan.

Vastgesteld

32

Voor de intensieve veehouderijen Loobeek 3-3b, Loobeek 3c en Pelgrimslaan 2 dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Deze wordt berekend met het programma ‘V-Stacks vergunning’. Deze berekening is uitgevoerd (zie bijlage 1) in een worst-case scenario (alle vergunde geuremissie emitteert vanuit de hoek van het bouwvlak welke het meest dichtbij het plangebied ligt). In tabel 3 is de voorgrondbelasting, afkomstig van deze bedrijven, op de hoekpunten van het trapveldje en de zuidelijke woningbouwlocatie weergegeven. Tabel 3.Voorgrondbelasting op deel van het plangebied

Hoek

locatie

woningbouw

Zuidelijke

Trapveldje

Deel

X-coördinaat

Y-coördinaat

Loobeek

Loobeek

Pelgrimslaan

3-3b

3c

2

1

197 862

397 704

3,6

1,6

1,7

2

197 895

397 710

3,3

1,5

1,6

3

197 866

397 677

3,5

1,6

1,8

4

197 901

397 682

3,3

1,5

1,7

1

197 818

397 650

4,0

1,9

2,0

2

197 848

397 652

3,7

1,7

1,9

3

197 825

397 609

3,9

1,9

2,2

4

197 858

397 616

3,6

1,7

2,1

De hoogste voorgrondbelasting bij het trapveldje bedraagt 3,6 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 6,5 OU/m3 (bestaand woongebied). De hoogste voorgrondbelasting bij de zuidelijke woningbouwlocatie bedraagt 4,0 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 8,0 OU/m3 (zoekgebied voor woningbouw). Dit betekent dat voor beide delen van het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de normen. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma ‘V-stacks gebied’ is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In tabel 4 zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

Vastgesteld

33

Tabel 4. Rekenresultaten achtergrondbelasting

locatie

woningbouw

Zuidelijke

Trapveldje

Deel

Punt

X-coördinaat

Y-coördinaat

Berekende waarde

Hoek 1

197 862

397 704

5,4

Hoek 2

197 895

397 710

5,2

Hoek 3

197 866

397 677

5,5

Hoek 4

197 901

397 682

5,2

Hoek 1

197 818

397 650

6,0

Hoek 2

197 848

397 652

5,8

Hoek 3

197 825

397 609

6,2

Hoek 4

197 858

397 616

5,8

De achtergrondbelasting binnen het plangebied varieert tussen 5,2 en 6,2 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 13,0 OU/m3 voor deelgebied ‘trapveldje’ en 20,0 OU/m3 voor het zuidelijke woningbouwgebied. Er wordt daarmee ruimschoots aan de normen voldaan. Op de kaart achtergrondbelasting 2018 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als goed (3,1 tot 7,4 OU/m3, 5-10% kans op geurhinder) beoordeeld.

Afbeelding 10. Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray

De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als goed. Een goed leefklimaat ten aanzien van geur wordt in de bebouwde kom van Smakt op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht.

Vastgesteld

34

5.1.7

Trilling

Vanwege de ligging bij een spoorlijn is een trillingstechnisch onderzoek5 uitgevoerd ter hoogte van het toekomstig bouwplan aan de Rector Cremersstraat te Smakt (gemeente Venray). Het bouwplan omvat maximaal zeven verdeeld over 2 percelen. Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van de bepalende 1 e lijns woonbebouwing die op circa 60 meter van de spoorroute Nijmegen – Roermond is gelegen. De trillingniveaus worden geprognosticeerd op basis van de resultaten van de metingen van de lokale grondtrillingen. Aanleiding voor het onderzoek is het objectief bepalen van de kans op trillinghinder in de toekomstige situatie welke middels frequentie afhankelijke overdrachtfuncties zijn geprognosticeerd vanuit de huidige (meet)situatie. Uit de resultaten van het voorliggend onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd voor beide percelen. De onderste streefwaarde A 1 voor nieuwe situaties uit de SBR richtlijn B wordt niet overschreden voor de dag-, avond- en nachtperiode. De kans op trillinghinder is minimaal.

5.2

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

▪

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);

▪

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

5 AGEL adviseurs, Trillingsonderzoek, Rector Cremersstraat te Smakt, 5 oktober 2020, projectnummer 20200420

Vastgesteld

35

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 5. Wanneer verantwoorden?

Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen

Spoor-, Rijks- en waterwegen

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding

(Bevt)

van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevindt zich op een afstand van circa 140 meter van het plangebied een bedrijf waar een opslagtank voor propaan aanwezig is.

Vastgesteld

36

Propaantank

Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart

Risicovolle bedrijvigheid rond het projectgebied In de omgeving van het plangebied staat een opslagtank met propaan. De opslagtank heeft een inhoud van 3.000 liter en slaat propaan op. De opslagtank staat op de Carmelietenstraat 4. Voor de opslagtank geldt een plaatsgebonden risico van 20 meter. De afstand tussen de propaantank en het plangebied bedraagt 140 meter. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontour van de propaantank gelegen. Bij een propaantank tot 13 m3 is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico. Bij propaantanks met een inhoud tussen de 13 m3 en 50 m3 is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter. Als het plangebied binnen 150 meter van een propaantank met een inhoud >13 m3 is gelegen dient het groepsrisico verantwoord te worden. De propaantank heeft een inhoud van 3 m3. Er is derhalve geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico, het groepsrisico hoeft derhalve niet verantwoord te worden. Transport gevaarlijke stoffen Volgens de Risicokaart van Limburg liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen (spoor)wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheidsof toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi.

Vastgesteld

37

In de wijde omgeving rond het plangebied is er geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het de realisatie van de woningen.

5.3

Water

5.3.1

Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen

Het

plangebied

ligt

volgens

de

Omgevingsverordening

Limburg

2014

niet

binnen

een

grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Binnen beide delen van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. 5.3.2

Waterhuishoudkundige situatie

Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als hoge zwarte enkeersgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand en holtpodzolgronden bestaande uit lemig fijn zand. Conform de

algemene

gegevens van

Waterschap Limburg blijkt het

plangebied een goede

bodemdoorlatendheid heeft (0,75-1,5 m/dag). 5.3.3

Afvalwater

Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor de woningen een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. In de Rector Cremersstraat ligt een vrijvervalriolering, dit rioleringsstelsel is voldoende van omvang om de geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. 5.3.4

Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten

Beide delen van het plangebied worden ingezet voor woningbouw. Hierbij is sprake van een wijziging van groen en agrarisch gebruik naar wonen, groen en verkeer. Als gevolg hiervan zal de hoeveelheid oppervlakteverharding toenemen. Voor het plangebied wordt gestreefd naar afkoppeling van hemelwater en infiltratie op het eigen perceel. Het beleid van de gemeente is erop gericht om hemelwater afkomstig van de daken zoveel mogelijk te hergebruiken. Hemelwater afkomstig van andere oppervlakteverhardingen wordt bij voorkeur op eigen terrein opgevangen of indien mogelijk afgevoerd op oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Bij de aanleg van infiltratievoorzieningen is het van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater. Conform het beleid van de gemeente Venray zal de bergingsvoorziening minimaal 60 mm moeten kunnen bergen. Daarnaast moet de bergingsvoorziening zodanig zijn ingericht dat deze binnen 24 uur weer leegloopt in de bodem. De norm van 60 mm geldt alleen er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater gelden de normen van het waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorzieningen minimaal 100 mm groot moet zijn.

Vastgesteld

38

Bij de nieuwe woningen wordt het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd. Beide delen van het plangebied hebben een goede doorlatendheid, waardoor infiltratie op eigen terrein kan plaats vinden. Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan slechts een kader wordt gecreëerd voor de toekomstige woningbouw, worden in dit bestemmingsplan geen infiltratieberekeningen tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van het civieltechnisch ontwerp van de woningbouwplannen. Hemelwater afkomstig van andere oppervlakteverhardingen wordt opgevangen in een wadi. De wadi wordt aangelegd ter hoogte van de keerlus. Daarnaast zal nog een infiltratie- en transportriool (IT-riool) worden gelegd. Zowel de wadi als het IT-riool bieden (ruim) voldoende capaciteit voor de infiltratie van het hemelwater van de openbare ruimte. Het afvalwater van de nieuwe woningen wordt afgevoerd via de vrijvervalriolering.

5.4

Kabels, leidingen en straalpaden

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Een straalpad is een denkbeeldige lijn tussen twee bouwwerken ten behoeve van telecommunicatie. Binnen een straalpad dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte voor zover dat het verboden is enig bouwwerk op de gronden te bouwen met een grotere hoogte dan de hoogte van een straalpad. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en over de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m +NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek

is

gebleken

dat

de

mate

van

verstoring

aanvaardbaar

is.

Hiervoor

dient

een

radarverstoringsonderzoek te worden uitgevoerd. De locatie ligt op circa 17,8 m +NAP. De maximale goothoogte van de woning is vastgelegd op 4,5 meter, daarnaast dien de helling van de kap ten minste 0° en ten hoogste 65° te bedragen. Met deze goothoogte en maximale helling samen met de ligging van de locatie op 22,3 m +NAP kan gesteld worden dat dit nooit meer bedraagt dan 65 m +NAP. Een radarverstoringsonderzoek is om die reden niet noodzakelijk. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op het radarbeeld.

Vastgesteld

39

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1

Flora en fauna

Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie6 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels Vernietiging van vogelnesten is te vermijden, door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. 5.5.2

Natura2000

Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op 1 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden.

In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken.

6

Faunaconsult, Quickscan natuurwetgeving aan de Rector Cremersstraat 21 t/m 31, 26 en 28 te Smakt, 31 augustus 2020

Vastgesteld

40

In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: ▪

In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben;

▪

In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben;

▪

In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben.

De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om de stikstofdepositie tijdens de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) te bepalen. In het kader van de realisatie van de woningen hoeft de emissie van stikstof dan ook niet berekend te worden. Het exacte effect van het gebruik van de woningen dient wel berekend te worden. Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woningen uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de twee vrijstaande woningen dagelijks 17,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Op basis van de kencijfers genereert één twee-aaneengebouwde woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen.

Uitgaande van een worst-case benadering genereren de twee woningen dagelijks 16,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,2 voertuigen. Op basis van de kencijfers genereert één tussen/hoek woning per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de drie woningen dagelijks 23,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 11,7 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 1,1 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Vastgesteld

41

Afbeelding 12.Uitsnede resultaat Aeriusberekening

Conclusie De stikstofemissie neemt door het gebruik van de woningen en de nieuwe verkeersgeneratie toe met 0,5 kg NOx per jaar. Deze beperkte toename leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 2). De berekende depositie bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar, zodat kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een significant effect; de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden niet aangetast.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

5.6.1

Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld.

Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4). In gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein over een oppervlakte groter dan 500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt.

Vastgesteld

42

Afbeelding 13. Uitsnede archeologische beleidskaart

De gestelde ondergrenzen zullen in het kader van het initiatief worden overschreden hierom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd7. Uit het onderzoek blijkt dat ingrepen dieper dan het esdek (50 cm) kunnen resulteren in de aantasting van eventuele archeologische resten. Het wordt aangeraden om voorafgaand aan de bodemingrepen een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren in het plangebied (dit geldt voor beide delen van het plangebied). Zo kunnen eventuele archeologische resten opgespoord en gedocumenteerd worden. Het advies om vervolgonderzoek te doen door middel van proefsleuven is door de gemeente overgenomen als (selectie)besluit. Het proefsleuvenonderzoek dient te zijn gebaseerd op een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen. De resultaten van dit nadere vooronderzoek geven duidelijkheid over de vraag of in het bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming moet worden opgenomen en zo ja welke. Bij een negatief resultaat wordt het plangebied vrijgegeven en is een dubbelbestemming niet meer van toepassing. Indien er onderzoekswaardige archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn wordt de archeologische verwachtingswaarde opgewaardeerd naar “vindplaats” en worden de dubbelbestemming en de bijbehorende regels daarop aangepast. Voor het plangebied heeft archeologisch vervolgonderzoek8 plaats gevonden doormiddel van proefsleuven.

In het plangebied zijn archeologische resten uit de steentijd en de nieuwe tijd aangetroffen. Met betrekking tot de resten uit de steentijd en de nieuwe tijd wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen, omdat die uit off site-fenomenen bestaan. Op basis van het onderzoek luidt het selectieadvies om het plangebied vrij te geven.

De gemeente heeft het rapport over het proefsleuvenonderzoek goedgekeurd en het selectieadvies overgenomen als selectiebesluit. RAAP, Een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek, Rector Cremersstaat te Smakt, 7 september 2020, RAAPRAPPORT 4682 8 RAAP, Een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven, Rector Cremersstaat te Smakt, 18 februari 2021, RAAPRAPPORT 4961 7

Vastgesteld

43

5.6.2

Cultuurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.7

Verkeer en parkeren

Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. In zowel de bestaande als de toekomstige situatie is de Rector Cremersstraat een doodlopende woonstraat die enkel vanuit de noord (west)zijde wordt ontsloten vanaf de Sint-Jozeflaan. Voor hulpdiensten is de bereikbaarheid en ontsluiting van deze woonstraat in de bestaande situatie niet optimaal. Om deze reden is er, in verband met de uitbreiding van het aantal woningen, gekeken naar de noodzaak en/of mogelijkheid voor het realiseren van een tweede ontsluiting. Hierover is ook gesproken met de Veiligheidsregio LimburgNoord die de gemeente adviseert op het gebied van onder meer externe veiligheid, bluswater en bereikbaarheid. Tijdens het overleg is door de Veiligheidsregio Limburg-Noord, op basis van het gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid, geadviseerd in een tweede ontsluiting te voorzien. De gronden ten zuiden van het plangebied, welke nodig zouden zijn om een extra ontsluiting te kunnen realiseren, zijn echter niet in eigendom van de gemeente Venray. Vanuit financieel oogpunt is verwerving van deze gronden en de aanleg van een weg binnen deze ontwikkeling thans onhaalbaar.

Door de uitbreiding wordt de reeds aanwezige strijdige situatie slechts in geringe mate vergroot. Door de uitbreiding wordt de reeds aanwezige strijdige situatie slechts in geringe mate vergroot. Gezien het feit dat het aantal woningen dat wordt toegevoegd beperkt is en het risicoprofiel ten opzichte van de huidige situatie niet veel groter wordt door de realisatie van de woningen is de toekomstige situatie vanuit het oogpunt van veiligheid aanvaardbaar. Van belang is daarbij wel dat de bestaande keermogelijkheid aan het einde van de straat, ter hoogte van het nieuw te realiseren woonhofje, in de nieuwe planopzet behouden blijft. Daarnaast zal een nieuwe secundaire bluswatervoorziening in de Rector Cremersstraat worden gerealiseerd.

Vastgesteld

44

Indien er in de toekomst eventueel nog een verdere woningbouwontwikkeling aan de zuidkant van Smakt zou plaatsvinden dan is de realisatie van een tweede ontsluiting onontkoombaar. Daarbij dient dan aan de westzijde te worden aangesloten op de Sint Jozeflaan, dit zou kunnen worden gerealiseerd via een gemeentelijk perceel tussen Sint Jozeflaan 32A en 32B, of aan de zuidzijde via een aansluiting op de Carmelietenstraat. Verkeersaantrekkende werking De realisatie van de woningen binnen het plangebied heeft een bepaalde verkeersaantrekkende werking tot gevolg. De Rector Cremersstraat vormt de ontsluitingsroute voor het plangebied. Op basis van CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is de verkeersgeneratie van de beoogde functie in beeld gebracht. Er is uitgegaan van het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied’ en van de functies ‘vrijstaande koopwoning’, ‘twee-onder-een-kap koopwoning’ en ‘tussen/hoek koopwoningen Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen, één twee-aaneengebouwde woning genereert per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen en één tussen/hoek woning genereert per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen.

Uitgaande van een worst-case benadering geneert het initiatief dagelijks 57 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 28,5 voertuigen. Gezien de capaciteit van de Rector Cremersstraat van 5.000 mvt/etmaal en de huidige intensiteit van deze weg (400 mvt/etmaal) kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen problemen ten aanzien van de afwikkeling van de betreffende verkeersbewegingen te verwachten zijn. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). In het parkeerbeleid is vastgelegd dat per woning minimaal 2,0 parkeerplaatsen benodigd zijn. Binnen het plangebied zijn zeven woningen beoogd. Dit betekent een parkeerbehoefte van veertien parkeerplaatsen. De twee vrijstaande woningen zijn voorzien van ieder twee parkeerplaatsen op eigen terrein. In het zuidelijke deel worden vijf woningen gerealiseerd met een parkeerbehoefte van tien parkeerplaatsen. Hierbij zijn vier parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De overige zes parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte opgenomen in de directe omgeving. Hierbij is tevens nog rekening gehouden met enige parkeercapaciteit in het openbaar gebied van de huidige woningen 30-34.

De ontstane parkeersituatie is vergelijkbaar met het overige gedeelte van de straat waarbij tevens enige parkeerbehoefte in openbaar gebied wordt opgevangen.

Vastgesteld

45

5.8

Niet-gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de

ondergrond,

zoals

niet

ontplofte

vliegtuigbommen

(blindgangers,

granaten,

mijnen

en

(handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Voor het plangebied is een explosievenonderzoek9 uitgevoegd. Vrijgegeven gebied Het onderzoek heeft geresulteerd in (deels) vrijgegeven gebied, met uitzondering van de verdachte objecten binnen vrijgegeven gebied, tot de diepte zoals aangegeven in de legenda van bijlage A van het explosieven onderzoek. De vrijgave is gebaseerd op de uitgevoerde opsporingswerkzaamheden. Advies Het in kaartbijlage A aangegeven vrijgegeven gebied is geheel vrij van explosieven.

Werkzaamheden binnen het vrijgegeven gebied kunnen regulier worden uitgevoerd. Ten aanzien van de archeologische proefsleuven wordt geadviseerd deze dusdanig aan te passen zodat dit onderzoek binnen vrijgegeven gebied uitgevoerd kan worden. Indien aanpassing niet mogelijk is dient men rekening te houden met de adviezen zoals beschreven bij verdachte objecten, niet ingemeten gebied en verstoord gebied. Verdachte objecten detectie onderzoek Het detectie onderzoek heeft 5 verdachte objecten opgeleverd waarvan niet kan worden uitgesloten dat het een explosief betreft. De gedetailleerde informatie van de verdachte objecten staat in tabelvorm vermeld in bijlage B van het explosieven onderzoek. Advies Indien ter plaatse van een verdachte object grondroerende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren door een zoals T&A gecertificeerd opsporingsbedrijf. Bij dit nader onderzoek wordt de grond boven de verdachte objecten gecontroleerd ontgraven, vervolgens wordt het object geïdentificeerd en indien van toepassing overgedragen aan de EOD.

9 T&A Survey, Procesverbaal van oplevering, Rector Cremersstraat 21-31, 26 en 28 te Smakt, datum: 23-12-2020

Vastgesteld

46

Niet ingemeten gebied Het onderzoek heeft geresulteerd in 228 m 2 niet ingemeten gebied door de aanwezigheid van: -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11728740/1