03 Toelichting
Tekst van het document
Bestemming ‘Wonen’
Bestemming ‘Agrarisch met waarden’, zonder bouwvlak Afbeelding 25. Planologische wijzigingen slooplocatie Lollebeekweg 39
Vastgesteld
29
Veulenseweg 59 Veulen Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010” is deze locatie bestemd als ‘Agrarisch’, voorzien van een bouwvlak met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Locatie is bebouwd met een bedrijfswoning met bijgebouwen, loods en twee voormalige stallen. Beide voormalige stallen zullen worden gesloopt. Totaal zal er 1.484 m3 gesloopt worden (maten herleidt van vigerende milieutekening): ▪ Stal 1: gemiddelde hoogte: 2 + 3,7 / 2 = 2,85 m inhoud: 2,85 * 8,2 * 29,2 = 681 m3 ▪ Stal 2: gemiddelde hoogte: 2,5 + 4,8 / 2 = 3,65 m inhoud: 3,65 * 7,25 * 30,34 = 803 m3 Een groot gedeelte van de gesloopte inhoud hevelt initiatiefnemer over naar de te ontwikkelen locatie van het loonbedrijf. Eigenaar wil de locatie herbestemmen tot burgerwoning; dit onder voorbehoud dat er ingestemd wordt met het verplaatsen van een bestaande loods naar elders op de locatie. Op basis van gemeentelijk beleid dient bij een burgerwoning, wanneer sloop plaatsvindt en hiervoor in de plaats nieuwe bebouwing wordt opgericht, dat beneden 250 m3 100% van het gesloopte teruggebouwd kan worden. Boven 250 m3 nieuwe bebouwing dient 150% gesloopt te worden. In dit geval bedraagt de inhoud van de te verplaatsen loods 412 m3. Dat betekent dat voor het meerdere boven 250 m3 (162 m3) 81 m3 extra gesloopt moet worden.
Voor de te verplaatsen loods dient derhalve extra 81 m3 van de te slopen bebouwing op de locatie achter te blijven. In totaliteit zal derhalve 1.403 m3 (1.484 – 81) worden overgeheveld naar het loonbedrijf.
Bestemming ‘Wonen’
Maximum inhoud: 2.440 m3 Afbeelding 26. Planologische wijzigingen slooplocatie Veulenseweg 59
In onderhavig bestemmingsplan wordt de locatie als volgt bestemd: het bouwvlak met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ wordt van de locatie verwijderd. De gronden worden vervolgens bestemd als ‘Wonen’. Op basis van de reguliere woonbestemming is het toegestaan 875 m3 te bebouwen. Met het verplaatsen van de loods is er straks 2.440 m3 aan bebouwing aanwezig (woning 1.156 m3, bijgebouw naast woning 95 m3, schuur 1 387 m3, schuur 2 390 m3 en te verplaatsen loods 412 m3). Aan de locatie wordt een maatvoeringsaanduiding opgenomen voor een totale bebouwde inhoud van
Vastgesteld
30
2.440 m3. Agrarische activiteiten zijn daarmee in het vervolg uitgesloten, evenals de bijbehorende ruime bebouwingsmogelijkheden. Het is toegestaan de loods met een inhoud van 412 m3 te verplaatsen.
Vastgesteld
31
4. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Venray.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ de bereikbaarheid verbeteren; ▪ zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.
Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op de doorontwikkeling van het loonbedrijf c.q. het omzetten van de slooplocaties naar een woonbestemming. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.
Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen.
Vastgesteld
32
Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gesteld kan worden dat met het saneren van de (intensieve) veehouderijen op de slooplocaties de uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof volledig vervalt, zijnde een verbetering voor het milieu. De verdere gevolgen en effecten van de doorontwikkeling van het loonbedrijf op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen, deze aspecten zullen in paragraaf 5.2.2, respectievelijk paragraaf 5.3 en 5.2.4 aan de orde komen. Verder heeft de ontwikkeling van de diverse locaties uitsluitend betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. Het verhogen en uitbreiden van het loonbedrijf en het daarvoor noodzakelijke omzetten van de slooplocaties naar een woonbestemming, is op nationaal niveau van een ondergeschikte omvang. Vanuit de SVIR bestaan er derhalve geen belemmeringen, provinciale belangen zijn vastgelegd in het POL2014. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de ontwikkeling van de diverse locaties worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de deelgebieden is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn.
Kortom, de ontwikkeling van de locaties is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.
Vastgesteld
33
De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is ter plaatse van de slooplocaties sprake. De ontwikkeling heeft daar immers betrekking op een functiewijziging van drie agrarische bedrijven naar woondoeleinden. Er is met deze functiewijziging geen sprake van het creëren van meer bouwmogelijkheden. Integendeel, betreffende bouwvlakken worden aanzienlijk verkleind en daarmee worden de bouwmogelijkheden zelfs ontnomen. Er hoeft in het kader van de functiewijziging van de slooplocaties dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden. Naast de functiewijziging van deze slooplocaties heeft dit bestemmingsplan in eerste instantie betrekking op de doorontwikkeling van een loonbedrijf. Daar de uitbreiding van het loonbedrijf meer bedraagt dan 500 m2 dient de uitbreiding in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt en dient gemotiveerd te worden waarom de uitbreiding niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Het initiatief betreft de doorontwikkeling van een loonbedrijf dat al van oudsher op de locatie aan de Drabbelsweg is gevestigd.
Het bedrijf biedt ondersteunende diensten aan agrarische bedrijven. Gezien de activiteiten van het bedrijf richt het werkgebied zich dus voornamelijk op het buitengebied en is de ligging van het bedrijf in het buitengebied logisch te noemen. De huidige ligging van het bedrijf in het buitengebied is zelfs van groot belang en inherent aan de (aan agrarisch gerelateerde) bedrijfsvoering. Een verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie binnen de bebouwde kom zou daarnaast leiden tot kapitaalvernietiging en tevens onevenredige bedrijfseconomische gevolgen hebben. Ook het realiseren van een tweede vestiging binnen de bebouwde kom is geen optie daar het de bedrijfsefficiency niet ten goede komt. Het voortbestaan van het bedrijf op de huidige locatie is van groot belang voor de betrokken lokale en regionale agrarische bedrijven die het bedrijf inhuren, net als het van belang is voor het behouden van de werkgelegenheid. Er kan dus gesteld worden dat een zwaar gewicht moet worden toegekend aan het belang bij de uitbreiding van het loonbedrijf. Hierbij is van belang geacht dat het hier gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijf dat reeds van oudsher op die locatie gevestigd is. Het is een agrarisch verwant bedrijf met een stevige binding met het buitengebied.
Daarom kan in redelijkheid gesteld worden dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in deze uitbreidingsbehoefte kan worden voorzien. Het loonbedrijf heeft een grote connectie met het buitengebied gezien haar werkzaamheden en klantenbestand. Uitbreiding van het loonbedrijf op deze locatie, waar het altijd al gevestigd is geweest, voldoet daarmee aan de ladder.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de
Vastgesteld
34
energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL “meer stad, meer land”. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn, zoals de land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen en burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg.
Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Bebouwd gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied
Landelijk gebied
Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone
Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone
Vastgesteld
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld
35
Buitengebied
van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Alle deelgebieden zijn gelegen in het landelijk gebied, in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond. In het POL wordt geconcretiseerd hoe de ambitie dat elk land- en tuinbouwbedrijf in 2025 een lust voor zijn omgeving is, wordt gerealiseerd. De opgaven voor de Limburgse land- en tuinbouw zijn als volgt: ▪ Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. ▪ Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden. ▪ Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven; bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. ▪ Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw op daarvoor geschikte locaties.
▪ Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is. Het is van groot belang dat de agrarische sector en overheden samen werken aan het vergroten van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de land- en tuinbouwsector. Dat moet tot uiting komen in bedrijfsvoeringsconcepten waarin ondernemers extra maatregelen nemen om de effecten op de omgeving te reduceren: minder hinder, minder bodem- en (grond)waterbelasting, minder water- en energieverbruik, gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. De algemene stelregel is dat ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving. Een ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam ondernemerschap en duurzame bedrijfsvoering. De doorontwikkeling van het loonbedrijf past binnen de beleidsuitgangspunten zoals die gesteld zijn in het POL2014. Provincie Limburg biedt voorlopers in de agrarische sector ontwikkelingsmogelijkheden. Als agrarisch loonbedrijf is Gebr. Reintjes direct afhankelijk van de agrarische sector en andersom.
De steeds doorgaande schaalvergroting bij de agrarische bedrijvigheid vraagt ook om schaalvergroting bij de ondersteunende sector. Dit komt niet zo zeer tot uiting in een vergroting van het klantenbestand, maar veel in een schaalvergroting van de landbouwwerktuigen. De huidige bebouwing van het loonbedrijf blijkt te klein en te laag om deze steeds grotere landbouwwerktuigen op een goede en veilige manier inpandig te kunnen stallen. Vandaar dat de verhoging en uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van het loonbedrijf noodzakelijk is. Ter plaatse wordt derhalve een modern loonbedrijf gerealiseerd, als voortzetting van het huidige loonbedrijf. Het loonbedrijf wordt op een harmonieuze manier in het landschap ingepast met bomen en struiken, zodat de doorontwikkeling plaatsvindt in relatie met zijn omgeving. In navolging van de voorlopers in de agrarische sector in de gemeente Venray, in een primair agrarisch gebied, is de doorontwikkeling van het loonbedrijf passend binnen de beleidsdoelstellingen van het POL2014.
Vastgesteld
36
Er wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. De provincie streeft ernaar dat vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Als dat niet lukt, is mogelijke benutting voor alternatieve economische activiteiten aan de orde. Als daar tenminste, gelet op de leegstand in de betreffende sectoren behoefte aan is, en de functie geen belemmeringen voor bestaande functies met zich meebrengt. Dit zal leiden tot hergebruik van een deel van de vrijkomende agrarische bebouwing. Onderhavig bestemmingsplan voorziet onder andere in het saneren van drie agrarische bedrijven. Het saneren van deze agrarische bedrijven en de daarmee samenhangende sloop van de gebouwen draagt bij aan een verdere ontstening van het buitengebied en de belevingswaarde van het landschap. De functiewijziging van deze agrarische bedrijven naar woondoeleinden past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert.
Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Ligging in een grondwaterbeschermingsgebied ▪ Ligging in de boringsvrije zone Venloschol Grondwaterbeschermingsgebied De deelgebieden aan de Drabbelsweg en Horsterweg maken onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. Het is in het grondwaterbeschermingsgebied verboden: a.
een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; b. een boorput dieper dan 3 meter te hebben; c. de grond te roeren dieper dan 3 meter; d. constructies met schadelijke stoffen te realiseren; e. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermdende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan deze deelgebieden de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ toegekend om de betreffende regels van de Omgevingsverordening ook van toepassing te verklaren door middel van het bestemmingsplan. Deze gebiedsaanduiding is opnieuw aan betreffende locaties toegekend.
Vastgesteld
37
Venloschol De deelgebieden aan de Drabbelsweg, Horsterweg en Lollebeekweg maken (tevens) onderdeel uit van de boringsvrije zone Venloschol. Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermdende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aan deze deelgebieden is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen in strijd met de Omgevingsverordening te voorkomen. 4.2.3 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie.
Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.
Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Vastgesteld
38
Met dit bestemmingsplan is de omzetting van drie agrarische bedrijfswoningen naar drie burgerwoningen gemoeid. Tevens blijven de bedrijfswoningen op de locaties Drabbelsweg en Houbenweg in stand. Het aantal woningen neemt door onderhavig bestemmingsplan niet toe. De woningen binnen het plangebied blijven zoals aanwezig in stand. Het regionaal woonbeleid is in dit geval derhalve niet van toepassing.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken.
Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ▪ andere invulling van de (schaarse) ruimte; ▪ klimaatverandering en energietransitie; ▪ nieuwe technologie; ▪ langer leven; ▪ nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; ▪ toenemende diversiteit; ▪ veranderende economie.
In 2030 zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu voor nieuwe economische kansen. Agro, zorg, maakindustrie en logistiek innoveren en genereren banen voor toekomstige generaties. Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor zowel de grondstoffenvoorziening als de milieu-impact wordt beperkt.
Vastgesteld
39
In agrofood, logistiek, maakindustrie en gezondheid gaat de gemeente Venray de volgende maatschappelijke opgaven realiseren: ‘Het benutten en ontwikkelen van slimme technologie, gezonde en veilige voeding, verduurzaming en de mens centraal’. Ook in de maakindustrie en logistiek speelt de transitie naar duurzaamheid: ‘De sector moet zichzelf opnieuw uitvinden om ervoor te zorgen dat mensen en goederen op een groene manier van A naar B kunnen’. Logistiek en maakindustrie horen bij de regio Venray / Venlo en bieden banen op verschillende opleidingsniveaus tot en met WOniveau. Met daarbij veel aanverwante bedrijven die meeliften op deze sectoren. Nieuwe bedrijven kunnen in Venray landen met goede inpassing in het landschap. Met de beoogde doorontwikkeling maakt het loonbedrijf zich gereed voor de toekomst. Duurzaamheid en betere logistiek zijn mede reden geweest tot deze doorontwikkeling. De doorontwikkeling past zodoende binnen ambitie 3 van de gemeentelijke toekomstvisie. 4.3.2 Woonvisie Venray 2017 In mei 2017 heeft de gemeenteraad de 'Woonvisie Venray 2017: Transformatie van de woningmarkt' vastgesteld. De woonvisie geeft op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende jaren weer. De visie heeft de focus op de rol van het wonen in de algehele ambitie om Venray sterker en aantrekkelijker te maken.
Uit de verrichte onderzoeken is gebleken dat in Limburg, dat wordt aangeduid als een anticipeergebied, er tegen de stroom in nog drie plaatsen zijn die groeien; één daarvan is de gemeente Venray. De kwaliteit van het wonen speelt een grote rol voor de tevredenheid, identiteit, zelfredzaamheid en participatie van Venraynaren en is zeker ook van belang voor de economische ontwikkeling van Venray. Met deze woonvisie wil de gemeente ervoor zorgen dat Venray zich ook op langere termijn positief ontwikkelt. De focus ligt op het beantwoorden van de groeiende vraag naar woningen in Venray voor de komende jaren. Om de verwachte groei te kunnen opvangen, zijn woningen nodig om de nieuwe wens van de woonconsument te kunnen vervullen: een wat kleinere woning, gebruiksvriendelijk en duurzaam. Deze woningen staan er al voor een groot deel, maar omdat de huishoudenssamenstelling verandert, is het nodig om de bestaande voorraad aan te passen. Daarmee wil de gemeente tegelijkertijd de differentiatie in de bestaande voorraad vergroten. Ook toevoegingen zullen moeten bijdragen aan de differentiatie, waardoor er een betere balans komt in de woningvoorraad. Daarmee wil de gemeente de waarde van de bestaande voorraad in stand houden en tegelijkertijd de kwaliteit van de bestaande voorraad verbeteren. Er is al veel gezegd en geschreven over de planovercapaciteit.
Er wordt aan gewerkt om de overcapaciteit te verminderen. Toch wil de gemeente dat niet te rigoureus doen, omdat er ruimte nodig is om de voorziene groei van Venray te kunnen opvangen. Het komt er dan op aan, dat waar nodig én mogelijk de overcapaciteit wordt omgezet naar plannen, die een bijzondere bijdrage leveren aan Venray. Met dit bestemmingsplan worden per saldo geen nieuwe woningen toegevoegd. Wel worden de bestaande bedrijfswoningen op de deelgebieden Horsterweg, Lollebeekweg en Veulenseweg omgezet naar een burgerwoning. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan een verbetering van het bestaande woningaanbod, zonder het aanbod te vergroten. De functiewijziging van deze bestaande woningen sluit dan ook aan bij de woonvisie van de gemeente Venray. 4.3.3 Visie Veehouderij Venray 2018 Op 30 januari 2018 heeft de gemeente Venray de beleidsregels ‘Visie Veehouderij Venray 2018’ vastgesteld. Deze visie moet bijdragen aan een goede balans tussen de ontwikkelingsruimte voor de veehouderij en de bescherming van een goed woon- en leefklimaat voor de inwoners van Venray. De visie heeft de volgende drie doelen: 1. Verbeteren van de basiskwaliteit – Verbeteren en borgen van een goed woon- en leefmilieu voor omwonenden van veehouderijen en afname aantal overlastlocaties; 2.
Ontwikkeling op de juiste locatie – Meer scheiding tussen veehouderij en bewoners in kern en woningen in het buitengebied;
Vastgesteld
40
3.
Sturen achterblijvers en stoppers – Verlagen van de emissie bij bedrijven met verouderde stallen, het voorkomen van benutting van oude rechten op slechte locaties. Handhaven van de stoppersregeling en daar emissies schrappen.
Voor de slooplocaties is met name doelstelling 1 ‘verbeteren van de basiskwaliteit’ van belang. Door het saneren van de ter plaatse gevestigde agrarische bedrijven c.q. (intensieve) veehouderijen zal het woon- en leefmilieu in de omgeving (sterk) verbeteren. Het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming is hiermee in lijn met het beleid van de gemeente zoals vastgelegd in de Visie Veehouderij Venray 2018. 4.3.4 Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor tegelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier.
Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden door een te leveren bijdrage aan de leefbaarheid. Nieuwbouw kan in beperkte mate worden toegestaan wanneer de ruimtelijke kwaliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast, maar per saldo juist wordt versterkt. Met andere woorden: ‘groen’ staat voorop en ‘rood’ is een middel. De draagkracht van het gebied is bepalend voor de mate waarin nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd. Het ruimtelijk beleid in het buitengebied is vastgelegd in diverse ruimtelijke visies en bestemmingsplannen. Deze zijn maatgevend voor waar welke ontwikkelingen worden toegestaan. In dit beleid en deze regelgeving wordt ook ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en maatregelen die kunnen worden genomen. In het vigerende bestemmingsplan zijn een tweetal uitgangspunten uitgewerkt die rechtstreeks gericht zijn op behoud van de ruimtelijke kwaliteit: 1. hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB): nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf of recreatiebedrijf is alleen in een VAB toegestaan; 2. bij uitbreiding van woningen, landbouwverwante en kleinschalige bedrijven is uitbreiding op basis van een sloopregeling mogelijk.
In dit geval wordt een landbouwverwant bedrijf uitgebreid, waardoor een sloopregeling van toepassing is. De gemeente eist een sloopverplichting van 1 : 1, welke uitsluitend geldt voor de niet-agrarische activiteiten. Gebr. Reintjes heeft naast het loonwerk ook een akkerbouwtak. Boekhoudkundig maakt de akkerbouwtak ongeveer 10% uit van de totale omzet (omzet Reintjes Akkerbouw BV in relatie tot totale omzet van Gebr. Reintjes Beheer BV). Dit percentage kan dan ook in mindering worden gebracht van de sloopverplichting. De sloopverplichting is vastgesteld op 13.267 m3, gebaseerd op het navolgende: ▪ Totale inhoud beoogde bebouwing in de nieuwe situatie (bedrijfswoningen niet meegeteld): 28.605 m3 ▪ 10% van nieuwe gebouwen zijn voor agrarische activiteiten, te weten 2.860 m3. Voor de niet-agrarische activiteiten is nodig (28.605 – 2.860)= 25.745 m3 ▪ Vigerend bestemmingsplan laat thans toe op locatie (maximaal te bebouwen oppervlakte 2.133 m2 * gem. hoogte 6,5 m (8,5 nok en 4,5 goot)): 13.865 m3. Hiervan wordt 10% reeds aangewend voor agrarische activiteiten, resteert voor niet-agrarische activiteiten (13.865 – 1.387): 12.478 m3 ▪ Derhalve te slopen (25.745 – 12.478): 13.267 m3
Vastgesteld
41
In het kader van de doorontwikkeling van het loonbedrijf worden de volgende locaties gesloopt (en het gesloopte overgenomen): ▪ Locatie Houbenweg: 1.000 m3 ▪ Locatie Horsterweg: 2.103 m3 ▪ Locatie Lollebeekweg: 8.761 m3 ▪ Locatie Veulenseweg: 1.403 m3 In totaal wordt 13.267 m3 gesloopt en overgenomen, waardoor exact aan de sloopverplichting van 13.267 m3 voldaan wordt. Door het uitvoeren van de sloopverplichting voldoet de doorontwikkeling van het loonbedrijf aan de beleidskaders uit de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011.
Vastgesteld
42
5. OMGEVINGSASPECTEN Met de doorontwikkeling van het loonbedrijf en de functiewijziging van de slooplocaties dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Per deelgebied heeft onderzoek plaatsgevonden naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid en geur. Eveneens is gekeken naar de gevolgen voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. In de bijlagen bij dit bestemmingsplan is dit per deelgebied nader uitgewerkt. Om tegemoet te komen aan de overzichtelijkheid van onderhavig bestemmingsplan zijn in dit hoofdstuk enkel de conclusies van deze toetsingen weergegeven.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Deellocatie Drabbelsweg 1
Horsterweg 20c
Onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake van bestemmingswijziging. Doorontwikkeling loonbedrijf vindt volledig plaats binnen vigerende bedrijfsbestemming Nee, geen sprake van bestemmingswijziging Ja, conform NEN 5740
Lollebeekweg 39
Ja, conform NEN 5740
Veulenseweg 59
Ja, conform NEN 5740
Houbenweg 1a
Conclusie N.v.t.
N.v.t. Geen belemmeringen voor bestemmingswijziging. Na sloop bebouwing dient onderzoek conform NEN 5707 (asbest in de bodem) te worden uitgevoerd Geen belemmeringen voor bestemmingswijziging. Na sloop bebouwing dient onderzoek conform NEN 5707 (asbest in de bodem) te worden uitgevoerd Geen belemmeringen voor bestemmingswijziging. Na sloop bebouwing dient onderzoek conform NEN 5707 (asbest in de bodem) te worden uitgevoerd
Op de slooplocaties (op de locatie Houbenweg 1a na) dient na sloop van de stallen vervolgonderzoek naar asbest in de bodem plaats te vinden conform NEN 5707. Het gebruik voor woondoeleinden van deze locaties is pas formeel toegestaan na dit aanvullende onderzoek. Om dit te borgen is aan betreffende slooplocaties de voorwaardelijke bepaling ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting’ opgenomen. Ten tijde van de sloopmelding dient het aanvullend onderzoek aangeleverd te worden hiermee is juridisch verzekerd dat na sloop van de stallen het vervolgonderzoek is uitgevoerd. 5.1.2
Bedrijven en milieuzoneringen
Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c
Vastgesteld
Onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake bestemmingswijziging Nee, geen sprake bestemmingswijziging Ja
van
Conclusie N.v.t.
van
N.v.t. Aan richtafstanden wordt voldaan
43
Lollebeekweg 39
Ja
Veulenseweg 59
Ja
5.1.3
Wegverkeerslawaai
Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
5.1.4
Onderzoek uitgevoerd Nee, geen sprake van woningen Nee, geen sprake van woningen Nee, geen sprake van woningen Nee, geen sprake van woningen Nee, geen sprake van woningen
nieuwe
Conclusie N.v.t.
nieuwe
N.v.t.
nieuwe
N.v.t.
nieuwe
N.v.t.
nieuwe
N.v.t.
Luchtkwaliteit
Deellocatie Drabbelsweg 1
Onderzoek uitgevoerd Ja
Houbenweg 1a
Ja
Horsterweg 20c
Ja
Lollebeekweg 39
Ja
Veulenseweg 59
Ja
5.1.5
Aan richtafstanden geur wordt niet voldaan, voor geur echter toetsingskader Wgv van toepassing (zie paragraaf 5.1.5) Aan richtafstanden wordt voldaan
Conclusie Geen verslechtering luchtkwaliteit, luchtkwaliteit voldoende Geen verslechtering luchtkwaliteit, luchtkwaliteit voldoende Geen verslechtering luchtkwaliteit, luchtkwaliteit voldoende Geen verslechtering luchtkwaliteit, luchtkwaliteit voldoende Geen verslechtering luchtkwaliteit, luchtkwaliteit voldoende
van thans van thans van thans van thans van thans
Geur
Deellocatie Drabbelsweg 1
Onderzoek uitgevoerd Nee
Houbenweg 1a
Nee
Horsterweg 20c
Ja
Vastgesteld
Conclusie Het bedrijf is geen geurgevoelig object Het bedrijf is geen geurgevoelig object Aan normen voorgrond- en achtergrondbelasting wordt ter plaatse van de woning voldaan
44
Lollebeekweg 39
Ja
Veulenseweg 59
Ja
5.1.6
Aan normen voorgrondachtergrondbelasting wordt plaatse van de woning voldaan Aan normen voorgrondachtergrondbelasting wordt plaatse van de woning voldaan
en ter en ter
Externe veiligheid
Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
Onderzoek uitgevoerd Ja Ja Ja Ja Ja
Conclusie Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen
Onderzoek uitgevoerd Ja Ja Ja Ja Ja
Conclusie Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen
Onderzoek uitgevoerd Nee Nee, sloop heeft in 2019 al plaatsgevonden op basis van goedgekeurde sloopmelding Ja Ja Ja
Conclusie N.v.t. N.v.t.
Onderzoek uitgevoerd Ja Ja Ja
Conclusie Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen
5.2 Kabels en leidingen Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
5.3 Natuur 5.3.1 Flora en fauna Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a
Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen, verwijderen vegetatie uitsluitend buiten broedseizoen
5.3.2 Natura2000 Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c
Vastgesteld
45
Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
Ja Ja
Geen belemmeringen Geen belemmeringen
Deellocatie Drabbelsweg 1
Onderzoek uitgevoerd Ja
Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
Nee Nee Nee Nee
Conclusie Hemelwater op eigen terrein infiltreren, infiltratiesloot op eigen terrein wordt vergroot Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing
5.4 Waterhuishouding
5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1 Archeologie Deellocatie Drabbelsweg 1
Onderzoek uitgevoerd Nee
Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
Nee Nee Nee Nee
Conclusie Geen sprake van een archeologische dubbelbestemming, geen onderzoek noodzakelijk Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing Geen toename bebouwing
Onderzoek uitgevoerd Ja Ja Ja Ja Ja
Conclusie Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen Geen belemmeringen
Deellocatie Drabbelsweg 1
Onderzoek uitgevoerd Ja
Houbenweg 1a
Ja
Conclusie Geen toename verkeer, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein Geen toename verkeer, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein
5.5.2 Cultuurhistorie Deellocatie Drabbelsweg 1 Houbenweg 1a Horsterweg 20c Lollebeekweg 39 Veulenseweg 59
5.6 Verkeer en parkeren
Vastgesteld
46
Horsterweg 20c
Ja
Lollebeekweg 39
Ja
Veulenseweg 59
Ja
5.7
Afname verkeer door saneren intensieve veehouderij, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein Afname verkeer door saneren intensieve veehouderij, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein Afname verkeer door saneren agrarisch bedrijf, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
Vastgesteld
47
6. JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit vijf plankaart met een legenda. Voor elk deelgebied is een eigen plankaart opgesteld. Hierna wordt per deelgebied de plankaart beschreven. Drabbelsweg 1 Veulen Deze locatie is nog steeds bestemd is als ‘Bedrijf’. Het bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven’ en ter plaatse van de twee bedrijfswoningen de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is ongewijzigd gebleven. Wel gewijzigd zijn het maximum bebouwd oppervlak (was 2.133 m2, thans 3.815 m2) en de maximale goot- en bouwhoogte (was 4,5 en 9,5 meter, thans 5 en 9 meter). Voor de plek waar het nieuwe kantoor beoogd is, is de maximale goot- en bouwhoogte gesteld op 7 en 12 meter.
Tevens zijn enkele algemene gebiedsaanduidingen opgenomen, te weten ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze gebiedsaanduidingen ook opgenomen voor dit deelgebied. Houbenweg 1a Veulen (slooplocatie) Deze locatie is nog steeds bestemd is als ‘Bedrijf’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven’ en ter plaatse van de bedrijfswoning de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Wel gewijzigd zijn het maximum bebouwd oppervlak (was 910 m2, thans 710 m2) en is het bouwvlak verkleind.
Vastgesteld
48
Tevens zijn de reeds geldende dubbelbestemming en gebiedsaanduiding opgenomen, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze ook opgenomen voor dit deelgebied. Horsterweg 20c Castenray (slooplocatie) De gronden met daarop de woning, de bestaande loods en de beoogde locatie voor de nieuwe loods worden bestemd als ‘Wonen’ met op de beoogde locatie voor de nieuwe loods de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ondergeschikt agrarisch medegebruik’. Hierdoor kunnen in de nieuwe loods de ondergeschikte agrarische activiteiten worden ontplooid c.q. worden voortgezet. Op basis van de reguliere woonbestemming is het toegestaan 875 m3 te bebouwen. Met de bouw van de beoogde loods is er straks echter 2.650 m3 aan bebouwing aanwezig. Aan de locatie is daarom een maatvoeringsaanduiding opgenomen voor een totale bebouwde inhoud van 2.650 m3. Overige gronden die eerst behoorden tot het bouwvlak blijven bestemd als ‘Agrarisch’, maar dan zonder bouwvlak. Tevens zijn de reeds geldende dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen opgenomen, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze ook opgenomen voor dit deelgebied.
Lollebeekweg 39 Castenray (slooplocatie) De gronden met daarop de woning en bijgebouwen en de beoogde camperplaats worden bestemd als ‘Wonen’. Overige gronden die eerst behoorden tot het bouwvlak blijven bestemd als ‘Agrarisch met waarden’, maar dan zonder bouwvlak. Tevens zijn de reeds geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opgenomen, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ en ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze ook opgenomen voor dit deelgebied. Veulenseweg 59 Veulen (slooplocatie) Dit deelgebied wordt bestemd als ‘Wonen’. Op basis van de reguliere woonbestemming is het toegestaan 875 m3 te bebouwen. Met de verplaatsing van de bestaande loods is er straks echter 2.440 m3 aan bebouwing aanwezig. Aan de locatie is daarom een maatvoeringsaanduiding opgenomen voor een totale bebouwde inhoud van 2.440 m3. Tevens zijn de reeds geldende dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen opgenomen, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Overige zone – agrarisch gemengd’ en ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze ook opgenomen voor dit deelgebied.
6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen
Vastgesteld
49
hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels.
Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
50
7. UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente Venray heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst op basis van de Wro gesloten. In deze overeenkomst is verankerd dat de initiatiefnemer alle kosten en risico’s met betrekking tot de grondexploitatie op zich neemt. De kosten verbonden aan de realisering van dit project zijn daarmee geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente Venray zal het project kostenneutraal verlopen. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planologische maatregel een overeenkomst te sluiten voor planschade.
Gemeente Venray heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten omtrent planschade.
7.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Venray samen met de gemeente Horst aan de Maas als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.