CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Regels Bestemmingsplan Helling 10-10 a Wanssum

Gemeenteraad 31 januari 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Helling 10-10a Wanssum13.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

het ten behoeve van mantelzorg ingerichte vloeroppervlakte maximaal 70 m² bedraagt; 3. het gebruik voor zelfstandige bewoning stopt wanneer geen sprake meer is van de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande behoefte aan mantelzorg; artikel 3 lid 5 ten behoeve van het afwijkend gebruik van gronden en opstallen, mits het gebruik gebruik is aan te merken als nevenactiviteit, voor: 1. landbouwverwant bedrijf, of 2. kleinschalig bedrijf, of 3. manege,

met dien verstande dat: 1. de werkzaamheden van de nevenactiviteit, met uitzondering van bijbehorende buitenopslag, plaatsvinden in (tijdelijk) niet meer in gebruik zijnde agrarische bedrijfsgebouwen; 2. de bij de nevenactiviteit behorende buitenopslag beperkt blijft tot: ▪ binnen het bouwvlak; ▪ een hoogte van 2,5 meter; ▪ een oppervlakte die gelijk is aan de bebouwde ruimte voor de nevenactiviteit; 3. bij beëindiging van de hoofdactiviteit het gebruik van gronden en opstallen voor de nevenactiviteit 'kleinschalig bedrijf' en/of 'manege', niet behoeft te worden gestaakt; 29

4. bij beëindiging van de hoofdactiviteit het gebruik van gronden en opstallen voor de nevenactiviteit 'landbouwverwant bedrijf', niet behoeft te worden gestaakt; k. artikel 3 lid 5 ten behoeve van het aanbrengen van hagelnetten, waarbij het volgende beoordelingskader in acht wordt genomen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning, aan de hand waarvan de noodzaak van het gebruik van hagelnetten wordt afgewogen tegen de aantasting van de beleving van het landschap: 1. zicht op continuïteit van het agrarisch bedrijf; 2. de hoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter; 3. netten mogen niet tot op de grond worden afgerold; 4. ze dienen voor het overige naar aard en afmetingen bij deze bestemming te passen; 5. de randen van de percelen met hagelnetten worden voorzien van een landschappelijke inpassing; l. artikel 3 lid 5 ten behoeve van het afwijkend gebruik van bestaande opstallen buiten een bouwvlak voor een kleinschalig bedrijf in de vorm van opslag, niet zijnde opslag van op- en overslagbedrijven, met dien verstande dat: 1. alle activiteiten van het afwijkende gebruik plaatsvindt in de gebouwen; 2. de activiteit niet leidt tot een beperking, belemmering en/of aantasting van het reguliere gebruik van het overige perceel waarop het gebouw staat.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid 3.7.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat: a. de ontwikkelingen qua aard en omvang passen in de omgeving en de daarin voorkomende functies; b. de ontwikkelingen infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; c. de ontwikkeling gepaard moet gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast; d. op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater; e. er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; g. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; h. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid. 3.7.2 Wijziging bouwvlak - vormverandering Burgemeester en wethouders kunnen vormverandering van het bouwvlak toestaan en de aanduiding 'bouwvlak' en de daarbij behorende functieaanduidingen en de in voorkomend geval aansluitende dubbelbestemming 'Waarde - Beekdal' op de verbeelding aanpassen, met dien verstande dat: a.

het dient te gaan om een volwaardig agrarisch bedrijf of een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een volwaardig bedrijf; b. de totale oppervlakte van het bouwvlak niet wordt gewijzigd; 30

c. de maximale diepte van het bouwvlak gerekend vanaf de bestemming 'Verkeer Wegverkeer' 200 m bedraagt. 3.7.3 Wijziging bouwvlak - uitbreiding agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en vergroting van bestaande agrarische bedrijven, geen glastuinbouwbedrijf zijnde, toestaan waarbij de aanduiding 'bouwvlak' en de daarbij behorende functieaanduidingen en de in voorkomend geval aansluitende dubbelbestemming 'Waarde - Beekdal' op de verbeelding worden aangepast, met dien verstande dat: a. het dient te gaan om een volwaardig agrarisch bedrijf of een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een volwaardig bedrijf; b. aangetoond is dat: 1. binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding in verband met een doelmatige bedrijfsvoering of; 2. uitbreiding vanwege andere bedrijfsomstandigheden noodzakelijk is; c. de oppervlakte van het bouwvlak na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid maximaal 2,5 ha bedraagt; d. uit het landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 3 lid 7.1 onder c. blijkt dat tevens bestaande bebouwing wordt ingepast; e. een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt geleverd; f. er een positief advies is verkregen van de adviescommissie indien het bouwvlak in de nieuwe situatie groter is dan 1,5 ha; g.

de maximale diepte van het bouwvlak gerekend vanaf de bestemming 'Verkeer Wegverkeer' 200 m bedraagt. 3.7.4 Toevoeging 'plattelandswoning' Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en een functieaanduiding 'plattelandswoning' op de verbeelding opnemen ten behoeve van het gebruik door derden van de bestaande bedrijfswoning, met dien verstande dat: a. er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zoals bedoeld in de Wet plattelandswoningen; b. de cultuurhistorische waarde van het pand in relatie tot zijn omgeving, waaronder begrepen de bedrijfsbebouwing, behouden moet blijven; c. landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is. 3.7.5 Toevoeging 'huisvesting tijdelijke werknemers' Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en een functieaanduiding 'huisvesting tijdelijke werknemers' op de verbeelding opnemen ten behoeve van de huisvesting van meer dan 20 tijdelijke werknemers, met dien verstande dat; a. de hoofdfunctie agrarisch blijft; b. alle voorzieningen worden ingepast in het bestaande bouwvolume; c. de activiteit qua aard en omvang past in de omgeving en de daarin voorkomende functies; d. landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is.

31

3.7.6 Wijziging Agrarisch met waarden naar Bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van een agrarisch bouwvlak het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met de nadere functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' of 'specifieke vorm van bedrijf – kleinschalige bedrijven' met dien verstande dat: a. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; b. in het geval van de vestiging van een landbouwverwant bedrijf dit alleen mogelijk is buiten de gebiedsaanduiding 'Agrarisch gemengd'; c. hergebruik alleen mogelijk is, indien sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) voor een eigentijdse agrarische bedrijfsvoering; d. de maximaal in gebruik te nemen bebouwingsoppervlakte 1.000 m2 bedraagt voor landbouwverwante bedrijven en 500 m2 voor kleinschalige bedrijven. De bestaande bebouwingsmassa mag niet worden uitgebreid; e. de oppervlakte van het nieuw ontstane bestemmingsvlak wordt afgestemd op de ontwikkeling, tot een maximum van 1,5 ha; f. er een positief advies is verkregen van de adviescommissie.

3.7.7 Wijziging Agrarisch met waarden naar Recreatie Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van een agrarisch bouwvlak het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Recreatie', ten behoeve van de vestiging van een recreatieve functie, met dien verstande dat: a. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; b. de bestaande bebouwingsmassa niet mag worden uitgebreid; c. er een positief advies is verkregen van de adviescommissie. 3.7.8 Wijzigen Agrarisch met waarden naar Maatschappelijk Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van een agrarisch bouwvlak het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Maatschappelijk', ten behoeve van de vestiging van een zorgboerderij of een kinderdagverblijf, met dien verstande dat: a. b. c. d.

ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; detailhandelsactiviteiten niet zijn toegestaan; de bestaande bebouwingsmassa niet mag worden uitgebreid; de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak wordt afgestemd op de ontwikkeling, tot een e. maximum van 1,5 ha; f. op de verbeelding de functieaanduiding 'zorgboerderij' of 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf' wordt opgenomen; g. er een positief advies is verkregen van de adviescommissie. 3.7.9 Wijziging Agrarisch met waarden naar Sport Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van een agrarisch bouwvlak, niet zijnde een bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf, het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Sport' met de functieaanduiding 'manege', ten behoeve van de vestiging van een manege, met dien verstande dat: 32

a. b. c. d. e.

ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; detailhandelsactiviteiten niet zijn toegestaan; de bestaande bebouwingsmassa niet mag worden uitgebreid; de oppervlakte van het nieuwe bouwvlak maximaal 1,5 ha bedraagt; er een positief advies is verkregen van de adviescommissie.

3.7.10 Wijziging Agrarisch met waarden naar Wonen Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van een agrarisch bouwvlak het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Wonen' met dien verstande dat: a. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; b. de oppervlakte van de toe te wijzen bestemming 'Wonen' wordt afgestemd op de omgevingskwaliteit; c. het aantal woningen niet mag toenemen.

33

Artikel 4 Waarde - Archeologie - 2 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 12 lid 3 in acht dient te worden genomen. 4.2 Bouwregels a. Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord; b. indien de verstoring meer dan 500 m² bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 70 cm dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 500 m² bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 70 cm: a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven); b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven); c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 70 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen); d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren); e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen; f.

het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders; 34

g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond; h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling); i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels; j. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- of sierteelt waarbij de oogst dieper dan 70 cm zal plaatsvinden. 4.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 4 lid 3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad; c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer betreffen, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur. 4.3.3 Verlening omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van de in artikel 4 lid 3.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden, kan een omgevingsvergunning worden verleend.

4.3.4 Afwegingskader Een in artikel 4 lid 3.3 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

35

Artikel 5 Waarde - Beekdal 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Beekdal' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor: a. de bescherming van de natuurwaarden die verbonden zijn aan een vochtig milieu, landschapswaarden alsmede behoud van kwelgebieden welke een belangrijk onderdeel vormen van het hydrologisch systeem, waarbij artikel 12 lid 3 hierbij in acht dient te worden genomen; b. het aanleggen en verwijderen van tijdelijke waterkeringen, mits deze als zodanig zijn opgenomen in de Keur van het waterschap; met dien verstande dat de regels in dit artikel niet gelden voor het bouwen, het gebruik en het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, indien deze activiteiten plaatsvinden binnen een bouwvlak. 5.2 Bouwregels Op of in de als 'Waarde - Beekdal' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd, mits de in artikel 5 lid 1 genoemde waarden niet worden onevenredig aangetast. 5.3 Specifieke gebruiksregels Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor het aanbrengen van een ondergrond voor containervelden.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren: a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven); b. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen); c. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven); d. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen); e. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren); f. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen; g. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders; h. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond; i. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling); j. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels; k. het dempen van sloten, greppels en/of poelen; l.

het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen); 36

m. het planten van bomen en/of struiken; n. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- of sierteelt waarbij de teeltperiode langer is dan 5 jaar; o. het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2. 5.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 5 lid 4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. de aanleg van leidingen binnen wegbermen binnen de bestemming verkeer betreffen, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur c. de aanleg en het verwijderen van tijdelijke waterkeringen betreft voorzover deze zijn opgenomen in de Keur van het waterschap. 5.4.3 Verlening omgevingsvergunning voor het uitvoeren van eenwerk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van de in artikel 5 lid 4.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde en/of van werkzaamheden, kan een omgevingsvergunning worden verleend.

5.4.4 Afwegingskader Een in artikel 5 lid 4.3 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de landschappelijke en/of natuurwaarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

37

Artikel 6 Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. riviergebonden activiteiten; b. het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, sediment en ijs; c. de waterhuishouding; d. de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering; e. het vergroten van de afvoercapaciteit. Onder riviergebonden activiteiten wordt verstaan: f. de aanleg of wijziging van de waterstaatkundige kunstwerken; g. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; h. de realisatie en het beheer van natuurterreinen; i. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met waterrecreatie zijn verbonden; j. de winning van oppervlaktedelfstoffen. 6.2 Bouwregels Op of in de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd. 6.3 Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend en stroomvoerend vermogen van het gebied kan, mits gehoord Rijkswaterstaat, bij het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6 lid 2 ten behoeve van: a. b. c. d. e.

riviergebonden activiteiten; niet-riviergebonden activiteiten; activiteiten ten behoeve van rivierbeheer of rivierverruiming rivierkundige activiteiten van ondergeschikt belang; een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10 % van de bestaande bebouwing, mede conform de onderliggende bestemming,

met dien verstande dat slechts een omgevingsvergunning wordt verleend: f.

voor riviergebonden activiteiten, indien: 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3. er sprake is van een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is; 38

4. er sprake is van een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert; 5. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. g. voor niet-riviergebonden activiteiten, indien: 1. het een functieverandering binnen de bestaande bebouwing betreft of; 2. het een activiteit betreft die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie of; 3. het een groot openbaar belang betreft en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of; 4. er een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang is voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; 5. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; 6. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 7. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is; 8.

er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert; 9. en onder de voorwaarde dat: ▪ de resterende waterstandeffecten duurzaam worden gecompenseerd of; ▪ de afname van het bergend vermogen duurzaam wordt gecompenseerd of; ▪ de rivierverruimende maatregelen worden genomen, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gewaarborgd zijn; h. voor rivierkundige activiteiten van ondergeschikt belang, activiteiten ten behoeve van rivierbeheer of rivierverruiming en voor een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10 % van de bestaande bebouwing indien: 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig functioneren van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is; 4. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.

6.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en opstallen wordt in elk geval verstaan het gebruik voor zowel riviergebonden als niet-riviergebonden activiteiten. 6.5 Afwijken van de gebruiksregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend en stroomvoerend vermogen van het gebied kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning worden 39

afgeweken van het bepaalde in artikel 6 lid 4 ten behoeve van zowel riviergebonden als nietriviergebonden activiteiten, met dien verstande dat slechts een omgevingsvergunning wordt verleend: a. voor riviergebonden activiteiten, indien: 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit; 3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is; 4. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert; 5. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn; b. voor niet-riviergebonden activiteiten, indien: 1. het een functieverandering binnen de bestaande bebouwing betreft of; 2. het een activiteit betreft die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie of; 3.

het de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang betreft en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of; 4. er een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang is voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; 5. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig functioneren van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; 6. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 7. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is; 8. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert; 9. en onder voorwaarde dat: ▪ de resterende waterstandseffecten duurzaam worden gecompenseerd of; ▪ de afname van het bergend vermogen duurzaam wordt gecompenseerd of; ▪ de rivierverruimende maatregelen worden genomen, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gewaarborgd zijn.

40

3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

41

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten 8.1.1 Maximale maatvoering Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 8.1.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 8.1.3 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 8 lid 1.1 en artikel 8 lid 1.2 uitsluitend van toepassing indien dit geschiedt op dezelfde plaats.

42

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels 9.1 Agrarisch gemengd 9.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch gemengd' zijn de gronden mede bestemd voor handhaving van de agrarische bedrijvigheid, afgestemd op de omliggende functies, en als samenhangend gebied met een toename van niet-agrarische functies. 9.2 Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' zijn de gronden tevens bedoeld voor het weergeven van de Extensiveringsgebieden, zoals bedoeld in het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg. 9.3 Reconstructiewetzone - verwevingsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' zijn de gronden tevens bedoeld voor het weergeven van de Verwevingsgebieden, zoals bedoeld in het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg.

43

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Omgevingsvergunning Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de planregels ten behoeve van het onderling in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits van de wegbeheerder een positief advies is ontvangen; b. de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; c. de planregels ten aanzien van het bouwen van kunstuitingen en van zend-, ontvangen/ of sirenemasten, waarbij voor een hoogte van meer dan 65 m +NAP, in het kader van voorkoming van onaanvaardbare radarverstoring, voorafgaand aan het toestaan schriftelijk advies dient te zijn ingewonnen bij de Dienst Vastgoed Defensie; d. afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%. 10.2 Afwegingskader Een in artikel 10 lid 1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e.

de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten.

44

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Verschuiven bestemmingsgrenzen of verwijdering functieaanduidingen 11.1.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en: a. bestemmingsgrenzen met max. 10 m. verschuiven, of b. functieaanduidingen van de verbeelding verwijderen. 11.1.2 Afwegingskader Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in artikel 11 lid 1.1 genoemde wijzigingsregels vindt een belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden: a. de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen worden geschaad; b. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad; c. de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.

45

Artikel 12 Overige regels 12.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 12.2 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening De regels van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9, lid 1 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. b. c. d. e. f.

de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen; de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; het bouwen bij ondergrondse hoofdtransportleidingen; de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden; de ruimte tussen bouwwerken.

12.3 Prioriteit van dubbelbestemmingen a. Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming; b. Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden: 1. in de eerste plaats de regels van de bestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed'; 2. in de tweede plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie - 2'; 3. in de derde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Beekdal'; 12.4 Oprichting van (beperkt) kwetsbare objecten Nieuwe (kwetsbare) bestemmingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen mogen niet gebouwd worden binnen een (geprojecteerde) 10-6risicocontour voor het plaatsgebonden risico van aanwezige risicobronnen zoals (onder meer) bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering Vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS), het Besluit Transportroutes externe veiligheid (Btev) en / of het Besluit transportroutes externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

12.5 Oprichting van risicovolle activiteiten De 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico van nieuwe risicobronnen zoals (onder meer) bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering Vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS), het Besluit Transportroutes externe veiligheid (Btev) en/of het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) mag niet over (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten komen te liggen. 12.6 Strijdig gebruik Het is verboden gronden, bouwwerken en onderkomens te gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel dat strijdig is met de aan de gronden gegeven bestemming.

46

4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a met maximaal 10%. c. lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

47

Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Helling 10 – 10a Wanssum.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12226933/1