03 Bp Sparrendreef ong toelichting en regels
Tekst van het document
maximaal: 2,00 m.
hoogte voorzieningen voor de openbare
maximaal: 8,00 m.
verlichting hoogte overige bouwwerken geen gebouwen
maximaal: 3,00 m.
zijnde
3.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c.
de milieusituatie;
d. de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
56
3.4
Afwijken van de bouwregels
3.4.1
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aande in de aanhef van dit
artikel genoemde waarden en doeleindenkan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken vanhet bepaalde in a. in lid 3.2.2 voor het toestaan van een andere afdekking van het hoofdgebouw van de woning; b. in lid 3.2.2 voor het bouwen met één zijgevel van bijgebouwen in de zijdelingse perceelgrens mits een onbebouwde strook met een breedte van ten minste 5 m. behouden blijft langs één zijdelingse perceelsgrens.
3.4.2
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.4.1 dient
het onderstaande in acht te worden genomen: a. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; b. aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan.
3.5
Specifieke gebruiksregels
3.5.1
Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen voor: a. zelfstandige bewoning, indien het een bijgebouw betreft; b. opslagdoeleinden, anders dan overeenkomstig het normale gebruik bij de bestemming 'Wonen'.
3.5.2
Aan huis gebonden beroep of bedrijf
Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt niet gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor het in combinatie met het wonen uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mits: a. de woonfunctie overwegend behouden blijft; b. de beroeps- en/of bedrijfsoppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen, met een maximum van 50 m²;
BESTEMMINGSPLAN SPARRENDREEF (ONG.), OOSTRUM | VASTGESTELD
57
c.
de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten door de bewoners van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend;
d. door beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast; e. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn; f.
geen detailhandel wordt uitgeoefend;
g. geen horeca-activiteiten worden uitgeoefend; h. geen seks-en/of pornobedrijf of aanverwante activiteiten op erotisch en/of pornografisch gebied wordt / worden uitgeoefend.
58
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 5
5.1
Algemene bouwregels
Algemeen
a. Het is niet toegestaan te bouwen gebouwen buiten de op de verbeelding aangegeven bestemmings- en bouwvlakgrenzen behoudens waar aangegeven in deze regels. b. Reeds bestaande afwijkingen van de in deze regels gegeven maatvoering mogen worden gehandhaafd.
5.2
Infiltratie
5.2.1
Infiltratieplicht
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.
5.2.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.
BESTEMMINGSPLAN SPARRENDREEF (ONG.), OOSTRUM | VASTGESTELD
59
5.3
Parkeergelegenheid
5.3.1
Parkeernorm
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in ''Bijlage 3 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW publicatie 317 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
5.3.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan een omgevingsverlening verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.1 indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Artikel 6
Algemene gebruiksregels
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Artikel 7
7.1
Algemene afwijkingsregels
Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven; c.
de bestemmingsregels en toestaan dat de op de verbeelding ingetekende begrenzingen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, met maximaal 10 meter worden;
60
d. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 meter; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter; f.
het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits de verhoging niet meer dan 3 meter bedraagt;
g. van de bestemmingsregels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals telefooncellen, wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations mits de inhoud niet meer dan 50 m³ en de goothoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.
7.2
Voorwaarden ten aanzien van de omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan uitsluitend een omgevingsvergunning verlenen indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld; b. het woon- en leefklimaat; c.
de waterstaatkundige belangen;
d. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven; e. de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; f.
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 8
Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen, om overeenkomstig artikel 3.6 sub a van de Wet ruimtelijke ordening de op de verbeelding ingetekende bestemmingsgrenzen met maximaal 5 meter te verschuiven, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredige worden geschaad; b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische, landschappelijke- of natuurwaarden;
BESTEMMINGSPLAN SPARRENDREEF (ONG.), OOSTRUM | VASTGESTELD
61
c.
uit een ingesteld bodemonderzoek blijkt, dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
d. door middel van onderzoek dient te worden aangetoond dat er geen overwegende bezwaren bestaan vanwege de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem; e. door middel van een flora- en faunaonderzoek dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de natuurbeschermingswetgeving; f.
door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat het waterbelang voldoende is meegewogen;
g. de belangen van de betreffende bestemming(en) worden niet onevenredige aangetast.
Artikel 9
9.1
Algemene procedureregels
Bij omgevingsvergunning
Indien het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in deze regels wil verlenen is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
9.2
Bij wijziging
Indien Burgemeester en Wethouders gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid dienen de regels in artikel 3.6 lid 5 Wro in acht te worden genomen.
62
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 10
10.1
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2
Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
BESTEMMINGSPLAN SPARRENDREEF (ONG.), OOSTRUM | VASTGESTELD
63
Artikel 11
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Sparrendreef (ong.), Oostrum'
64
PM VASTSTELLINGSBESLUIT
BESTEMMINGSPLAN SPARRENDREEF (ONG.), OOSTRUM | VASTGESTELD
65