CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bijlage 1 Verordening Sociaal Domein 2025 gemeente Venray

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Omgekeerde verordening sociaal domein30.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verordening Sociaal Domein 2025 gemeente Venray De raad van de gemeente Venray; gelezen het advies van B en W, d.d. 9 juli 2024 gelezen het advies van de commissie Leven d.d. 5 september 2024 gelet op de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), Wet inburgering 2021 (Wi 2021), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Jeugdwet, Leerlingenvervoer (Llv), Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet voortgezet onderwijs 2020(WVO 2020) besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening Sociaal Domein 2025 gemeente Venray

1

Inleiding verordening Sociaal Domein

Deze verordening sluit aan bij de kadernota Sociaal Domein ‘De volgende stap’ en geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • werken en meedoen in de samenleving • gezond en veilig opgroeien • wonen in een veilige en gezonde omgeving • vervoer naar school • lage inkomens en geldzorgen

• • •

de vorm van de hulp afspraken tussen inwoner en gemeente inwonerparticipatie

In de kadernota Sociaal Domein stellen we het leven van de inwoner en de omgeving centraal. Verder gaan we uit van ‘positieve gezondheid’. Dit bestaat uit meer dan ‘niet ziek zijn’ en richt zich op de inwoner, hoe de inwoner meer veerkracht krijgt en wat het leven betekenis geeft. We richten ons daarom op de inwoner en de omgeving. Hoe kunnen we de inwoner en de omgeving sterker maken zodat de inwoner geen hulp van de gemeente (meer) nodig heeft. 1.1 Waarom deze regels? Het is belangrijk dat inwoners actief kunnen meedoen in de samenleving en hun financiën op orde hebben. Ook is het belangrijk dat inwoners een eigen huishouden kunnen voeren en dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Inwoners moeten in de eerste plaats daar zelf voor zorgen. Lukt dat niet, dan is het de taak van de gemeente om inwoners te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt waarin dat staat. Het gaat om de volgende wetten: • Participatiewet (PW)

•

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)

•

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

• • •

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) Wet inburgering 2021 (Wi 2021) Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

1

• • •

Jeugdwet

•

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Leerlingenvervoer (Llv) Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet voortgezet onderwijs 2020(WVO 2020)

De regels in deze verordening zijn nodig om de wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren. Deze regels vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouders kunnen zulke uitvoeringsregels maken. Die regels staan niet in deze verordening, maar in andere regelingen, zoals het besluit nadere regels of beleidsregels. Op verschillende plekken in de verordening zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders opgeschreven. Dat maakt ze beter leesbaar. Zo zijn de hoofdlijnen van het gemeentelijke sociaal domein goed te zien en kan de lezer de samenhang tussen de regels ontdekken. 1.2 Uitgangspunten van de regels De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: • zijn goed leesbaar • kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners

• • •

zijn afgestemd op elkaar

•

houden de administratieve lasten/kosten voor inwoners en de gemeente zo laag mogelijk

sluiten aan bij de wetten die hierboven zijn genoemd helpen om de doelen van de wetgever te bereiken en belangrijke internationale regels na te komen

1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het gevolg van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom. Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders. Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft). Gemeente Venray zet in op vitale inwoners en een sterke omgeving. Inwoners worden zoveel mogelijk thuis en in hun eigen wijk geholpen.

2

Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de verordening. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels. Bij ieder hoofdstuk staat aangegeven welke kernwaarden we belangrijk vinden voor dat hoofdstuk. Ten slotte: de begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13. 1.4 Uitvoering van de regels Bij het versterken van de omgeving willen we een samenwerkende en ondersteunende gemeente zijn. Daarom willen we duurzaam investeren in de omgeving. Het uitgangspunt is om actief de verbinding te leggen tussen inwoners, hun netwerken en de sociale omgeving. De omgeving gaat altijd voor op de hulp-op-maat. Bij hulp-op-maat verleend door aanbieders streven we naar duurzaam partnerschap. 1.5 Leeswijzer Wat staat in deze verordening? Na de Inleiding staat eerst hoe en waar een inwoner hulp kan vragen aan de gemeente en hoe die hulpvraag wordt opgepakt. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken uit wat de belangrijkste regels zijn. Die regels gaan bijvoorbeeld over hulp van de gemeente om de stap naar werk te zetten (hoofdstuk 3), hulp bij de opvoeding van kinderen (hoofdstuk 4), vervoer naar school (hoofdstuk 6) hulp bij geldzorgen (hoofdstuk 7). In die hoofdstukken staat wanneer de inwoner hulp kan krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten deze hulp geeft.

Daarnaast zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de hulp heeft, over wat inwoners en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de hulp georganiseerd is (hoofdstuk 8-12). De verordening eindigt met een uitleg van belangrijke begrippen die in deze verordening worden gebruikt (deze woorden zijn dikgedrukt in de verordening) en met slotbepalingen (hoofdstuk 13 en 14). Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke kernwaarden voor dat hoofdstuk gelden. Daarna volgen de regels. Die regels zijn gebaseerd op de wetten die bij hoofdstuk 1.1 zijn genoemd. Bij elk artikel staat op welke wet of welke wetten het precies gebaseerd is. Dit kan per artikel en zelfs per hoofdstuk of paragraaf verschillend zijn. In deze verordening komt een aantal keer het woord ‘Gemeentewet’ voor. We bedoelen daarmee de wet die bepaalt dat de gemeenteraad zelf iets kan regelen. Bij een aantal artikelen staat de afkorting ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht). Daarmee bedoelen we dat in de Awb specifieke bepalingen over dat onderwerp staan.

2

De hulpvraag

Soms lukt het inwoners niet om zelf hun problemen op te lossen. Inwoners kunnen dan hulp vragen aan de gemeente. In dit hoofdstuk staat hoe een inwoner die hulpvraag kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe de hulpvraag wordt behandeld en hoe de gemeente tot een besluit komt. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen in 1 keer kunnen worden gesteld. Maar voor bepaalde hulpvragen geldt soms een bijzondere route. In dit hoofdstuk staat ook, hoe inwoners en hulpverleners signalen kunnen doorgeven aan de gemeente, als ze zich zorgen maken over andere inwoners. Geeft de gemeente hulp, dan zorgt de gemeente ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die de inwoner al krijgt. Inwoners en professionals kunnen ook informatie vinden op www.venray.nl. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving.

3

Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders.

2.1 Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wvggz, Llv, Wi] 2.1.1 Melden hulpvraag 1. Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. Dat kan digitaal (gemeente@venray.nl), schriftelijk (postbus 500, 5800 AM Venray), of telefonisch (0478-52 33 33). 2. Inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich ook rechtstreeks melden bij de gemeente Venray, Raadhuisstraat 1 te Venray. 3. Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner (direct) een aanvraag doen. De inwoner kan een aanvraag doen voor de volgende vormen van hulp: a. een bijstandsuitkering voor levensonderhoud b. een IOAW- of IOAZ-uitkering c. bepaalde inkomensvoorzieningen d. jeugdhulp e. persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen f. Leerlingenvervoer In artikel 2.3.1 staat verder hoe een aanvraag kan worden gedaan. 4. De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. 5. Als het nodig is helpen de medewerkers van de gemeente inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag. 6. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding of een aanvraag te doen. 7. Iemand anders kan ook (samen met de inwoner) een melding of, met een machtiging, een aanvraag namens de inwoner doen. 8.

Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen bestaat het Advies- en meldpunt verward gedrag. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst voor de gemeente en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen. 2.1.2 Doel en procedure melding Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Na overleg met de inwoner bepaalt de gemeente of, waar en wanneer het gesprek is en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Als een gesprek nodig is kan dit bij de inwoner thuis zijn, als dit belangrijk is voor de hulpvraag. 2. De inwoner zorgt ervoor dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn voor het gesprek over de hulpvraag. 3. De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven. 4. De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe haar persoonlijke situatie is. In dat plan geeft de inwoner ook aan wat te willen bereiken met de vraag (dat plan heet een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De inwoner krijgt de gelegenheid om na de melding binnen 7 dagen een persoonlijk plan in te leveren bij de gemeente. De termijn van 7 dagen geldt niet voor jeugdhulp. 1.

2.2 Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv]

4

1.

2. 3.

4.

1.

2. 3. 4.

5.

6. 7.

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van haar persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek voor ondersteuning. De inwoner kan ook gebruik maken van een cliëntondersteuner. De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Voor de Jeugdwet is het genoeg het Burgerservicenummer te controleren. Dit kan met een document waar dit op staat of met een check in de Basisregistratie Personen. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek. 2.2.2 Gesprek en onderzoek De medewerker bespreekt met de inwoner de melding en onderzoekt als volgt: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en welk resultaat de inwoner daarmee wil bereiken. Stap 2: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties of met andere voorzieningen.

Stap 3: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen of (on)mogelijkheden er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. Stap 4: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken. Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij haar onderzoek. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag. Als het nodig is, betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek of onderzoek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de medewerker na of de mantelzorger ondersteuning nodig heeft. Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheid om te kiezen voor hulp in natura of een persoonsgebonden budget (pgb). Als de inwoner een pgb wil ontvangen, dan maakt een Bewustkeuzegesprek deel uit van het onderzoek. Dat gesprek gaat over de taken, werkzaamheden en verantwoordelijkheden die horen bij een pgb. Het gesprek gaat ook over de voorwaarden om een pgb te kunnen krijgen. Gaat het om Wmo-hulp waarvoor de inwoner een bijdrage in de kosten moet betalen, dan informeert de medewerker de inwoner hierover. De medewerker voert het gesprek vanuit het gedachtegoed van positieve gezondheid.

2.2.3 Leefzorgplan of plan van aanpak 1. De medewerker maakt een leefzorgplan (Wmo en Jeugdwet) of als nodig een plan van aanpak van de uitkomsten van het onderzoek. 2. Gaat het om een hulpvraag voor Wmo- of jeugdhulp, dan deelt de medewerker het leefzorgplan met de inwoner via de post. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het leefzorgplan toegevoegd. Door het ondertekenen van het leefzorgplan en het terugsturen naar de gemeente wordt de aanvraag gedaan (tenzij de inwoner al een aanvraag heeft gedaan). 2.3 Aanvraag 2.3.1 Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

5

1.

2.

3. 4.

De inwoner kan, uitgezonderd de hulpvragen, zoals bedoeld in artikel 2.1.1. lid 3, een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond. Een Wmoaanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, maar in ieder geval vanaf 6 weken, nadat de inwoner de melding heeft gedaan. Een aanvraag voor jeugdhulp kan worden gedaan zonder voorafgaand onderzoek naar de hulpvraag. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft. De inwoner gebruikt een aanvraagformulier om een aanvraag te doen. Voor jongeren tot 27 jaar geldt een wettelijke zoektermijn van 4 weken naar werk en/of opleiding bij de melding om een voorziening bijstand. Naast de wettelijke uitsluitingen, kan de gemeente besluiten om de zoektermijn niet te hanteren indien daar redenen voor zijn.

2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, Wgs, PW, IOAW, IOAZ] 1. Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. De hulp is noodzakelijk om (1 van) de doelen van de in hoofdstuk 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. De inwoner kan dit resultaat ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. De hulp is geschikt om het gewenste resultaat te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. 3. De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste resultaat te bereiken. 4. Als er sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of hulp-op-maat voor onbepaalde tijd passend is. De gemeente onderzoekt periodiek of de hulp-op-maat nog passend is.

Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de hulp-op-maat. 5. De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren en/of afstemmen als: a. de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en zij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; of als b. de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft geregeld of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden; of als c. de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen. 2.3.3 Advisering [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen beoordelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag. 2.3.4 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

6

1. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de stappen zoals vermeld in artikel 2.2.2 lid 1. Als deze onderzoekstappen al voor de aanvraag zijn doorlopen dan volgt in deze fase het besluit op de aanvraag op basis van de uitkomsten van het onderzoek.

2. Indien een inwoner binnen 12 maanden na beëindiging van de voorziening bijstand een nieuwe aanvraag wil indienen, dan kan dat opnieuw eenvoudig gedaan worden. 2.3.5 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken. 2. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen. 2.4 Beslissing [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de inwoner een vertegenwoordiger heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. Bij jeugdhulp en Wmo-hulp maakt het leefzorgplan deel uit van het besluit. 2.

Geeft de gemeente de hulp in natura (een product of een dienst) dan staat in het besluit in ieder geval: a. welke hulp wordt toegekend en wat het doel van de hulp is; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. door wie de hulp wordt gegeven. Diegene die de hulp geeft, maakt samen met de inwoner afspraken over hoe de hulp wordt gegeven en d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welke hulp het pgb bedoeld is; b. wat het doel is van die hulp; c. hoe hoog het pgb is en hoe dat berekend is; d. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; e. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt en f. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: a. hoeveel geld het is; b. voor welk doel het geld wordt gegeven; c. wanneer het geld wordt betaald; d. hoe vaak het geld wordt betaald en e. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het ontvangen en uitgeven van geld. 5. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. 6. De gemeente informeert de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit.

2.5 Uitzonderingen 2.5.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners [Jeugdwet, Awb]

7

1.

2.

De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, gecertificeerde instellingen en zorgverzekeraars over doorverwijzingen.

2.5.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs] In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. 2.5.3 Inburgeringsplichtigen [Wi] Met de komst van de Wet inburgering 2021 (Wi) is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Statushouders worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Venray en zo snel mogelijk gehuisvest. Gezinsmigranten en overige migranten krijgen een kennisgeving van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) over de inburgeringsplicht. In de DUO portal krijgt de gemeente een seintje wanneer de statushouder, gezinsmigrant of overige migrant zich in de gemeente heeft ingeschreven of aan de gemeente is gekoppeld. Dat is het signaal dat de gemeente betrokkene moet uitnodigen voor de brede intake. De consulent Inburgering nodigt de statushouder, gezinsmigrant of overige migrant uit voor een brede intake.

1.

2.

3.

4.

5.

1.

2.5.3.1 Brede intake De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtigen een brede intake af. De brede intake geeft een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. In overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake geeft de gemeente invulling aan het inburgeringstraject. Statushouders, gezinsmigranten en overige migranten worden op het moment van inschrijving in de gemeente uitgenodigd voor de brede intake. De brede intake wordt vervolgens zo snel mogelijk afgenomen. De brede intake bestaat in ieder geval uit: a. een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner; b. een onderzoek naar de persoonlijke situatie van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid; c. een verkenning van de mogelijkheden om het kind (indien van toepassing) van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en d. een leerbaarheidstoets. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart: a. het taalniveau van de inwoner; b. de mogelijkheden tot (arbeids)participatie; c. de mate van zelfredzaamheid en d. de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie.

De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP). 2.5.3.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) Na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie, stelt de gemeente het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De

8

2.

3.

gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner. De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen 10 weken na inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar zij of zij wordt gehuisvest na verblijf in het AZC of naartoe verhuist. Dit is anders als betrokkene op dat moment nog niet woonachtig is in de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten geldt dan 10 weken na schriftelijke kennisgeving DUO en voor statushouders 10 weken na inschrijving in BRP gemeente. Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Venray, stelt de gemeente het PIP opnieuw vast. De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.

9

3

Werken en meedoen in de samenleving

Dit hoofdstuk gaat over werk en participatie (meedoen in de samenleving). Het is belangrijk dat inwoners in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De gemeente verwacht daarom van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil inwoners daarbij ondersteunen. Welke hulp de gemeente kan geven, staat in dit hoofdstuk. Die hulp noemen we ook wel: een voorziening. De gemeente heeft de inwoners goed in beeld en

ontsluiten daarop een passend aanbod van voorzieningen. De gemeente is hier samen met partners en werkgevers verantwoordelijk voor. De gemeente kan iets terugvragen van inwoners met een uitkering. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving. Dat kan bij voorkeur via betaald werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste regels voor de hulp die de gemeente kan geven om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet of op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving.

De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom.

3.1 Voor wie? [PW, IOAW, IOAZ, Wmo] 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden. Als dat niet lukt, kan de gemeente de volgende inwoners helpen om een stap richting werk te zetten, hierna te noemen de doelgroep: a. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht of met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; b. Niet-uitkeringsgerechtigden (NUG-ers). Dit zijn inwoners, jonger dan de Aowgerechtigde leeftijd, die geen hulp (of een uitkering) kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per persoon beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven: als ze niet of minder dan 12 uur per week werken, en wel meer dan 12 uur per week willen werken; als ze in een uitkeringssituatie dreigen te geraken. c. Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of onderwijs volgen en geen havodiploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden of leidt hen naar passende hulp. 2. Inwoners moeten kunnen meedoen in de samenleving. Meedoen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van inwoners zelf. De gemeente helpt in ieder geval de volgende inwoners om mee te doen in de samenleving als dat op eigen kracht of op andere manieren niet lukt:

10

a. b.

Inwoners met een beperking; Inwoners met een langdurig psychisch of psychosociaal probleem.

3.2 Samenwerking met de omgeving [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente werkt (preventief) samen met werkgevers, UWV, regiogemeenten en andere organisaties. De gemeente doet dat om afhankelijkheid van een uitkering te voorkomen en/of inwoners te helpen werk te vinden dat bij hen past. 2. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden. De gemeente doet dat bijvoorbeeld via het Werkgeversservicepunt Noord-Limburg. 3. De gemeente werkt met andere maatschappelijke organisaties samen in het participatienetwerk. Dit om overzicht te scheppen in de diverse initiatieven op het gebied van participatie, de onderlinge verbinding tussen deze initiatieven te stimuleren en inzicht te krijgen in de doorlopende leer- of ontwikkellijnen van dagbesteding tot aan betaald werk. 3.3 Voorwaarde geen verdringing 1. Bij participatie en werk mag geen sprake zijn van verdringing. Het gaat dan om werkzaamheden die door de inwoner niet eerder betaald zijn uitgevoerd, om een speciaal gecreëerde functie of om een functie die alleen met speciale begeleiding kan worden verricht door de inwoner. De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. 2.

Er is geen sprake van verdringing bij de inzet van voorzieningen als werkervaringsplaats, (leer)werkstage en proefplaatsing. 3.4 Voorzieningen 3.4.1 Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ, Wsw, Wmo] 1. De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte participatie tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. Inwoners kunnen zelf op eigen initiatief deelnemen aan activiteiten die geen verplichting vanuit de bijstandsuitkering of re-integratie schenden. De gemeente hoeft daarvoor geen toestemming te verlenen. 2. De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft. 3. Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de werkgever. 4. Bij sommige voorzieningen verricht de inwoner werkzaamheden bij een werkgever. De werkgever heeft ten behoeve van deze inwoner een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten voor de uren dat de inwoner aanwezig is.

Als de werkgever aantoonbaar geen aansprakelijkheidsverzekering kan afsluiten zorgt de gemeente hiervoor. 5. Bij sommige voorzieningen wordt een dienstverband aangegaan. Dit kan bij de inzet van voorzieningen ook aan de hand van detachering. 6. Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven. 7. Het doel van een voorziening is het persoonlijk ontwikkelen of vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende voorzieningen inzetten: Voorziening naar werk of naar participatie a. sociale activering; b. (leer)werkstage; Werkplekken

11

8.

9.

10.

11.

c. beschut werk; d. werkervaringsplaats; e. proefplaatsing; Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen; f. scholing g. taalscholing h. leerwerktrajecten Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen voor inwoners met een arbeidsbeperking i. jobcoaching; j. interne werkbegeleiding; Faciliterende voorziening k. kinderopvang l. reiskosten m. een meeneembare voorziening en/of bij een motorische beperking n. een vervoersvoorziening Financiële compensatie o. wettelijke loonkostensubsidie p. opstapsubsidie Deze voorzieningen worden hieronder toegelicht. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner, welke voorziening wordt ingezet en voor welke periode. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, haar mogelijkheden, interesses, vaardigheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de goedkoopste en geschikte voorziening. De voorwaarden uit artikelen 2.3.2 en 2.3.3 zijn van toepassing. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welk doel met de re-integratie wordt beoogd en welke hulp de inwoner krijgt om het doel te bereiken. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt en vormt de basis voor het reintegratietraject.

Onbeloonde werkzaamheden die de arbeidsinschakeling niet belemmeren kunnen als reintegratievoorziening worden aangeboden, maar kunnen ook als activiteit in het kader van maatschappelijke participatie (en wederkerigheid) worden uitgevoerd. Voor NUG-ers kan de gemeente aanvullende voorwaarden gebruiken: a. of er een eigen bijdrage voor de inzet van een voorziening geldt en zo ja, wat de hoogte hiervan is; b. of er een maximale periode voor de inzet van een voorziening geldt; c. of er een maximaal bedrag voor de inzet van een voorziening geldt; d. wat de gevolgen zijn bij vroegtijdig afbreken van de aangeboden voorziening, waaronder het (gedeeltelijk) terugvorderen van de gemaakte kosten.

3.4.2 Voorzieningen – beëindiging en weigering De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de inwoner niet behoort tot de doelgroep; b. de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de inwoner die aan de voorziening deelneemt haar verplichtingen niet nakomt; b. de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; 1.

12

c.

3.

de inwoner die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de participatiewet; d. de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening; f. de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. De gemeente biedt de goedkoopste en meest geschikte voorziening aan en houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn. Het aanbod wordt, als dat nodig is, intern afgestemd zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de inwoner. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak.

3.4.3 Voorziening naar werk of naar participatie 3.4.3.1 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. De nadruk ligt op meedoen in de samenleving, het voorkomen van eenzaamheid en/of het ontlasten van mantelzorgers. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. In het kort: maatschappelijke participatie. 3. Sociale activering kenmerkt zich door de volgende opsomming: a. deelname aan activiteiten met behoud van bijstandsuitkering; b. het ontbreken van werk- en/of prestatiedruk; c. op een plek waarbij het doel is om samen te komen met anderen. 4. Sociale activering is mogelijk gedurende de periode dat het noodzakelijk is voor verdere ontwikkeling van de inwoner. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 3.4.3.2 (Leer)werkstage [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan een (leer)werkstage aanbieden. 2. Het doel van de (leer)werkstage is om specifieke kennis en/of vaardigheden aan te leren binnen een arbeidsrelatie. 3. De (leer)werkstage kenmerkt zich door de volgende opsomming: a.

het werken met behoud van bijstandsuitkering; b. het opdoen van arbeidsmarktrelevante kennis/vaardigheden, competenties en werkervaring staat centraal en niet de waarde van deze activiteiten voor het bedrijf; c. het werken bij een privaatrechtelijke onderneming (niet zijnde vrijwilligersorganisatie). 4. Een (leer)werkstage duurt maximaal 6 maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen naar een periode van maximaal nog eens 6 maanden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 3.4.4 Werkplekken 3.4.4.1 Beschut werk [PW]

13

1.

2. 3.

4.

5.

6.

De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en NUG-ers kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden. De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. Zolang de wettelijke taakstelling voor beschutte werkplekken niet is vervuld, worden beschutte werkplekken toegekend in de volgorde van aanvraag. Aanvullende werkplekken kunnen op basis van individueel maatwerk toegekend worden. De gemeente kan de volgende voorzieningen aanbieden, zodat een inwoner beschut kan werken: a. wettelijke loonkostensubsidie; b. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; c. opsplitsing van werkzaamheden in kleinere taken; d. aanpassing van werktempo, arbeidsduur of werkbegeleiding. De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan, ter overbrugging, de volgende voorzieningen inzetten: a. sociale activering; b. werkervaringsplaats; of c. een vergelijkbare voorziening.

De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor: a. sociale activering; b. werkervaringsplaats; c. proefplaatsing; d. scholing; e. een vergelijkbare voorziening.

3.4.4.2 Werkervaringsplaats [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan, een werkervaringsplaats aanbieden. 2. Een werkervaringsplaats heeft tot doel de inwoner kansen te geven om te oefenen en te leren in het werk. Zo doet deze algemene kennis en/of vaardigheden op binnen een arbeidsrelatie. 3. De werkervaringsplaats kenmerkt zich door de volgende opsomming: a. met behoud van bijstandsuitkering; b. bij een publiek/privaat bedrijf of instelling; c. betreft werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd. 4. Een werkervaringsplaats duurt in beginsel maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 3.4.4.3 Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt wel een bijstandsuitkering tijdens die periode. 2. Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor de organisatie en de functie. 3. Als de inwoner geschikt is voor het werk, volgt er een dienstverband aansluitend op de proefplaatsing. Dit dienstverband is minimaal gelijk aan de uren van de proefplaatsing.

Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing.

14

4.

5.

6.

7.

De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat zij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden. De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. Met goede reden is er de mogelijkheid de proefplaatsing te verlengen met maximaal 4 maanden. Bij een proefplaatsing van maximaal 2 maanden volgt een dienstverband van minstens 6 maanden. Bij een proefplaatsing tussen de 2 en 6 maanden volgt een dienstverband van minimaal 12 maanden (zonder proeftijd). Als de werkzaamheden binnen de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode zoals bedoeld in lid 5, niet meegeteld. De gemeente weigert de proefplaatsing als: a. de inwoner ook zonder proefplaatsing direct kan worden aangenomen voor het werk; b. er sprake is van een dienstverband met opstapsubsidie als bedoeld in artikel 8 onderdeel a, van de participatiewet; c. er sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, 5e lid, van de participatiewet.

3.4.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen 3.4.5.1 Scholing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden. 2. Indien de gemeente scholing of opleiding aanbiedt (of de inwoner zelf een opleiding of cursus voorstelt), die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, betrekt de gemeente bij de beoordeling: a. de scholingswens van de inwoner; b. in hoeverre de scholing duurzame arbeid bevordert; c. in hoeverre de kans op algemeen geaccepteerde arbeid zonder scholing is te volgen; d. de inwoner in staat is scholing te volgen (intellectueel, psychisch en fysiek); e. bij de inzet van scholing wordt gekeken wat de vraag is naar arbeidskrachten in de speerpuntensectoren zoals benoemd in ‘Regio in beeld’. Dit is de jaarlijkse publicatie van het UWV over alle arbeidsmarktregio’s in Nederland. 3. Scholing tot maximaal HBO-niveau kan worden aangeboden in sectoren waar er een krapte op de arbeidsmarkt is en naar alle verwachting ook in de toekomst zal blijven. 3.4.5.2 Taalscholing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan met een inwoner die niet beschikt over de vaardigheden van de Nederlandse taal, of deze niet kan aantonen, een taalscholing afspreken. 2.

De taalscholing heeft tot doel om de Nederlandse taalvaardigheden beter te beheersen, wat nodig is voor maatschappelijke participatie en het vinden en behouden van een werkplek. Soms is het volgen van taalscholing verplicht. Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. 3. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 4. De gemeente draagt zorg voor de betaling van de directe kosten van de opleiding van de taalscholing (cursusgeld en boekengeld). De inwoner draagt zorg voor de betaling van de overige kosten die gemoeid zijn met de taalscholing (schriften, schrijfgerei, reiskosten en dergelijke). 3.4.5.3 Leer-werktrajecten [PW]

15

1. 2.

3.

4.

Indien de scholing als genoemd in artikel 3.4.5.1 een leer-werktraject betreft, kan de gemeente ondersteuning en/of advies aanvragen bij het Leerwerkloket Noord-Limburg. In de beoordeling van de vergoeding van de kosten van een leer-werktraject wordt beoordeeld of andere reguliere middelen toereikend zijn, alvorens gemeentelijke middelen worden ingezet. Tot het moment van aanvang van een leer-werktraject kan de gemeente andere voorzieningen aanbieden, bedoeld om de mogelijkheden voor leren en/of werken te stimuleren. De gemeente kan tijdens een leer-werktraject aanvullende dienstverlening toekennen gericht op ondersteuning van de werkgever dan wel de inwoner, voor zover dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk geacht wordt voor het re-integratietraject.

3.4.6 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen voor inwoners met arbeidsbeperking. 3.4.6.1 Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag van de inwoner of werkgever persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2, de volgende voorwaarden: a. de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij zij praktijkonderwijs (pro) of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd; b. de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken; c. de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWVwerkvoorzieningen (Externe link:www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen); d. het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel of werkplekaanpassing waarvoor de werkgever in zijn algemeenheid verantwoordelijk is; e. het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. de kosten van de voorziening moeten in verhouding zijn.

Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk of de opbrengsten van uitstroom naar werk. 3. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij de noodzaak voor ondersteuning bij de start van de arbeidsovereenkomst nog niet bekend kon zijn. 4. De gemeente kan een deskundig advies inwinnen als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen. Bij beoordeling van de aanvraag wordt de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen. 5. De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden, ook voor hoelang en tot wanneer. De gemeente legt dit binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag vast in een beschikking. 3.4.6.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van: a. Jobcoaching in natura; b. Jobcoaching door een externe jobcoach (vanuit het regionaal afgestemd inkoopbeleid); c. Interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider; 2. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk inzetten bij: a. Werkervaringsplaats; b. Werkstage; c. Proefplaatsing;

16

d.

Werk met dienstverband.

3.4.6.3 Persoonlijke ondersteuning bij werk van een jobcoach [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een inwoner jobcoaching in natura of een jobcoach vanuit het regionaal afgestemd inkoopbeleid aanbieden. Deze voldoen aan de kwaliteitseisen zoals te vinden op de site Algemeen programma van eisen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen het werk goed te doen en de werkgever bij het bieden van de juiste begeleiding. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij haar ontwikkeling op de werkplek. 3. Als de gemeente zelf 1 of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan. 4. Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen, hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welke periodedie werknemer jobcoaching kan krijgen. 5. De maximumbedragen zijn gebaseerd op het regionaal afgestemd inkoopbeleid. 6. Voor de doelgroep zoals bedoeld in artikel 10da van de participatiewet kan jobcoaching voor onbepaalde tijd worden ingezet. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

3.4.6.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor het organiseren van jobcoaching via subsidie [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.4.6.3 worden verleend. Daarnaast als: a. er een coachingsplan is vastgesteld. Daarin staat beschreven welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de evaluatie plaatsvindt; b. de hoeveelheid en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer; c. de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. De maximumbedragen die voor subsidie in aanmerking komen zijn gebaseerd op het regionaal afgestemd inkoopbeleid. 3.4.6.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor interne werkbegeleiding via subsidie [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. De subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker. 2.

De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers. 3.4.7 Faciliterende voorziening 3.4.7.1 Kinderopvang [PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang] 1. De gemeente kan een bijdrage verstrekken voor de kosten van kinderopvang als: a. de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en

17

2.

3.

b. kinderopvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. De bijdrage bedraagt ten hoogste de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf zal moeten betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. De kinderopvangtoeslag wordt zoveel mogelijk benut; en b. De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau; en c. De inwoner heeft een bijstandsuitkering of een Anw-uitkering; en d. Er is sprake van een van onderstaande voorzieningen: i. De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt; of ii. De kinderopvang is nodig om een inburgeringscursus te volgen bij een gecertificeerde instelling; of iii. De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door het aantal uren dat kinderopvang noodzakelijk is gedurende de voorziening en kan na afloop van de voorziening tot maximaal 1 jaar worden voortgezet. Dit ter voorkoming van de armoedeval.

3.4.7.2 Reiskosten De gemeente kan aan een inwoner in het kader van een voorziening een bijdrage verstrekken in gemaakte of te maken reiskosten. 2. Onder directe kosten kunnen onder de onderstaande voorwaarden reiskosten in het kader van toeleiding naar werk, scholing of inburgering worden verstaan, waarbij geldt dat: a. de gemeente de reiskosten vergoedt als de reisafstand voor de inwoner 10 km -of meer- is en er binnen 10 km geen andere passende voorziening is. Binnen 10 km wordt van de inwoner verwacht dat deze te voet gaat of met de fiets. b. de vergoeding gelijk is aan de kosten van openbaar vervoer zoals berekend op 9292.nl; c. bij eigen vervoer de vergoeding conform de onbelaste vergoeding zoals vastgesteld door de Belastingdienst bedraagt; d. als de inwoner meer kosten maakt, zij vervoersbewijzen dient te overleggen en de gemeente volgens de daadwerkelijk gemaakte reiskosten op basis van openbaar vervoer vergoedt. 1.

3.4.7.3 Een meeneembare voorziening en/of bij een motorische beperking [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een inwoner een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is. Ondersteuning bij een motorische beperking betreft hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met bewegen. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening. 3.4.7.4 Een vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een inwoner een vervoersvoorziening toekennen, als de inwoner door haar structurele beperking niet zelfstandig naar haar werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld.

18

2.

3.

4.

Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van. De gemeente brengt een eventuele reiskostenvergoeding vanuit de werkgever in mindering op de vergoeding door de gemeente. De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door haar beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer; en b. kan niet carpoolen; en c. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. De gemeente beoordeelt het nut en de noodzaak van de specifieke vervoersvoorziening. Dit artikel is niet van toepassing op NUG-ers.

3.4.8 Financiële compensatie 3.4.8.1 Wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente en/of de inwoner kan een verzoek doen om vast te stellen of er sprake is van een verminderde loonwaarde voor het ontvangen van wettelijke loonkostensubsidie. Hiervoor gelden vanuit artikel 10c en 10d van de participatiewet specifieke voorwaarden. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. 3. De gemeente stelt binnen 6 maanden na het begin van het (1e) dienstverband vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is (welke loonwaarde zij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan vastgesteld worden aan het begin van het dienstverband en opnieuw tijdens het dienstverband. Hierbij is het belangrijk om te weten dat er geen sprake is van de no-riskpolis voor datum loonwaardemeting én dat er geen sprake meer is van een loonkostenvoordeel. Dit laatste kan enkel als de datum loonwaarde meting vóór datum indiensttreding ligt. 4.

Als het dienstverband al is gestart bij de aanvraag, kan de gemeente de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van 50% van het wettelijk minimumloon, in afwachting van vaststelling van de loonwaarde. 5. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. Er wordt maximaal 70% vergoed aan loonkostensubsidie (ook bij een loonwaarde lager dan 30%). Dit is inclusief werkgeverslasten én vakantiegeld. Er wordt geen loonkostensubsidie verstrekt voor overwerk. 6. De gemeente stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij lid 4 van toepassing is. 3.4.8.2 Opstapsubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt voor een korte periode opstapsubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen in het kader van maatwerk en dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is. Opstapsubsidie is niet mogelijk als de werkgever voor deze inwoner wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8.1) en niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed. 3.

De opstapsubsidie is maximaal 50% van het Wettelijk minimumloon naar rato van de omvang van het dienstverband, tot maximaal € 500 per maand. De opstapsubsidie duurt maximaal 6 maanden. 3.5 Andere voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ]

19

1.

2.

3. 4. 5.

3.6 1. 2. 3.

4.

De gemeente kan andere voorzieningen, waaronder ook de voorzieningen in de artikelen 3.4.6.1 tot en met 3.4.6.5, inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten en/of de belastbaarheid te verhogen. Deze andere voorzieningen worden ingezet voor maximaal 6 maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen met 2 periodes van maximaal 6 maanden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen, als de inwoner die kosten niet op een andere manier vergoed kan krijgen. De gemeente kan op aanvraag inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de bijstandsuitkering. De gemeente kan een uitstroompremie verstrekken ter bevordering van duurzame uitstroom en compensatie van een eventuele armoedeval. Voor inwoners die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. Ontheffing van arbeidsverplichtingen De gemeente kan besluiten om een inwoner tijdelijk te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

Aanvullend op de wettelijke mogelijkheden om een ontheffing te verlenen, kan scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.5.1 aanleiding zijn voor een tijdelijke ontheffing. Alvorens over te gaan tot beoordeling van het tijdelijk ontheffen van de arbeidsverplichtingen, kan de gemeente de inwoner ook een traject aanbieden ter bevordering van diens belastbaarheid. Voor de beoordeling van een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen, kan de gemeente advies inwinnen bij derden, ook kan het UWV ingeschakeld worden ter beoordeling van een indicatie banenafspraak of een indicatie beschut werk.

3.7 Tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] 3.7.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente kan een inwoner met een bijstandsuitkering een tegenprestatie opleggen, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2. De gemeente kan maatschappelijk nuttige activiteiten voor de samenleving inzetten als tegenprestatie. 3. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich voor het ontvangen van een bijstandsuitkering inzet voor de samenleving en/of de persoonlijke ontwikkeling, zonder dat deze is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt of als onderdeel binnen een reintegratietraject. 3.7.2 Voorwaarden tegenprestatie Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met: a. de persoonlijke ideeën, voorstellen en omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, zorgtaken zoals mantelzorg, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen; b. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door de inwoner; c. maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk dat door de inwoner al wordt gedaan. 2. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd. 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14428943/5