CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bestemminstplan Oostrum-Oost Toelichting en Regels

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostrum-Oost.23.698 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Oostrum-Oost

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 10

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Conclusie

16 16 17 19 19 20

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Explosieven 4.13 Vormvrije MER-beoordeling

21 21 23 25 26 28 29 30 31 33 35 37 37 38

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

39 39 40

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Maatschappelijke haalbaarheid

42 42 42 43

Bijlagen bij toelichting

45

Bijlage 1

Laddertoets

46

Bijlage 2

Verkeersonderzoek

47

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

48

Bijlage 4

Aanvullend grondwateronderzoek

49

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

50

Bijlage 6

Watertoets

51

Bijlage 7

Quickscan Wet natuurbescherming

52

2

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Bijlage 8

Vervolgonderzoek Steenuil

53

Bijlage 9

Stikstofdepositieberekening

54

Bijlage 10

Archeologisch vooronderzoek

55

Bijlage 11

Vooronderzoek explosieven

56

Bijlage 12

Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling

57

Bijlage 13

Vooroverlegreactie provincie

58

Bijlage 14

Vooroverlegreactie waterschap

59

Bijlage 15

Omgevingsdialoog

60

Regels

61

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

62 62 67

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Groen Verkeer Wonen Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 4

68 68 70 71 76 78

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels

80 80 80 81 81 82 82 83

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

84 84 84

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

3

bestemmingsplan Oostrum-Oost

4

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Toelichting

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

5

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Om een deel van de woonbehoefte binnen de kern Oostrum op te vangen, wordt de locatie OostrumOost herontwikkeld tot een nieuw woongebied met maximaal 59 woningen. Het gaat daarbij om een mix van verschillende woningtypen, om te voorzien in de woningbehoefte van verschillende doelgroepen. Het betreft grondgebonden sociale huurwoningen, kleinere goedkope grondgebonden koopwoningen, eengezinskoopwoningen, gelijkvloerse woningen en twee-onder-een-kapwoningen. Aanvullend worden ten behoeve van een particulier initiatief ook twee vrijstaande woningen, aan de zijde van de Van Broekhuizenstraat, gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Venray, aan de noordoostzijde van de kern Oostrum. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Venray, sectie S, nr's 339, 932 (deels), 1876 en 1877. Het plangebied heeft een omvang van circa 22.750 m 2 en wordt begrensd door:  Noordzijde: de Van Broekhuizenstraat  Oostzijde: een zijdelingse woonperceelsgrens en agrarische gronden;  Zuidzijde: een drietal woonpercelen en de Mgr. Hanssenstraat;  Westzijde: de achterperceelsgrenzen van de woningen aan de Geysterseweg. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (rode stip)

6

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3

Geldend(e) bestemmingsplan(nen)

Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Oostrum', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 22 december 2015. In het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4'.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) De beoogde woningbouwontwikkeling is niet passend binnen de beide bestemmingen, omdat ter plaatse geen (extra) woningen mogen worden gerealiseerd. Vandaar dat de bestemming voor de gronden in het plangebied moet worden herzien.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

7

bestemmingsplan Oostrum-Oost

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Huidige situatie

In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit enkele agrarische percelen en een deel van een boerenerf met een opstal. Het boerenerf aan de Geysterseweg 2 bestaat uit één woning met twee opstallen, waarvan de meest noordelijke opstal dus binnen het plangebied valt en zal worden gesloopt. Opgaand groen ontbreekt in nagenoeg het gehele plangebied. Het plangebied wordt aan de noord-, zuid- en westzijde omgeven door bestaande woningen. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van het plangebied en de omliggende bestaande bebouwing weergegeven:

Impressie van het plangebied vanaf de Mgr. Hanssenstraat

Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

9

bestemmingsplan Oostrum-Oost

2.2

Toekomstige situatie

Aan de oostzijde van Oostrum hebben al verschillende woningbouwontwikkelingen plaatsgevonden, waaronder enkele kleinschaligere initiatieven langs de Van Broekhuizenstraat en een nieuwe woonbuurt aan de noordzijde van de Oostrumsche Beek. De voorliggende woningbouwontwikkeling sluit hierbij aan en vormt een nieuwe afronding aan deze oostzijde van Oostrum. De belangrijkste uitgangspunten die gehanteerd zijn in het ontwerp zijn:  Het creëren van een landschappelijke overgang tussen de nieuwbouw en het landelijk gebied. Hiertoe wordt aan de oost- en westzijde van het plangebied een groene zone gecreëerd, waar tevens ruimte is voor de berging van hemelwater;  Het open houden van een zichtlijn tussen enerzijds de kerk en omgeving, en anderzijds het landelijk gebied;  Een nieuwe ontsluiting tussen de Van Broekhuizenstraat aan de noordzijde en de Mgr. Hanssenstraat aan de zuidzijde. Door een deel van de ontsluiting aan de buitenzijde te leggen blijft het omliggende landschap voor iedereen beleefbaar;

Visualisatie van de gehanteerde uitgangspunten Nagenoeg alle woningen worden ontsloten via een lus-ontsluiting die op twee plaatsen verbonden is met de bestaande wegenstructuur.

10

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Concept/indicatieve verkaveling + inrichting Oostrum-Oost Programma Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 59 grondgebonden woningen mogelijk. Van de 59 woningen worden er 2 wooneenheden op particuliere gronden langs de Van Broekhuizenstraat gerealiseerd. De andere 57 wooneenheden maken onderdeel uit van de ontwikkeling van het nieuwe woongebied. De woningen zijn voor verschillende doelgroepen bedoeld, variërend van woningen voor starters, levensloopbestendige woningen voor ouderen en woningen voor gezinnen. Het gaat om 9 grondgebonden sociale huurwoningen, 10 kleinere goedkope grondgebonden koopwoningen, 16 eengezinskoopwoningen, 6 gelijkvloerse woningen en 16 tweeonder-een-kapwoningen.

2.2.1

Beeldkwaliteit

In deze paragraaf zijn de beeldkwaliteitscriteria voor de woningbouwontwikkeling Oostrum-Oost opgenomen. Het gaat daarbij om concrete toetsingscriteria, die als zodanig kunnen worden toegepast bij de beoordeling van de (toekomstige) bouwplannen in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning. Hierbij wordt opgemerkt dat het stedenbouwkundig plan geen blauwdruk vormt, maar richting geeft aan de toekomstige ontwikkeling van Oostrum-Oost. De hoofdopzet bevat ruimte om binnen sommige bouwvelden/-stroken te schuiven met woningtypen, zodat optimaal kan worden ingespeeld op de toekomstige wensen en woningbehoefte. Daarnaast geldt dat als een bouwplan bijzondere architectonische kwaliteiten bezit, maar niet voldoet aan de specifieke beeldkwaliteitscriteria, een welstandscommissie bevoegd is om in haar advies gemotiveerd af te wijken. Het nieuwe woongebied Oostrum-Oost krijgt een herkenbare, eigen identiteit. Dit komt met name tot uiting in de inrichting van het openbaar gebied, de vormgeving van de woningen en de samenhang hiertussen. Op hoofdlijnen wordt gekozen voor gelijkheid en afstemming. Voor de beeldkwaliteit van de woningen worden op onderdelen andere accenten gelegd. Hiervoor is een onderscheid gemaakt tussen twee deelgebieden: 'Wonen aan het lint' en 'Wonen aan het landschap'.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

11

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Wonen aan het Lint Dit betreft de 6 woningen aan de Van Broekhuizenstraat en de 4 woningen aan de Geysterseweg. Voor dit deelgebied gelden de onderstaande beeldkwaliteitscriteria. Situering  De woningen zijn georiënteerd op de straat. Op hoeksituaties dient de bebouwing een tweezijdige oriëntatie te krijgen met gevelopeningen richting het openbaar gebied.  De bebouwing staat op verschillende afstanden tot het openbaar gebied; de rooilijn varieert. Bouwmassa en kapvorm  De bouwmassa van een woning wordt gekenmerkt door een samengestelde hoofdvorm, passend bij de bestaande lintbebouwing. Met toevoegingen zoals bijvoorbeeld een erker of dakkapel, en het accentueren van de entree, wordt het individuele karakter benadrukt.  De hoofdbebouwing wordt voorzien van een eenvoudige of een deels samengestelde kapvorm; in basis een zadeldak met een geringe overstek. Aan- en bijgebouwen worden bij voorkeur voorzien van een eenvoudige kapvorm, of een platdak. Afgeknotte kapvormen worden uitgesloten. Architectuurstijl  Ingetogen baksteenarchitectuur met lokale/regionale kenmerken; geen historiserende architectuur. Gevelbeeld  Door middel van de geleding van het gevelbeeld wordt een overgang gemaakt naar de straat en een te grote eenvormigheid vermeden. Waar van toepassing is een verlaging van de gootlijn te overwegen.  Wanneer o.a.

uitbouwen, erkers, dakkapellen worden toegepast, dient sprake te zijn van samenhang met de architectuur van de woning. Materialisering, kleurgebruik en toevoegingen  In principe één soort (gemêleerde) gevelsteen toepassen. Het metselwerk wordt bij voorkeur voorzien van verbijzonderingen, zoals een plint, rollagen en/of bijzondere metselverbanden.  Het dak is gedekt met antraciet of leizwarte keramische dakpannen, vlak en ongeglazuurd.  Zonnepanelen worden als eenaaneengesloten vlak of in lijn aangebracht evenwijdig aan de nok.  Eventuele dakdoorvoeren, warmtepompen, schoorstenen en of andere installaties zijn onderdeel van de architectuur en zo min mogelijk waarneembaar vanaf openbaar gebied.  Natuurinclusieve maatregelen worden meegenomen in de architectuur. Erfgrenzen  Op de overgang openbaar-privé aan de voorzijde van de woningen wordt een lage haag toegepast of krijgt de voortuin een groene inrichting.  De tuinen die grenzen aan het openbaar gebied zijn voorzien van een begroeid hekwerk, met een hoogte van circa 1,8 m. Wonen aan het landschap Dit betreft de 35 woningen die direct of indirect zicht hebben op het buitengebied aan de oostzijde van Oostrum. Voor dit deelgebied gelden de onderstaande beeldkwaliteitscriteria Situering  De woningen zijn georiënteerd op de straat.

Op hoeksituaties dient de bebouwing een tweezijdige oriëntatie te krijgen met gevelopeningen richting het openbaar gebied.  De bebouwing staat in principe op een gelijke afstand tot het openbaar gebied; verspringingen in de rooilijn zijn mogelijk. Bouwmassa en kapvorm  De bouwmassa van een woning wordt gekenmerkt door een eenvoudige hoofdvorm. In basis kent de hoofdmassa een heldere vorm die passend is bij de architectuur. Op specifieke locaties kan een samengestelde vorm als accent wordt toegepast.  De hoofdbebouwing wordt voorzien van een eenvoudige kapvorm; overwegend een zadeldak met een geringe overstek. Aan- en bijgebouwen worden voorzien van een platdak. Afgeknotte kapvormen worden uitgesloten.

12

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Architectuurstijl  Expressieve baksteenarchitectuur met een eigentijdse uitstraling. Gevelbeeld  De woningen binnen een bouwblok vormen een geheel. Samenhang aanbrengen in het gevelbeeld door een overwegend horizontale geleding.  Binnen langere blokken rijwoningen zijn enkele woningen verbijzonderd. Ook kan de ritmiek van het gevelbeeld bij rijwoningen worden afgewisseld door bijvoorbeeld het spiegelen van voordeuren of het omkaderen raampartijen.  Wanneer o.a. uitbouwen, erkers, dakkapellen worden toegepast, dient sprake te zijn van samenhang met de architectuur van de woning. Materialisering, kleurgebruik en toevoegingen  In principe één soort (gemêleerde) gevelsteen toepassen, eventueel gecombineerd met keimwerk of houten geveldelen.  Het dak is gedekt met antraciet of leizwarte keramische dakpannen, vlak en ongeglazuurd. Enkele bouwblokken kunnen worden voorzien van een andere kleur dakpan. De patiowoningen hebben een plat dak. Op platte daken zijn sedum- of grasdaken mogelijk.  Zonnepanelen worden als een aaneengesloten vlak of in lijn aangebracht evenwijdig aan de nok.  Eventuele dakdoorvoeren, warmtepompen, schoorstenen en of andere installaties zijn onderdeel van de architectuur en zo min mogelijk waarneembaar vanaf openbaar gebied.  Natuurinclusieve maatregelen worden meegenomen in de architectuur.

Erfgrenzen  Op de overgang openbaar-privé aan de voorzijde van de woningen wordt een lage haag toegepast of krijgt de voortuin een groene inrichting.  Bij enkele blokken rijwoningen wordt de voorruimte ingericht als een (privé) stoepje.  De tuinen die grenzen aan het openbaar gebied zijn voorzien van een begroeid hekwerk, met een hoogte van circa 1,8 m.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

13

bestemmingsplan Oostrum-Oost

14

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Sfeerimpressies woningontwerpen

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

15

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:  Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;  Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;  Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

16

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Met het onderhavige plan wordt de realisatie van 59 wooneenheden mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling, welke getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Vandaar dat er laddertoets is uitgevoerd waarin een onderbouwing wordt gegeven van de kwantitatieve en kwalitatieve vraag in Oostrum en een confrontatie met het planaanbod. De toets is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.

Het onderhavige planvoornemen speelt in op de huidige kwantitatieve en kwalitatieve vraag in Oostrum. Het plan voorziet in de lokale woonwensen en speelt in belangrijke mate in op de vraag van starters en doorstromers op de woningmarkt. Daarnaast geeft realisatie van woningen op deze locatie een belangrijke kwalitatieve impuls aan de kern Oostrum. Voor de locatie zijn geen geschikte binnenstedelijke alternatieven binnen Oostrum voorhanden. Het plan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro aan de plantoelichting stelt.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid beduidend slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. De provincie heeft de ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij worden kansen gezien om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving liggen. De provincie wil samen met haar partners een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren. Een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen.

Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. Zodoende faciliteert de provincie flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleren zij flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

17

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Daarnaast laat de provincie de component ‘wonen’ méér zijn dan alleen de spreekwoordelijke stenen. Door in samenhang naar woonopgaves te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wil de provincie verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling omvat in lijn met de omgevingsvisie zowel betaalbare, als levensloopbestendige woningen. Er is sprake van een duurzame verstedelijking, zie ook subparagraaf 3.1.3. Er wordt aangesloten bij de regionale en gemeentelijke woonvisie, zoals onderbouwd in subparagrafen 3.3.1 en 3.4.2. Daarmee past het voornemen binnen de Provinciale Omgevingsvisie.

3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid juridische binding te geven. Er moet voldaan worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets heeft reeds plaatsgevonden in het kader van het nationale beleid (zie subparagraaf 3.1.3). Tevens is aangegeven dat de mogelijkheden voor hergebruik van leegstaande monumentale en beeldbepalende panden dienen te worden bezien. Planspecifiek Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied ligt binnen de zone 'Landelijk gebied'. Zodoende is subparagraaf 3.1.3 onderbouwd dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verder blijkt uit de kaarten dat de noordzijde van plangebied gelegen is binnen de bronsgroene landschapszone. Volgens artikel 2.7.2 dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene landschapszone, een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.

Het plangebied bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit een grasveld en reeds bestaande bebouwing in de vorm van een opstal. Ter plaatse zijn geen bijzondere landschapselementen aanwezig. Gezien het huidige gebruik van het perceel en feit dat het nieuwe woongebied landschappelijk wordt ingepast met een groene zone, zullen de kernkwaliteiten niet worden aangetast. De ligging binnen de bronsgroene landschapszone vormt daarom geen belemmering. Daarnaast ligt het plangebied binnen een extensiveringsgebied voor intensieve veehouderij. Aangezien het voorliggende initiatief geen betrekking heeft op een veehouderij, vormt deze ligging geen belemmering. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. De Omgevingsverordening Limburg 2014 leidt niet tot beperkingen voor het planvoornemen.

3.2.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

18

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 14 september 2020, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo, Venray sturing geven aan de regionale woningmarkt. Bij nieuwbouw kiest de regio ervoor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. De basis hiervoor wordt gevormd door huishoudensprognoses, de referentieprognose is Progneff, maar (indien kwalitatief wenselijk) blijft er ruimte om de ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Dit is geen vrijbrief om ongebreideld woningbouwplannen toe te voegen. Hiervoor zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen (ook Ruimte voor Ruimte plannen worden hieraan getoetst). Hieronder worden de regionale uitgangspunten weergegeven:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  Nastreven sociaal duurzame woonconcepten;  Aansluiting zoeken op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Planspecifiek Het voorliggende woningbouwinitiatief voldoet aan de gestelde uitgangspunten.

De beoogde nieuwbouwwoningen zijn energiezuiniger en voldoen over het algemeen beter aan de behoefte van de toekomst. Ook worden er levensloopbestendige woningen gerealiseerd en wordt voorzien in de kwalitatieve behoefte. In de gemeente Venray is een grote vraag naar grondgebonden woningen die inspelen op de vraag van starters, jonge gezinnen en oudere doorstromers. Daarnaast is de vraag van huishoudens uit de gemeente Venray, en ook uit Oostrum, sterk gericht op een koopwoning en in beperkte mate een huurwoning. Het woningbouwprogramma van Oostrum-Oost sluit hierbij aan. De woningen worden landschappelijk ingepast doormiddel van het creëren van een stevig groen kader met beplanting. Zodoende vindt een versterking plaats van het openbaar groen en het landschap.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Venray

De gemeenteraad van Venray heeft op 2 november 2021 de Omgevingsvisie Venray vastgesteld. In de omgevingsvisie laat de gemeente zien voor welke uitdagingen zij staan en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De belangrijke waarden van Venray wil de gemeente beschermen en versterken. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. In de omgevingsvisie komen de verschillende opgaven samen in vier integrale hoofdambities voor de komende 10 à 20 jaar:  Groen wonen voor iedereen;  een gezond Venray heeft de toekomst;  Venray bloeit, bruist en boeit;  Natuurlijk Venray. Wonen Venray gaat voor een aantrekkelijk en duurzaam woonklimaat. De gemeente zet in op voldoende betaalbare woningen en nultredenwoningen zodat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen. In de kern Venray richten we ons hierbij vooral op inbreiding en herontwikkeling; hier vindt 90% van de nieuwbouw binnenstedelijk plaats (in de dorpen is dat ca. 50%). Hierbij waken we ervoor dat er in de woonomgeving voldoende ruimte voor groen blijft om te bewegen en te ontmoeten. Ook het

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

19

bestemmingsplan Oostrum-Oost

veranderende klimaat vraagt om meer ruimte voor water en groen. De gemeente stimuleert inwoners van Venray om ook hun steentje bij te dragen aan het klimaat door hun eigen woning te verduurzamen en te vergroenen. In het programma Wonen ‘Koers op Wonen’ zet de gemeente zich in voor het oplossen van het urgente woningtekort en het verhogen van de woonkwaliteit. Dit doen we door te versnellen, vergroten, veranderen en verduurzamen. Planspecifiek Onderhavige woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan het oplossen van het woningtekort en vormt met onder andere betaalbare en gelijkvloerse woningen een aanvulling op het reeds bestaande woningaanbod. Ook is het onderhavige initiatief opgenomen in het Woningbouwprogramma voor de kern Oostrum. Daarnaast hanteert de gemeente bij nieuwe, grotere woningbouwplannen een streefdoel van 20% (openbaar) groen en water binnen het plangebied. Hieraan wordt met 18% nagenoeg voldaan. Gelet hierop past het planvoornemen binnen de woonambities van de gemeente Venray. 3.4.2

Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026

In het verlengde van de omgevingsvisie heeft Venray het Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 “Verder bouwen aan de toekomst van Venray” opgesteld. Dit is door de Raad op 15 februari 2022 vastgesteld als opvolger van de Woonvisie 2017-2021. Hierin wordt niet alleen aandacht besteed aan de demografische ontwikkelingen, maar ook aan de sterk opgelopen druk op de woningmarkt in alle sectoren. De gemeente constateert dat vooralsnog geen sprake meer is van de eerder aangenomen bevolkingskrimp, die mogelijk een stuk later zal intreden (als die zich al gaat voordoen). Zij constateert een behoefte aan grote diversiteit in het woonprogramma. In dat verband onderscheidt de gemeente 5 kernopgaven. In het kader van de onderhavige ontwikkeling zijn de volgende relevant: 1. Snel voldoende woningen bouwen: a. een bouwproductie van minimaal 2.000 tot 2035; b. waarvan minimaal 1.500 in de komende 10 jaar (gemiddeld ca 150 per jaar); 2. Gevarieerd aanbod: a. een goede differentiatie van de nieuwbouw, passend bij de behoefte van de toekomst; b. focus op betaalbaarheid in koop en huur; c. niet meer van hetzelfde, maar meer variatie in vorm, techniek en doelgroepen; d. meer sturing en regie op type en prijsklassen van nieuwe woningen, passend bij behoefte en opgaven; e. een daarbij passend stelsel van maatregelen, afspraken en instrumenten; f.

focus op aanpassing bestaande voorraad (levensloopgeschikt maken). De gemeente zet in op differentiatie van de nieuwbouw. Hierbij ligt een sterke focus op betaalbare woningen in koop en huur. De primaire voorkeur voor een grondgebonden woning is in alle kernen binnen de gemeente dominant aanwezig. In Oostrum gaat zelfs 100% van de primaire voorkeur uit naar een grondgebonden woning. Bij woningbouwprojecten vanaf 12 woningen of meer geldt de in het Omgevingsprogramma opgenomen differentiatietabel; 50% betaalbaar, 20% bereikbaar en 30% duur. Planspecifiek In de laddertoets, zie subparagraaf 3.1.3, is onderbouwd dat het programma in belangrijke mate aansluit op de gemeentelijke beleidskaders. Het plan levert een belangrijke bijdrage aan de versnellingsopgave, biedt een gedifferentieerd aanbod en speelt in op de woningbehoefte in Oostrum. Het programma van de ontwikkeling Oostrum-Oost is gebaseerd op basis van afspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente Venray en de ontwikkelaar in 2021. 3.4.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.5

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

20

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Het parkeerbeleid van de gemeente, dat voorschrijft hoeveel parkeerplaatsen moeten worden aangelegd bij een ontwikkeling, is gebaseerd op de kencijfers van het CROW. Voor de uitgangspunten voor het berekenen van de verkeersaantrekkende werking is de ‘Beleidsnota Parkeren’ van de gemeente Venray geraadpleegd. De Beleidsnota stelt dat de hele gemeente Venray ‘matig stedelijk’ is, daarnaast is de hele gemeente behalve de kern Venray aangemerkt als normgebied ‘rest bebouwde kom’. Binnen de bandbreedte gaat de gemeente uit van het gemiddelde kencijfer. Binnen het plangebied worden maximaal 59 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Het woonprogramma bestaat uit de volgende woningtypen:  9 sociale huur rijwoningen, tussen/hoek;  26 koop rijwoningen, tussen/hoek;  16 twee-onder-een-kapwoningen;  6 patiowoningen;  2 bouwkavels vrijstaand. In navolgende tabel is de verkeersgeneratie weergegeven: Categorie en aantal

Kerncijder CROW mvt/etmaal per woning

Verkeersgeneratie Verkeersgeneratie weekdagetmaal werkdagetmaal

Huur, huis, sociale huur 9 eenheden

4,9

45

50

Koop, huis, tussen/hoek 26 eenheden

7,1

185

205

Koop, huis, twee-onder-een-kap 16 eenheden

7,8

125

139

Patiowoningen (huur, huis, sociale huur) 6 eenheden

4,9

30

33

Vrije kavels (koop, huis, vrijstaand) 2 eenheden

8,2

17

19

402

446

Totaal 59 woningen

Op basis van bovenstaande uitgangspunten bedraagt de verkeersaantrekkende werking 399,3 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Bij het toetsen van de wegen wordt uitgegaan van het werkdagetmaal. De CROW-publicatie 381 schrijft hiervoor bij woonfuncties een factor 1,11 voor. De verkeersgeneratie per werkdagetmaal bedraagt 446 motorvoertuigbewegingen. Verdeling verkeer De woningen ter aanvulling van de lintbebouwing aan de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat worden direct op deze wegen ontsloten. De achterliggende woningen worden ontsloten via een lusontsluiting, die op twee plaatsen verbonden is met de bestaande wegenstructuur. Verkeer van/naar woningen kiest doorgaans voor de snelste route van/naar de ontsluitende wegen, in dit geval de N270. Rijden via de zuidelijke ontsluiting in aansluiting op de Mgr. Hanssenstraat zal hierbij voor de meeste woningen aanzienlijk sneller zijn dan via de noordelijke ontsluiting. De verwachting is dat 90% van het verkeer via de zuidelijke ontsluitingsroute van/naar de N270 rijdt en

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

21

bestemmingsplan Oostrum-Oost

10% via de noordelijke ontsluitingsroute.De aanname is dat 85% van het verkeer richting de N270 zal rijden. Een aanzienlijk kleiner deel, circa 15%, zal de auto gebruiken om van en naar het centrum van Venray te rijden. Het verkeer dat via de noordelijk gelegen Spralandweg rijdt zal marginaal zijn. De aansluiting op de aanliggende wegen wordt aan beide zijde gevormd door een gelijkwaardige kruising, met aan de zijde van de Mgr. Hanssenstraat een kruispuntplateau. Dit is passend gezien het snelheidsregime in het plangebied en op de omliggende wegen 30 km/u bedraagt. Conclusie Bij de toedeling van de toename in verkeer aan het infrastructurele netwerk leidt dit op geen van de wegen tot verkeersveiligheids- en leefbaarheidsknelpunten. De ontsluiting van het plangebied is daarmee verkeersveilig in te passen en het extra verkeer kan op een goede manier worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.1.2

Parkeren

De gemeente Venray hanteert de gemeentelijke 'Beleidsnota Parkeernormen', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op december 2013. in de beleidsnota wordt uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, matig stedelijk, voor de totale gemeente. Qua ligging van het plangebied wordt aangesloten bij de normen voor het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’, omdat het nieuwe woongebied deel zal uitmaken van de kern Oostrum. Parkeerbehoefte Binnen het gebied 'rest bebouwde kom' geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor de onderhavige woningbouwontwikkeling is zodoende sprake van een parkeerbehoefte van (59 * 2,0) = 118 parkeerplaatsen. Parkeervoorzieningen Er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Bij de twee-onder-een-kap-kapwoningen, de patiowoningen en de vrijstaande bouwkavels worden op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd. De andere parkeerplaatsen liggen direct aan de straat. Het organiseren van het parkeren voor de woningen past bij de schaal van deze ontwikkeling en het dorp Oostrum. Het bevordert de ontmoeting op straat en biedt ruimte om binnen straatprofielen beplanting en bomen toe te voegen. Hiermee wordt ieder weggedeelte voorzien van opgaand groen.

Parkeertelling

22

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Op eigen terrein:  (Garage +) Oprit: 14 * 1 = 14 parkeerplaatsen  Dubbele oprit: 10 * 2 = 20 parkeerplaatsen In de openbare ruimte:  Haaks: 55 parkeerplaatsen  Langs: 29 parkeerplaatsen Totaal: 118 parkeerplaatsen Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor de ontwikkeling van het plangebied is vanwege de voorgenomen bestemmingswijziging een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Verkennend bodemonderzoek Voor het verkennend bodemonderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse van het erf werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie. Voor het overig terrein werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie, waarbij het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de (oorspronkelijke) teeltlaag wel een aandachtspunt vormde. Op basis van de resultaten de verdachte hypothese voor het erf worden verworpen en de onverdachte hypothese voor het overig terrein worden aangenomen, aangezien in de grond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (NEN en OCB) zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

23

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Wel is plaatselijk in het grondwater een gehalte voor koper (index > 0,5) aangetoond. Uit de resultaten van onderhavig onderzoek kan worden geconcludeerd dat op de locatie in het grondwater heterogeen verhoogde gehalten voor zware metalen aanwezig zijn. In landbouwgebieden is vaker sprake van fluctuerende en heterogeen voorkomende gehalten voor zware metalen in het grondwater en is gekend dat sanerende maatregelen niet zinvol zijn. Derhalve wordt aanbevolen om het grondwater te herbemonsteren en te analyseren op koper. Op basis van de analyseresultaten kan (mogelijk) worden bepaald of er inderdaad sprake is van een fluctuerend en heterogeen verhoogd gehalte voor koper. Zodoende is een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Aanvullend grondwateronderzoek Uit het aanvullend grondwateronderzoek is gebleken dat de concentratie koper in het grondwater bij de herbemonstering 2x zo hoog is als tijdens voorgaand onderzoek. Hierdoor is sprake van een sterke grondwaterverontreiniging met koper. Vergeleken met de resultaten van voorgaand onderzoek kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een sterke fluctuatie voor het kopergehalte in het grondwater.

In landbouwgebieden is vaker sprake van fluctuerende en heterogeen voorkomende gehalten voor zware metalen in het grondwater en is bekend dat sanerende maatregelen niet zinvol zijn. Naar verwachting is het verhoogd gehalte voor koper toe te schrijven aan van nature aanwezig verhoogde concentraties voor zware metalen in het grondwater. Tijdens voorgaand onderzoek zijn in de ondergrond geen verhoogde gehalten voor koper aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. Tevens zijn geen puntbronnen of overige activiteiten bekend, die de natuurlijke aanwezigheid van verhoogde concentraties voor koper in het grondwater kunnen weerleggen. De aangetroffen gehalten voor koper in het grondwater vormen bovendien geen risico voor de functie wonen met moestuin. Voor koper betreft de risicogrens in het grondwater 3.500 µg/l voor humane risico’s (wonen en moestuin), terwijl in het aanvullend onderzoek een gehalte van maximaal 120 µg/l is aangetroffen. Voor sproeiwater gewassen (fytotoxiciteit) is de risicogrens gesteld op 200 µg/l. Op basis van de hierboven beschreven redenatie wordt een nader onderzoek naar koper in het grondwater en eventuele sanerende maatregelen niet zinvol geacht. Wel wordt geadviseerd om het ondiepe grondwater niet te gebruiken voor besproeiing van gewassen vanwege de fluctuerende gehalten.

Voor wat betreft de sterke grondwaterverontreiniging met koper wordt het bovenstaande advies overgenomen door de gemeente en kan worden aangesloten bij de bevindingen/conclusie. Gebleken is dat er geen bron voor een verontreiniging met koper op de locatie te verwachten is. Daarnaast blijkt uit de analyseresultaten dat er in het betreffende gebied in zowel de boven- als in de ondergrond verhoogde gehalten aan koper zijn aangetroffen. Het is daarom aannemelijk dat de gemeten verontreiniging met koper een verhoogde achtergrondconcentratie betreft en niet wordt veroorzaakt door een bron op de locatie zelf. Verder onderzoek hiernaar wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Verkennend onderzoek naar asbest erf Voor het verkennend onderzoek naar asbest is voor het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese aangenomen te worden, aangezien zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) asbest is aangetoond boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.).

Rondom de schuur, waar in het verleden asbesthoudende dakbedekking aanwezig is geweest, zijn zowel in de contactlaag (0,0-0,1 m-mv) ter plaatse van de voormalige druppelzones als in de bovengrond met asbestverdacht plaatmateriaal, gehalten voor asbest aangetoond boven de interventiewaarde (voorlopig tot 4.923 mg/kg d.s.). Het betreft voornamelijk niet hecht-gebonden asbest, waarbij in de druppelzones tevens respirabele vezels (fractie < 0,5 mm) zijn aangetroffen. Ten westen van de schuur, waar eveneens asbest op maaiveld is aangetroffen, is in de bovengrond zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. De verontreinig met asbest lijkt zich te concentreren in de voormalige druppelzones (voornamelijk niet-hechtgebonden asbest), aan de noord en zuidzijde van de schuur, en in de bovengrond ten oosten van de schuur. Nader onderzoek is noodzakelijk om de exacte omvang en spoedeisendheid te bepalen.

24

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan, mits nader onderzoek wordt uitgevoerd naar de ernstige verontreiniging met asbest rondom de schuur. Het uitvoeren van nader onderzoek is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Op basis van de resultaten van de nadere onderzoeken wordt bepaald in welke mate sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.

Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

25

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Wegverkeerslawaai Op de wegen in (de directe omgeving van) het plangebied bedraagt de maximumsnelheid 30 km/uur. Deze wegen hebben geen wettelijke zone. Desondanks is ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. De gecumuleerde geluidbelasting (inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt ter plaatse van de twee-onder-een-kap-woningen aan de Geysterseweg, maximaal 51 dB. De voorkeursgrenswaarde (die enkel voor gezoneerde wegen van toepassing is) wordt overschreden. Op de gevels die niet georiënteerd zijn op de Geysterseweg en de overige woningen in het plangebied, bedraagt de geluidbelasting niet meer dan 48 dB. Het is mogelijk voor de twee-onder-een-kap-woningen met aanvullende eisen ten aanzien van de geluidwering in de woningen te zorgen voor een acceptabel woon- en leefklimaat. Hiermee kan aangesloten worden bij de gestelde in het gemeentelijk geluidbeleid (‘voldoen aan de wettelijke normen aangaande de toelaatbare binnengeluidniveaus in geluidgevoelige vertrekken’). Zodoende is vanuit het aspect wegverkeerslawaai sprake van een goede ruimtelijke ordening. Railverkeerslawaai De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.

Industrielawaai De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

26

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

bestemmingsplan Oostrum-Oost

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen een bedrijfsfunctie aan de Geysterseweg 1, een metaalbewerkingsbedrijf aan de Geysterseweg 9a en een maatschappelijke/kantoorfunctie aan de Mgr. Hanssenstraat 57. Op basis van de VNG-brochure is het gebied aan te merken als een gemengd gebied, vanwege de matige functiemenging en de ligging aan een ontsluitingsweg. Adres

Milieucategorie

Maatgevende aspect Richtafstand Feitelijke (m) afstand (m)

Geysterseweg 1

2

Geluid

10

30

Geysterseweg 9a

3.1

Geluid

30

35

1

Geluid

10

80

Mgr. Hanssenstraat 57

Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel reiken de richtafstanden van de bedrijven niet tot de beoogde woningen. Deze inrichtingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien zijn bestaande woningen dichterbij gelegen en dus maatgevend voor de mogelijkheden van de betreffende bedrijven. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Oostrum-Oost" (concept)

27

bestemmingsplan Oostrum-Oost

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 59 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBMregeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12762417/1